Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
K16/0197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklagzaak art. 12 Begrip rechtstreeks belanghebbende bescherming art. 326 en art. 326b Wetboek v Strafrecht in relatie tot schending auteurswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K16/0197 van

[klaagster] ,

klaagster,

woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde:

mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 24 maart 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde 1] en [beklaagde 2] (hierna: beklaagden) ter zake van het verkopen, te koop aanbieden of in voorraad hebben van valse [naam]-kunstwerken (artikel 326b Wetboek van Strafrecht, verder: Sr) en (poging tot) oplichting (artikel 326 Sr) door het te koop aanbieden van valse [naam]-kunstwerken als waren zij echt en onvervalst.

Het door klaagster ingediende klaagschrift hangt samen met door anderen ingediende klaagschriften in verband met dezelfde kwestie.

Deze zaak is, ter bewaking van de voortgang, op een aantal zogenoemde pro-formazittingen aan de orde geweest. De zaak is meermalen aangehouden, mede op advies van de advocaat-generaal, om de resultaten te vernemen van de expertmeeting in de strafzaak tegen [verdachte]. Deze expertmeeting heeft inmiddels plaatsgevonden.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 29 december 2017 (met als opschrift: Tussenverslag) heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat de behandeling in hoger beroep van de met dit beklag samenhangende strafzaak tegen [verdachte] naar het zich laat aanzien nog geruime tijd zal duren, in verband met nog door het openbaar ministerie te vorderen nader onderzoek in die zaak. De advocaat-generaal is echter van mening dat de vraag naar de ontvankelijkheid van klaagster los van de ontwikkelingen in de strafzaak tegen [verdachte] kan worden beantwoord. Zij komt tot de conclusie dat klaagster niet als belanghebbende zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) kan worden aangemerkt, zodat zij niet-ontvankelijk is in het beklag en dit moet worden afgewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de op 25 januari 2018 binnengekomen schriftelijke reactie van de advocaat van klaagster op het verslag.

3 De ontvankelijkheid van klaagster

Wettelijk kader

Terwijl aangifte kan worden gedaan door ieder die kennis draagt van een strafbaar feit, is de mogelijkheid tot het doen van beklag als bedoeld in artikel 12 Sv beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat worden aangemerkt als belanghebbende. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien moet worden beoordeeld of de overtreden strafbepaling beoogt dit specifieke belang van klaagster te beschermen.

Artikel 326 Sr luidt, voor zover hier van belang:

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 326b Sr luidt, voor zover hier van belang:

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

hij die opzettelijk een werk van letterkunde, wetenschap, kunst of nijverheid, waarop of waarin valselijk enige naam of enig teken is geplaatst, of de echte naam of het echte teken is vervalst, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het Rijk in Europa invoert, als ware dat werk van de hand van degene wiens naam of teken daarop of daarin valselijk is aangebracht.

Beide artikelen betreffen vormen van bedrog en beschermen aldus primair het belang van (potentiƫle) kopers.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van klaagster

Hoewel klaagster geen koper is, stelt zij niettemin een rechtstreeks belang bij vervolging te hebben in verband met het volgende:

* klaagster handelt in de kunst van [naam]. Door de onrust die door het handelen van beklaagden is ontstaan, is de verkoop van [naam]-werken dramatisch gedaald, waardoor klaagster inkomensschade lijdt;

* vervolging van beklaagden kan een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat afwenden.

Uit hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht, noch anderszins, is aannemelijk geworden dat door de keuze van het openbaar ministerie om alleen [verdachte] te vervolgen in verband met [naam]-vervalsingen, een (gevaarlijke) verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dreigt. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het door artikel 326 en 326b Sr beschermde belang, vallen voor het overige uit hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht (in dit verband: slechts) afgeleide belangen bij strafvervolging van beklaagden te destilleren.

Om klaagster als rechtstreeks belanghebbende bij vervolging aan te merken is dit naar het oordeel van het hof onvoldoende.

Hieruit volgt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in haar beklag. Het hof zal daarom ook het door klaagster ingediende beklag afwijzen

4 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 15 maart 2018 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, P.C. Kortenhorst en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.