Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:890

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
23-003310-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belaging, opzettelijk inbreuk maken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003310-17

Datum uitspraak: 2 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 12 september 2017- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-710323-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres 1].

Procesgang

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar onder algemene en bijzondere voorwaarden die in het vonnis zijn genoemd. Tevens heeft de rechtbank een taakstraf opgelegd van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis als deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.102,65 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2014, de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 20 juli 2016 de verdachte met toepassing van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 12 september 2017 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand mei 2014 tot en met de maand juli 2014 en/of in de maand april 2015 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte - een (zeer groot) aantal mail- en/of sms- en/of facebook- en/of whatsappberichten aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezonden en/of - zich (meermalen) nabij de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opgehouden en/of bij die woning aangebeld en/of - die [slachtoffer 1] en of [slachtoffer 2] gevolgd naar hun vakantieadres in Luxemburg.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het feit dat aan de verdachte is ten laste gelegd is toegesneden op artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat vervolging niet plaatsvindt dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.

In het dossier ontbreekt een klacht die door of namens [slachtoffer 2] is ingediend. Evenmin bevindt zich een stuk in het dossier op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Het hof zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging voor zover ten laste is gelegd dat de verdachte wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2].

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting van 19 januari 2018 gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de verdediging een aantal feitelijke verweren gevoerd die zien op de in de ogen van verdachte op diverse plaatsen in het dossier gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Voorts heeft de verdediging beargumenteerd dat nu Hoofddorp, althans Nederland, in de tenlastelegging wordt aangemerkt als pleegplaats, het volgen van de familie [slachtoffer 2] naar hun vakantieadres in Luxemburg buiten de reikwijdte van de tenlastelegging valt.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat bij de verdachte het opzet ontbrak om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, alsmede het oogmerk haar daarmee te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Voor de verdachte was het, toen hij haar benaderde, niet duidelijk dat hij geen contact meer mocht opnemen met het slachtoffer. Daarmee komt het opzet aan het gedrag van verdachte te ontvallen, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Volgen naar Luxemburg

Het hof volgt de verdediging in de opvatting dat het tenlastegelegde volgen van de familie [slachtoffer 2] naar hun vakantieadres in Luxemburg buiten de reikwijdte van de tenlastelegging valt, nu Hoofddorp althans Nederland daarin als pleegplaats is aangemerkt. Weliswaar is een gedeelte van de autorit naar Luxemburg in Nederland afgelegd, niet is echter gebleken dat de aangeefster ervan op de hoogte was dat de verdachte haar volgde. Dit brengt met zich dat de verdachte met het volgen in Nederland van de familie [slachtoffer 2] geen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Daaruit volgt dat voor zover de tenlastelegging ziet op het volgen van de familie [slachtoffer 2] naar hun vakantieadres in Luxemburg, de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Opzet

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Van een ‘inbreuk’ op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer is sprake indien het slachtoffer de storing in zijn of haar persoonlijke levenssfeer niet wenst.

Uit het bewijs volgt dat de verdachte gedurende een aantal maanden een groot aantal mail-, facebook- en whatsappberichten heeft gestuurd naar het slachtoffer. De verdediging voert aan dat het voor de verdachte niet duidelijk was dat hij geen contact mocht opnemen met het slachtoffer en haar familieleden toen hij dit deed. Het contact tussen de verdachte en het slachtoffer was wederzijds in die zin dat het slachtoffer vaak reageerde op de berichten die de verdachte haar stuurde.

Een in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht omschreven gedraging kan niet uitsluitend dan als inbreukmakend op de persoonlijke levenssfeer van een ander worden aangemerkt indien die ander voorafgaand aan die gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen.

