Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
16/00153, 16/00154, 16/00155, 16/00156
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douanerechten; oorsprong textielproducten: oorsprong Jamaica of ‘kant en klaar’ uit China via Jamaica doorgevoerd? Geldigheid EUR1-certificaten? Nu de oorsprongsfraude zich heeft afgespeeld binnen de groep (waartoe ook belanghebbende behoort) twijfelt het Hof er niet aan dat belanghebbende althans haar directeur daarvan wist althans redelijkerwijs had moeten weten (art. 201, lid 3, CDW). verdedigingsbeginsel geschonden? (vgl. HvJ 20 december 2017, zaak C-276/16, Prequ’ Italia Srl)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-03-2018
FutD 2018-0919
DouaneUpdate 2018-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 16/00153 tot en met 16/000156

8 maart 2018

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: L.E.C. Kanters (KPMG Meijburg & Co),

tegen de uitspraak van 10 maart 2016 in de zaken met kenmerken HAA 12/312 tot en met HAA 12/315 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 januari 2006 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling van douanerechten van € 1.163,27 uitgereikt (nr. [xxx]).

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 januari 2006 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling van douanerechten van € 54.971,73 uitgereikt (nr. [xxx]).

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 januari 2006 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling van douanerechten van € 886.728,12 uitgereikt (nr. [xxx]).

1.1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 januari 2006 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling van douanerechten van € 1.454.651,31 uitgereikt (nr. [xxx]).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 20 december 2011 voornoemde uitnodigingen tot betaling (hierna: de UTB’s) gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 maart 2016 op de beroepen van belanghebbende als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de utb’s;

- veroordeelt verweerder [de inspecteur] in de proceskosten van eiseres [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.598;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 april 2016 en gemotiveerd bij brief van 12 mei 2016. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 juni 2016 incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met de uitspraak is meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’ – de volgende feiten vastgesteld.

“1. In 2003 en 2004 heeft (de rechtsvoorganger van) [xxx] B.V. aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van – kort gezegd – textielproducten van hoofdstuk 61 van de GN met oorsprong Jamaica. Bij de aangiften zijn telkens EUR.1-certificaten overgelegd waarmee aanspraak is gemaakt op de toepassing van het preferentiële tarief.

2. Van 31 januari 2005 tot en met 7 februari 2005 en van 7 maart 2005 tot en met 24 maart 2005 heeft het OLAF, het antifraudebureau van de Europese Commissie, een onderzoek uitgevoerd op Jamaica. Volgens de van dit onderzoek opgemaakte rapporten zijn de Jamaicaanse ondernemingen [A] Ltd. en [B] Ltd. de leveranciers van het onderhavige textiel. Deze ondernemingen hebben kant en klare kledingstukken uit de Volksrepubliek China in Jamaica geïmporteerd en zonder verdere bewerking naar de Europese Unie geëxporteerd. De EUR.1-certificaten zijn ongeldig verklaard omdat zij ten onrechte de oorsprong Jamaica vermelden.

3. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 20 maart 2012 is [persoon X] met ingang van 1 april 1999 algemeen directeur van eiseres en alleen/zelfstandig bevoegd. Enig aandeelhouder van eiseres is sinds 3 maart 1988 [X] (Hong Kong) Ltd., (hierna: [X]) waarvan [persoon X] eveneens de directeur (managing director) is. [X] is een multinationale textielgroep met fabrieken in Mauritius, Madagaskar, Maleisië en Jamaica. De onderneming exporteert textiel naar de Europese Unie, de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Latijns Amerika. In 2007 waren er meer dan 8.000 medewerkers in dienst van [X].

4. De onderzoeksrapporten van het OLAF houden voorts in dat zowel de hiervoor onder 2 bedoelde Chinese leveranciers als [A] Ltd. en [B] Ltd. deel uitmaken van [X].”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

Van 31 januari 2005 tot en met 7 februari 2005 heeft het OLAF een onderzoek uitgevoerd op Jamaica. Van het onderzoek is op 24 februari 2005 een rapport opgesteld dat – voor zover van belang – inhoudt:

“(…)

CMS Title Textiles imported from Jamaica with EUR.1 certificates

(…)

Delegation of the European Commission

Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade

Organisation(s) visited Jamaica Customs Department

JAMPRO Jamaica Promotions Corporation

Persons met 1. Delegation of the European Commission:

[naam persoon], Head of Delegation

[naam persoon], Head of Section, Economics, Trade and Politics, Information

[naam persoon], Task Manager, Economics, Trade and Politics, Information

2. Ministry of Foreign Affairs and Trade:

Ambassador Douglas SAUNDERS, Permanent Secretary

[naam persoon], Senior Director

[naam persoon], Acting Deputy Director

[naam persoon], Acting Assistant Director

3. Jamaica Customs Department:

[naam persoon], Commissioner of Customs

[naam persoon], Deputy

Commissioner Customs

[naam persoon], Assistant Commissioner –

Compliance and Enforcement

[naam persoon], Director Intelligence

[naam persoon], Enforcement

4. Trade Board Ltd:

(…)

5. JAMPRO, Jamaica Promotions Corporation:

(…)

Main activities executed 1. Meetings with representatives from the Delegation of the European Community, the Jamaica Customs Department, the Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade, the Trade Board Ltd and the Jamaica Promotions Corporation

2. Visits to the premises of the associated companies [A] Limited,[zwart gemaakt],

[B] Ltd and [zwartgemaakt] in the Kingston Free Zone; and [zwart gemaakt] in the Garmex Free Zone

(…)

1 Purpose of the mission

The European Anti-Fraud Office is co-ordinating the enquiries and investigations being conducted in the Member States: Belgium, Finland, France, Germany, Italy, the Netherlands, Portugal, Spain and Sweden in respect of suspected irregularities on importation into the Community of knitted textiles of HS chapter 61 (mainly jerseys, pullovers, cardigans) declared as originating in Jamaica. The elements available, however, indicate that the goods concerned do not satisfy the required origin criteria and, therefore, cannot benefit from the preferential treatment granted to products originating in Jamaica, member of the African, Caribbean and Pacific Group of States. (…)

With a view to protect the financial interests of the Community and to furthering the enquiries and investigations of the national authorities, OLAF has sought the assistance and the support of the competent Jamaican authorities for the purpose of verifying the legality of the preferential treatment granted to the relevant importations into the Community. In this context, OLAF proposed joint enquiries to be carried out by the competent Jamaican authorities and the Community to identify the suspected irregularities and to prevent future contraventions in the area concerned.

The Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade assured OLAF that the Government of Jamaica was taking very seriously the concerns raised by OLAF and will cooperate fully with the verification process in accordance with Protocol 1 of the Cotonou Agreement. In addition, the Permanent Secretary Ambassador Douglas Saunders welcomed preliminary meetings proposed by OLAF to explain the objectives of the verification mission, to identify the type of documentary evidence required and to address concerns raised by the Jamaican authorities. (…)

2 Background

(…)

The Jamaican supplier companies concerned, [zwart gemaakt], [A] Limited, [X] (Ja.) Ltd., [zwart gemaakt], [B] Ltd and [zwart gemaakt], all located in the Kingston and Garmex Free Zones, as well as some of the main importers in the Community, the companies [X] GmbH in Germany and [X] B.V. in the Netherlands were identified as companies either closely linked to or subsidiaries of the Hong Kong based [X] (HK) Ltd.

