Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:968

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17/00106
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:1166, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzuimboete vanwege niet-tijdig betalen mrb terecht opgelegd?; belanghebbende heeft rekening met uiterste betaaldatum niet ontvangen; inspecteur heeft in hoger beroep verzendrapport ingebracht; belanghebbende slaagt niet in ontzenuwen van vermoeden dat de rekening op zijn adres is ontvangen/aangeboden; is belanghebbende ten onrechte niet gehoord?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/847
V-N 2018/34.20 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 18-04-2018
FutD 2018-1152
NTFR 2018/1132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00106

22 maart 2018

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

tegen de uitspraak van 16 februari 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/23 van de Rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 9 oktober 2015 over het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 een naheffingsaanslag motorrijtuigen-belasting opgelegd van € 202, alsmede bij beschikking een boete van € 158.

1.2.

Na hiertegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, met dagtekening 14 december 2015, de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur met betrekking tot de boetebeschikking beroep ingesteld bij de rechtbank; tevens heeft hij beroep ingesteld inzake een aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met dagtekening 4 juni 2015. Bij uitspraak van 16 februari 2017 heeft de rechtbank:

- het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van 4 juni 2015;

- het beroep tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 gegrond verklaard;

- de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking van 9 oktober 2015;

- de boetebeschikking van 9 oktober 2015 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- de griffier opgedragen het beroepschrift op de voet van artikel 6:15, tweede lid, Awb door te zenden aan de inspecteur ter behandeling als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van 4 juni 2015;

- de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 februari 2017 en gemotiveerd bij brief van 28 maart 2017. De gronden van het hoger beroep zijn door de griffie op 28 maart 2017 aan belanghebbende verzonden.

1.5.

Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Belanghebbende is verschenen. Namens de inspecteur is verschenen mr. M.A.E. Bonhof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“1. Eiser is volgens de kentekenregistratie met ingang van 6 maart 2015 houder van een [auto] met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is 24 april 2002.

(…)

3. Verweerder heeft met dagtekening 9 oktober 2015, wegens het uitblijven van de betaling, de onder het procesverloop genoemde naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan nog het volgende toe.

2.3.

Belanghebbende heeft met dagtekening 4 juni 2015 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen voor het eerste (verkorte) tijdvak 6 maart 2015 tot en met 23 april 2015. De naheffingsaanslag is zonder boete opgelegd. In de toelichting is de verzuimmededeling ex paragraaf 33, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) opgenomen. Omdat het een eerste betaalverzuim betrof, is er geen boete opgelegd. Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag van € 108 betaald op 15 juni 2015.

2.4.

In hoger beroep heeft de inspecteur een rapport overgelegd, gedagtekend 27 maart 2017, opgesteld door [Medewerker belastingdienst] (Belastingdienst/Centrale Administratie Processen te Apeldoorn). In dit rapport is vermeld dat voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 op naam van belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting is aangemaakt met dagtekening 27 juli 2015. Voorts wordt in het rapport beschreven hoe het interne proces is verlopen vanaf het aanmaken van deze rekening tot aan de terpostbezorging ervan. In het rapport is vermeld dat de rekening op 21 juli 2015 aan het postbedrijf is aangeboden ter verzending naar het door belanghebbende opgegeven adres. Op de rekening is een uiterste betaaldatum vermeld van 26 augustus 2015.

2.5.

De inspecteur heeft in zijn ‘Mededeling Motorrijtuigenbelasting Ontvangst bezwaarschrift’ van 17 oktober 2015 onder meer het volgende opgenomen:

“Ik heb uw bezwaarschrift in behandeling genomen. U hebt het recht om gehoord te worden. Dit betekent dat u in de gelegenheid wordt gesteld uw bezwaar mondeling toe te lichten als u daarom verzoekt.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is tussen partijen in geschil of de onder 1.1 vermelde verzuimboete terecht is opgelegd

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt omtrent het geschil overwogen:

“6. Voor zover het beroep zich richt tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 overweegt de rechtbank als volgt.

7. Op grond van artikel 37 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb) in verbinding met artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

8. Paragraaf 33 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB), onderdeel 1, tweede alinea luidt:

“Om aan de houder kenbaar te maken dat, hoeveel en voor welk tijdvak belasting voor het motorrijtuig verschuldigd is, zendt de inspecteur aan de houder een rekening met daarop het verschuldigde belastingbedrag. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste betaaldatum, waarop het bedrag moet zijn betaald. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Indien het verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de betaaldatum is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.”

9. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij stelt dat de boetebeschikking moet worden vernietigd, omdat hij geen rekening motorrijtuigenbelasting heeft ontvangen voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 en daardoor niet in de gelegenheid is gesteld om de motorrijtuigenbelasting tijdig te betalen en een boete te voorkomen.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de motorrijtuigenbelasting volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet mrb dient te zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. Eiser is zelf verantwoordelijk voor tijdige betaling. Het verzenden van een rekening is niet gebaseerd op een wettelijke verplichting en moet worden beschouwd als een service. Ook als geen rekening wordt ontvangen, dient de belasting tijdig te worden voldaan. Nu sprake is van een tweede of volgend verzuim om de motorrijtuigenbelasting tijdig te betalen is de boete terecht opgelegd.

11. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de artikelen 14 en 15 van de Wet mrb de houder van het motorrijtuig de belasting op aangifte moet voldoen en dat de belasting moet zijn betaald voor de aanvang van het tijdvak waarover moet worden betaald. Als de belasting niet tijdig is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20, eerst lid, van de AWR een naheffingsaanslag opleggen. De wet vereist niet dat de belastingplichtige eerst middels een rekening in de gelegenheid moet worden gesteld de motorrijtuigenbelasting te betalen alvorens tot naheffing kan worden overgegaan.

12. Ingevolge de hiervoor onder 8 geciteerde tekst van paragraaf 33, onderdeel 1, tweede alinea, van het BBBB is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR als de voor het tijdvak verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet vóór de op de rekening vermelde uiterste betaaldatum is voldaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan hiervoor ten aanzien van de naheffingsaanslag is overwogen, de belastingplichtige wel middels een rekening of anderszins in kennis moet worden gesteld van de uiterste datum waarop de motorrijtuigenbelasting moet zijn voldaan alvorens hem na het verstrijken van die datum een verzuimboete wegens niet tijdig betalen van de op aangifte verschuldigde motorrijtuigenbelasting kan worden opgelegd.

13. Eiser stelt dat hij de rekening motorijtuigenbelasting over het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 niet heeft ontvangen en dus niet op de hoogte was van de daarin vermelde uiterste betaaldatum. Het is in beginsel aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de rekening op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de rekening op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416).

14. Bij de stukken bevindt zich een systeemuitdraai van een op naam van eiser gestelde rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 met dagtekening 27 juli 2015 en met een uiterste betaaldatum van 26 augustus 2015. Aangezien verweerder geen bewijs van verzending van de rekening heeft geleverd, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de rekening op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden.

15. Omdat niet aannemelijk is dat de rekening met daarin de uiterste betaaldatum voor de motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 24 juli 2015 tot en met 23 oktober 2015 op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden en gesteld noch gebleken is dat eiser anderszins tijdig van de uiterste betaaldatum op de hoogte was, kan de aan hem opgelegde boete niet in stand blijven.

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 gegrond te worden verklaard. Bij deze uitkomst behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen bespreking, aangezien hij daardoor niet in een fiscaal gunstigere positie kan komen te verkeren dan thans het geval is.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

De inspecteur stelt primair dat, nu het hier een voldoeningsbelasting betreft, enkel uit serviceoverwegingen aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting wordt verzonden. De rekening bevat slechts een mededeling van het verschuldigde belastingbedrag. Voorts vermeldt de rekening, vergezeld van een acceptgirokaart, de uiterste betaaldatum. Deze datum ligt gewoonlijk ongeveer vier weken na de aanvang van het desbetreffende tijdvak. Aangezien in de toepasselijke wettelijke bepaling (artikel 15 Wet mrb) is voorgeschreven dat de verschuldigde belasting vóór de aanvang van het tijdvak moet zijn betaald, wordt deze wettelijke termijn met het verzenden van de rekening motorrijtuigenbelasting hoogstens opgeschort (als de uiterste betaaldatum is gelegen na de aanvang van het tijdvak). Dit doet niet af aan de wettelijke verplichting van belanghebbende om uit eigen beweging de verschuldigde belasting tijdig te voldoen. Indien het verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de uiterste betaaldatum is voldaan, kan de inspecteur overgaan tot naheffing van het verschuldigde belastingbedrag en is bovendien sprake van een verzuim in de zin artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zodat de inspecteur op de voet van deze bepaling een verzuimboete kan opleggen. Belanghebbende heeft immers niet aan zijn wettelijke verplichting voldaan om de verschuldigde motorrijtuigenbelasting tijdig te voldoen. Of belanghebbende de desbetreffende rekening al dan niet heeft ontvangen doet niets af aan deze wettelijke verplichting, zodat het niet ontvangen van de rekening evenmin een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld kan opleveren, zo stelt de inspecteur.

