Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:927

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-000677-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 6 WVW, want niet voldaan aan causaliteitsvereiste. Verkeersongeval is gelet op verkeersgedrag andere verkeersdeelnemer niet in redelijkheid toe te rekenen aan het verkeersgedrag van de verdachte. Wel art. 5 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2019/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000677-17

datum uitspraak: 20 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-679010-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 21 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi) - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Prins Hendrikkade, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde (rechter) onderbeen fractuur, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Prins Hendrikkade, komende uit de richting van de Kattenburgerstraat gaande in de richting van de Schippersgracht,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte is (vervolgens), in strijd met bord D4 (gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven) van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens naar links af gaan slaan,

verdachte is (vervolgens) stil gaan staan op de hoofdrijbaan van de Prins Hendrikkade (voor het verkeer gaande in de richting van de Kattenburgerstraat), waardoor het zicht van een motorrijder, zijnde voornoemde [slachtoffer] - die eveneens de van Prins Hendrikkade bereed, komende uit de richting van de IJtunnel en gaande in de richting van de Kattenburgerstraat en die, gekomen bij de kruising van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, bij groen licht uitstralend verkeerslicht doende was voornoemde kruising (rechtdoor) over te steken - op (een deel van) deze kruising werd ontnomen,

een personenauto, bestuurd door [naam] - die bij groen licht uitstralend verkeerslicht vanaf de parallelweg van de Prins Hendrikkade de Prins Hendrikkade was opgereden en doende was de Prins Hendrikkade over te steken - is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst waardoor aan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 21 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi) - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Prins Hendrikkade, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Prins Hendrikkade, komende uit de richting van de Kattenburgerstraat gaande in de richting van de Schippersgracht,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte is (vervolgens), in strijd met bord D4 (gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven) van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens naar links af gaan slaan, verdachte is (vervolgens) stil gaan staan op de hoofdrijbaan van de Prins Hendrikkade (voor het verkeer gaande in de richting van de Kattenburgerstraat), waardoor het zicht van een motorrijder, zijnde [slachtoffer] - die eveneens de van Prins Hendrikkade bereed, komende uit de richting van de IJtunnel en gaande in de richting van de Kattenburgerstraat en die, gekomen bij de kruising van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, bij groen licht uitstralend verkeerslicht doende was voornoemde kruising (rechtdoor) over te steken - op (een deel van) deze kruising werd ontnomen,

een personenauto, bestuurd door [naam] - die bij groen licht uitstralend verkeerslicht vanaf de parallelweg van de Prins Hendrikkade de Prins Hendrikkade was opgereden en doende was de Prins Hendrikkade over te steken - is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst.

2:
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Prins Hendrikkade, op of omstreeks 21 augustus 2015 te 17.03 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht; (artikel 7 Wegenverkeerswet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor hetgeen hem onder
1 primair ten laste is gelegd. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door drie verkeersfouten te maken, te weten:

  1. door rood licht rijden, dan wel zich er niet van vergewissen of het verkeerslicht nog groen was op het moment dat de verdachte (weer) ging rijden;

  2. linksaf slaan waar dit niet is toegestaan;

  3. stilstaan op een kruispunt terwijl er veel verkeer was.

De eventuele verkeersfouten gemaakt door andere weggebruikers, zoals [naam], zijn niet van belang voor de vaststelling dat de verdachte de in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde mate van schuld heeft gehad aan het ongeval. De aanrijding zou zich zeer waarschijnlijk niet hebben voorgedaan als verdachte daar niet stond, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde omdat de manoeuvre van medeweggebruiker [naam] een belangrijke, zo niet de belangrijkste oorzaak was van de botsing. Dat gegeven moet worden betrokken bij de beantwoording van de schuldvraag, en leidt volgens de raadsman tot de slotsom dat het verkeersongeval niet in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend.

Oordeel hof

Het hof stelt voorop dat in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) onderscheid wordt gemaakt tussen schuld en causaliteit. Het schuldvereiste heeft betrekking op de relatie tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval en wordt ingevuld door het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is daarnaast vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging(en) en het verkeersongeval. Daarbij is het criterium van de ‘redelijke toerekening’ maatgevend. De vraag is dan of het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de schuld van de verdachte.

