Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:963

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
200.221.471/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toegewezen en door hof bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.221.471/01 KG

zaaknummer rechtbank : C/15/258943/KG ZA 17-373

arrest van de meervoudige familiekamer van 20 maart 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

APPELLANT,

tevens VERZOEKER in het incident,

advocaat: mr. M.E. Groot te Purmerend,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , België,

GEÏNTIMEERDE,

tevens VERWEERSTER in het incident,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 10 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2017, in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

De dagvaarding bevat de grieven, alsmede een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, met producties;

- akte inbreng producties aan de zijde van de man;

- antwoordakte tevens vermeerdering en/of wijziging van eis aan de zijde van de vrouw;

- antwoordakte aan de zijde van de man.

In de hoofdzaak heeft de man geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van de vrouw zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

De vrouw heeft in de memorie van antwoord geconcludeerd tot:

- niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vordering, althans tot afwijzing daarvan als zijnde ongegrond en/of niet bewezen;

- het verbinden van gevolgen die het hof geraden voorkomen aan de schending van artikel 21 Rv door de man;

- de man te veroordelen in de kosten van het geding, zowel in die van de eerste aanleg als die van het hoger beroep en in de nakosten.

Bij antwoordakte, door de vrouw genoemd antwoordakte tevens vermeerdering en/of wijziging eis heeft de vrouw voorts geconcludeerd tot het verlenen door het hof van aanvullend verlof om het vonnis van het Vredegerecht van het kanton Tongeren-Voeren, zetel Tongeren van 3 mei 2013 met formulier zoals op 1 september 2016 aan de man betekend ten uitvoer te doen leggen bij lijfsdwang en de man gedurende zes maanden (aanvullend ten opzichte van het vonnis waarvan beroep) in gijzeling te doen stellen totdat de man een bedrag van € 21.350,- (kinderalimentatie tot en met maart 2018) alsmede € 350,- aan kinderalimentatie per maand per 1 april 2018 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw heeft voldaan.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen hebben een relatie gehad, uit welke relatie [in] 2006 [de minderjarige] is geboren. De vrouw en [de minderjarige] wonen sinds de verbreking van de relatie in 2009 in België. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van het Vredegerecht van het kanton Tongeren-Voeren, zetel Tongeren, van 25 april 2013 is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een jaarlijks te indexeren en alles omvattende onderhoudsverplichting ten behoeve van [de minderjarige] van € 350,- per maand met ingang van 1 maart 2013. Voornoemd Vredegerecht heeft op 27 juli 2016 een formulier afgegeven als bedoeld in de artikelen 20 en 48 van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008. Het vonnis van 25 april 2013 en het formulier van 27 juli 2016 zijn op 1 september 2016 aan de man betekend. De man is bevolen een bedrag van € 15.142,48 aan alimentatieachterstand aan de vrouw te betalen.

3.2.

Tot op heden heeft de man uit hoofde van het vonnis van 25 april 2013 niets aan de vrouw voldaan. Blijkens een brief van N. de Groot, werkzaam bij AGIN Pranger gerechtsdeurwaarders, van 4 mei 2017 is bij de man geen voor beslag vatbaar vermogen aangetroffen.

3.3.

De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren, verlof te verlenen om het Belgische vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en de man in gijzeling te doen stellen totdat de man een bedrag van € 18.900,- (kinderalimentatie tot en met juli 2017) alsmede € 350,- aan kinderalimentatie per maand per 1 augustus 2017 aan de vrouw heeft voldaan. Voorts heeft de vrouw de wettelijke rente over de achterstallige betalingen, de buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van de man in de proceskosten gevorderd.

3.4.

De voorzieningenrechter heeft de gevorderde tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toegewezen. De vrouw kan in verband daarmee de man in gijzeling doen stellen totdat de vordering uit achterstallige alimentatiebetalingen tot en met juli 2017 groot € 18.550,- is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling pas zal mogen plaatsvinden vanaf twee maanden na betekening van dit vonnis en ten hoogste zes maanden zal duren. De man is veroordeeld in de proceskosten en de zogeheten nakosten. De voorzieningenrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5.

