Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:864

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
23-002890-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan hennepteelt. Medeplegen hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Verdachte opereerde als medeorganisator van het opzetten van hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002890-15

Datum uitspraak: 13 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-700208-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
(zaaksdossier 03) een of meer (andere) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 11 oktober 2013 tot en met 03 juni 2014 te Enkhuizen met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk meermalen heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid van (telkens) (ongeveer) 136 althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 11 oktober 2013 tot en met 03 juni 2014 te Enkhuizen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte meermalen voedingstoffen voor de planten verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of informatie (over kweek en/of teelt van hennep) gegeven;

2:
(zaaksdossier 04) hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2014 tot en met 13 januari 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3]) (telkens) een hoeveelheid van (ongeveer) 298 henneplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3:
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2014 tot en met 13 januari 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4:
(zaaksdossier 06) hij in of omstreeks 01 januari 2015 tot en met 20 maart 2015 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 4]) (telkens) een hoeveelheid van (ongeveer) 206, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5:
hij in of omstreeks 01 januari 2015 tot en met 30 maart 2015 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert.

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 4

De raadsman heeft bepleit dat de hennepkwekerij slechts ongeveer drie weken actief is geweest en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde periode voorafgaand aan eind februari 2015.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt:

- op 20 maart 2015 hebben politieambtenaren na betreding van de woning aan de [adres 4] te Bovenkarspel (hierna: de woning) en de ontdekking van een hennepkwekerij het volgende geconstateerd:

o er lag stof op de stoffilter van de koolstoffilter, de armaturen, de rotorbladen van de ventilatoren en de deursponningen;

o er zat kalkaanslag op de bloempotten en de folie op de vloer;

o er zat hennepaanslag op de deur naar de kweekruimte en op drie aangetroffen knipscharen;

o er lagen hennepresten op de trap en op de vloer in en voor de kweekruimte;

o er hingen twintig armaturen, met in elk daarvan een lamp. Deze armaturen waren bevestigd aan in totaal twintig transformatoren.

  • -

    laatstgenoemde constatering sluit aan bij de inhoud van een in de administratie van de growshop van [naam 1] aangetroffen factuur met nummer 2014013. Achter deze factuur, met de kennelijke factuurdatum 29 september 2014, bevindt zich een blad dat kennelijk een kladversie van de factuur is. Dit blad heeft het opschrift “[naam 2]”; aannemelijk is dat hiermee [naam 2], de broer van de verdachte, wordt bedoeld. Volgens deze factuur zijn onder andere geleverd ’20 x travoset’ (het hof begrijpt: transformatoren) en ‘1x schakelbord 20 lampen’.

  • -

    op 31 januari 2015 heeft de politie een warmtemeting gedaan, waaruit bleek dat toen op de zolder van de woning in tegenstelling tot de aangrenzende woningen een warmtebron aanwezig was.

  • -

    in de periode van 20 juli 2014 tot en met 19 januari 2015 vonden tussen de medeverdachte en de bewoonster van de woning, [naam 3], 925 sms- en 57 belcontacten plaats, terwijl de verdachte van 16 oktober 2014 tot en met 24 december 2014 zes keer contact heeft gehad met het nummer van [naam 3].

  • -

    de verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn broer een hennepkwekerij in de woning heeft opgebouwd.

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat reeds ruim voorafgaand aan de tenlastegelegde periode veelvuldig contact is geweest tussen de verdachte en zijn broer met de bewoonster van de woning, dat een deel van de apparatuur voor de plantage rond 29 september 2014 is aangeschaft en dat de lampen van die plantage al op 31 januari 2015 in werking waren. Dit gevoegd bij de door de politie op 20 maart 2015 geconstateerde staat van de kweekruimte leidt tot de conclusie dat de hennepplantage ruim voor eind februari 2015 in werking was en dat er reeds een eerdere oogst was geweest. Aldus kan de gehele ten laste gelegde periode bewezen worden verklaard.

