Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:845

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
200.197.341/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3918
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:3647, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, terugbetalingsverplichting vanwege het ontbreken van (aanvullende) behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.197.341/ 01

zaaknummer rechtbank : C/15/237077 FA RK 15-7972

beschikking van de meervoudige kamer van 6 maart 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Yigit te Zaandam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 26 september 2017.

1.2.

Bij het hof zijn de volgende stukken ingekomen:

- een e-mail met bijlagen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2017;

- een faxbericht met bijlagen van de zijde van de man, ingekomen op 19 oktober 2017.

2 De nadere motivering van de beslissing

2.1.

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 26 september 2017 overwogen dat het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud zal worden afgewezen. Voort is overwogen dat de vrouw hetgeen de man met ingang van 25 februari 2016 meer heeft betaald dan waartoe hij krachtens die beslissing is verplicht, in beginsel aan de man dient terug te betalen. Beoordeeld dient evenwel te worden, aldus rechtsoverweging 5.9 van de tussenbeschikking, of die terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. In dat kader heeft het hof, alvorens verder te beslissen, partijen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken en zich uit te laten over hun actuele financiële situatie.

2.2.

De man heeft blijkens zijn (bij de stukken van 19 oktober 2017) overgelegde overzicht en bankafschriften over februari 2016 een bedrag van € 91,- en met ingang van maart 2016 tot en met december 2016 € 525,- per maand aan de vrouw betaald als uitkering tot haar levensonderhoud. Van januari 2017 tot en met september 2017 heeft hij, in verband met indexering van dit bedrag, € 536,- per maand betaald. Dit leidt ertoe dat de man volgens zijn opgave over voormelde periodes een bedrag van in totaal € 10.165,- onverplicht aan de vrouw heeft betaald. De vrouw heeft dit (gedeeltelijk) betwist, maar haar betwisting verder niet met stukken onderbouwd, zodat het hof bij de verdere beoordeling van de door de man opgegeven bedragen zal uitgaan, temeer omdat deze in overeenstemming zijn met hetgeen in de bestreden beschikking is bepaald.

2.3.

Bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja in hoeverre de verplichting van de vrouw tot terugbetaling van genoemd bedrag aan de man in redelijkheid kan worden aanvaard, is volgens vaste rechtspraak onder meer van belang de omvang van de terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de betaalde bedragen reeds zijn verbruikt, of de betaalde bedragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem teveel betaalde bedragen.

2.4.

Laatstgenoemd belang van de man is evident, mede gelet op de hoogte van het door hem in totaal betaalde bedrag zoals dat uit de door hem overgelegde nadere stukken is gebleken. Voorts is van belang dat de vrouw niet geacht kan worden de bedragen die de man haar als uitkering tot haar levensonderhoud heeft betaald, te hebben verbruikt. De vrouw heeft immers blijkens het in de tussenbeschikking overwogene geen (aanvullende) behoefte aan een uitkering tot haar levensonderhoud. Tevens moet op grond van de door haar overgelegde nadere stukken worden aangenomen dat de vrouw over vermogen van na te melden omvang beschikt welk vermogen bovendien sinds 2014 is toegenomen. Uit de belastingaangifte IB van de vrouw over 2014 blijkt dat zij – naast haar inkomen uit loondienst – in dat jaar een totaal vermogen in box 3 had van € 50.486,-. In 2016 had zij – naast haar inkomen uit loondienst – blijkens de voorlopige aanslag IB over dat jaar een grondslag sparen en beleggen van € 50.812,-. Het heffingsvrij vermogen in box 3 dient daar nog bijgeteld te worden. Dit bedroeg in 2016 € 24.437,-, zodat het er voor gehouden moet worden dat haar totale vermogen in box 3 in 2016 € 75.249,- bedroeg. Gelet op het voorgaande acht het hof het redelijk dat de vrouw hetgeen zij over de periode vanaf 25 februari 2016 als uitkering tot haar levensonderhoud van de man heeft ontvangen, aan de man terugbetaalt.

2.5.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft het voorwaardelijke verzoek van de man om, ingeval hij een uitkering aan de vrouw dient te voldoen, deze te limiteren tot twee jaar vanaf de datum van de bestreden beschikking, geen verdere bespreking.

2.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het inleidend verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar een uitkering tot haar levensonderhoud dient te voldoen;

bepaalt dat de vrouw hetgeen de man haar op grond van de bestreden beschikking als uitkering tot haar levensonderhoud heeft voldaan, aan de man dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J.A. van Keulen, bijgestaan door mr. D.M. Jansen als griffier, en is op 6 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.