Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
200.218.852/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:2767, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

gezagsbeëindiging, art. 1:266 lid 1 sub a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.218.852/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/253370 / FA RK 16-7893

Beschikking van de meervoudige kamer van 13 maart 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. C.P.M. Engels te Heerhugowaard,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

verweerder,

hierna: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar (hierna: de GI);

- de heer en mevrouw [X] , wonende te [plaats] (hierna: de pleegouders).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 4 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 4 juli 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 4 april 2017.

2.2

De raad heeft op 30 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de GI van 8 augustus 2017 met bijlage, ingekomen op 28 augustus 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 22 januari 2018 met bijlagen, ingekomen per fax op 22 januari 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 februari 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw S. Spook, namens de raad.

- namens de GI, de zorgcoördinator;

- mevrouw [X] , de pleegmoeder.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft twee kinderen, te weten [kind a] , geboren [in] 2014 (hierna: [kind a] ) en [kind b] , geboren [in] 2016.

3.2

[kind a] is circa zes weken na zijn geboorte in een vrijwillig kader uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Sinds april 2015 verblijft hij in het huidige, perspectiefbiedende, pleeggezin. Bij beschikking van 24 november 2015 is [kind a] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke maatregelen nadien telkens zijn verlengd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [kind a] beëindigd en de GI tot voogd over [kind a] benoemd.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de raad af te wijzen. Haar verzoek om, indien het hof hiertoe niet zal overgaan, de pleegouders tot voogd te benoemen, heeft zij ter zitting in hoger beroep ingetrokken, zodat dit laatste verzoek geen nadere bespreking behoeft.

4.3

De raad en de GI verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt de beëindiging van het gezag van de moeder over [kind a] voor.

5.2

Ingevolge artikel 1:266, eerste lid, sub a Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.3

De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte haar gezag over [kind a] heeft beëindigd en voert hiertoe - onder meer - het volgende aan.

Zij heeft niet de kans gehad haar moederrol in te vullen en, zo nodig met professionele begeleiding, de zorg voor [kind a] op te pakken. Er is sprake van een cirkelredenering: gezegd wordt dat de moeder hulp nodig heeft, die zij echter vervolgens niet krijgt omdat ze niet leerbaar zou zijn. De moeder betwist dat zij een licht verstandelijke beperking heeft; zij heeft een MBO-II opleiding afgerond en ook een MBO-IV opleiding gevolgd. Ook betwist de moeder dat het haar aan de pedagogische vaardigheden ontbreekt om [kind a] te kunnen verzorgen en opvoeden.

De moeder steunt de pleegouders vooralsnog in hun rol en werkt mee aan alles wat door de GI van haar wordt gevraagd. Er is derhalve geen sprake van een belemmerende houding van de moeder. Ook belast de moeder [kind a] niet met haar wens om hem te verzorgen en op te voeden.

Tot slot stelt de moeder dat het recht op family life zo zwaar weegt dat haar de kans dient te worden geboden [kind a] zelf te verzorgen en op te voeden. Beëindiging van haar gezag betekent dan ook een inbreuk op haar recht op family life, aldus de moeder.

Ter zitting in hoger beroep heeft moeder verklaard dat zij zichzelf, vanwege haar eigen autismestoornis, in [kind a] herkent en juist daardoor als geen ander weet hoe zij op zijn gedrag moet reageren. Zij heeft een Triple P cursus gevolgd en zal binnenkort starten met een VERS (Vaardigheidstraining Emotie Regulatie Stoornis) training. Indien zij hulp bij de verzorging en opvoeding van [kind a] nodig zou hebben, kan zij daarom vragen. Haar doel is om [kind a] op termijn zelf te verzorgen en op te voeden en het gezag over hem uit te oefenen. Eerst dient echter de omgangsregeling opgebouwd te worden, aldus de moeder.

5.4

De raad stelt voorop veel respect te hebben voor de moeder, omdat zij hard aan zichzelf werkt en een positieve ontwikkeling doormaakt. Dit neemt niet weg dat de raad van mening is dat het gezag van de moeder over [kind a] terecht is beëindigd. Hiertoe voert de raad onder meer het volgende aan.

De moeder heeft onvoldoende stabiliteit, veiligheid en structuur in haar leefsituatie kunnen creëren om [kind a] veilig bij haar te laten opgroeien. Zij is niet in staat om zonder hulp een zelfstandig leven te leiden. Zij woont begeleid en heeft zelfs bij kleine zaken hulp nodig. Daarnaast is zij niet in staat aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [kind a] , terwijl dit mede gelet op de persoonlijke problematiek van [kind a] juist van belang is.

