Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:786

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
200.219.288/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

bekrachtiging beschikking, geen dringende reden voor ontslag op staande voet, artikel 7:671 BW, geen werkweigering, arbeidsconflict stond in de weg aan terugkeer op de werkvloer, hoogte billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.219.288/01

zaaknummers rechtbank Noord-Holland : 5744219 \ AO VERZ 17-25

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 maart 2018

inzake

TOUWEN & CO B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.C. Broekman te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente 2] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.W.L. Vader te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Touwen en [geïntimeerde] genoemd.

Touwen is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 19 juli 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Zaanstad), onder bovenstaand zaaknummer op 26 april 2017 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van [geïntimeerde] zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift zal afwijzen en het tegenverzoek van Touwen, zoals in eerste aanleg gedaan zal toewijzen, alsmede [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Touwen op grond van de bestreden beschikking heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot de dag der terugbetaling, alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, waaronder de nakosten.

Op 4 oktober 2017 is ter griffie van het hof een verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] ingekomen. Daarin heeft [geïntimeerde] in principaal appel - kort samengevat - geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] - naar het hof begrijpt - geconcludeerd tot veroordeling van Touwen tot het betalen van een billijke vergoeding van (in totaal) € 20.000,= in plaats van de in eerste aanleg toegewezen vergoeding van € 12.000,=. Ten slotte heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot veroordeling van Touwen in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen alle kosten met betrekking tot de tenuitvoerlegging.

Op 2 november 2017 is ter griffie van het hof van de zijde van Touwen een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ontvangen. Touwen heeft - kort samengevat en naar het hof begrijpt - geconcludeerd tot verwerping van het incidentele appel, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidentele appel.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2017. Bij die gelegenheid is aan de zijde van Touwen verschenen [X] (hierna: [X] ), algemeen directeur van Touwen, bijgestaan door mr. Broekman, voornoemd, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Verder is verschenen [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Vader voornoemd, die het verweerschrift en het incidentele appel mondeling heeft toegelicht. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] nog een productie in het geding gebracht.

Partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten genoemd waarop de beschikking is gebaseerd. Daarover bestaat in hoger beroep geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

[geïntimeerde] , geboren [in] 1988, is - nadat zij vanaf 4 januari 2016 op basis van detachering voor Touwen werkzaam was - op 4 juli 2016 voor onbepaalde tijd bij Touwen in dienst getreden. De laatste functie die [geïntimeerde] vervulde, is die van laborante tegen een salaris van € 2.225,02 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten.

2.3

[geïntimeerde] heeft zich op 10 oktober 2016 ziekgemeld. In de probleemanalyse en advies van de bedrijfsarts van 19 oktober 2016 is onder meer opgenomen: “Een ander deel van de gezondheidsklachten lijkt grotendeels een relatie te hebben met andere factoren in de werkrelatie. (...) Voorafgaande aan de terugkeer naar het werk adviseer ik in een gesprek de andere factoren op het werk te benoemen en gezamenlijk te kijken naar mogelijke oplossingen.”

2.4

Op 28 oktober 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [X] . In dit gesprek heeft [geïntimeerde] [X] erover geïnformeerd dat zij zich onveilig voelde in haar werkomgeving, onder meer omdat zij eind augustus, begin september 2016 door één specifieke directe collega onverwacht en tegen haar wil is betast, meerdere malen aan haar schouders en een keer in haar zij. [geïntimeerde] heeft in dit gesprek tevens aan [X] verteld dat zij dit incident destijds heeft besproken met haar direct leidinggevende, [Y] .

2.5.

Op 9 november 2016 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een bedrijfsmaatschappelijk werker van ArboNed in te zetten en een driegesprek onderdeel te laten uitmaken van de begeleiding. Touwen heeft diezelfde datum een opdrachtbevestiging ondertekend voor (de kosten van) een intake psychosociale hulp voor [geïntimeerde] .

2.6.

Op 2 december 2016 heeft vorenbedoeld driegesprek plaatsgevonden. Bij brief van 6 december 2016 heeft Touwen de inhoud van dit gesprek onder meer als volgt aan [geïntimeerde] bevestigd: “Zoals besproken in ons driegesprek (...) zie jij jezelf niet terugkeren bij Touwen & Co.. Conclusie uit het gesprek was dat we gaan werken aan een beëindiging van de arbeidsrelatie.”

2.7.