Feiten 3 en 5

Het hof overweegt ten aanzien van beide feiten als volgt:

Vast staat dat in beide woningen de stroom voor de hennepplantage telkens is verkregen door diefstal met verbreking. De verdachte en de medeverdachte hebben telkens gezamenlijk de hennepkwekerij opgebouwd en waren ook telkens ervan op de hoogte dat in dat verband een derde persoon in de woningen zou zorgen voor de elektriciteitstoevoer naar de kwekerij. Vervolgens hebben zij telkens gezamenlijk, al dan niet met anderen, de hennepplanten in de betreffende woningen verzorgd. Tot slot zouden de verdachte en de medeverdachte delen in de opbrengsten c.q. winsten van de kwekerijen. Aldus staat vast dat zij een spilfunctie ten aanzien van de kwekerijen hebben vervuld. Gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat de relatief grote hoeveelheid stroom voor hennepkwekerijen doorgaans (zoals ook in casu) illegaal wordt afgetapt door middel van het bewerken van de bestaande elektriciteitsaansluiting, oordeelt het hof dat zij beiden tenminste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de hennepkwekerij ook hier werkte op gestolen stroom.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
personen in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 juni 2014 te Enkhuizen met elkaar telkens opzettelijk meermalen hebben geteeld in een pand aan [adres 2] een groot aantal hennepplanten, bij het plegen van welke misdrijven verdachte in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 juni 2014 te Enkhuizen meermalen opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte meermalen voedingstoffen voor de planten afgeleverd.

2:
hij in de periode van 27 oktober 2014 tot en met 13 januari 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met anderen meerdere malen telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 3] telkens een groot aantal hennepplanten.


3:
hij in de periode van 27 oktober 2014 tot en met 13 januari 2015 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen elektriciteit toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

4:
hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 20 maart 2015 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met anderen meerdere malen telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 4] telkens een groot aantal hennepplanten.

5:
hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 20 maart 2015 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen elektriciteit toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 en 5 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.


De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van twee maanden en een taakstraf voor de duur van 120 tot 180 uren. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met de Opiumwet en momenteel een eigen bedrijf heeft. Voorts heeft de raadsman gewezen op de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, samen met anderen, in twee woningen grote aantallen hennepplanten geteeld en met een medeverdachte ten behoeve van deze kwekerijen stroom gestolen. De bewoners zijn telkens overgegaan tot het ter beschikking stellen van hun woning vanwege hun benarde financiële positie. Als gevolg van de bij haar aangetroffen kwekerij is de bewoonster van de [adres 3] te Grootebroek uit haar woning gezet en dakloos geraakt. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij uit winstbejag misbruik heeft gemaakt van financieel kwetsbare mensen en zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen. Zijn rol wordt bovendien in zijn nadeel gewogen, nu hij niet enkel een ‘huiskweker’ was, maar opereerde als medeorganisator van het opzetten van de kwekerijen. Naast het voorgaande is de verdachte als medeplichtige betrokken geweest bij een hennepkwekerij door voeding voor de hennepplanten te leveren. De teelt van hennep is niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid onaanvaardbaar, maar ook omdat met de handel grote winsten worden gemaakt buiten de legale economie. Het gevolg hiervan is dat hennepteelt allerlei vormen van criminaliteit genereert of bestendigt. Daar komt bij dat hennepteelt overlast en (brand)gevaarlijke situaties kan veroorzaken in woningen. Tot slot heeft de energieleverancier schade opgelopen door de diefstal van de elektriciteit.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 januari 2018, waaruit blijkt dat hij zowel voorafgaand aan een deel van de bewezenverklaarde feiten als daarna voor het plegen van strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Aangezien deze veroordelingen andersoortige feiten betreffen, weegt het hof deze niet in het nadeel van de verdachte mee.

Dit laatste laat onverlet dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op de professionele wijze waarop de hennepkwekerijen zijn opgezet, de prominente rol van de verdachte daarbij, het feit dat misbruik is gemaakt van kwetsbare personen, het gegeven dat de verdachte gedeeld heeft in de opbrengst van de kwekerijen, de duur die de kwekerijen in werking zijn geweest, de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen en het feit dat deels sprake is van medeplegen, zijn de LOVS-oriëntatiepunten in dezen niet van toepassing en is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof acht – net als de rechtbank – een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden een passende straf. In de door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding deze straf te matigen.

Het hof constateert dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gegarandeerde recht van iedere verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht, in hoger beroep is geschonden. Dit zal worden verdisconteerd in de op te leggen straf, in die zin dat het hof een gevangenisstraf voor de duur van 23 weken zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 48, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2018.