Daarbij komt dat de stelling van verdachte dat niet duidelijk was dat zijn toenaderingen ongewenst waren, onaannemelijk is. In de ten laste gelegde periode is er zeer frequent contact geweest tussen de verdachte en het slachtoffer. Het initiatief van de uitwisselingen tussen verdachte en het slachtoffer lag steeds bij verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer gedwongen te dulden dat hij stelselmatig contact met haar opnam, ook nadat zij herhaaldelijk had aangegeven dergelijk contact niet op prijs te stellen. Verdachte heeft het slachtoffer daarmee geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met hem. Het hof komt tot die conclusie op grond van het bewijs, in het bijzonder de volgende berichten afkomstig van het slachtoffer, waarin zij schrijft het contact met de verdachte te willen afbreken, welke verzoeken de verdachte heeft genegeerd:

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 1 mei 2014 14:34:45 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 114): ‘Voor nu zou het zeer op prijs stellen als je me/ons voorlopig nu echt met rust kunt laten (…).’;

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 2 mei 2014 12:48:18 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 115): ‘(…). Het enige juiste wat he nu kunt doen is mij nu echt even met rust laten. Voorlopig dus even geen contact. (…).’;

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 5 mei 2014 13:28:42 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 116), op verzoek van de verdachte om een gesprek te hebben met het slachtoffer en haar dochter: ‘Op paar voorwaarden: Ik zal één met je praten en daarna wil ik dat je stopt met contact zoeken, in welke vorm dan ook. Denk daar eerst goed over na voor je ja zegt ok?’;

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 5 mei 2014 20:22:27 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 119), nadat verdachte herhaaldelijk contact blijft zoeken: ‘(…) Zullen we nu weer even een stop inlassen?’.

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 9 mei 2014 16:16:37 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 121), nadat verdachte herhaaldelijk contact blijft zoeken: ‘[verdachte], Het ligt nu even niet meer on mijn handen. Ik heb een email aan meneer [naam 1] gestuurd met een verzoek om een gesprek, verder niet inhoudelijk nog’ en whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 9 mei 2014 16:17:21 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 121): ‘Ik heb nog geen antwoord gekregen. Het gaat gewoon niet zo….’;

  • -

    Whatsappbericht van slachtoffer aan verdachte van 9 mei 2014 18:13:10 (proces-verbaal met registratienummer PL1100-2014064049, p. 122), nadat verdachte herhaaldelijk contact blijft zoeken: ‘[verdachte], Zo ben je nu klaar met al je gemopper???? Ff één ding hè, want ik ben moe ik kan het op dit moment niet meer opbrengen om alle whatsapps te lezen. (…). Jij belooft iedere keer ons met rust te laten en je houdt je daar niet aan. (…).’.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer nu het slachtoffer de storing in haar persoonlijke levenssfeer klaarblijkelijk niet wenste. Voor het aannemen van het opzet is niet vereist dat de verdachte geweten heeft dat datgene wat hij deed strafbaar was en dat het slachtoffer het feit als onrechtmatig heeft ervaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de maand mei 2014 tot en met de maand juli 2014 en in de maand april 2015 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft verdachte

- een aantal mail-, en facebook- en whatsappberichten aan die [slachtoffer 1] gezonden, en

- zich meermalen nabij de woning van die [slachtoffer 1] opgehouden en bij die woning aangebeld.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar onder algemene en bijzondere voorwaarden die in het vonnis zijn vervat. Tevens heeft de rechtbank een taakstraf opgelegd van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

