Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:925

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-002765-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft bewust geld onttrokken aan bedrijf ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002765-15

datum uitspraak: 27 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-996506-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 mei 2016, 5 april 2017, 13 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als

door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof aanvullend de in hoger beroep opgeworpen verweren bespreekt.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten

laste gelegde nietig moet worden verklaard, aangezien daarin niet nader is omschreven waar de tenlastegelegde handelingen concreet uit hebben bestaan.

Het hof overweegt dat de dagvaarding op grond van artikel 261 Sv opgave moet doen van feit, tijd,

plaats en de wettelijke voorschriften, alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Bij de beoordeling of een tenlastelegging een opgave van het feit behelst, komt het er uiteindelijk op aan of

aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk kan zijn welke feitelijke gedragingen het strafbare feit vormen

dat de verdachte wordt verweten.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt aan de in het verweten delict gehanteerde termen verwerven, voorhanden hebben, overdragen, verbergen en verhullen voldoende feitelijke betekenis toe. Reeds hierom dient het verweer te worden verworpen. Het hof is ook overigens van oordeel dat hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd tegen de achtergrond van het procesdossier voldoende feitelijk is omschreven, met name gelet op de in het overzichtsproces-verbaal opgenomen transactieschema’s en het schema geldbewegingen (pagina’s 22 t/m 25), zodat het voor de verdediging en de verdachte voldoende duidelijk moet zijn geweest welke handelingen de verdachte concreet werden verweten.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit wegens

het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.

Zij heeft daartoe aangevoerd – kort samengevat – dat de verdachte werd benaderd door een zekere

[naam 1] die het bedrijf van de verdachte, [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) wilde overnemen. [naam 1] zag mogelijkheden het bedrijf te laten voortbestaan omdat hij (meer) vertrouwen

had in te entameren juridische procedures. De verdachte heeft op advies van [naam 1] de gelden van

de bankrekening van [bedrijf 1] gehaald om beslag door [naam 2] (dan wel [bedrijf 2])

te voorkomen waarbij het de bedoeling was de gelden later weer naar [bedrijf 1] terug te storten, terwijl

er op het moment van de verkoop geen aanwijzingen waren voor een faillissement.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende1.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van 10 februari 2012 tot en met 26 maart 2012 in totaal € 385.0002 van de bankrekening op naam van [bedrijf 1] heeft overgeboekt (uiteindelijk) naar

zijn privé-bankrekeningen. Op 10 en 20 februari 2012 betrof het overboekingen van (respectievelijk) € 200.000 en € 100.000, daarna bleef het beperkt tot het periodiek (verder) afromen van de saldi op de rekening. De verdachte was in deze periode directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] en heeft

aldus getracht beslag op deze gelden door (de crediteur) [naam 2] dan wel [bedrijf 2] te voorkómen.

Tussentijds is (in diverse tranches) in totaal € 177.504 weer teruggestort - naar de verdachte ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard - teneinde zakelijke uitgaven (zoals betalingen van salarissen) te doen. Per saldo is daarmee een bedrag van € 207.496 onttrokken aan [bedrijf 1] ten gunste van

(uiteindelijk) twee privé-bankrekeningen van de verdachte.3 Zoals de rechtbank heeft overwogen,

heeft de verdachte - telkens nadat gelden van de bankrekening van [bedrijf 1] waren overgemaakt

naar de bankrekening van zijn persoonlijke holding [bedrijf 3] - deze ontvangsten

met tussenstappen en veelal in verschillende bedragen doorgestort naar bankrekeningen van zijn

ex-partner [getuige], zijn dochter [naam 4] en een vriend, genaamd [naam 5] om

uiteindelijk het geld te laten storten op zijn twee privé bankrekeningen.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij een bedrag van (per saldo) € 207.496 aan [bedrijf 1] heeft onttrokken om te kunnen bewerkstelligen dat [bedrijf 1] kon worden voortgezet en dat de gelden daarmee ook ten goede zijn gekomen aan [bedrijf 1], ongeloofwaardig. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat:

  1. de verdachte de geldbedragen in verschillende omvang over verschillende bankrekeningen (van bekenden van hem) heeft laten lopen, terwijl hij voor dit getrapt doorsluizen geen verklaring heeft kunnen geven;

  2. getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij niet nog meer geld wilde kwijtraken aan de vorige eigenaar [hof: [naam 2], dan wel [bedrijf 2]] en dat hij op zoek was naar een katvanger

  3. de verdachte het door hem onttrokken geldbedrag niet naar [bedrijf 1] heeft teruggestort, maar

€ 150.000 aan de aandeelhouder Stichting Park Nederland heeft betaald en de resterende € 57.496 niet meer getraceerd kan worden. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte - desgevraagd - voor de betaling aan de aandeelhouder in plaats van aan de vennootschap, noch voor het ‘gat’ van € 57.496 een steekhoudende verklaring kunnen geven.

