Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:910

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
23-001575-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging zware mishandeling: het aanleggen van een nekklem niet zonder risico en vd groter en zwaarder dan aangever. Echter geen ademnood. Letselverklaring biedt evenmin aanknopingspunten daartoe. Veroordeling mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001575-16

datum uitspraak: 27 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-654195-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in elk geval eenmaal een nekklem bij die [slachtoffer] heeft aangelegd en/of zijn handen om de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen;

en/of

hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal naar de grond heeft getrokken en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of een nekklem bij die [slachtoffer] heeft aangelegd en/of zijn handen om de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in de voor de nachtrust bestemde tijd, te weten omstreeks 04.40uur, in een woning, gelegen aan [adres 2] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij, verdachte bedreigingen heeft geuit en/of vrees aan heeft gejaagd door tegen die [slachtoffer] te roepen: "Ik ben de laatste die je genaaid hebt", in elk geval woorden van dergelijke -dreigende- aard en/of strekking en/of door een raam in de woonkamer van die [slachtoffer] in te gooien en/of vervolgens door dat raam naar binnen te klimmen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van de onder 1 (eerste, alternatief/cumulatief ) ten laste gelegde poging moord, poging doodslag en poging zware mishandeling

Met de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging moord en poging doodslag, nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte de opzet had dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden.

Anders dan de advocaat-generaal en met de raadsman van de verdachte acht het hof evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade, nu in dit geval niet kan worden vastgesteld dat ten gevolge van het vasthouden rondom de nek de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit oordeel is gebaseerd op het navolgende.

In hoger beroep zijn aangever, een getuige en de ter plaatse gekomen opsporingsambtenaar nader gehoord over de feitelijke toedracht. Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 28 augustus 2015 naar de woning van aangever [slachtoffer] te Amsterdam is gegaan en daar omstreeks 04.40 uur met een baksteen een raam heeft ingegooid en via dat raam de woning binnen is gegaan. De verdachte heeft meerdere keren geroepen: “Ik ben de laatste die je genaaid hebt”. Na met enig geweld ook de deur van de tuin te hebben opengeduwd, trok hij [slachtoffer] vervolgens vanuit de tuin de keuken in, bracht hem naar de grond, ging bovenop hem liggen en legde een nekklem aan. Aangever [slachtoffer] kon tijdens de nekklem wel blijven ademhalen en kon tegen een logé zeggen dat hij naar de deur moest gaan om deze voor de gewaarschuwde politie te openen. Op het moment dat de politie de woning binnenkwam, had de verdachte zijn beide handen, gehuld in plastic handschoenen, om de hals van [slachtoffer]. De verdachte voldeed direct aan de sommaties van de politie om [slachtoffer] los te laten. Het letsel van [slachtoffer] ten gevolge van het incident bestond uit striemvormige roodheid met oppervlakkige verschaving van de huid aan de voorzijde van zijn hals, roodheid aan de bovenzijde van zijn borstkas en hals, verschillende schaafwonden aan zijn beide onderbenen en knieën en een snee in zijn linker wijsvinger. De verdachte had tevens in een tas tuinhandschoenen, een hamer, tape en een vleesmes bij zich.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer] op 28 augustus 2015 schrik aan wilde jagen en hem wilde waarschuwen. Hij had plastic handschoenen aangedaan omdat hij op verzet rekende en geen bloed aan zijn handen wilde. De hamer en de tuinhandschoen had hij bij zich om de scherpe glassplinters uit het raam te slaan en de tape om [slachtoffer] aan een stoel vast te binden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij op judo heeft gezeten en zijn kracht en techniek kent, dat hij de bedoeling had dat [slachtoffer] nog wel kon blijven ademen en dat hij daarom de nekklem niet te strak heeft aangezet.

Het hof stelt vast dat, hoewel het aanleggen van een nekklem bepaald niet zonder risico is en de verdachte in dit geval bovendien aanzienlijk groter en zwaarder was dan de aangever, kennelijk op geen enkel moment sprake is geweest van acute ademnood bij [slachtoffer]. Nu de letselverklaring daarvoor evenmin aanknopingspunten biedt, kan op basis van het dossier niet met zekerheid worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou hebben bekomen als de politie niet ter plaatse zou zijn gekomen. Derhalve kan op basis van het huidige dossier niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling en zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot het doen horen als getuige-deskundige van forensisch arts J.T. de Jong, overweegt het hof dat gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en op de vrijspraak van de poging tot zware mishandeling, het hof dat horen niet noodzakelijk acht. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het 1, 2e alternatief/cumulatief (mishandeling) en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 28 augustus 2015 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] naar de grond heeft getrokken en op die [slachtoffer] is gaan liggen en een nekklem bij die [slachtoffer] heeft aangelegd en zijn handen om de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft gelegd en de hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.
hij op 28 augustus 2015 te Amsterdam, in de voor de nachtrust bestemde tijd, te weten omstreeks 04.40 uur, in een woning, gelegen aan [adres 2] en in gebruik bij [slachtoffer], wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij, verdachte een bedreiging heeft geuit en vrees aan heeft gejaagd door tegen die [slachtoffer] te roepen: "Ik ben de laatste die je genaaid hebt", en door een raam in de woonkamer van die [slachtoffer] in te gooien en vervolgens door dat raam naar binnen te klimmen.