Namens de man is bij rolbericht van 10 oktober 2017 meegedeeld dat de man op voornoemde datum een brief van de deurwaarder heeft ontvangen dat hij zich op donderdag 12 oktober 2017 dient te melden bij het huis van bewaring. In de akte van de vrouw van 23 januari 2018 is vermeld dat de man op voornoemde datum daadwerkelijk in gijzeling is genomen.

3.6.

De man heeft vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Het hof zal deze grieven hierna bespreken, waar mogelijk gezamenlijk.

3.7.

De eerste grief van de man richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht. In dit verband stelt de man in hoger beroep dat hij zich tijdens de relatie met de vrouw hobbymatig bezighield met paarden, onder de naam [de stoeterij] , aldus de man. Bij de aanvang van de relatie met de vrouw had hij circa 15 paarden. Bij het uiteengaan heeft de vrouw drie paarden meegenomen. De man behield de overige paarden. Tussen 2007 en 2010 heeft de man 15 paarden verkocht. Er bleven toen nog enkele paarden over. Door het faillissement van zijn eenmanszaak heeft de man alle paarden moeten verkopen. Volgens de man heeft hij ongeveer acht paarden aan zijn huidige partner verkocht. Zij exploiteert inmiddels een onderneming onder de naam [de stoeterij] , derhalve onder dezelfde naam als de onderneming die de man voorheen exploiteerde. De naam van de man is nog vermeld op de website van [de stoeterij] omdat het doel van een website is zoveel mogelijk klanten te trekken. Een onderneming straalt meer vertrouwen op de website uit indien daar staat vermeld dat de onderneming al langere tijd bestaat en er meerdere mensen voor de onderneming werken, aldus nog steeds de man in zijn memorie van grieven. Naast de zorg voor de twee kinderen die de man heeft met zijn huidige partner werkt de man volgens zeggen circa 10 uur per week in de onderneming van zijn partner. Hij ontvangt daarvoor geen vergoeding, maar daar tegenover betaalt zijn partner grotendeels de kosten van de woning en het levensonderhoud. Bij akte inbreng producties heeft de man aangiften inkomstenbelasting van hemzelf en zijn partner in het geding gebracht, waaruit blijkt, aldus de man, dat zijn inkomen al enkele jaren nihil is en het inkomen van zijn echtgenote gering.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.8.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vast staat dat de man nimmer enige betaling aan de vrouw heeft gedaan en zo een aanzienlijke achterstand heeft laten ontstaan ter zake van de door hem aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie. Het hof is van oordeel dat de man op basis van de door hem in hoger beroep overgelegde stukken, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn financiële positie vanaf 2013 dusdanig is dat hij niet in staat was – en thans is - de door hem verschuldigde kinderalimentatie, althans enig bedrag, aan de vrouw te voldoen. In dat kader acht het hof allereerst van belang dat de man – ook in hoger beroep – vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn rol binnen het bedrijf van zijn partner zo beperkt is als door hem wordt geschetst. De man heeft in hoger beroep niet weersproken dat hij op de website van het bedrijf steeds als eerste wordt genoemd in de rol van trainer, coach, fokker (“breeder”) en op de website ook als contactpersoon van de stoeterij wordt vermeld.

Evenals de voorzieningenrechter kan het hof zich vooralsnog niet aan de indruk onttrekken dat het bedrijf in wezen door de man wordt geëxploiteerd, althans dat hij en zijn partner ten minste gelijkwaardig binnen de onderneming functioneren, hetgeen het genieten van inkomsten door de man veronderstelt. De man heeft zelf in dit verband aangegeven dat hij circa 10 uur per week voor de onderneming van zijn echtgenote werkt, dat zijn echtgenote de opbrengsten van de onderneming verkrijgt maar dat zij daar tegenover “grotendeels” de kosten van de woning en het levensonderhoud betaalt. Uit deze toelichting van de man vloeit reeds voort dat de man in ieder geval in de onderneming van zijn echtgenote op geld waardeerbare werkzaamheden verricht, waarbij hij er kennelijk voor kiest geen aanspraak te maken op vergoeding daarvan.

Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de man na 25 april 2013 een verzoek tot nihilstelling, althans verlaging van de door hem verschuldigde kinderalimentatie in België heeft ingediend, hetgeen toch voor de hand had gelegen (en van hem had mogen worden verwacht), indien hij niet in staat was de vastgestelde bijdrage te voldoen. Dat de man thans bij akte inbreng producties stelt dat zijn huidige partner de relatie kort geleden heeft verbroken, verandert het voorgaande niet, nu deze stelling van de man niet is onderbouwd.

