Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:819

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
200.218.269/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:2823, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Geschil over samenstelling bestuur stichting. Hoger beroep van voorlopige voorziening tot schorsing bestuurders en benoeming tijdelijke bestuurders. Reikwijdte art. 2:298 lid 2 BW. Bevoegdheden tijdelijke bestuurders; verwijzing naar HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2018/67
JOR 2018/205 met annotatie van mr. D.F. Berkhout
JONDR 2018/476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.218.269/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/621940 / HA RK 17-13

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 maart 2018

inzake

1 [X] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. STICHTING FELICITY,

gevestigd te Amsterdam,

3. STICHTING SAPIENTIA,

gevestigd te Amsterdam,

4. STICHTING ’T KINDERHARTJE,

gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. R.M. Berendsen te Amsterdam,

tegen

1 STICHTING VOOR ISLAMITISCH SOCIAAL CULTUREEL EN

MAATSCHAPPELIJK WERK,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats] .

3. [Y] ,

wonend te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. O.J. Hennis te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna, voor zover zij gezamenlijk worden aangeduid, [X] c.s. en Stichting ISMW c.s. genoemd. Appellant sub 1 wordt aangeduid als [X] . Appellanten sub 2-4 worden gezamenlijk aangeduid als de drie stichtingen. Geïntimeerde sub 1 wordt aangeduid als Stichting ISMW. Geïntimeerden sub 2-4 worden - in navolging van de bestreden beschikking - gezamenijk aangeduid als [Y] c.s.

[X] c.s. zijn bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 27 juni 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 26 april 2017, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gegeven tussen Stichting ISMW c.s. als verzoekers en [X] c.s. als verweerders.

Het beroepschrift bevat vier grieven. In het beroepschrift hebben [X] c.s. verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van geïntimeerden tot schorsing van appellanten en benoeming van geïntimeerden tot tijdelijke bestuurders van Stichting ISMW alsnog af te wijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

Op 18 augustus 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift van Stichting ISMW c.s. ingekomen. Daarin hebben Stichting ISMW c.s. verzocht, op de in het verweerschrift opgenomen gronden, zowel ieder op zich als in onderling verband beschouwd, bij beschikking, de grieven van [X] c.s. af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Bij die gelegenheid zijn van de zijde van [X] c.s. verschenen [X] , de Stichting Sapientia, namens deze [A] , de Stichting ’t Kinderhartje namens deze [A] en de Stichting Felicity namens deze [B] (hierna [B] ), bijgestaan door mr. Berendsen voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Van de zijde van Stichting ISMW c.s. is verschenen [geïntimeerde sub 2] , voor zich en namens Stichting ISMW, bijgestaan door mr. Hennis voornoemd, die het verweerschrift mondeling heeft toegelicht. Beide advocaten hebben gebruik gemaakt van aan het hof overgelegde aantekeningen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak nader bepaald op heden.

Stichting ISMW c.s. hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.34 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Deze zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.1

Stichting ISMW is opgericht op 2 december 1985 en heeft blijkens art. 2 van haar statuten tot doel:

a. de bevordering van het (doen) geven van onderwijs;

b. de bevordering van het sociaal en cultureel-maatschappelijk werk;

c. de verwerving en het beheer van moskeeën en andere gebedsruimten;

d. de coördinatie van de werkzaamheden van verschillende rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden;

e. het organiseren van conferenties en kampen, ten behoeve van in Nederland wonende moslims”.

2.2

In art. 5 van de statuten van Stichting ISMW is bepaald, voor zover van belang, dat het bestuur bestaat uit ten minste vijf leden, dat het bestuur beslist uit hoeveel leden het bestuur zal bestaan en dat in vacatures wordt voorzien bij bestuursbesluit, bij wijze van coöptatie. Op grond van art. 10 lid 2 van de statuten worden besluiten van het bestuur genomen met meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

2.3

Bij vonnis van 23 september 2009 heeft de rechtbank Amsterdam voor recht verklaard dat het bestuur van Stichting ISMW tussen juli 2000 en november 2000 bestond uit [X] , [Y] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 2] .