Het hof acht voorts de verklaring van de verdachte dat hem niets valt te verwijten omdat er op het moment van de verkoop geen zicht was op een faillissement en hij bovendien slechts heeft gehandeld

in vertrouwen en op advies van [naam 1], ongeloofwaardig. De verdachte wist dat met het onverwacht beëindigen van de licentieovereenkomst door [bedrijf 4] 85% tot 90% van de omzet van [bedrijf 1] zou wegvallen. De verdachte moet gelet op zijn positie als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf 1] zich hebben gerealiseerd dat de onderneming daarmee afstevende op een faillissement. Dat hij zich bewust was

van de zorgwekkende situatie blijkt ook uit de omstandigheid dat hij (al) in januari 2012 bij het UWV collectief ontslag heeft aangevraagd voor het personeel. Ter terechtzitting in hoger beroep kon de verdachte ook niet concreet aangeven op welke wijze het bedrijf in die omstandigheden toch nog levensvatbaar zou zijn geweest en door hem had kunnen worden voorgezet. Dat [naam 1] wèl mogelijkheden zou hebben gezien, meer in het bijzonder om het juridische gevecht met [naam 2] en [bedrijf 4] aan te gaan, wordt door de verdachte wel gesteld maar – desgevraagd – niet nader onderbouwd. Nog daargelaten dat deze (blote) stelling ook geen verklaring is voor de hiervoor omschreven onttrekkingen aan [bedrijf 1] en ook geen recht of titel verschaft voor die onttrekkingen. De onttrekkingen waren – zoals de verdachte ook heeft verklaard – juist en alleen bedoeld om beslag door schuldeisers (meer in het bijzonder [naam 2] en/of [bedrijf 2]) op de banktegoeden van [bedrijf 1] onmogelijk te maken.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge verband en samenhang bezien, alsmede gelet op hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte bewust geld heeft onttrokken aan [bedrijf 1] ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Indien en voor zover door de verdediging ter terechtzitting is beoogd een herhaalde verzoek te doen

tot het horen van getuige [naam 1], wijst het hof dit verzoek af onder verwijzing naar hetgeen het hof daaromtrent reeds ter terechtzitting van 5 april 2017 heeft overwogen. Door de verdediging zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat te verwachten valt dat de getuige thans wel binnen aanvaardbare termijn zal kunnen verschijnen en zal kunnen worden gehoord.

Aanvullende strafmotivering

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het benadelen van schuldeisers in het faillissement

van [bedrijf 1] Die benadeling bestond daaruit dat de verdachte ruim € 200.000 aan de banktegoeden van [bedrijf 1] heeft onttrokken, terwijl het faillissement onafwendbaar was en de verdachte dat onderkende. De verdachte heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen financiële situatie en op geen enkele wijze acht geslagen op de belangen van schuldeisers. Hij heeft daarentegen met opzet getracht de belangen van schuldeisers te frustreren door hen te beperken in het uitoefenen van hun verhaalsmogelijkheden. Voorts heeft de verdacht zich schuldig gemaakt aan witwassen van door hem aan [bedrijf 1] onttrokken gelden en heeft hij, aldus handelende, de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden.

Het hof heeft met betrekking tot de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) en bij de straffen die door dit hof in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Als uitgangspunt heeft dan te gelden, gelet op het benadelingsbedrag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden.

De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van

de verdachte waaronder de negatieve aandacht die hij heeft gekregen via sociale media, te volstaan met oplegging van een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is evenwel van oordeel dat in een geval als het onderhavige – faillissementsfraude tot een bedrag als hier aan de orde – niet kan worden volstaan met de oplegging van een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen aanleiding te komen tot een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur. Zo de verdachte (al dan niet via sociale media) negatieve publiciteit heeft ondervonden van zijn handelen, is dat gerelateerd aan en vloeit het direct voort uit de door hem gepleegde strafbare feiten terwijl niet aannemelijk is geworden dat dit

van zodanige aard en omvang is dat het op die grond tot strafvermindering dient te leiden.

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen op 22 november 2012, de dag waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord. Het vonnis van de rechtbank dateert van 23 juni 2015. Namens de verdachte is op

1 juli 2015 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op

27 februari 2018. De procedure in eerste aanleg en in hoger beroep heeft derhalve ruim vijf jaar geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze periode met ruim een jaar overschreden.

Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf maanden passend en geboden. Het hof zal echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, bepalen dat aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd van gelijke duur als door de rechtbank opgelegd, derhalve acht maanden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Amsterdam, mr. S. Clement en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2018.

Mr. A.M. van Amsterdam, mr. M. Senden en mr. M. Gieske zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, afkomstig uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Haarlem, dossiernummer 51517.

2 Het proces-verbaal van ambtshandelingen van 8 december 2014 (AH 23  overboekingen naar [bedrijf 3] minus overboekingen met zakelijk kenmerk.)

3 Het proces-verbaal van ambtshandelingen van 8 december 2014 (AH 23) en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 februari 2018.