[kind a] woont al geruime tijd bij de pleegouders en is aan hen gehecht. Het is, mede gelet op de problematiek van [kind a] , niet in zijn belang als aan deze hechtingsrelatie zou worden getornd. De aanvaardbare termijn, zoals genoemd in artikel 1:266 BW, is reeds verstreken en het perspectief van [kind a] ligt bij de pleegouders. Het is thans van belang dat er duidelijkheid voor [kind a] komt. De raad hoopt dat dit meebrengt dat de moeder de situatie accepteert en dat er bij haar ruimte ontstaat om haar nieuwe rol als moeder op afstand positief in te vullen, waarbij zij en [kind a] vaker omgang met elkaar kunnen hebben dan op grond van de huidige regeling het geval is.

5.5

De GI is met de raad van mening dat het gezag van de moeder over [kind a] terecht is beëindigd. Gelet op haar persoonlijke problematiek heeft de moeder gebrek aan diverse opvoedcapaciteiten die nodig zijn om een kind veilig op te kunnen voeden. De problemen van de moeder op dit vlak hangen samen met onderliggende, moeilijk te veranderen, persoonlijkheidskenmerken en psychische problemen van de moeder. Gelet hierop is de moeder niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind a] te dragen binnen een voor hem aanvaardbaar te achten termijn. [kind a] vertoont heel heftig gedrag en het is van belang dat de hechtingsrelatie tussen hem en de pleegouders niet verbroken wordt. Er dient thans duidelijkheid en zekerheid te komen voor [kind a] , aldus de GI.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [kind a] is zes weken na zijn geboorte in september 2014 in een crisispleeggezin geplaatst, vanwege opname van de moeder op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Zij is destijds bij GGZ Noord Holland Noord in behandeling geweest en gediagnosticeerd met een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (PDD-NOS), een conversiestoornis en trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis, die zichtbaarder worden naarmate zij meer stress ervaart. Door het dr. Leo Kannerhuis, centrum voor autisme, is op verzoek van de moeder een second opinion psychologisch onderzoek verricht naar de aanwezigheid van de eerder gediagnosticeerde persoonlijkheidsproblematiek en de pervasieve ontwikkelingsstoornis. Uit het verslag van dit onderzoek van 23 februari 2017 blijkt dat geen aanleiding wordt gezien voornoemde GGZ diagnose bij te stellen. In het verslag wordt voorts geconcludeerd dat bij de moeder sprake is van een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Bij oplopende stressoren kan de zwakke integratie en mogelijke cognitieve desintegratie zichtbaar worden. Zij heeft de steun en zorg van de omgeving nodig om negatieve emoties/gevoelens en spanningen goed te kunnen reguleren en het evenwicht te behouden, aldus het dr. Leo Kannerhuis. De moeder woont thans in een beschermde woonvorm, onder begeleiding van Nehemia Zorg.

[kind a] woont inmiddels bijna drie jaar in het huidige, perspectiefbiedende, pleeggezin. Hij is nu drieënhalf jaar en vertoont hechtings- en gedragsproblematiek. Hij heeft veel behoefte aan zekerheid en heeft daarnaast last van woede, dwang en angsten. Ook vertoont hij trekken van autisme. [kind a] krijgt thans elke week speltherapie, maar de GI is bezig met het aanvragen van therapeutische pleegzorg, zodat meer ondersteuning kan worden geboden aan zowel [kind a] als de pleegouders.

Gelet op de belaste voorgeschiedenis en persoonlijke problematiek van [kind a] , vergt zijn opvoeding en verzorging specifieke opvoedingsvaardigheden en een meer dan gemiddelde draagkracht van zijn opvoeders. Naar het oordeel van het hof is gebleken dat de moeder, gelet op haar complexe persoonlijke problematiek, niet dan wel in onvoldoende mate over die vaardigheden en draagdracht beschikt en dat zij niet in staat is, of op aanvaardbare termijn zal zijn, om [kind a] de gestructureerde opvoedingsomgeving en zorg te bieden die hij nodig heeft om zich veilig en stabiel te ontwikkelen. Het perspectief van [kind a] ligt dan ook niet langer bij de moeder.

Uit de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) die is opgesteld door de begeleidster van de moeder bij Nehemia, die door de moeder in het geding is gebracht, blijkt dat de moeder een voortuitgang in haar zelfredzaamheid laat zien. Hoewel dit voor de moeder een positieve ontwikkeling is, kan hieruit niet worden afgeleid dat zij (op termijn) in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind a] te dragen en maakt dit gegeven voornoemd oordeel van het hof dan ook niet anders. Wel kan deze positieve ontwikkeling er mogelijk toe bijdragen dat de moeder in de toekomst vaker omgang met [kind a] zal kunnen krijgen.

Het is in het belang van [kind a] dat er duidelijkheid komt over zijn opgroeiperspectief, zodat hij zich binnen het pleeggezin (verder) kan hechten en ontwikkelen. Aan het belang van [kind a] bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie en een ongestoorde hechting aan zijn pleeggezin dient naar het oordeel van het hof zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder om betrokken te blijven bij gezagsbeslissingen over [kind a] .

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder over [kind a] aanwezig zijn. Hieruit volgt dat - anders dan de moeder stelt - de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is. Die inbreuk is immers noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.7

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. M.C. Schenkeveld en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 13 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.