Hetgeen of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2e alternatief/cumulatief bewezen verklaarde levert op:

mishandeling;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl hij bedreigingen uit en zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (poging doodslag) en onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd – een meldplicht bij GGZ Reclassering Inforsa (hierna: Inforsa) en deelname aan de gedragsinterventie GI-GGZ, met dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen heeft de rechtbank bevolen deze te onttrekken aan het verkeer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 impliciet meer subsidiair (poging zware mishandeling) en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij Inforsa. Ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen heeft de advocaat-generaal onttrekking aan het verkeer van het vleesmes gevorderd en teruggave aan de verdachte van de overige goederen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met de benodigde hulpverlening hard aan zichzelf heeft gewerkt en nog steeds tracht om zijn leven op de rails te krijgen. Hij heeft zich twee maanden laten opnemen in een kliniek ten behoeve van nadere diagnostiek en heeft tevens zes weken op eigen initiatief in een detox-kliniek in Schotland verbleven. Hij staat nu onder begeleiding van het FACT-team. Ook lijdt hij aan PTSS waar hij eveneens voor wordt behandeld. Wel is het drank- en middelengebruik nog steeds een probleem. Hij staat open voor behandeling, toezicht en begeleiding.

Door de raadsman is bepleit dat het niet wenselijk is als de verdachte weer vast komt te zitten. De verdachte werkt hard en gemotiveerd aan zijn problemen. Een detentie zou alle positieve ontwikkelingen en behandelingen doorkruisen. Voorts kunnen de twee opnames in klinieken en het ondergane elektronisch toezicht in deze zaak eveneens worden beschouwd als vrijheidsbenemende maatregelen. De raadsman verzoekt dan ook om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf te leggen onder oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet boven de 48 dagen voorarrest uitkomt, al dan niet in combinatie met een werkstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer grof geval van huisvredebreuk door ’s nachts een ruit van de woning van het slachtoffer in te gooien en vervolgens door het raam naar binnen te klimmen. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer naar de grond te werken en bij hem een nekklem aan te leggen. De omstandigheden waaronder de mishandeling plaatsvond, waarbij de verdachte het slachtoffer in zijn eigen woning heeft overmeesterd, moeten voor het slachtoffer een buitengewoon angstige situatie hebben opgeleverd. Daarnaast heeft het slachtoffer hierdoor letsel opgelopen en pijn ondervonden. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het privéleven van het slachtoffer en op zijn lichamelijke integriteit. Daarnaast heeft de verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid bij anderen, waaronder de aanwezige nog jonge logé, veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2018 is hij eerder ter zake van (gewelds-)misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Het laatste feit dateert echter van veertien jaren geleden, zodat het hof hier geen betekenis aan zal toekennen ten nadele van de verdachte.

Tevens heeft het hof acht geslagen op een adviesrapport van Inforsa van 2 februari 2016. Hieruit blijkt dat de reclassering destijds veel zorgen had omtrent het cannabis-en alcoholgebruik van de verdachte. Een klinisch traject werd wenselijk geacht, gevolgd door een ambulante behandeling, waar nodig ondersteund door medicatie om de zucht naar alcohol te verminderen. Een dagbesteding, of liever nog betaald werk wordt van belang geacht om de verdachte structuur te bieden. De reclassering adviseert om in geval van strafoplegging aan de verdachte op te leggen een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering en de gedragsinterventie GI-GGZ Alcohol en geweld.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op het Voortgangsverslag van Inforsa van 20 oktober 2016. Hieruit volgt dat een klinische opname destijds nog steeds geïndiceerd werd geacht.

Het hof zal, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht in beginsel gelet op de ernst van de feiten een langer onvoorwaardelijk deel passend maar is van oordeel dat het, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, niet wenselijk is als de verdachte wederom gedetineerd raakt, ook uit oogpunt van recidivebeperking. Het hof heeft hierbij tevens acht geslagen op het gegeven dat de verdachte zich reeds lange tijd laat begeleiden door diverse hulpinstanties en ook enige tijd opgenomen is geweest in een kliniek. Ook weegt het feit dat de verdachte veertien jaren lang niet met justitie in aanraking is geweest, ondanks de bij hem bestaande problematiek, mee ten voordele van de verdachte. Wel zal het hof een fors gedeelte opleggen in voorwaardelijke vorm met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Inforsa, met een proeftijd van twee jaren. Oplegging van dit voorwaardelijke deel dient ertoe de verdachte ervan te doordringen in de toekomst geen strafbare feiten meer te plegen, terwijl de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen bijdragen aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten .Nu er nog altijd sprake is van verslavingsproblematiek acht het hof het noodzakelijk dat de verdachte opnieuw klinisch wordt behandeld, voor de duur van maximaal zeven weken.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde feiten. De verdachte heeft immers verklaard dat het ducttape was bestemd om de aangever mee vast te binden, terwijl het vleesmes geschikt is om mee te dreigen of daarmee iemand te mishandelen, gelet op de omstandigheden waaronder het is aangetroffen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 57, 138 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (poging moord), impliciet subsidiair (poging doodslag) en impliciet meer subsidiair (poging zware mishandeling) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2e alternatief/cumulatief (mishandeling) en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2e alternatief/cumulatief (mishandeling) en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 148 (honderdachtenveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de veroordeelde gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich binnen zeven werkdagen na het onherroepelijk worden van het arrest moet melden bij GGZ Reclassering Inforsa op het adres [adres 3]. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De veroordeelde is verplicht mee te werken aan een klinische behandeling ter stabilisatie en/of diagnostiek. De opname is voor de duur van maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht;

- de veroordeelde moet deelnemen aan de volgende gedragsinterventie: GI-GGZ Alcohol en Geweld.

Geeft aan de genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Grijs ducttape (5037539);

- Vleesmes (5037323).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de

- Hamer (5037516);

- Tuinhandschoenen (5037531).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. R.D. van Heffen en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2018.

[…]