2.4

Bij vonnis van 20 april 2011 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het bestuur van Stichting ISMW op dat moment bestond uit [X] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 2] en [Y] . In datzelfde vonnis wordt door de rechtbank overwogen dat er na november 2000 geen rechtsgeldige besluiten tot benoeming van andere bestuurders zijn genomen en dat er evenmin bestuurders zijn ontslagen of teruggetreden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het bestuur van Stichting ISMW sedert juli 2000 werd gevormd door de vier hiervoor genoemden.

2.5

Op 26 november 2010 heeft [X] namens Stichting ISMW een overeenkomst van geldlening gesloten met het Nationaal Restauratiefonds ten behoeve van de verbouwing van het pand aan de [adres] . [X] ondertekende deze overeenkomst samen met [C] en [D] .

2.6

Op 11 februari 2011 heeft [X] namens Stichting ISMW aan het restauratiefonds een hypotheek verstrekt op het pand.

2.7

Op 18 april 2011 is [X] verschenen voor notaris Berger te Amsterdam waar hij heeft verklaard dat het bestuur van Stichting ISMW eerder die dag met algemene stemmen had besloten de statuten te wijzigen. In de gewijzigde statuten is, voor zover van belang, in lid 2 van art. 5 het volgende bepaald:

elke persoon die met de stichting een overeenkomst heeft gesloten krachtens welke die persoon van de stichting het exclusieve recht verkrijgt op het gebruik van het belangrijkste gedeelte van een verdieping van een gebouwde onroerende zaak gedurende ten minste twaalf maanden is, zolang als hij dat gebruiksrecht heeft, lid van het bestuur”.

2.8

Eveneens op 18 april 2011 heeft [X] namens Stichting ISMW gebruiksovereenkomsten gesloten met de drie stichtingen. [X] ondertekende deze overeenkomsten samen met [C] en [E] .

2.9

Op 18 en 19 april 2011 heeft de Kamer van Koophandel de wijziging van de statuten van Stichting ISMW ingeschreven alsmede de opgave van [X] inhoudende aanvulling van het bestuur van Stichting ISMW met de drie stichtingen.

2.10

Begin mei 2011 hebben [Y] c.s. de Kamer van Koophandel verzocht de registratie van de samenstelling van het bestuur van de Stichting ISMW in overeenstemming te brengen met het vonnis van 20 april 2011. De Kamer van Koophandel heeft de aanpassing geweigerd omdat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en nog niet in gezag van gewijsde was gegaan.

2.11

Tegen voornoemd besluit hebben [Y] c.s. bezwaar gemaakt. De behandeling daarvan is aangehouden totdat in het hoger beroep tegen het vonnis van 20 april 2011 zou zijn beslist.

2.12

[X] en de andere gedaagden in die procedure hebben op 13 juli 2011 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 april 2011.

2.13

Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft dit hof het vonnis van 20 april 2011 bekrachtigd, voorzover betreffende de daarin gegeven verklaring voor recht met betrekking tot de bestuurssamenstelling. Uit rov. 3.6.2 tot en met rov. 3.6.4 van het arrest volgt opnieuw dat het ervoor moet worden gehouden dat het bestuur van Stichting ISMW sedert juli 2000 werd gevormd door [X] , [Y] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 2] .

2.14

Op 8 december 2014 heeft [X] aan de Kamer van Koophandel verzocht [Y] c.s. uit te schrijven als bestuurders van de stichting, de functie van Stichting Felicity te wijzigen in die van secretaris en zijn eigen bevoegdheid te wijzigen in ‘alleen bevoegd’.

2.15

Op 24 december 2014 heeft de Kamer van Koophandel het bezwaar van [Y] c.s. tegen haar besluiten van 19 en 20 april 2011 gegrond verklaard en tevens geweigerd de opgaven van [X] van 8 december 2014 in te schrijven in het handelsregister.

2.16

[X] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.

2.17

Op 22 september 2016 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) geoordeeld dat de Kamer van Koophandel het bezwaar van [Y] c.s. terecht gegrond heeft verklaard en terecht heeft geweigerd de opgaven van [X] van 8 december 2014 in te schrijven.