Considering these Far East roots of the main suppliers and recipients, the official Chinese export statistics were evaluated for the relevant period. They clearly showed that mainly ready-made garment but also fabrics and very little yarn had been exported from the PR China to Jamaica. The Chinese exports to Jamaica of goods classified within HS subheading 6110 90, 6110 30, 6110 20, 6110 11 were sufficient to account for between 50 % and 100 % of the corresponding supplies to the Community depending on the HS subheading. According to the relevant origin rule stipulated in Protocol 1 of the ACP-EC Partnership Agreement, the goods concerned of chapter 61 are to be manufactured from yarn.

In addition, the relevant import statistics of Jamaica showed that the aforementioned goods exported from the PR China to Jamaica had not been cleared for free circulation/home use in that country. This fact corroborates the suspicion that the Chinese goods were actually destined for onward shipment to the Community and, therefore, were probably shipped to the Jamaican Free Zone in Kingston.

(…)

3 Mission report

(…)

The Jamaican authorities advised OLAF that the aforementioned Jamaican supplier companies ceased their business activities in late January 2005 which caused huge disruption to the employment situation in Jamaica because these companies were said to employ approximately 2,000 people. According to the information received by the Jamaican authorities from the companies concerned, the reason for the discontinuation of their business activities was the fact that the Multifibre Agreement ceased to apply at the end of the year 2004. The Multifibre Agreement limited the importation into the Community of textiles originating in the PR China by quantitative restrictions per textile category.

The Jamaican Customs Departement arranged for visits to the company premises in the Free Zone Areas on the 03.02.2005. (…)

4 Conclusive remarks

(…)

The specimen documentation received, however, clearly supports the suspicion that the goods of HS chapter 61 imported into the Community and declared as originating in Jamaica were not eligible for preferential treatment because they do not meet the origin criteria. In addition, it is suspected that the real nature of the goods originating in and consigned from the PR China to Jamaica was disguised on the occasion of the introduction into the Kingston Free Zone by misdescribing the goods as “yarn and sweaters”. (…)”

2.4.

Van 7 maart 2005 tot en met 24 maart 2005 heeft het OLAF het onderzoek op Jamaica voortgezet. Van het onderzoek is op 9 september 2005 een rapport opgesteld dat – voor zover van belang – luidt:

“(…)

Organisation(s) visited Delegation of the European Commission

Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade

Jamaica Customs Department

Port Authority of Jamaica

[A] Ltd

[B] Ltd.

Factories Corporation of Jamaica (Garmex Free Zone Authority)

(…)

Persons met 1. Delegation of the European Commission:

[naam persoon], Head of Delegation

[naam persoon], Head of Section, Economics,

Trade and Politics, Information

[naam persoon], Task Manager, Economics, Trade

and Politics, Information

2. Ministry of Foreign Affairs and Trade:

Ambassador Douglas SAUNDERS, Permanent

Secretary

[naam persoon], Senior Director

[naam persoon], Acting Deputy Director

[naam persoon], Acting Assistant Director

[naam persoon]

3. Jamaica Customs Department:

, Commissioner of Customs

, Deputy

Commissioner Customs

, Assistant Commissioner –

Compliance and Enforcement

, Director Intelligence

, Enforcement

4. Trade Board Ltd:

(…)

5. Port Authority of Jamaica and Kingston Free Zone Authority:

[naam persoon], Senior Vice President

[naam persoon], Client Relations Manager

[naam persoon], Statistical Data Manager

6. JAMPRO, Jamaica Promotions Corporation:

(…)

7. Factories Corporation of Jamaica (Garmex Free Zone Authority)

(…)

Main activities executed 1. Meetings with representatives from the Delegation of the European Community, the Jamaica Customs Department, the Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade, the Trade Board Ltd, the Port Authority, the Garmex Free Zone Authority and the shipping agencies

2. Visits to the premises of the associated companies [A] Limited, (…),

[B] Ltd in the Kingston Free Zone; and (…) in the Garmex Free Zone

(…)

2.1

Conduct of the mission

The relevant Jamaican authorities – the Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade, the Customs Department, the Trade Board Limited and the Jamaica Promotion Corporation (JAMPRO) – assisted the Community mission team in checking the authenticity of the movement certificates EUR.1 (issued since 1 January 2002 until the conduct of the mission) and the correctness of the information given in these documents. The authorities furnished all information requested by the Community mission team for the purpose of identifying the conditions under which the textile products exported by the relevant companies to the Community had been made and whether the relevant origin rule – the manufacture from yarn in this particular case – had been respected.

Representatives of the Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade accompanied the Community mission team on its visit to the Port Authority of Jamaica and the Factories Corporation of Jamaica. The relevant visit reports are attached to annex 2. Representatives of both the Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade and the competent Free Zone Authority (either Kingston or Garmex Free Zone Authority) accompanied the Community mission team to the company premises.

The Community mission team received permission to take photocopies of all related customs and supporting documentation. In addition, the shipping companies [twee namen zwart gemaakt] provided copies of the bills of lading identified by them as transport documents in respect of the traffic in question.

2.2

Companies concerned

The Jamaican companies [X] (Ja.) Ltd., (…), [A] Ltd, [B] Ltd, (…) supplied the goods which are the subject of this investigation to the Community. These companies had also imported into the Free Zone in Jamaica the material (allegedly) used in the production of the exported textiles.

These companies belong to the [X-groep] of companies (…).

2.3

Imports into and exports from Jamaica

(…)

In this context it is noted that the companies’ customs declaration, the documentation submitted in support of these declarations and the transport documentation were consistent in showing the materials introduced into the Free Zones as consisting mainly of yarn accompanied by some sample sweaters.

(…)

2.4

Misdescription of goods on introduction into the Free Zones

(…)

Considering that the processing of yarn into ready-made garments does not increase or diminish the weight as such and considering the total weight of 11,172,300 kg of ready made garments imported into the Community during the period January 2001 to December 2004 (cf. annex 8), it is evident that the Chinese yarn supplies to Jamaica (596,100 kg from 1998 to 2004) plus the minor quantity transshipped through Hong Kong were not sufficient in order to manufacture the goods subsequently exported to the Community.

(…)

2.5

Agreed mission conclusions

Therefore, in the light of the available information and in the absence of any direct evidence of the process carried out by the Jamaican exporters to obtain the knitwear supplied to the Community, or of any appropriate documents proving the originating status of the textile goods exported to the Community or of any information sufficient to determine the Jamaican preferential origin of the products supplied, the Jamaican authorities were not in a position to confirm the Jamaican preferential origin status of the goods as declared on importation into the Community.