Het hof stelt vast dat de verdachte meerdere verkeersfouten heeft gemaakt. Ten eerste is de verdachte linksaf geslagen bij een verkeerslicht waar dit niet was toegestaan. Daarnaast heeft hij zich er op het moment van daadwerkelijk afslaan niet van vergewist of het voor hem geldende verkeerslicht nog groen licht uitstraalde. Ten slotte heeft hij stilgestaan op een kruising en daarbij die kruising en het zicht van andere verkeersdeelnemers daarop geblokkeerd. Het gedrag van de verdachte getuigt naar het oordeel van het hof van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Voorts concludeert het hof op grond van de inhoud van het dossier dat [naam] eveneens met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid heeft gehandeld. [naam] kwam vanuit een de verdachte tegemoetkomende ventweg aanrijden, gelegen naast de eveneens – vanuit de aanvankelijke rijrichting van de verdachte – tegemoetkomende rijstroken waarop slachtoffer [slachtoffer] reed. Bij de kruising waarop de verdachte stilstond aangekomen, maakte [naam] een snelle U-bocht naar links, om de voorzijde van de auto van de verdachte heen. Daarbij heeft hij de rijbaan met rechtdoorgaand verkeer waarover [slachtoffer] met zijn motorfiets reed, overgestoken. [slachtoffer] trachtte op dat moment achterom het voertuig van verdachte door te rijden. Aldus is [naam] met de linkervoorzijde van zijn auto tegen [slachtoffer] op diens motorfiets gebotst.

Zowel de verdachte als [naam] hebben derhalve een aandeel gehad in de totstandkoming van het verkeersongeval.

Het openbaar ministerie heeft, op grond van en in overeenstemming met de conclusies van de politie, nog aangevoerd dat het toen en daar voor [naam] niet verboden was een U-bocht uit te voeren. De verkeerstekens ter plaatse bevatten zo een verbod niet, terwijl evenmin kan worden vastgesteld dat [naam] een verkeersteken (verkeerslicht) heeft genegeerd.

Het hof stelt evenwel vast dat het maken van een U-bocht, ook indien dat ter plaatse niet met verkeerstekens is verboden, een bijzondere manoeuvre is in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarbij de uitvoerder met het overige verkeer rekening moet houden en dit zo nodig voorrang moet verlenen. Een gelijksoortig gebod geldt op grond van artikel 18, eerste lid RVV 1990 voor afslaand verkeer.

Vervolgens moet het hof de vraag beantwoorden of het verkeersongeval onder deze omstandigheden in redelijkheid is toe te rekenen aan het verkeersgedrag van de verdachte. Het hof overweegt dat in dit geval rekening moet worden gehouden met het verkeersgedrag van [naam]. Gelet op het verkeersgedrag van [naam] – het maken van een bijzondere manoeuvre met flinke snelheid – en het aandeel dat hij heeft gehad in de botsing, is het hof van oordeel dat het verkeersongeval niet in redelijkheid is toe te rekenen aan het gedrag van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte wel een overtreding van artikel 5 WVW 1994 oplevert.

Beslissing op verzoek nader onderzoek verkeerslichtenschema

De raadsman heeft ter terechtzitting van 6 maart 2018 verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar het schema van de verkeerslichten ten tijde van het ten laste gelegde. De raadsman heeft dit verzoek gekoppeld aan de beoordeling van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Het hof heeft ter terechtzitting van 6 maart 2018 de beslissing op het verzoek aangehouden.

Gelet op de omstandigheid dat het hof de verdachte zal vrijspreken van hetgeen hem onder 1 primair ten laste is gelegd, wordt dit verzoek afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij op 21 augustus 2015 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi) - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Prins Hendrikkade, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Prins Hendrikkade, komende uit de richting van de Kattenburgerstraat gaande in de richting van de Schippersgracht,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, niet gestopt voor een voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte is vervolgens, in strijd met bord D4 (gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven) van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens naar links af gaan slaan,

verdachte is vervolgens stil gaan staan op de hoofdrijbaan van de Prins Hendrikkade (voor het verkeer gaande in de richting van de Kattenburgerstraat), waardoor het zicht van een motorrijder, zijnde [slachtoffer] - die eveneens de van Prins Hendrikkade bereed, komende uit de richting van de IJtunnel en gaande in de richting van de Kattenburgerstraat en die, gekomen bij de kruising van de Prins Hendrikkade met de Schippersgracht, bij groen licht uitstralend verkeerslicht doende was voornoemde kruising (rechtdoor) over te steken - op (een deel van) deze kruising werd ontnomen,

een personenauto, bestuurd door [naam] - die vanaf de parallelweg van de Prins Hendrikkade de Prins Hendrikkade was opgereden en doende was de Prins Hendrikkade over te steken - is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden.

Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en dat aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 door linksaf te slaan waar dat niet mocht, zich er niet van te vergewissen of het in zijn richting gekeerd verkeerslicht nog groen was en stil te staan op een kruising waardoor die kruising en het zicht daarop voor andere verkeersdeelnemers werd geblokkeerd. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als beroepsmatig verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 maart 2018 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende en rekening houdend met de draagkracht van de verdachte, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M. Iedema en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van
mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 maart 2018.

[…]