In de ‘periodieke evaluatie’ die de bedrijfsarts op 10 december 2016 aan Touwen heeft toegezonden, is onder meer opgenomen: Stand van zaken Mevrouw [geïntimeerde] heeft - in navolging van het driegesprek van 2 december 2016 - op 8 december 2016 aan haar werkgever bevestigd dat zij niet wil terugkeren in haar werk. Er is nog geen overeenstemming bereikt over de voorwaarden om te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. (...) Ik heb van haar begrepen dat zij haar werkgever heeft gemeld dat zij juridische hulp inschakelt. Advies (...) Ik adviseer de arbeidsongeschiktheidsperiode per 2-1-2017 af te sluiten door

mevrouw [geïntimeerde] volledig hersteld te melden. (...) Gemaakte afspraken Ik heb geen

vervolgafspraak gemaakt. Ik wacht de volledige hersteldmelding per 2-1-2017 af.”

2.8.

Bij brief van 2 januari 2017 heeft [X] , namens Touwen, aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven: “Uit de rapportage van ArboNed van 10-12-2016 volgt dat u vanaf vandaag weer in staat bent om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Over het einde van de arbeidsovereenkomst hebben we ook geen overeenstemming bereikt. Graag nodig ik u daarom uit om met mij een gesprek aan te gaan over het hervatten van uw werkzaamheden. Vriendelijk verzoek ik u om u daarvoor komende woensdagochtend (4 januari 2017) om 9 uur bij mij op kantoor te melden. (...)”. Op 4 januari 2017 heeft tussen [geïntimeerde] en [X] een gesprek plaatsgevonden.

2.9.

[geïntimeerde] heeft bij e-mailbericht van 18 januari 2017 een schriftelijke klacht bij Touwen ingediend die onder meer als volgt luidt: “Beste [X] , Vanaf oktober, na mijn ziekmelding, hebben wij verschillende gesprekken gehad over [A] van de mengerij, helaas ben ik niet bekend met zijn achternaam. In deze gesprekken heb ik aangegeven dat [A] mij, in het einde van de zomer, ongepast heeft aangeraakt waar ik niet ben van gediend. Rond eind augustus, begin september was ik aan mijn werk in het laboratorium met mijn rug naar de ruimte toe. Op een gegeven moment komt er iemand binnen. (..) Ik ging (..) ongestoord verder zonder op te kijken wie er binnen kwam. Tot ik opeens twee handen ruw om mijn onderbuik, richting kruis voel. Ik draai mij ruw om en probeer de handen van mij af te krijgen. Ik zie dat het [A] is en ik zeg, waarschijnlijk pissig, dat ik hier niet van gediend ben en hij van mij af moet blijven. Hij doet een stap naar achter en reageert verontwaardigd dat hij dat bij iedereen doet en dat hij wel uit mijn buurt blijft. Vervolgens krijg ik de dagen erna nog opmerkingen dat hij op afstand blijft (verontwaardigd) en verder wordt ik genegeerd. (...) Na een paar weken vroeg hij mij ineens hoe mijn weekend was en ik denk, oké hij doet normaal (...). Vervolgens, als ik achter mijn bureau zit, krijg ik zijn handen over mijn armen en schouders terwijl hij achter mij staat (...) Ik stuur u deze email met het voor u bekende verhaal omdat ondanks al onze gesprekken, wat ik via de jurist heb gehoord, dit (mondeling) geen aanklacht was tegen deze persoon én omdat ik niet de keuze wilde maken hem wel of niet te laten ontslaan. De aanklacht heb ik echter wel degelijk willen doen! Bij deze dus deze brief om alsnog, op papier, [A] aan te klagen wegens ongewenste seksuele intimidatie op de werkvloer. Ik hoop dat dit voldoende is.”

2.10.

Bij e-mail van 19 januari 2017 heeft [X] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven: “Ik heb formeel kennis genomen van uw klacht (...). Naar aanleiding hiervan heb ik in de procedure de heer [A] (hof, hierna: [A] ) gevraagd om een formele reactie op de aantijgingen (...). Ik wil u wel melden dat de inhoudelijke intensiteit van dat gene dat plaatsgevonden heeft verder gaat dan dat u mij ooit heeft medegedeeld in gesprekken (...). Graag zou ik (...) vernemen of er mensen getuige zijn geweest van de handtastelijkheden (...). Ik houd u op de hoogte van het verloop van de procedure.”