In addition, the results of the Jamaican-EC verification carried out in the course of the Community mission in conjunction with available information on exports from the PR China to the Kingston and Garmex Free Zones in Jamaica clearly indicate:

• that the provisions of Protocol 1 of the ACP-EC Partnership Agreement were contravened by the Jamaican exporters;

• that all of the products exported to the EC were not exclusively manufactured from yarn and, therefore, cannot be considered as originating in Jamaica;

• that most or all of the goods exported to the Community were either manufactured in Jamaica from shells originating in the PR China or were re-exports of finished garments originating in the PR China;

• that, considering the limited supplies of yarn to the Kingston and Garmex Free Zones in Jamaica, some of the goods exported to the Community may have been produced from yarn. However, the exact quantities produced from yarn and the related exports cannot be identified in the absence of any direct evidence provided by the exporters concerned; and

• that the Jamaican exporters concerned, when applying to the customs authorities for the issuance of the relevant EUR.1 certificates, made false declarations in respect of the originating status of the goods exported from the Kingston and Garmex Free Zones in Jamaica to the Community.

The Jamaica Customs Department therefore concluded that EUR.1 movement certificates issued since January 2001 until the conclusion of the mission, in respect of the consignments subject to this investigation, are authentic but nevertheless incorrect, in respect of the origin status of the goods concerned, and consequently are invalid.

(…)”

2.5.

Op 23 maart 2005 is in Kingston een verslag van de bevindingen van de missie van OLAF opgesteld en namens de regering van Jamaica ondertekend door “Ambassador Douglas Saunders, Permanent Secretary Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade” (Annex 18 bij het onder 2.4 aangehaalde missierapport). Dit verslag houdt, voor zover van belang, onder meer in:

“(…)

4. IMPORTS INTO AND EXPORTS FROM JAMAICA

The Jamaican companies concerned (…) received their supplies of merchandise exclusively from the PR China. (…)

(…) The goods supplied from the PR China were invoiced by the Hong Kong-based companies [C] Limited, [D] Limited. [E] Limited and [zwart gemaakt] all of which belong to the [X-groep] of companies (…).

5. INSPECTION OF THE PREMISES

All of the companies had ceased trading shortly prior to the commencement of the verification and the premises were closed and locked. However (…) the Kingston Free Zone authorities arranged access to the premises of [B] and [A]. The [zwart gemaakt] premises were completely empty – all equipment and documentation had been removed. Similarly, in the premises of [A] (…), virtually all of the equipment had been removed together with all of the documentation from the offices. (…)

The premises of [B] (…). Virtually all documents had been removed from the offices. (…)

7. CONCLUSION

(…)

The Jamaica Customs Department therefore concludes that the EUR.1 movement certificates issued since 1 January 2002 to date, in respect of the consignments subject to this investigation, are authentic but nevertheless incorrect, in respect of the origin status of the goods concerned, and consequently are invalid.

(…)

Both the Jamaica Customs Department and the Trade Board underlined the fact, as recognized by the Community mission team, that they had acted in good faith hand exercised due diligence when issuing the movement and non-preferential origin certificates concerned. The results of the joint verifications carried out in the course of the Community mission show that the group of Jamaican companies concerned made false declarations with the view to obtaining the certificates concerned. This deception would have been difficult for the Jamaican authorities to detect due to the professional manner in which the companies disguised the true nature of the goods introduced into the Free Zones. In addition, when visited, the companies concerned presented themselves in a manner which led the authorities to conclude that they operated and manufactured the goods in line with the requirements of the Protocol 1 of the ACP-EC Partnership Agreement.

On behalf of the Government of Jamaica

[handtekening]

Ambassador Douglas SAUNDERS, Permanent Secretary Ministry of Foreign Affairs and Foreign Trade”

2.6.

Op 10 september 2005 heeft [werknemer Q], een voormalige werknemer van [B] Ltd., [F] en [A] Ltd. die verantwoordelijk was voor het plannen, implementeren en toezicht houden op alle im- en exportprocedures, een verklaring afgelegd. Deze verklaring (‘affidavit’) is voorgesteld als een getuigenis in een procedure die ‘[G] SpA’ had aangespannen tegen de Jamaicaanse douaneautoriteiten (eerste verweerder) en Trade Board Limited (tweede verweerder) bij de Supreme Court of Judicature of Jamaica in Common Law. De relevante passages luiden als volgt:

“9. On an average weekly basis approximately five (5) containers arrived in Jamaica consigned to one or more companies. During the peak production seasons as much as twenty (20) containers were sent to and received in Jamaica on behalf of the companies. (…) Containers to the Kingston Freezone were delivered through a side gate which gave direct access to the Customs terminal at Berth 11.

10. The containers so delivered, arrived at the Jamaican Companies services with an unbroken seal and it was the duty of the relevant Custom’s Officer to

a. Witness the removal of said seal

b. Examine the contents of the container

c. Compare said contents with the descriptions on the relevant shipping documentation

d. Allow the Jamaican Companies (…) to thereafter take delivery and possession of the contents of the container having established the accuracy of the descriptions on the contents.

e. Seize and detain all contents or all containers which were not in conformity with the descriptions on the shipping documents and were therefore mis-described.

11. The 1st Defendant, its Officers or Agents were, or ought to have been well aware of the fact, that in order for the Jamaican Companies to benefit under the European Community Programme which entitled it to import its garments into the European Union (EU) duty free, the relevant rules of origin had to be met as described in Paragraph 8 above.

(…)

14. Throughout the period that the Jamaican Companies operated, they applied for and the 1st Defendant granted literally hundreds of EUR1 Certificates for the use and benefit of the Jamaican Companies.

(…)

16. During the years that I worked with the Jamaican Companies I was able to make first hand observations as to the regulatory and or supervisory activities of the 1st Defendant in relation to the Jamaican Companies and I make the following points as to the significant features of the 1st Defendants approach to the Jamaican Companies’ operations:

a. (…) very rarely examined the removal of the seals (…) and as such hardly ever conducted any inspection whatsoever as to the contents of said containers.

b. (…) very rarely attended the Jamaican Companies’ factories in order to determine whether any knitting of yarn was taking place there (…) even though in the case of the Jamaican Companies which operated in the Kingston Freezone the 1st Defendant’s sub-office was less than one hundred metres from the Jamaican Companies’ factories.

c. The 2nd Defendant only attended the Jamaican Companies’ factories about once per year.

d. Requests for verification (…) never except for one instance, caused the 1st Defendant to conduct any corresponding enquiries or probes into the Jamaican Companies operations and were most frequently dealt with by a standard issuance of verification.

e. (…)

f. The 1st Defendant regularly submitted invoices for payment for overtime work for its Agents who purportedly took accounts of the contents of the containers or examined the work processes of the Jamaican Companies (…). In many instances said Officers were not in fact present and overtime invoices were completed by way of telephonic enquiries made by the 1st Defendant’s Officers in order to ascertain the working hours for the factories for the relevant period claim.

(…)

20. I hereby state that based on those figures asserted even the most cursory and infrequent inspection of the containers imported by the Jamaican Companies would have readily revealed that the Jamaican Companies were importing finished or semi-finished goods which did not satisfy the rules of origin. The extent of the disparity between the quantity of yarn imported and the quantity of sweaters/cardigans/pullovers exported simply could not be concealed.