2.18

Op 10 oktober 2016 hebben de drie stichtingen, althans heeft mr. Berendsen namens deze, de deurwaarder geïnstrueerd om een dagvaarding uit te brengen aan Stichting ISMW middels betekening aan [X] op diezelfde dag.

2.19

Bij vonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank Amsterdam voor recht verklaard dat de drie stichtingen lid zijn van het bestuur van Stichting ISMW en deze veroordeeld binnen vier weken na betekening van het vonnis aan het handelsregister opgave te doen van het feit dat de drie stichtingen sinds 18 april 2011 bestuurders zijn van Stichting ISMW (hierna het verstekvonnis).

2.20

Het verstekvonnis is op 2 december 2016 betekend aan [X] .

2.21

Op 4 januari 2017 heeft [B] , bestuurder van Stichting Felicity, per e-mail aan [Y] c.s. een uitnodiging gestuurd voor een bestuursvergadering van de Stichting ISMW. Op de agenda stond onder meer het ontslag van [Y] c.s. als bestuurders.

2.22

Op 6 januari 2017 hebben [Y] c.s. aan [B] bericht dat Stichting Felicity geen bestuurder is van de stichting en dus niet rechtsgeldig bestuursvergaderingen bijeen kan roepen.

2.23

Op 9 januari 2017 heeft [B] vervolgens het verstekvonnis per e-mail opgestuurd aan [Y] c.s.

2.24

Op 10 januari 2017 hebben [X] en de drie stichtingen buiten aanwezigheid van [Y] c.s. de in de e-mail van 4 januari aangekondigde vergadering gehouden waarin blijkens de notulen (voor zover vereist) is besloten tot het ontslag van [Y] c.s. Vervolgens heeft [X] van dit ontslag opgave gedaan bij het handelsregister en heeft hij geprobeerd de drie stichtingen in te schrijven als bestuurders. De Kamer van Koophandel heeft geweigerd de opgave te verwerken.

2.25

Op 24 januari 2017 heeft Stichting ISMW verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. Op 31 januari 2017 hebben [Y] c.s. derdenverzet ingesteld. In deze - gevoegde - procedures is een comparitie van partijen bepaald op 23 oktober 2017.

2.26

Blijkens in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister van 20 december 2016 en 8 maart 2017 stonden op die respectieve data als bestuurder van Stichting ISMW ingeschreven:

- [X] (appellant sub 1): voorzitter/penningmeester;

- [geïntimeerde sub 2] (geïntimeerde sub 2): voorzitter;

- [Y] (geïntimeerde sub 3): secretaris;

- [geïntimeerde sub 4] (geïntimeerde sub 4): penningmeester.

3.Beoordeling

3.1

Bij inleidend verzoekschrift van 10 januari 2017, nader aangevuld op 6 maart 2017, hebben Stichting ISMW c.s. de rechtbank Amsterdam verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( i) ten gronde:

- [X] als bestuurder van Stichting ISMW te ontslaan;

(ii) bij wege van voorlopige voorziening:

- [X] en de drie stichtingen - voor zover vereist - als bestuurder van Stichting ISMW te schorsen voor de duur van het geding (of totdat de beslissing in de verzetprocedure in kracht van gewijsde is gegaan);

- [Y] c.s. - voor zover vereist - te benoemen als bestuurder van Stichting ISMW.

3.2

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de zaak met betrekking tot het verzoek ten gronde aangehouden. Als voorlopige voorziening zijn als bestuurder van Stichting ISMW geschorst [X] en - voor zover vereist - de drie stichtingen. Bij genoemde beschikking zijn tevens - voor zover vereist - [Y] c.s., hangende het onderzoek en tot nader order, als bestuurders van Stichting ISMW benoemd. In de beschikking onder 4.15 heeft de rechtbank de (tijdelijke) bestuurstaak omschreven. De rechtbank heeft gelast dat haar beslissingen worden ingeschreven in het handelsregister.

