Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:773

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
23-003200-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003200-17

datum uitspraak: 5 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2017 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-003062-17 (zaak A) en 13-252323-16 (zaak B), alsmede 13-256770-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A:

hij op of omstreeks 5 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 105,7 tabletten/pillen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

zaak B (gevoegd):

hij op of omstreeks 6 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,7 XTC tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 1,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A en B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A:

hij op 5 augustus 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 105 tabletten van een materiaal bevattende MDMA.

zaak B (gevoegd):

hij op 6 december 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11 tabletten van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 1,44 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen in de zaken A en B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A en B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaken A en B bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken A en B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een hoeveelheid MDMA en cocaïne in bezit gehad. Hiermee heeft de verdachte in strijd met de Opiumwet gehandeld.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 januari 2018 is hij eerder terzake van misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt het hof in zijn nadeel.

De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de bij strafoplegging te maken afwegingen gewezen op navolgende persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een man van Liberiaanse afkomst die naar Nederland is gevlucht. Hij is weliswaar meerdere malen in aanraking geweest met justitie, heeft moeite om een stabiel leven op te bouwen, heeft een schuldenproblematiek en kampt bovendien met depressiviteitsklachten, maar hij wordt momenteel begeleid door zowel de Reclassering als door de stichting De Tussenvoorziening. Een gevangenisstraf, zoals in eerste aanleg opgelegd, doorkruist het begeleidingstraject van de verdachte. Een taakstraf zou in dit geval de aangewezen straf zijn, nu voor de begeleiding door de stichting De Tussenvoorziening een dagbesteding nodig is en het vervullen van een taakstraf daarvoor kan dienen.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 april 2016 onder parketnummer 13-256770-15 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van

2 jaren. De politierechter heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de proeftijd met één jaar wordt verlengd.

Op grond van hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal het hof de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaken A en B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaken A en B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van

22 april 2016 onder parketnummer 13-256770-15, met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. G. Oldekamp en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 februari 2018.

Mr. S. Bek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.