21. I also refer to page 4 paragraph 4 of the said Minutes and note that said report acknowledges that the shipping documents of some of the Jamaican Companies since September 2004 revealed on the face of the documents that “sweaters shells” were being imported. (…)

22. (…) Had the 1st Defendant done any checks whatsoever it would have been immediately clear to them that the rules of origin have been breached. In fact, on the rare occasions that they did check, it was seen by the 1st Defendant that the rules of origin were clearly breached.

23. I state further that on repeated occasions the 1st Defendant did in fact conduct examinations of containers imported by the Jamaican Companies albeit quite rarely and they have in fact made specific determinations that the contents of said containers were in breach of the requisite rules of origin in so far as they were found to be finished sweaters. (…) The most recent “detection” occurred in October 2004. (…)

(…)

26. The 1st Defendant detained the said containers (…).

27. The containers were subsequently examined on October 8, 2004 (…) Notices of Detention which indicates that the containers only had sweaters (finished).

28. (…) There was in fact no yarn whatsoever in the containers. Nevertheless the 1st Defendant on October 11, 2004 simply released the three (3) containers to [F] on the condition that a “letter of explanation to the Commissioner of Customs” be given. (…)

29. I saw the explanation letter given by the Jamaican Company and state that said letter was quite facile and failed to address the fact that the imported sweaters were in breach of the rule of origin and simply sought to apologize for the mis-description of the goods while promising not to let it happen again.

30. The sweaters which were in these containers were subsequently shipped to Germany and the Netherlands by [F] under the EUR1 movement certificate. (…)

(…)”

2.7.

Op 10 februari 2006 is door OLAF een verslag opgesteld van een bespreking met [werknemer Q]. Hij heeft volgens dit verslag, weergegeven in de woorden van de opsteller van het verslag, onder andere het volgende verklaard tegenover enkele van de deelnemers van de missie van maart 2005:

“ (…)

He clarified that the Jamaican companies were engaged in the manufacturing and sale of textile garments. Prior to 1986, all of the goods exported by the companies were manufactured in Jamaica from imported yarn. They then commenced to import semi-finished products in 1986/87. In about 1990 the companies started to import fully finished products.

(…)

In both the Garmex and the Kingston Free Zone, there was one customs official and two or three customs clerks who were supposed to open the containers on arrival in the company premises but in reality this did not happen. The containers were opened and discharged by the company. The contents of the containers were checked but not by him. Stock records were kept by the company but not by him.

Nevertheless, he saw that semi-finished and fully finished garments were imported in addition to yarn. The consignments described as ‘yarn and sweaters’ consisted of ready-made garments and a small quantity of yarn. He never received any of the correct invoices in respect of these consignments. He did not know why the goods were described as ‘yarn and sweaters’. However, he had been instructed by the manager of the Jamaican companies, [naam persoon], to fill in the Customs C36 entry form with the information given in the invoices and the bills of lading describing the goods as ‘yarn and sweaters’. In addition, there were also consignments consisting solely of yarn. Approximately 70 to 80 per cent of all imports by the Jamaican companies were ready-made garments and 20 to 30 per cent were yarn. The invoices submitted to customs in respect of the consignments of yarn correctly described the goods as yarn.

The imported finished goods were destined to fulfil specific orders and were not for stock. Normally, these goods were re-exported within two weeks. Imports and exports could be linked but he could not do it.

Approximately 2000 workers were employed by the Jamaican companies and they were responsible for the processing of the imported goods which consisted mainly of washing, ironing, labelling and packing.

The import invoices presented to customs showed a variety of company names ([D], [C] and [E]) but is all cases, the documents were received from the head office in Hong Kong, i.e. [X]. (…)”

2.8.

De vier onder het procesverloop genoemde UTB’s houden – voor zover van belang – in:

“Uit mijn gegevens blijkt dat u [bedrag] aan rechten bij invoer, zijnde douanerechten, verschuldigd bent. U bent dit bedrag verschuldigd omdat bij een communautair onderzoek in Jamaica is gebleken dat u de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt, terwijl u wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren. De in de aangiften ten invoer, vermeld in de bijlage, vermelde gevraagde preferentiële maatregel is ten onrechte verleend.

(…)

Hierna geef ik aan op welke wijze de douaneschuld is ontstaan en hoe de berekening van de douaneschuld heeft plaatsgevonden.

Met de in de bijlage vermelde aangiften ten invoer is op diverse data aangifte gedaan tot plaatsing onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” van textiel. Voor deze produkten is verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel en werden bij de aangiften ten invoer certificaten van oorsprong, EUR.1, uit Jamaica overgelegd, met de nummers zoals in de bijlage vermeld. Tijdens het communautaire onderzoek in Jamaica is gebleken dat u wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de aangegeven produkten niet van oorsprong uit Jamaica waren.

Tijdens het communautaire onderzoek in Jamaica is de echtheid en de juistheid van de certificaten van oorsprong, EUR.1, en de oorsprong van de produkten gecontroleerd. De autoriteiten van Jamaica hebben bevestigd dat de produkten niet van oorsprong uit Jamaica zijn.

Bovenstaande houdt in dat de bij de aangifte ten invoer verleende tariefpreferentie niet in stand kan blijven.

De op grond van artikel 201, lid 1 letter a van het CDW ontstane douaneschuld is derhalve ten onrechte berekend en geboekt met toepassing van een preferentiële tariefmaatregel. Hierdoor is een lager bedrag geboekt en voldaan dan het wettelijk verschuldigd bedrag. De wettelijk verschuldigde douanerechten hadden moeten worden vastgesteld met toepassing van het percentage van het recht, dat normaal van toepassing is met betrekking tot deze produkten (algemeen recht).

U wordt daarom op grond van artikel 201, lid 3 jo. artikel 54 Douanebesluit (Besluit van 4 maart 1996 (Stb. 166)) als schuldenaar aangemerkt voor de douanerechten die voortvloeien uit de betreffende aangiften ten invoer.

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of:

  • -

    het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden;

  • -

    de UTB’s voldoende zijn gemotiveerd;

  • -

    de bij de onderhavige aangiften overgelegde EUR.1-certificaten rechtsgeldig zijn ingetrokken door de bevoegde Jamaicaanse autoriteiten;

  • -

    er voor elke zending die aan de EUR.1-certificaten ten grondslag ligt is bewezen dat deze niet de oorsprong Jamaica heeft verkregen;

  • -

    belanghebbende kwalificeert als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, derde lid, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW);

  • -

    de boeking achteraf op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW achterwege had moeten blijven;

Daarnaast is in incidenteel hoger beroep in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten ten bedrage van € 598.076,38 (tot en met beroep in eerste aanleg) plus € 75.000 per zaak (geschat) voor het hoger beroep.

3.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding waaronder het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Douaneschuld; geldigheid EUR.1-certificaten

4.1.