3.3

Tegen deze beslissing(en) en de daaraan ten grondslag gelegde motivering zijn [X] c.s. met vier grieven in hoger beroep opgekomen.

3.4

Met grief 1 betogen [X] c.s. dat zij door de rechtbank onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om verweer te voeren en dat van een eerlijk proces in eerste aanleg daarom geen sprake is.

3.5

Indien deze grief gegrond wordt bevonden zou dit op zichzelf niet reeds tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank kunnen leiden maar brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat de toewijsbaarheid van het door Stichting ISMW c.s. gevorderde (wederom) ter beoordeling voorligt. [X] c.s. dienen derhalve in hoger beroep kenbaar te maken wat zij ten verwere daartegen wensen aan te voeren en zijn daarbij tevens in de gelegenheid om verweren aan te voeren die zij in eerste aanleg nog niet hebben aangevoerd. Nu de eventuele gegrondbevinding van de grief derhalve op zichzelf niet tot de door [X] c.s. voorgestane uitkomst van het geding kan leiden, hebben [X] c.s. bij de (verdere) behandeling daarvan onvoldoende belang.

3.6

Grief 2 komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat [X] heeft gehandeld in strijd met de statuten van Stichting ISMW en in strijd met de wet.

3.7

De rechtbank overweegt - samengevat - in de bestreden beschikking dat [X] in strijd met de wet (art. 2:8 en 2:9 BW) en de statuten van de Stichting ISMW heeft gehandeld door in april 2011 namens Stichting ISMW een hypotheek te verstrekken, een besluit tot statutenwijziging te nemen en gebruiksovereenkomsten te sluiten met de drie stichtingen, alles in de wetenschap dat [Y] c.s. zijn medebestuurders waren en zonder deze daarover te informeren. Eind 2016 heeft [X] besloten namens Stichting ISMW geen verweer te voeren tegen de vorderingen van de drie stichtingen die tot het verstekvonnis hebben geleid, alsmede besloten om geen verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis, dit alles (wederom) zonder [Y] c.s. daarin te kennen. Volgens de rechtbank heeft [X] aldus evident in strijd gehandeld met de wet en de statuten van de Stichting ISMW.

Gebeurtenissen 2011

3.8

Volgens [X] c.s. waren de door de rechtbank genoemde handelingen niet evident in strijd met de statuten van Stichting ISMW omdat er verschil van mening mogelijk was over de vraag wie bestuurslid was van Stichting ISMW en in het verlengde daarvan wie - samen met [X] - bevoegd was die handelingen te verrichten.

3.9

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in art. 2:298 lid 1 onder a BW zal dienen te worden getoetst of er op het moment van het plegen van die handelingen redelijkerwijs geen verschil van mening bestond over de samenstelling van het bestuur (vgl. HR 3 januari 1975, NJ 1975, 222). Hetgeen in latere, tussen partijen gevoerde procedures is beslist over de bestuurssamenstelling van Stichting ISMW komt in dit verband geen betekenis toe.

3.10

Dat zich in het onderhavige geval op het moment van handelen in 2011 een dergelijke situatie voordeed valt op te maken uit de inhoud van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2009 (waarop beide partijen zich beroepen) en 20 april 2011. In eerstbedoeld vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [Y] c.s. in september 1998 rechtsgeldig zijn benoemd als bestuurders van Stichting ISMW en voor recht verklaard dat zij bestuurders van Stichting ISMW waren ten tijde van de betalingen die in die procedure onderwerp van geschil waren (juli tot en met november 2000). In laatstbedoeld vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat het bestuur van Stichting ISMW op dat moment (nog steeds) bestond uit [X] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 2] en [Y] . In dat vonnis wordt door de rechtbank overwogen dat er na november 2000 geen rechtsgeldige besluiten tot benoeming van andere bestuurders zijn genomen en dat er evenmin bestuurders zijn ontslagen of teruggetreden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het bestuur van Stichting ISMW sedert juli 2000 werd gevormd door [X] , [Y] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 2] . Tegen eerstbedoeld vonnis is geen hoger beroep ingesteld, laatstbedoeld vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Dit betekent, zoals de rechtbank in de bestreden beschikking met juistheid heeft overwogen, dat moet worden aangenomen dat [X] in ieder geval vanaf 23 september 2009 wist dat hij vanaf juli 2000 samen met [Y] c.s. het bestuur vormde en dat de samenstelling van het bestuur slechts (rechtsgeldig) gewijzigd had kunnen worden met hun medewerking. [Y] c.s. hebben onweersproken gesteld dat er nadien geen bestuursbesluiten, althans geen geldige bestuursbesluiten, zijn genomen terzake van hun ontslag zodat er van uit moet worden gegaan dat zij steeds bestuurder zijn gebleven, zoals de rechtbank in haar vonnis van 20 april 2011 ook heeft overwogen.