2.11

Bij brief van 19 januari 2017 heeft [X] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven: “Uit de rapportage van ArboNed van 10-12-2016 volgt dat u vanaf 02-01-2017 weer in staat bent om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. (...) Bij deze verzoek ik u nogmaals en voor de laatste keer zich bij mij te melden om het werk te hervatten. Ik verwacht u daartoe op maandagochtend 23 januari om 8.00 uur op kantoor voor werkhervatting. Indien u wederom niet verschijnt, kan ik niets anders doen dan u vanwege werkweigering ontslag op staande voet geven. In zoverre als het nodig is dat wij - gezien de door u op 18 januari ingediende klacht - nadere maatregelen moeten treffen om werkhervatting te bevorderen, verneem ik graag uw suggesties dienaangaande.”

2.12

Bij e-mail van 23 januari 2017 heeft [X] de schriftelijke reactie van [A] op de klacht toegezonden, welke onder meer als volgt luidt: “Ik beraad me op verder te nemen stappen in de procedure en zal u hiervan binnenkort in kennis stellen.”

De desbetreffende reactie, een e-mailbericht van 23 januari 2017 eerder die ochtend, luidt voorts als volgt: “Deze aanklacht berust compleet op fictie. (...) Als mevrouw [geïntimeerde] in deze aanklacht volhardt, overweeg ik, op advies van een jurist, stappen tegen haar te ondernemen, teneinde mijn leven en loopbaan niet door haar kapot te laten maken.”

2.13

Bij brief van 23 januari 2017 is [geïntimeerde] door Touwen op staande voet ontslagen.

2.14

Op 23 januari 2017 heeft [geïntimeerde] een deskundigenoordeel bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangevraagd over haar arbeids(on)geschiktheid. Bij brief van 10 februari 2017 heeft het UWV hierop als volgt bericht: Ons deskundigenoordeel

Ons oordeel is dat er, per de geschildatum van 2 januari 2017, geen medische grondslag aanwezig is voor arbeidsongeschiktheid. Echter terugkeer naar de werkplek is pas mogelijk als het arbeidsconflict adequaat wordt opgelost en er een veilige werkplek voor cliënt gegarandeerd kan worden.”

2.15

Bij e-mail van 3 maart 2017 heeft [Y] aan [X] onder meer het volgende geschreven: “In 2016 werkte [geïntimeerde] bij ons op het laboratorium. Zij vertelde dat ze “bij wijze van grap” in haar heupen was vastgepakt. Zelf was ik getuige dat ze in een soort van stoei-situatie met een collega was. Toen [geïntimeerde] dat vertelde en aangaf dat ze het vervelend vond heb ik samen met een collega haar verhaal aangehoord. In het gesprek heb ik gevraagd of ze wilde dat ik er werk van zou maken richting directie. Ilona gaf duidelijk aan dat ze het eerst zelf wilde oplossen door de collega aan te spreken. (...)”

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van € 20.000,= bruto als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW, daartoe stellende dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, en dat het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW. Verder heeft [geïntimeerde] de in artikel 7:672 jo. 7:677 BW bedoelde gefixeerde schadevergoeding gevorderd, welke zij heeft begroot op € 3.000,= bruto. Dit is volgens [geïntimeerde] het bedrag dat Touwen verschuldigd zou zijn geweest aan loon over de periode vanaf 23 januari 2017, de datum van het ontslag op staande voet, tot 1 maart 2017, de datum waartegen rechtsgeldig kon worden opgezegd. [geïntimeerde] heeft daartoe gesteld dat van werkweigering geen sprake is.

3.2

Touwen heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [geïntimeerde] en een tegenverzoek ingediend. Het verweer van Touwen komt er - kort samengevat - op neer dat zij [geïntimeerde] terecht op staande voet heeft ontslagen wegens werkweigering. Volgens Touwen was [geïntimeerde] vanaf 2 januari 2017 niet langer arbeidsongeschikt wegens ziekte en heeft zij haar werkzaamheden, hoewel zij daartoe meerdere malen was opgeroepen, niet hervat. Het tegenverzoek van Touwen strekte ertoe [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,= bruto, te weten het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, op grond van artikel 7:677 lid 2, gelezen in samenhang met lid 3, aanhef en sub a BW.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is en aan [geïntimeerde] een bedrag van € 3.000,= als forfaitaire vergoeding wegens onregelmatige opzegging alsmede een bedrag van € 12.000,= als billijke vergoeding toegekend. Het tegenverzoek van Touwen is afgewezen. De kantonrechter heeft, ten slotte, Touwen veroordeeld in de proceskosten waarbij de proceskosten in de zaak van het tegenverzoek gelet op de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek zijn begroot op nihil.