Partijen houdt verdeeld of de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de goederen niet - zoals in de aangiften vermeld - van Jamaicaanse preferentiële oorsprong zijn. Belanghebbende heeft ter zake betoogd dat de bij de desbetreffende aangiften overgelegde EUR.1-certificaten niet volgens de procedure van artikel 32 van Protocol nr. 1 bij bijlage V van de ACS-Partnerschapsovereenkomst zijn ingetrokken of ongeldig verklaard door de daartoe bevoegde autoriteit en daarom nog altijd geldig zijn. Tevens heeft belanghebbende gesteld dat niet vast staat dat alle onderwerpelijke EUR.1-certificaten ten onrechte zijn afgegeven, omdat uit het missierapport van OLAF blijkt dat niet is uitgesloten dat er ook kleding is geëxporteerd die wel van preferentiële Jamaicaanse oorsprong is.

4.2.

Belanghebbende heeft op zichzelf met juistheid aangevoerd dat regelmatig afgegeven EUR.1-certificaten, blijkens het arrest HvJ 9 februari 2006, gevoegde zaken C-23/04 tot en met C-25/04 (Sfakianakis AEVE tegen Elliniko Dimosio), geldig blijven zolang zij niet zijn ingetrokken of vernietigd door de bevoegde administratieve of rechterlijke autoriteiten van de staat van uitvoer. In zijn arrest van 15 december 2011, zaak C-409/10 ([X] Deutschland GmbH) heeft het Hof van Justitie evenwel gepreciseerd dat regelmatig afgegeven EUR.1-certificaten hun geldigheid ook verliezen indien uit een door de Europese Commissie (OLAF) uitgevoerde onderzoeksmissie blijkt dat deze ten onrechte zijn afgegeven, mits (1) het onderzoek op uitnodiging van de staat van uitvoer is verricht en (2) de staat van uitvoer ondubbelzinnig schriftelijk verklaart de resultaten van het door OLAF verrichte onderzoek over te nemen. In casu is een verklaring met die strekking namens Jamaica ondertekend op 23 maart 2005 (zie 2.5).

4.3.

Belanghebbende heeft betoogd dat voormelde verklaring namens de regering van Jamaica is ondertekend door D. Saunders, Permanent Secretaris van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, terwijl deze daartoe niet bevoegd was. Het Hof van Justitie heeft in voormeld arrest [X] Deutschland GmbH, waarin dezelfde verklaring voorlag, ter zake als volgt overwogen en geoordeeld:

“37. Wat ten slotte de - eveneens door Afasia aan de orde gestelde - vraag betreft of de persoon die het verslag van het onderzoek namens de ACS-staat van uitvoer heeft ondertekend, krachtens het recht van deze staat de bevoegdheid daartoe had, moet enerzijds worden geconstateerd dat indien deze bevoegdheid ontbreekt, de betrokken staat niet kan worden geacht de resultaten van het onderzoek te hebben overgenomen, en anderzijds dat het wederzijdse vertrouwen dat de samenwerking tussen de ACS-staten van uitvoer en de lidstaten van invoer kenmerkt, impliceert dat laatstgenoemde staten niet systematisch de geldigheid hoeven te onderzoeken van de handtekeningen van personen die de ACS-staat van uitvoer op het gebied van uitvoer lijken te kunnen binden.

38. Bijgevolg moeten de autoriteiten van de lidstaat van invoer enkel in geval van twijfel over de bevoegdheid van de persoon die namens de staat van uitvoer heeft ondertekend, bij de betrokken ACS-staat verifiëren of deze persoon wel degelijk bevoegd was om die staat op dit gebied te binden.

39. In casu zal de verwijzende rechter op basis van de in het onderzoeksverslag opgenomen informatie en van de argumenten die Afasia heeft aangevoerd inzake de beweerde onbevoegdheid van de Permanente Secretaris van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel om dit document namens Jamaica te ondertekenen, dienen te beoordelen of het Hauptzollamt dienaangaande enige verificatie had moeten verrichten.”

4.4.

Dienaangaande heeft belanghebbende, onder verwijzing naar een “legal opinion” van een Jamaicaanse advocaat van 6 december 2010, betoogd dat EUR.1-certificaten in Jamaica destijds werden afgegeven door overheidsdiensten die vallen onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Industrie, Commercie en Technologie, zodat uitsluitend dit ministerie bevoegd was om te verklaren dat de resultaten van het OLAF-onderzoek door Jamaica werden overgenomen. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. De inspecteur dient, blijkens voormelde rechtsoverweging 38 van het arrest [X] Deutschland GmbH, enkel in geval van twijfel over de bevoegdheid van de persoon die namens de regering van Jamaica heeft ondertekend te verifiëren of deze persoon wel bevoegd was om Jamaica op dit gebied te binden. Daarbij is van belang dat de door belanghebbende aangedragen “legal opinion” is opgesteld in 2010 en door belanghebbende pas in het onderwerpelijke geding is ingebracht als bijlage bij de nadere motivering van haar beroepschrift in eerste aanleg met dagtekening 20 maart 2012, zodat de inspecteur bij het vaststellen van de bestreden UTB’s in januari 2006 en overigens evenmin bij het doen van zijn uitspraak op bezwaar op 20 december 2011, over deze “legal opinion” kon beschikken, zodat deze reeds daarom voor hem geen grond voor twijfel in vorenbedoelde zin kon vormen.

4.5.

De stukken die de inspecteur wel ter beschikking stonden geven naar ’s Hofs oordeel geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van Saunders. Het door belanghebbende genoemde Ministerie van Industrie, Commercie en Technologie heeft bij het onderzoek van OLAF in Jamaica geen rol gespeeld. Uit de rapporten volgt dat het onderzoek door OLAF in Jamaica heeft plaatsgevonden op uitnodiging van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. De afstemming met Jamaica over de voorbereiding en uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden met ditzelfde ministerie. Het missierapport vermeldt hieromtrent onder meer:

“In addition, the Permanent Secretary Ambassador Saunders welcomed preliminary meetings proposed by OLAF (…)”

Uit onder meer de onder 2.4 en 2.5 aangehaalde rapporten en uit de “visit reports” die zijn opgemaakt van de bezoeken van de onderzoeksmissie aan de “Port Authority of Jamaica” (d.d. 15 maart 2005) en de bedrijfslocaties van de exporteurs (d.d. 9 maart 2005) blijkt dat Jamaica zich ook bij de feitelijke uitvoering van het onderzoek heeft laten vertegenwoordigen door medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. In het licht van deze vermeldingen in het missierapport behoefde de inspecteur, gelet op het wederzijdse vertrouwen dat de samenwerking tussen Jamaica en (de lidstaten van) de Europese Unie kenmerkt, in redelijkheid niet te twijfelen aan de bevoegdheid van de Permanente Secretaris van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel (Saunders) om namens Jamaica te verklaren dat de resultaten van het door OLAF verrichte onderzoek werden overgenomen, te minder nu ontegenzeggelijk sprake is van een kwestie betreffende de buitenlandse handel.

4.6.