De verdediging heeft het hof verzocht rekening te houden met een aantal omstandigheden, te weten het feit dat de verdachte een ‘first offender’ is, dat hij geen werk meer heeft, dat de verdachte gedurende de tijd die is verstreken sinds het wijzen van het vonnis in eerste aanleg geen contact meer heeft gehad met het slachtoffer en haar familieleden, en dat de verdachte een moeilijke periode doormaakt sinds het overlijden van zijn moeder.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een aantal maanden het slachtoffer een groot aantal mail-, facebook- en whatsappberichten gestuurd. De contacten ontstonden als gevolg van het feit dat de verdachte naar eigen zeggen gevoelens van verliefdheid koesterde voor de minderjarige dochter van het slachtoffer met wie hij in contact kwam in zijn hoedanigheid van docent op de middelbare school waar de dochter van het slachtoffer onderwijs volgde. Hij heeft zijn gevoelens gedeeld met het slachtoffer en is haar vervolgens blijven benaderen om die gevoelens en zijn omgang daarmee te bespreken. Hij heeft de herhaalde verzoeken van het slachtoffer om haar en haar familie rust te gunnen genegeerd. Daaraan doet niet af dat het slachtoffer zo nu en dan heeft gereageerd op de door de verdachte aan haar gestuurde berichten.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Tevens dient een onvoorwaardelijke taakstraf te worden opgelegd. Het hof heeft geconstateerd dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Gelet daarop zal het hof de in beginsel passende taakstraf van 120 uren verminderen met 20 uren, zodat een taakstraf resteert van 100 uren.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend reclasseringsrapport van 16 juli 2015 opgemaakt door [naam 2]. In dit rapport wordt geconcludeerd dat verdachte nauwelijks kan of wil beseffen dat hij inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de familie [slachtoffer 2] en dat nader onderzoek naar een mogelijke persoonlijkheidsproblematiek is geïndiceerd. De verdachte lijkt gespeend van een mate van zelfinzicht en zelfkritiek die voor het voorkomen van herhaling van het door verdachte vertoonde gedrag essentieel is. Ook het hof heeft zich op de terechtzitting van 19 januari 2018 niet aan de indruk kunnen onttrekken dat de verdachte zich slecht bewust is van het kwalijke karakter van het feit dat hij heeft gepleegd en de weerslag die dat heeft gehad op het slachtoffer en haar familieleden. De verdachte lijkt zijn gedrag te willen vergoelijken en lijkt niet in staat toe te geven dat hij een fout heeft gemaakt, zonder in één adem diezelfde fout te relativeren en de nadruk te leggen op zijn goede inborst en intenties. Deze houding komt ook naar voren in de brieven van verdachte die zijn ingekomen bij het openbaar ministerie Noord-Holland op 21 augustus 2015 en 12 januari 2016 gericht aan de officier van justitie respectievelijk de rechters die de verdachte in eerste aanleg hebben veroordeeld. Ook in deze brieven lijkt de verdachte voornamelijk de schuld buiten zichzelf te plaatsen. Gelet op het voorgaande acht het hof het stellen van de hierna te noemen bijzondere voorwaarden aangewezen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.745,13, bestaande uit € 3.600,- immateriële schade (waarvan € 2.050,- voor zichzelf en € 1.550,- voor haar echtgenoot) en € 145,13 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.102,65. Daarbij heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, alsmede in de kosten van de tenuitvoerlegging.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof begrijpt, gelet op de specificatie in het wensenformulier, dat zij haar vordering slechts handhaaft voor zover het bedrag betrekking heeft op door haar geleden schade (€ 2.195,13, waarvan € 145,13 materiële en € 2.050,- immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.102,65, waarvan € 102,65 materiële en € 1.000,- immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

In navolging van de rechtbank begroot het hof de door het slachtoffer geleden materiële schade op € 102,65. Voorts komt in het kader van immateriële schade een bedrag van € 1.000,- voor toewijzing in aanmerking. Daarmee is in totaal een bedrag van € 1.102,65 toewijsbaar, alsmede de door de benadeelde partij gemaakte kosten en de kosten voor de tenuitvoerlegging.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu voor de beoordeling daarvan nadere instructie, gevolgd door hoor en wederhoor, zou zijn vereist. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk voor zover ten laste is gelegd dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2].

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte, voor zover nog aan de orde, meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren de hierna te noemen algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd van drie jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- Meldplicht.

zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij de Reclassering Nederland. Hierna moet hij zich gedurende bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland nodig acht.

- Behandelverplichting.

zich, gezien de directe samenhang van het gedrag en de vaardigheden en mogelijk onderliggende persoonlijkheidsproblematiek met het delictgedrag van betrokkene, laat behandelen bij De Waag, of een soortgelijke instelling.

- Andere voorwaarden het gedrag betreffende.

zich niet ophoudt in het gebied met een straal van drie kilometer rond het perceel aan de [adres 2]. Hij neemt direct noch indirect contact op met de familie [slachtoffer 2].

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.102,65 (duizend honderdtwee euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 102,65 (honderdtwee euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te voldoen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

1 mei 2014.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.102,65 (duizend honderdtwee euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 102,65 (honderdtwee euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

1 mei 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. P.C. Römer en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van

mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2018.

[…]

.