5.1.2.

Mocht het Hof van oordeel zijn dat de belastingplichtige door middel van een rekening motorrijtuigenbelasting of anderszins in kennis moet worden gesteld van de uiterste betaaldatum alvorens hem een verzuimboete wegens niet-tijdig betalen kan worden opgelegd, dan stelt de inspecteur subsidiair dat uit het bij het hoger beroepschrift bijgesloten verzendrapport blijkt dat de rekening op de juiste wijze en naar het juiste adres is verzonden. Hieraan verbindt de inspecteur de conclusie dat terecht een verzuimboete is opgelegd, aangezien sprake is van een tweede verzuim.

5.2.

Belanghebbende verzoekt het Hof de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Staat het niet mededelen aan belanghebbende van de uiterste betaaldatum in de weg aan het opleggen van een verzuimboete?

5.3.1.

Het Hof onderschrijft het in de onderdelen 11 en 12 van de uitspraak door de rechtbank aangebrachte onderscheid tussen enerzijds het wettelijke stelsel op grond waarvan tot naheffing kan worden overgegaan, en anderzijds het boetebeleid van de staatssecretaris van Financiën waarin is geformuleerd in welke gevallen een verzuimboete kan worden opgelegd.

5.3.2.

Met betrekking tot het boetebeleid overweegt het Hof als volgt. In paragraaf 33, onderdeel 1, tweede alinea van het BBBB, zoals weergegeven in onderdeel 8 van de uitspraak van de rechtbank, is in de eerste twee volzinnen vastgelegd dat de inspecteur aan de houder van een motorrijtuig de verschuldigde belasting kenbaar maakt door een rekening te zenden met daarop vermeld het verschuldigde belastingbedrag en de uiterste betaaldatum. Vervolgens wordt in de derde volzin bepaald dat deze (uiterste) betaaldatum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Tot slot wordt in de vierde volzin van de genoemde paragraaf bepaald dat van een verzuim – als bedoeld in artikel 67c van de AWR – sprake is indien de verschuldigde belasting “(…) niet op de betaaldatum is voldaan (…)”.

5.3.3.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat uit het in deze volzinnen van paragraaf 33 van het BBBB geformuleerde boetebeleid volgt dat de belastingplichtige eerst door middel van een rekening (of anderszins) in kennis moet zijn gesteld van de uiterste betaaldatum (die kan liggen na de aanvang van het relevante tijdvak), alvorens sprake kan zijn van het opleggen van een verzuimboete wegens niet-tijdige betaling. In de vierde volzin wordt immers expliciet bepaald dat van een verzuim in de zin van artikel 67c AWR (slechts) sprake is indien het verschuldigde belastingbedrag (gedeeltelijk) niet “op de betaaldatum” is voldaan. Uit de samenhang met de eerste volzin volgt dan dat belanghebbende tevoren in kennis moet zijn gesteld van deze uiterste betaaldatum. Het primaire standpunt van de inspecteur wordt derhalve verworpen.

Is de rekening op het adres van belanghebbende ontvangen of aangeboden?

5.4.1.

Uit het vorengaande volgt dat het Hof toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire standpunt van de inspecteur. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de rekening met betrekking tot onderhavig tijdvak op het adres van belanghebbende is aangeboden of ontvangen, heeft de inspecteur het onder 2.4 vermelde verzendrapport overgelegd. In het rapport wordt beschreven hoe het proces van het aanmaken van de in het geding zijnde rekening tot aan de aanbieding ter postbezorging op 21 juli 2015 is verlopen. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur het juiste adres van belanghebbende heeft gehanteerd en dat de inspecteur – door middel van overlegging van het verzendrapport – het bewijs heeft geleverd van verzending van de rekening aan dit adres. Het Hof zal voor de beoordeling of de rekening op het adres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden aansluiting zoeken bij het door de Hoge Raad geformuleerde bewijsvermoeden in geval van het bewijs van verzending naar het juiste adres van stukken (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, nr. 41.882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, r.o. 3.2.2):

“In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36 898, BNB 2003/14, onderdeel 3.2.4). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.”