Belanghebbende heeft er op gewezen dat blijkens het missierapport niet is uitgesloten dat er ook zendingen zijn geweest die wel voldeden aan de oorsprongsbepalingen van de ACS-Partnerschapsovereenkomst en dat niet is vastgesteld welke zendingen wel en welke zendingen niet aan de oorsprongscriteria voldeden. Het missierapport vermeldt ter zake dat:

“de meeste, zo niet alle goederen die naar de Gemeenschap geëxporteerd zijn, hetzij in Jamaica vervaardigd zijn van delen die van oorsprong uit de VR China komen, hetzij afgewerkte kledingstukken betreffen die van oorsprong uit de VR China komen en die voor de wederuitvoer bestemd zijn.”

Anders dan belanghebbende betoogt staat de mogelijkheid dat er ook zendingen zijn geweest die (geheel of gedeeltelijk) daadwerkelijk van preferentiële Jamaicaanse oorsprong waren, er niet aan in de weg dat alle EUR.1-certificaten ongeldig worden verklaard indien – zoals in het onderwerpelijke geval – achteraf niet meer kan worden vastgesteld of (en zo ja, in hoeverre) er zendingen zijn geweest die van Jamaicaanse oorsprong waren. Wanneer bij een controle achteraf de oorsprong van de in een EUR.1-certificaat vermelde goederen niet kan worden bevestigd, moet immers volgens vaste rechtspraak worden geconcludeerd dat deze goederen van onbekende oorsprong zijn en dat de EUR.1-certificaten en het preferentiële tarief derhalve ten onrechte zijn toegekend (vgl. meergenoemd arrest [X] Deutschland GmbH, punten 44 en 55 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur, met de overlegging van het missierapport en de daarin begrepen (annex 18) akkoordverklaring namens de regering van Jamaica, voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de ingevoerde goederen niet van preferentiële Jamaicaanse oorsprong zijn, zodat ten aanzien van alle in de UTB’s begrepen aangiften een douaneschuld is ontstaan.

Schuldenaarschap

4.8.

Belanghebbende is door de inspecteur als schuldenaar aangemerkt op de voet van artikel 201, derde lid, van het CDW juncto artikel 54 van het Douanebesluit, omdat de desbetreffende douaneaangiften zijn opgesteld op basis van gegevens, (1) verstrekt door belanghebbende, (2) terwijl zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze onjuist waren. Belanghebbende stelt dat de twee voormelde voorwaarden niet zijn vervuld. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.9.

Belanghebbende heeft betoogd dat zij niet als schuldenaar kan worden aangemerkt, reeds omdat zij nimmer EUR.1-certificaten aan de aangever heeft verstrekt: de EUR.1-certificaten zijn, naar belanghebbende stelt, altijd tezamen met de zendingen rechtstreeks door de Jamaicaanse exporteurs aan de aangever gezonden. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard. De omstandigheid dat (een medewerker van) belanghebbende de EUR.1-certificaten niet fysiek in handen heeft gehad staat naar ’s Hofs niet in de weg aan het oordeel dat deze certificaten door belanghebbende zijn “verstrekt” in de zin van artikel 201, lid 3, van het CDW en artikel 54 Douanebesluit. De goederen zijn door de Jamaicaanse exporteurs niet verzonden aan de douane-expediteur, maar aan belanghebbende. Levering aan belanghebbende heeft plaatsgevonden “CIF Rotterdam”. De opdracht tot het doen van aangifte is - conform voormelde leveringsvoorwaarde - in alle gevallen verstrekt door belanghebbende en niet door de Jamaicaanse exporteurs. Daarmee kwalificeert belanghebbende als de (middellijke) verstrekker van de voor die aangiften benodigde gegevens, ook indien deze gegevens door tussenkomst van logistieke dienstverleners (bijvoorbeeld de bedrijven die het vervoer verzorgen) bij de aangever terechtkomen en belanghebbende deze gegevens daardoor nimmer (fysiek) in handen heeft gehad.

4.10.

Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beoordeeld of belanghebbende wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de aan de aangever verstrekte EUR.1-certificaten onjuist waren. De rechtbank heeft ten aanzien van de vereiste wetenschap van belanghebbende als volgt overwogen en geoordeeld:

“8. Uit artikel 201, derde lid, derde volzin, van het CDW volgt dat wanneer een douaneaangifte voor het brengen in het vrije verkeer is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar kunnen worden beschouwd.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de EUR.1-certificaten aan de aangever heeft verstrekt.

10. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat verweerder de bewijslast draagt van zijn stelling dat eiseres wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever verstrekte EUR.1-certificaten ten onrechte waren afgegeven. Verweerder heeft in dat kader gesteld dat [persoon X] vanuit haar functie van managing director van [X] op de hoogte was of geacht mag worden te zijn geweest van de vanwege [X] geïnstigeerde invoerfraude. Nu [persoon X] tevens de algemeen directeur van eiseres is, wist eiseres of had eiseres moeten weten dat de door haar voor de onderhavige aangiften verstrekte gegevens onjuist waren.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Verweerder heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat [persoon X] wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de EUR.1-certificaten ten onrechte waren afgegeven. Dat zij de managing director van [X] is, is daartoe op zichzelf onvoldoende. Verweerder heeft eiseres derhalve ten onrechte als douaneschuldenaar aangemerkt.”

4.11.

Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat [persoon X] (hierna: [persoon X]) redelijkerwijze had moeten weten dat de EUR.1-certificaten ten onrechte waren afgegeven. Het Hof acht daartoe van belang dat de gehele oorsprongsfraude zich heeft afgespeeld binnen het conglomeraat van bedrijven dat zichzelf aanduidt als de “[X-groep]”. Blijkens de stukken van het geding zijn vanuit Chinese fabrieken van de [X-groep] kant-en-klare kledingstukken en voorgesneden textiel (“shells”) verzonden naar de Jamaicaanse fabrieken van diezelfde groep ([B] Ltd en [A] Ltd), waarbij in de handelsbescheiden is voorgewend dat het om garens zou gaan. De Jamaicaanse [X]-fabrieken hebben de Chinese kledingstukken omgepakt en/of uit de “shells” kledingstukken vervaardigd, deze kledingstukken naar belanghebbende verscheept en daarbij in de handelsbescheiden voorgewend dat het kledingstukken zou betreffen van Jamaicaanse oorsprong. Daarbij zijn door de exporteurs aan belanghebbende EUR.1-certificaten verstrekt die onder valse voorwendsels van de Jamaicaanse autoriteiten zijn verkregen. Door aldus te handelen heeft de [X-groep] de quota-regeling van het destijds geldende Multivezelakkoord omzeild. Aldus kon de [X-groep] extra kleding van Chinese oorsprong op de Europese markt brengen en zijn daarenboven de verschuldigde douanerechten ontdoken, ter zake waarvan de bestreden UTB’s zijn uitgereikt. Van de voormelde handelwijze van de [X-groep] heeft belanghebbende de vruchten geplukt, welke vruchten ten goede komen aan haar enig aandeelhouder, [X] (Hong Kong) Limited.

4.12.