3.4

Tegen voornoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Touwen op met vijf grieven. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en is bij wijze van incidenteel hoger beroep met een grief opgekomen tegen de bestreden beschikking. Touwen heeft de incidentele grief bestreden.

3.5

Met grief I in principaal appel keert Touwen zich tegen de vernietiging van het ontslag op staande voet. Zij stelt daartoe - kort samengevat - dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Volgens Touwen was sprake van werkweigering nu [geïntimeerde] vanaf 2 januari 2017 niet langer arbeidsongeschikt was wegens ziekte. [geïntimeerde] heeft haar werkzaamheden hoewel zij daartoe meerdere malen is opgeroepen, niet hervat, zonder daaromtrent enige uitleg te geven, aldus Touwen.

ontslag op staande voet

3.6

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, zoals de aard en de ernst van de gedraging van [geïntimeerde] , de duur en de aard van de dienstbetrekking, de wijze waarop [geïntimeerde] haar taak heeft vervuld en diende te vervullen en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder de gevolgen die het ontslag op staande voet voor haar heeft. Voor de beoordeling van de dringende reden is de reden die in de ontslagbrief van 23 januari 2017 staat, leidend. Touwen heeft aan het ontslag op staande voet - kort samengevat - werkweigering van [geïntimeerde] ten grondslag gelegd. Als dringende reden is aan [geïntimeerde] bij brief van 23 januari 2017 immers het volgende medegedeeld: “U bent, ondanks ons dringende en herhaalde verzoek om te komen werken, op de 23e januari jl. niet verschenen. U bent niet arbeidsongeschikt en – zo mocht u menen van wel – is mij van een 2nd opinion niets gebleken. U heeft overigens ten aanzien van werkhervatting en het niet verschijnen niets gemeld en daardoor de gelegenheid van uw kant van het verhaal te laten horen ongebruikt gelaten. Wij hebben u reeds aangegeven dat wij bij verdere werkweigering u ontslag op staande voet zouden geven. Bij deze verleen ik u dat ontslag op staande voet dan ook met ingang van heden.”

3.7

Uit de hiervoor onder 2 weergegeven feiten volgt dat [geïntimeerde] zich op 10 oktober 2016 ziek heeft gemeld en dat de bedrijfsarts op 19 oktober 2016 heeft geschreven dat een deel van de gezondheidsklachten van [geïntimeerde] grotendeels een relatie lijkt te hebben met andere factoren in de werkrelatie, in verband waarmee hij heeft geadviseerd door middel van een gesprek te streven naar oplossingen alvorens [geïntimeerde] terugkeert op het werk. Vast staat dat in een gesprek dat op 28 oktober 2016 plaatsvond, [geïntimeerde] aan [X] heeft verteld dat zij zich onveilig voelde op de werkplek omdat zij tegen haar zin door een collega, [A] , lichamelijk was betast en dat zij dit voorval al had besproken met haar leidinggevende [Y] . Het lag op de weg van Touwen als werkgever om naar aanleiding van deze melding minst genomen nader onderzoek te doen naar de incidenten en vervolgens voor [geïntimeerde] een veilige werkomgeving te creëren opdat [geïntimeerde] weer kon terugkeren naar haar werk, te meer nu [X] in het gesprek op 28 oktober 2016 had aangegeven dat hetgeen [geïntimeerde] hem vertelde voor hem onacceptabel was. Touwen heeft dit echter nagelaten met als gevolg dat [geïntimeerde] ook na 2 januari 2017, de dag waarop volgens de bedrijfsarts [geïntimeerde] niet langer als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd, niet terugkeerde op haar werk. In plaats daarvan heeft Touwen de druk op [geïntimeerde] opgevoerd door haar werkweigering te verwijten, met ingang van 4 januari 2017 haar loon geheel of gedeeltelijk in te houden en vervolgens te dreigen met ontslag op staande voet als zij niet op het werk zou verschijnen. Anders dan Touwen heeft gesteld had zij ook zonder een officiële klacht onderzoek kunnen doen naar het door [geïntimeerde] beschreven voorval en de nodige maatregelen kunnen nemen. Touwen heeft dit echter verzuimd. Zelfs nadat [geïntimeerde] op aandringen van Touwen bij brief van 18 januari 2017 een officiële klacht had ingediend tegen [A] , heeft Touwen nagelaten serieus onderzoek te doen naar aanleiding van de klacht, althans van een dergelijk onderzoek is niet gebleken. Touwen heeft slechts volstaan met het confronteren van [A] met de klacht van [geïntimeerde] en de reactie van [A] hierop die neerkomt op een integrale ontkenning, te delen met [geïntimeerde] . Dit is niet alleen erg laat maar ook volstrekt onvoldoende. Touwen had in ieder geval op dat moment bij [Y] , de direct leidinggevende van [geïntimeerde] , moeten informeren teneinde de verklaring van [A] dat helemaal niets was gebeurd, te verifiëren. Hiervoor was alle reden, te meer nu [Y] in zijn ingebrachte verklaring van 3 maart 2017 heeft gemeld dat sprake was van een stoeipartij, welke verklaring niet strookt met die van [A] dat helemaal niets was gebeurd. Ook had Touwen een vertrouwenspersoon kunnen inschakelen teneinde [geïntimeerde] het gevoel te geven dat serieus met haar klacht werd omgegaan. Niets van dit alles is gebeurd. Door dit nalaten heeft Touwen het hiervoor genoemde gevoel van onveiligheid bij [geïntimeerde] niet weggenomen, hetgeen haar ervan weerhield terug te keren naar het werk. Touwen moet dit laatste hebben begrepen nu [geïntimeerde] telkens had aangegeven dat zij zich niet meer veilig voelde op het werk en om die reden niet kon terugkeren. Zoals ook het UWV bij brief van 10 februari 2017 als deskundige heeft geoordeeld, was er sprake van een arbeidsconflict dat eraan in de weg stond dat [geïntimeerde] kon terugkeren naar haar werkplek. In dit licht bezien kan niet worden gesproken van werkweigering en is Touwen ten onrechte overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. Grief I in principaal appel faalt. Dat brengt met zich dat ook de daarmee samenhangende grief II, gericht tegen de toekenning van de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging, faalt.