3.11

Hieraan kan niet afdoen dat, zoals [X] c.s aanvoeren, [X] , [D] , [C] , [F] en [E] sinds 2010 in het handelsregister als bestuurder van Stichting ISMW staan ingeschreven, nu voor het ontstaan van een bestuurslidmaatschap een geldig benoemingsbesluit vereist is. Inschrijving in het handelsregister als bestuurder van een rechtspersoon kan op zichzelf niet leiden tot het rechtsgeldig verkrijgen van de hoedanigheid van bestuurder.

3.12

Het feit dat [Y] c.s. in enkele van de (vele) procedures die tussen partijen zijn gevoerd niet hebben gesteld dat zij bestuurders van Stichting ISMW zijn, brengt op zichzelf niet met zich dat [X] ervan uit mocht gaan dat zij zichzelf niet langer als zodanig beschouwden, wat daar verder van zij. Hetzelfde geldt voor de door [X] c.s. gesuggereerde erkenning van de benoeming van anderen als bestuurders. Overigens was van stilzitten van de zijde van [Y] c.s. geen sprake. Bij brief van 31 mei 2010 hebben [Y] c.s. nogmaals aanspraak gemaakt op toelating tot hun werkzaamheid als bestuurder. Verder stellen [X] c.s. dat [Y] c.s. nimmer vernietiging hebben gevraagd van de besluiten die hebben geleid tot “benoeming” van degenen die als zodanig waren ingeschreven in het handelsregister. De bedoelde benoemingsbesluiten - voor zover genomen - zijn echter niet vernietigbaar, maar nietig.

Gebeurtenissen 2016

3.13

Wat betreft het nalaten van [X] om [Y] c.s. te informeren over de dagvaarding van 10 oktober 2016 en het verstekvonnis van 30 november 2016 betogen [X] c.s. dat er goede gronden waren om te menen dat de drie stichtingen de procedure zouden winnen omdat zij een beroep konden doen op de in 2011 gewijzigde statuten van Stichting ISMW en op de overeenkomsten die zij met Stichting ISMW in 2011 hebben gesloten.

3.14

Hiervoor is reeds overwogen dat [X] er in het voorjaar van 2011 redelijkerwijs niet vanuit mocht gaan dat het bestuur van Stichting ISMW bestond uit degenen die op dat moment als zodanig stonden ingeschreven in het handelsregister. Omdat nadien, in de periode van april 2011 tot 10 oktober respectievelijk 30 november 2016, geen rechtsgeldige bestuursbesluiten zijn genomen, die zouden kunnen hebben geleid tot wijzigingen in de samenstelling van het bestuur van Stichting ISMW, althans [X] c.s. niets omtrent dergelijke besluiten hebben gesteld laat staan bewijs daarvan in het geding hebben gebracht, moet worden aangenomen dat [X] er in oktober en november 2016 evenmin vanuit mocht gaan dat hij alleen, althans met uitsluiting van [Y] c.s., kon besluiten tot het uitbrengen van de dagvaarding op 10 oktober 2016 en tot het niet voeren van verweer tegen het verstekvonnis van 30 november 2016.