Het lijdt naar ’s Hofs oordeel geen twijfel dat [persoon X], gelet op haar positie als (1) “Group Managing Director” van de [X-groep], (2) managing director van [X] (Hong Kong) Limited, (3) aandeelhouder van [B] Ltd en [A] Ltd, en (4) algemeen directeur van belanghebbende, had moeten weten waar de bij de fraude betrokken bedrijven van de [X-groep] mee bezig waren. Het Hof weegt hierbij mee dat [persoon X] blijkens een door haarzelf ondertekend memorandum van 27 februari 2004 als Group Managing Director binnen de [X-groep] was belast met “Corporate development; major decisions on yarn sourcing, purchase & disposal; quotas; performance of Group companies; and internal audit”. Gelet op deze positie en taken van [persoon X] binnen de [X-groep] en haar positie binnen de individuele bedrijven, waaronder belanghebbende, had zij redelijkerwijze moeten weten van de opgezette constructie om de quota-regeling en de douanerechten te ontduiken.

4.13.

De wetenschap van [persoon X] dient te worden toegerekend aan belanghebbende, omdat [persoon X] blijkens een tot de gedingstukken behorend uittreksel uit het handelsregister reeds sinds 1 april 1999 bestuurder van belanghebbende is (“algemeen directeur”) en in die hoedanigheid alleen en zelfstandig bevoegd was om namens belanghebbende in rechte op te treden. De omstandigheid dat, naar belanghebbende stelt, [persoon X] zich niet met de dagelijkse praktijk van belanghebbende bemoeide en dat van de in Nederland aanwezige werknemers niemand op de hoogte was van de fraude, staat er niet aan in de weg dat de wetenschap van [persoon X] aan belanghebbende wordt toegerekend. Belanghebbende kan zich niet van haar bevoegdheid en daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid van algemeen directeur distantiëren.

4.14.

Belanghebbende heeft er op gewezen dat door de FIOD-ECD een proces-verbaal is opgemaakt waarin zij als verdachte is aangemerkt ter zake van het (laten) doen van onjuiste aangiften, maar dat deze strafzaak is geseponeerd omdat er onvoldoende wettig bewijs was. Zij heeft deze stelling onderbouwd door overlegging van een ‘Kennisgeving van sepot’ met dagtekening 22 augustus 2006. Genoemde kennisgeving maakt melding van de verdenking van “onjuiste aangiften invoerrechten op 01 januari 2001 te Rotterdam”. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat deze vermelding niet juist is en dat het sepot het strafrechtelijk onderzoek naar de onderwerpelijke aangiften betrof. Belanghebbende stelt dat hieruit blijkt dat zij geen aandeel heeft gehad in het doen van de onjuiste aangiften.

4.15.

Het Hof stelt voorop dat zij geen grond heeft om te twijfelen aan de juistheid van de voormelde sepotbeslissing, welke is genomen op grond van de voor het strafprocesrecht geldende (bewijs)regels. In de onderhavige fiscale procedure gaat het echter om een andere rechtsvraag dan die waarover de officier van justitie zich heeft gebogen. Het gaat in het onderhavige geval om de vraag of de inspecteur, op basis van de voor het fiscale procesrecht geldende regels, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de aan de aangever verstrekte EUR.1-certificaten onjuist waren (zie het hierboven geschetste toetsingskader). Een bevestigend antwoord op die vraag staat niet op gespannen voet met het strafrechtelijke sepot. Indien belanghebbende met haar verwijzing naar het sepot van de strafzaak heeft beoogd een beroep te doen op het arrest EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu vs Portugal, nr. 27785/10 (ECLI:CE:ECHR:2014:

1023JUD002778510) dient dit beroep daarom te worden verworpen.

4.16.

Gelet op al het vorenoverwogene is belanghebbende terecht als schuldenaar aangemerkt.

Motivering

4.17.

Belanghebbende heeft betoogd dat de motivering van de UTB’s niet voldoet aan de in artikel 6, lid 3, van het CDW gestelde voorwaarde dat zij “met redenen [zijn] omkleed”.

4.18.

De UTB’s bevatten alle onder meer de onder 2.8 aangehaalde tekst. Naar ’s Hofs oordeel heeft de inspecteur met die tekst en de in de bijlage bij de UTB’s opgenomen specificatie van de correctie per aangifte, waarin ook voor elke aangifte het nummer van het bij de aangifte behorende EUR.1-certificaat is vermeld, voldaan aan de uit artikel 6, lid 3, van het CDW voortvloeiende verplichting om de UTB’s met redenen te omkleden. Het andersluidende standpunt van belanghebbende wordt daarom verworpen.

4.19.

Voor zover het betoog van belanghebbende aldus moet worden verstaan dat zij stelt dat de inspecteur bij de UTB’s een afschrift van zijn dossier had moeten voegen, dient deze stelling te worden verworpen. Noch het verdedigingsbeginsel, noch artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) noopt daartoe. Op grond van het bepaalde in artikel 7:4, lid 2, Awb heeft belanghebbende recht op inzage van het dossier. Van dit recht heeft zij op 15 augustus 2011 gebruik gemaakt.

Verdedigingsbeginsel

4.20.

De onderwerpelijke UTB’s zijn - zoals destijds gebruikelijk was - aan belanghebbende uitgereikt zonder dat de inspecteur haar vooraf op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om dat te doen en zonder haar in de gelegenheid te stellen om op dat voornemen te reageren (hierna ook aangeduid als: ‘zonder voorprocedure’). Belanghebbende heeft betoogd dat daarmee inbreuk is gemaakt op het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (‘verdedigingsbeginsel’), mede nu zij daardoor niet vooraf het dossier van de inspecteur heeft kunnen inzien. Belanghebbende heeft gesteld dat zonder schending van het verdedigingsbeginsel het besluitvormingsproces een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De inspecteur heeft dit betwist.

4.21.

Uit het arrest HvJ 20 december 2017, zaak C-276/16, Prequ’ Italia Srl (hierna: arrest Prequ’) volgt dat van een schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake is indien een bezwarend besluit zonder voorprocedure is vastgesteld, indien de belanghebbende de mogelijkheid heeft om (achteraf, in bezwaar of administratief beroep) alsnog te worden gehoord en daarnaast aan twee voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat de beperking van het recht om vooraf te worden gehoord moet “beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd”. Aan deze voorwaarde wordt voor beschikkingen van de douaneautoriteiten altijd voldaan, aldus het Hof van Justitie (arrest Prequ’, punt 52). De tweede voorwaarde is dat geen sprake mag zijn van een “onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast”. Aan deze voorwaarde is, blijkens punt 53 t/m 59 van het arrest Prequ’, voldaan indien belanghebbende uitstel van betaling kan verkrijgen in de gevallen genoemd in artikel 244, tweede alinea, van het CDW (d.w.z. indien er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden) en indien in de administratieve procedure op grond van de nationale regelgeving de voorwaarden van artikel 244, tweede alinea, van het CDW niet eng worden toegepast (vgl. punt 59 en 61 van het arrest Prequ’).

4.22.