3.8

Met de grieven III tot en met V in principaal appel komt Touwen op tegen het toekennen van een billijke vergoeding aan [geïntimeerde] en de hoogte hiervan die volgens Touwen onvoldoende is onderbouwd. [geïntimeerde] komt in incidenteel appel op tegen de hoogte van de billijke vergoeding. Zij meent dat aan haar een billijke vergoeding van € 20.000,= dient te worden toegekend. Nu deze grieven alle aan de orde stellen de vraag of aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding moet worden toegekend en zo ja, hoeveel die moet bedragen, zullen zij gezamenlijk worden behandeld.

3.9

Gegeven het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat Touwen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [geïntimeerde] ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op zijn plaats is. Met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft overwogen met betrekking tot de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding acht het hof het volgende van belang.

[geïntimeerde] is een jonge vrouw die nog een lange carrière voor zich heeft. [geïntimeerde] heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep verklaard - hetgeen door Touwen niet is weersproken - dat zij het bij Touwen erg naar haar zin had en daar nog lang had willen werken als er geen conflict was ontstaan naar aanleiding van de incidenten.

Naar hiervoor is overwogen valt Touwen in grote mate een verwijt te maken dat [geïntimeerde] - wegens een onopgelost arbeidsconflict - niet meer heeft kunnen terugkeren op haar werkplek. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat zij nog geen ander werk heeft gevonden en dat dat met de onderhavige aanhangige procedure ook moeilijk is. Het hof betrekt bij de beoordeling, ten slotte, de omstandigheid dat het dienstverband van [geïntimeerde] bij Touwen slechts betrekkelijk kort heeft geduurd. Alles afwegende komt het hof, evenals de kantonrechter, tot het oordeel dat aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding toekomt van € 12.000,=. Dit betekent dat de grieven III tot en met V in principaal appel falen. De incidentele grief van [geïntimeerde] die ertoe strekt een hogere vergoeding dan € 12.000,= toe te kennen, faalt eveneens nu [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende heeft toegelicht waarom een hogere vergoeding dan € 12.000,= moet worden toegekend.

3.10

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

3.11

De slotsom is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. Touwen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in principaal appel. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt Touwen in de proceskosten in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,= aan verschotten en € 1.788,= voor salaris;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van Touwen begroot op € 894,= voor salaris;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, D. Kingma en

G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.