3.15

Dat [X] in weerwil van het voorgaande mocht menen dat de drie stichtingen de aanhangig gemaakte procedure zouden hebben gewonnen, is onvoldoende feitelijk onderbouwd. De beschikking van dit hof van 26 augustus 2014 biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Voor zover [X] c.s. hebben gesteld dat de drie stichtingen er gerechtvaardigd op zouden hebben mogen vertrouwen dat zij rechtsgeldig als bestuurders waren benoemd, kan hen dat niet baten nu een geldig benoemingsbesluit is vereist voor het ontstaan van het bestuurslidmaatschap.

3.16

Naar het hof begrijpt betogen [X] c.s. verder nog dat ook als [Y] c.s. wel waren geïnformeerd over de uitgebrachte dagvaarding, er niettemin geen besluit tot het voeren van verweer had kunnen worden genomen zonder de medewerking van de drie stichtingen en dat het (dus) niet in het belang van Stichting ISMW was om hen te informeren. Dit betoog faalt reeds omdat - nog los van de vraag of het voeren van verweer een bestuursbesluit vereist en of er inderdaad geen bestuursbesluit had kunnen worden genomen - [X] c.s. onvoldoende hebben gemotiveerd welk belang van Stichting ISMW werd gediend met het niet informeren van [Y] c.s..

3.17

Voorzover [X] c.s. betogen dat de handelwijze van [X] gerechtvaardigd was tegen de achtergrond van het meningsverschil over de samenstelling van het bestuur van Stichting ISMW kunnen zij ook hierin niet worden gevolgd. Naar het oordeel van het hof had dit meningsverschil eerder reden tot terughoudendheid moeten zijn, zeker waar de handelwijze van [X] c.s. tot gevolg heeft gehad dat dit meningsverschil op ondeugdelijke gronden (vooralsnog) is onttrokken aan het oordeel van de rechter. De niet nader toegelichte verwijzing naar de beschikking van het gerechtshof Leeuwarden, althans naar de door [X] c.s. genoemde overwegingen daaruit, kan hier buiten beschouwing blijven omdat daarin niet de in art. 2:298 lid 2 BW geregelde provisionele vordering tot schorsing ter beoordeling voor lag, maar de vordering ten gronde tot ontslag.

3.18

Voor een verdergaande beoordeling van de verwijten die partijen elkaar over en weer hebben gemaakt terzake van de verwezenlijking van de doelen van Stichting ISMW is in dit hoger beroep geen plaats, nu thans (slechts) de vraag voor ligt of er aanleiding is voor het treffen van voorlopige voorzieningen.

3.19

Gelet op het voorgaande luidt de slotsom dat op het moment van de hierboven omschreven handelingen redelijkerwijs geen verschil van mening mogelijk was over de onrechtmatigheid daarvan en dat [X] niet redelijkerwijs mocht aannemen dat zijn handelwijze begin 2011 en in de periode oktober-november 2016 in overeenstemming was met de wet en de statuten van Stichting ISMW. Dat betekent dat grief 2 eveneens faalt.

3.20

In grief 3 wordt betoogd dat de rechtbank de drie stichtingen niet had mogen schorsen als bestuurder(s) van Stichting ISMW.

3.21

Het hof gaat er - vooralsnog, gelet op de aanhangige verzetprocedure - met de rechtbank (veronderstellenderwijze) van uit dat de drie stichtingen bestuurder zijn van Stichting ISMW.

3.22

[X] c.s. betogen dat met het verlenen aan de rechtbank van de bevoegdheid om hangende het onderzoek een bestuurder te schorsen, is bedoeld om de rechtbank die schorsingsbevoegdheid alleen te geven ten aanzien van de bestuurder van wie ontslag wordt gevraagd in de hoofdprocedure en wiens handelen of nalaten voorwerp van onderzoek is in de procedure.

3.23

Het hof volgt [X] c.s. hierin niet. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling volgt dat de wetgever met betrekking tot art. 2:298 lid 2 BW een ruim toepassingsbereik heeft nagestreefd, in die zin dat de schorsing van de bestuurder slechts een voorbeeld is van de mogelijke voorzieningen in het bestuur. De MvT van de voorganger van deze bepaling, art. 12 Wet op de stichtingen van 31 mei 1956, luidt: “Hangende het onderzoek kan de rechtbank de nodige voorlopige voorzieningen treffen voor het beheer; ook kan zij de bestuurder schorsen en daarbij de nodige maatregelen treffen.”