Nu het onderwerpelijke geschil UTB’s betreft - en dus beschikkingen van de douaneautoriteiten - is de voormelde eerste voorwaarde vervuld. Ten aanzien van de tweede voorwaarde heeft het volgende te gelden. In de Leidraad Invordering 1990, van 25 juni 1990, nr. AFZ 90/1990 (hierna: de Leidraad), zoals deze luidde ten tijde van het uitreiken van de UTB’s, is bepaald dat het verlenen van uitstel van betaling in beginsel geschiedt op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige (artikel 25, §1, punt 3, van de Leidraad). Indien de belastingplichtige bezwaar maakt tegen de belastingaanslag is het niet nodig om een afzonderlijk verzoek om uitstel in te dienen: artikel 25, §2, punt 1a, van de Leidraad bepaalt dat een bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling wordt aangemerkt, indien in het bezwaarschrift het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Met deze regeling voor het verkrijgen van uitstel van betaling is ook aan de tweede voorwaarde voldaan.

4.23.

Gelet op het vorenoverwogene wordt in casu met het niet vooraf horen van belanghebbende geen afbreuk gedaan aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging (vgl. arrest Prequ’, punt 61).

4.24.

Voor het geval moet worden aangenomen dat wel sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel overweegt het Hof als volgt.

4.25.

Een schending van het verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging van het bestreden besluit als het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor dit oordeel is voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de uitnodiging is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodiging tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (HR 16 september 2016, nr. 15/01894, ECLI:NL:HR:2016:2077). Indien een inbreng een juridische stelling betreft dient beoordeeld te worden of deze stelling zodanig hout snijdt dat deze tot een andere afloop had kunnen leiden (HR 9 oktober 2015, nr. 13/01275, ECLI:NL:HR:2015:2989).

4.26.

Belanghebbende heeft gesteld dat er vóór het uitreiken van de UTB’s meer onderzoeksmogelijkheden waren, maar niet geconcretiseerd welke inbreng zij aan de hand van eventueel nader onderzoek had willen leveren en waarom deze inbreng tot een andere afloop van het besluitvormingsproces had kunnen leiden. Voorts stelt zij - naar het Hof begrijpt - dat wanneer zij in de bezwaarfase eerder inzage zou hebben gehad in de dossierstukken, zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitspraak op bezwaar van belang was en tot een andere uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen leiden dan de uitspraak op bezwaar die de inspecteur heeft gedaan. Zij heeft echter niet gepreciseerd waarom de door haar gestelde inbreng tot een andere afloop zou hebben kunnen leiden. Belanghebbende heeft daarom naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.

4.27.

Uit het vorenoverwogene volgt dat, ook indien zou moeten worden geconcludeerd dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, dit niet leidt tot vernietiging van de bestreden UTB’s.

Artikel 220, lid 2, aanhef en onder b CDW

4.28.

Op grond van het bepaalde in artikel 220, lid 2, onder b, eerste alinea, van het CDW blijft navordering achterwege indien het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

4.29.

Ingevolge artikel 220, lid 2, onder b, tweede alinea, van het CDW wordt de afgifte van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. De derde alinea van artikel 220, lid 2, onder b, bepaalt dat de afgifte van een onjuist certificaat niet als vergissing wordt aangemerkt wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, tenzij de afgevende instantie klaarblijkelijk wist of had moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

4.30.

Met de door hem overgelegde missierapporten van OLAF heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de EUR.1-certificaten zijn afgegeven op basis van onjuiste verklaringen van de Jamaicaanse exporteurs over de oorsprong van de onderhavige textielgoederen (vgl. punt 53 en 54 van het arrest [X] Deutschland GmbH). Alsdan rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de instanties die de certificaten afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Belanghebbende is er niet in geslaagd dit bewijs te leveren. Blijkens het onder 2.5 aangehaalde verslag zijn de Jamaicaanse douaneautoriteiten op professionele wijze misleid aangaande zowel de aard van de goederen die vanuit China werden ingevoerd in Jamaica, de aard van de bewerkingen die in Jamaica werden verricht met betrekking tot die goederen, als de (daaruit voortvloeiende) oorsprong van de goederen die vanuit Jamaica naar de Europese Unie werden uitgevoerd. Ook de hiervoor onder 2.6 genoemde verklaring van [werknemer Q] rechtvaardigt niet de conclusie dat de Jamaicaanse douaneautoriteiten klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. [werknemer Q] heeft in eerste instantie weliswaar verklaard dat de enkele keer dat de in Jamaica ingevoerde containers werden gecontroleerd, de douaneautoriteiten hebben vastgesteld dat de oorsprongsregels werden overtreden, maar in zijn daarop volgende onder 2.7 aangehaalde verklaring komt hij daarop terug en verklaart hij dat er nooit containers werden geopend door de douaneambtenaren.

4.31.

Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Jamaicaanse autoriteiten klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, en blijkens het overwogene onder 4.8 tot en met 4.16 de vereiste goede trouw ontbreekt, wordt het beroep op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW verworpen. Bij die stand van het geding hoeft niet te worden beoordeeld of aan de overige voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is voldaan.

Procesbelang

4.32.

Belanghebbende heeft betoogd dat de in de UTB’s begrepen douaneschulden ook zijn geheven van de aangever, dat (door belanghebbende) zekerheid is gesteld voor de aan de aangever uitgereikte UTB’s, en dat derhalve vaststaat dat de ontvanger door uitwinning van die zekerheid de douaneschulden bij de aangever kan innen. Alsdan mist de inspecteur een procesbelang bij de onderwerpelijke hogerberoepen, aldus belanghebbende. Het Hof verwerpt deze stelling. In de eerste plaats staan de aan de aangever uitgereikte UTB’s ten aanzien van de onder 1.1.2 t/m 1.1.3 genoemde douaneschulden nog niet onherroepelijk vast. In de tweede plaats doet de omstandigheid dat door één van de schuldenaren zekerheid is gesteld niets af aan de het recht van de ontvanger om die schuld bij een andere schuldenaar te innen, nu er geen rangorde bestaat tussen de diverse schuldenaren (vgl. artikel 213 CDW).

Proceskosten

4.33.

In haar incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat de rechtbank haar ten onrechte geen integrale vergoeding van haar proceskosten heeft toegekend. Nu uit al het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank het beroep ongegrond had behoren te verklaren bestaat in zoverre geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat haar een proceskostenvergoeding toe zou komen omdat de inspecteur in de bezwaarfase laattijdig het dossier heeft toegezonden. In de eerste plaats verplicht noch het verdedigingsbeginsel, noch artikel 7:4 Awb de inspecteur tot toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Belanghebbende heeft de mogelijkheid om in de bezwaarfase voorafgaand aan het hoorgesprek het dossier in te zien (artikel 7:4, lid 2, Awb) van welk recht zij blijkens de gedingstukken op 15 augustus 2011 gebruikt heeft gemaakt. Zowel voor als na de inzage van het dossier heeft de inspecteur op verzoek van de gemachtigde delen van het dossier aan haar toegezonden. Het Hof ziet in deze gang van zaken geen aanleiding belanghebbenden een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe te kennen. Ook anderszins ziet het Hof geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het beroep in eerste aanleg.

Slotsom

4.34.

De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond is en dat het incidenteel hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, H.E. Kostense en

B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 8 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.