5.4.2.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de inspecteur – door middel van overlegging van het verzendrapport – het bewijs heeft geleverd van verzending van de rekening naar het juiste adres, is het aan belanghebbende om het vermoeden van de ontvangst of aanbieding van de rekening op zijn adres te ontzenuwen. Met hetgeen belanghebbende ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd – zoals zijn algemene stelling dat bij verzending per niet-aangetekende post soms stukken zoekraken, gevolgd door zijn opmerkingen dat de postbezorging bij hem goed gaat omdat hij in een vrijstaand huis met een afzonderlijke brievenbus woont en dat dit anders zou zijn als hij in een complex met een algemene ingang en een centrale brievenbus zou wonen – heeft belanghebbende het bewijsvermoeden niet ontzenuwd.

5.4.3.

Het Hof is – met inachtneming van het vorengaande – van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de rekening met betrekking tot onderhavig tijdvak is ontvangen of aangeboden op het adres van belanghebbende, nu belanghebbende er niet in is geslaagd het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de rekening te ontzenuwen. Gelet op de datum van verzending van de rekening (21 juli 2015) heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat belanghebbende tevoren in kennis is gesteld van de uiterste betaaldatum ter zake van het onderhavige tijdvak (26 augustus 2015). Nu vaststaat dat belanghebbende de verschuldigde motorrijtuigenbelasting op deze uiterste betaaldatum niet heeft voldaan, heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht een verzuimboete opgelegd aan belanghebbende, aangezien sprake is van een tweede verzuim als bedoeld in paragraaf 33, tweede lid, BBBB. Het hoger beroep van de inspecteur is daarmee gegrond en de rechtbank heeft de genoemde boete ten onrechte vernietigd.

5.4.4.

In het hoger beroepschrift heeft de inspecteur geconcludeerd dat de verzuimboete moet worden verminderd tot € 52, onder verwijzing naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 september 2016 (kenmerk BLKB 2016-139338, Stcrt. 2016, 47203, V-N 2016/46.17.18). Het Hof ziet geen aanleiding voor een verdere vermindering en acht een boete van € 52 passend en geboden.

Schending recht te worden gehoord?

5.5.1.

Bij deze stand van zaken herleven de overige door belanghebbende in eerste aanleg aangevoerde grieven (vgl. HR 20 november 2015, nr. 14/06088, ECLI:NL:HR:2015:3311, BNB 2016/35, r.o. 2.7.4). Dientengevolge zal het Hof de klacht van belanghebbende beoordelen, die inhoudt dat zijn recht is geschonden om gedurende de bezwaarfase te worden gehoord.

5.5.2.

In de onder 2.5 vermelde ‘Mededeling Motorrijtuigenbelasting Ontvangst bezwaarschrift’ heeft de inspecteur belanghebbende gewezen op zijn recht te worden gehoord en heeft hij daaraan toegevoegd “dat u in de gelegenheid wordt gesteld uw bezwaar mondeling toe te lichten als u daarom verzoekt”. Daarmee was redelijkerwijs niet voor misverstand vatbaar dat het vervolgens op de weg van belanghebbende lag om op enigerlei wijze contact te zoeken met de Belastingdienst, indien hij van zijn hoorrecht gebruik wenste te maken. Vast staat dat belanghebbende gedurende de bezwaarfase niet heeft verzocht om te worden gehoord. Belanghebbende heeft dit ter zitting in hoger beroep erkend. Met inachtneming van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat de klacht van belanghebbende dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden dient te worden verworpen.

Slotsom

5.6.

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing inzake de boetebeschikking van 9 oktober 2015. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de boetebeschikking dient eveneens te worden vernietigd. De boete zal door het Hof worden verminderd tot € 52.

6 Kosten

Nu aan belanghebbende geen rechtsbijstand is verleend en andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing inzake de boetebeschikking van 9 oktober 2015;

  • -

    verklaart het beroep tegen de boetebeschikking van 9 oktober 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de boetebeschikking; en

  • -

    vermindert de boete tot € 52.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 22 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.