3.9.

In het licht van voormelde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet tot de vaststelling worden gekomen dat de man vanaf april 2013 niet in staat is geweest de aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie te voldoen. Het feit dat de man niet voldoet aan zijn betalingsverplichting jegens de vrouw ziet het hof dan ook niet als betalingsonmacht.

3.10.

Voor zover de man thans in grief 2 stelt dat de beslissing van de Belgische rechter op een onjuiste wijze tot stand is gekomen, zodat het volstrekt onredelijk zou zijn indien de man dit niet eerst opnieuw kan laten beoordelen alvorens tot lijfsdwang kan worden overgegaan, gaat het hof hieraan voorbij. De man heeft destijds geen hoger beroep tegen de uitspraak van de Vrederechter ingesteld. De voorzieningenrechter heeft in dit verband terecht overwogen dat aan een beoordeling van de juistheid van de beslissing van de Belgische rechter en of deze beslissing op dit moment nog aan de geldende maatstaven voldoet, niet kan worden toegekomen, en dat de Belgische beslissing in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, nu immers ook buitenlandse rechterlijke beslissingen dienen te worden nagekomen. Er is gelet daarop dan ook geen aanleiding de man thans nog de gelegenheid te geven een dergelijk verzoek te doen onder opschorting van de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling.

3.11.

Het hof merkt in verband met het voorgaande nog op dat de bepaling van artikel 585 lid 1 onder b Rv in de wet staat in verband met de mogelijkheid van executie in Nederland van buitenlandse alimentatievonnissen. Achtergrond is dat moet worden voorkomen dat personen die verplicht zijn een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken zich aan die verplichting zouden kunnen onttrekken zonder zich te bekommeren om het lot van de tot onderhoud gerechtigde. Deze vorm van lijfsdwang is bedoeld voor degenen die zich, zoals de man, aan geregelde arbeid onttrekken en/of aanwezige vermogensbestanddelen op naam van derden zetten. De gewone executiemiddelen schieten in dergelijke gevallen tekort, zodat lijfsdwang als ultimum remedium overblijft. Grief 3 waarin de man stelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte verlof heeft verleend om de man in gijzeling te doen stellen, faalt dan ook. De vrouw heeft simpelweg geen ander dwangmiddel dan dat van lijfsdwang. Dat de man heeft voorgesteld om € 100,- per maand voor [de minderjarige] te betalen, is niet van belang, nu de vrouw kennelijk met dat voorstel niet akkoord is gegaan en het hof als voorzieningenrechter de uitspraak van de Belgische rechter niet kan wijzigen, nog daargelaten dat de man niet heeft aangetoond ondanks de afwijzing van dit bedrag door de vrouw in ieder geval € 100,- voor [de minderjarige] betaald te hebben.

3.12.

De conclusie van al het voorgaande is dat de grieven 1, 2 en 3 falen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De voorzieningenrechter heeft de man op juiste gronden als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld, zodat ook grief 4 faalt.

3.13.

Bij beoordeling van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis heeft de man geen belang meer, nu het hof heden uitspraak doet in de hoofdzaak. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3.14.

Voor zover de vrouw bij antwoord-akte haar eis heeft vermeerderd en vordert dat het hof zal bepalen dat de man aansluitend op de door de voorzieningenrechter genoemde termijn van zes maanden nog zes maanden extra in gijzeling kan worden genomen zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren. Indien de vrouw haar eis had willen vermeerderen had zij dit moeten doen door het instellen van incidenteel hoger beroep tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde maximale termijn van zes maanden en dit hoger beroep – gelet op de in hoger beroep heersende twee-conclusie leer – moeten instellen tegelijk met het nemen van de memorie van antwoord. Omdat de vrouw dat heeft nagelaten is zij in haar vordering niet-ontvankelijk.

3.15.

Het hof ziet, nu partijen ex-partners zijn, aanleiding de kosten van dit hoger beroep te compenseren als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis;

bekrachtigt in de hoofdzaak het vonnis waarvan beroep;

wijst af het door de man meer of anders gevorderde;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering de man aanvullend gedurende zes maanden in gijzeling te doen stellen;

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.R. Sturhoofd en H.A. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.