Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:887

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-003005-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 311 Wetboek van Strafrecht. Diefstal van een geldbedrag door middel van een valse tankpas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003005-17

datum uitspraak: 13 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-047279-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2015 tot en met 24 april 2016 te Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid brandstof (diesel) en/of meerdere geldbedragen (ter waarde van totaal ongeveer 1247,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Goesinstallaties en/of tankstation [naam 1] (vestiging: Friese Varkensmarkt), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het onbevoegd gebruik maken van een (valse of vervalste) tankpas (serienummer [nummer]) en/of een pincode, in elk geval door middel van een valse sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet was/waren gerechtigd,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2015 tot en met 24 april 2016 te Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [bedrijf] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van ongeveer 1247,- euro en/of

- Tankstation [naam 1] (vestiging: Friese Varkensmarkt) heeft bewogen tot de afgifte van brandstof (benzine), in elk geval van één of meer goed(eren),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een (valse of vervalste) tankpas (serienummer [nummer]) (met pincode)), welke verdachte en/of zijn mededader(s) onbevoegd waren te gebruiken één of meer goederen afgerekend, waardoor [bedrijf] en/of tankstation [naam 1] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovenomschreven schuld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde diefstallen in vereniging door middel van een valse sleutel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de diverse herkenningen aan de hand van de camerabeelden voldoende betrouwbaar zijn en dat uit het dossier blijkt dat de auto’s waarmee is getankt, op naam van de verdachte en de medeverdachte staan.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte één van de personen op de (‘stills’ van de) camerabeelden is. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat de herkenningen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen.

Het hof gaat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Tussen 13 februari 2015 en 17 februari 2015 werd ingebroken in een bedrijfsauto van [bedrijf]. In die auto bevond zich ook na de inbraak nog een tankpas met serienummer [nummer] (met bijbehorende pincode). Desalniettemin bleek later dat ook na 17 februari 2015 onbevoegd – door anderen dan de medewerkers van [bedrijf] – gebruik was gemaakt van een tankpas met genoemd serienummer. In totaal werd in de periode van 25 februari 2015 tot en met 24 april 2015 vijftien maal onbevoegd met die pas getankt bij [naam 1] benzine & autobanden te Haarlem. Van enkele van deze transacties zijn camerabeelden gemaakt, waarop personen en voertuigen te zien zijn. De verdachte wordt op één van de ‘stills’ van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] herkend. Tevens wordt de verdachte herkend door rechercheurs [naam 2] en [naam 3] van de Belgische politie. Eén van die voertuigen die op de beelden te zien zijn, te weten een Peugeot 307 met kenteken [kenteken], staat op naam van de verdachte.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door [verbalisant 1], nu de persoonskenmerken waaraan zij de verdachte herkent (haardracht - het ‘matje’ in zijn nek -, gezicht en postuur), voldoende specifiek en onderscheidend zijn. Het hof acht het in dit verband van belang dat [verbalisant 1] de verdachte in het kader van haar werkzaamheden veelvuldig heeft gecontroleerd en heeft staande gehouden, zodat zij goed bekend is met diens uiterlijke kenmerken. Dat zij de verdachte eerder heeft gecontroleerd toen deze in een bruine Peugeot reed, brengt nog niet mee dat haar herkenning van de verdachte daardoor ‘gestuurd’ zou zijn, temeer niet nu op de betreffende still het kenteken van de betrokken Peugeot niet leesbaar is. Daar komt bij dat het hof het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] aldus begrijpt dat zij de verdachte kennelijk enkel heeft herkend op de eerste still, betreffende de transactie op 15 april 2015, en (dus) niet op andere stills waarop (naast de dader) ook dezelfde of een vergelijkbare Peugeot te zien is. Dat [verbalisant 1] de verdachte heeft herkend vanuit een ‘bias’ is dan ook niet aannemelijk.

Het voorgaande, gevoegd bij de herkenning van [naam 2] en [naam 3], leidt het hof tot de conclusie dat de verdachte degene is die op de beelden van 15 april 2015 is te zien. Hij is ook degene die een pintransactie doet en daadwerkelijk tankt. Op de beelden is nog een tweede man te zien. Niet blijkt echter dat deze man wist dat de verdachte de benzine betaalde met gebruikmaking van een valse tankpas, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen.

Dat sprake was van een valse tankpas volgt uit het feit dat de originele tankpas zich na de inbraak nog in de bedrijfsauto van [bedrijf] bevond, zodat het niet anders kan dan dat deze pas is geskimd en dat daarna met de valse pas bij het betreffende tankstation is betaald.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van hetgeen overigens primair is tenlastegelegd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] moet worden afgeleid dat hij waarneemt dat de man die op de still van 15 april 2015 is te zien (‘man 1’), ook zichtbaar is op verschillende andere stills, betrekking hebbend op andere diefstallen bij onderhavig tankstation. Nu [verbalisant 1], zoals overwogen, de verdachte echter kennelijk niet heeft herkend op die andere stills, staat onvoldoende vast dat de verdachte betrokken is geweest bij de betreffende diefstallen.

Gelet op de gronden van deze vrijspraak bestaat geen aanleiding om het subsidiair ten laste gelegde feit op zijn bewijsbaarheid te beoordelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 april 2015 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het onbevoegd gebruik maken van een valse tankpas (serienummer [nummer]) en een pincode.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis indien niet naar behoren verricht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een reclasseringscontact.

De raadsman heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, aan de verdachte een taakstraf op te leggen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte sinds zijn laatste detentie een ander pad is ingeslagen, hetgeen ook blijkt uit de Justitiële Documentatie van de verdachte. Zo heeft de verdachte zich uit eigen beweging aangemeld bij een begeleide woonvoorziening en wordt een vrijwillig reclasseringscontact opgestart. Een reclasseringstoezicht op verplichte basis kan fungeren als extra ‘stok achter de deur’.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een valse tankpas. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen en heeft hij overlast en financiële schade bij het gedupeerde bedrijf veroorzaakt. Daarnaast wordt door het tanken met een valse tankpas het vertrouwen ondermijnd dat in het betalingsverkeer moet kunnen worden gesteld. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 februari 2018 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof eveneens in het nadeel van de verdachte bij de strafoplegging meeweegt.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof dat de verdachte kennelijk gemotiveerd is om zijn leven een positieve wending te geven en afstand heeft genomen van zijn sociale netwerk dat een negatieve invloed had.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze straf wijkt af van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd, nu het hof de bewezenverklaring beperkt tot één gekwalificeerde diefstal.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding ter hoogte van € 1.030,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 538,87 als vergoeding voor materiële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft de toewijzing tot een bedrag van € 538,87 gevorderd, nu dit bedrag is te herleiden naar de bedragen waarvoor door de verdachte en/of zijn mededaders is getankt.

De raadsman heeft bepleit dat in het uiterste geval de vordering ten aanzien van vier tankbeurten kan worden toegewezen. Voor de overige tankbeurten ontbreekt het vereiste causaal verband. In zoverre dient de vordering dan ook afgewezen te worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 89,74. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in de vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 89,74 (negenentachtig euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 89,74 (negenentachtig euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 15 april 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. P. Greve en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 maart 2018.

[…]