Volgens de rechtspraak kan bij de uitleg van art. 2:298 lid 2 BW aansluiting worden gezocht bij de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW (Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989). Met juistheid merken Stichting ISMW c.s. op dat (ook) hieruit volgt dat de rechtbank een ruime bevoegdheid heeft en dat de voorlopige voorzieningen het gehele bestuur kunnen betreffen, ook al richt het onderzoek zich slechts tegen één bestuurder. Voorzover [X] c.s. betogen dat de drie stichtingen slechts kunnen worden geschorst indien hen een verwijt kan worden gemaakt, stuit dit betoog eveneens af op het voorgaande. Voorzover [X] c.s. hebben betoogd dat er anderszins sprake moet zijn van samenhang tussen het gevorderde in de hoofdzaak en de voorlopige voorzieningen en dat aan deze eis niet is voldaan, hebben zij deze stelling - wat daar verder van zij - onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande faalt ook grief 3.

3.24

Met grief 4 wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte de bevoegdheden van de door haar benoemde (tijdelijke) bestuurders niet expliciet heeft beperkt.

3.25

Het hof stelt vast dat partijen over en weer een beroep doen op een beschikking van de Hoge Raad, waaruit volgt - samengevat en voor zover van belang - i) dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW benoemde tijdelijke bestuurder, tenzij de rechter anders heeft bepaald, voor de duur van zijn benoeming alle bevoegdheden heeft die de wet en de statuten aan de bestuurder(s) van de desbetreffende stichting toekennen; ii) dat hij van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik dient te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting, en iii) dat het feit dat een bestuurder slechts tijdelijk (in de zin van: voorlopig) is benoemd, er niet aan in de weg staat dat deze besluiten neemt met definitieve of onomkeerbare gevolgen, behalve voor zover zijn bevoegdheid in dit opzicht door de rechter is beperkt of nader is afgebakend (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989).

3.26

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - anders dan [X] c.s. en Stichting ISMW c.s. stellen - de bevoegdheid van de tijdelijke bestuurders wel degelijk beperkt, door te overwegen dat zij op de winkel moeten passen en in beginsel geen beslissingen moeten nemen die onomkeerbare gevolgen hebben (r.o. 4.15). Naar het oordeel van het hof is deze beperking ook aangewezen, met name gelet op het feit dat partijen reeds lange tijd van mening verschillen over de samenstelling van het bestuur en dat deze kwestie nog zal moeten worden beslecht. Met genoemde beperkingen wordt rekening gehouden met een mogelijk andersluidende beslissing met betrekking tot de samenstelling van het bestuur en kunnen - voor zover nodig (binnen aanvaardbare grenzen) - de gevolgen van de getroffen voorziening ongedaan worden gemaakt, terwijl zij anderzijds de tijdelijke bestuurders niet beletten om zich ten volle te kwijten van de aan hen opgedragen taak. Dat laatste is des te meer van belang nu duidelijk is dat Stichting ISMW voor de nodige financiële uitdagingen staat, zoals door partijen erkend tijdens de mondelinge behandeling. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een nog verdergaande beperking van de bevoegdheid van de tijdelijke bestuurders. Gelet op de gemotiveerde stellingen van Stichting ISMW c.s. hadden [X] c.s. aannemelijk moeten maken dat daartoe aanleiding bestaat, hetgeen zij niet hebben gedaan. In het licht van het voorgaande bestaat er ook geen grond voor de door [X] c.s. verzochte (aanvullende) voorzieningen, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen. Grief 4 faalt gelet op het voorgaande.

3.27

Nu de grieven geen van alle slagen zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. [X] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [X] c.s. in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Stichting ISMW c.s. begroot op € 716,- aan verschotten en op € 1.788,- voor salaris;

wijst af het anders of meer dan in eerste aanleg verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, A.S. Arnold en J.B. Huizink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.