Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:694

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
200.204.058/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Na het horen van getuigen acht het hof bewezen dat werknemer aan middelbaar scholieren een pornografisch filmpje heeft laten zien. Mede vanwege zijn hardnekkige ontkenning van de gebeurtenis en het vertrouwenskarakter van zijn functie (belader in de beveiligde zone van Schiphol) kwalificeert dit als grond voor ontslag op staande voet. Het hof beëindigt de arbeidsrelatie. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1771.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.204.058/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 5198488 \ AO Verz 16-211

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 februari 2018

inzake

KLM CATERING SCHIPHOL SERVICES B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

advocaat: mr. R.A.C.G. Martens te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.P. Wellenberg te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom KCS en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 9 mei 2017 een tussenbeschikking uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar die beschikking.

Ingevolge de tussenbeschikking heeft KCS op 11 juli 2017 vijf getuigen doen horen, waarna [geïntimeerde] op 5 oktober 2017 drie getuigen heeft doen horen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn bij de gedingstukken gevoegd.

KCS heeft een akte na enquête genomen, en daarbij nog een bewijsstuk in het geding gebracht.

[geïntimeerde] heeft daarna een akte na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen wederom beschikking gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is KCS toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] “hardnekkig de gebeurtenissen van vorige week (24 mei 2016, toevoeging hof) in het vliegtuig ontkent, dan wel in het feit dat u hardnekkig lijkt te weigeren ons verder openheid van zaken te geven”. Hierbij is overwogen dat, gelet op de inhoud van de ontslagbrief van 3 juni 2016, de hardnekkige ontkenning betrekking heeft op de volgende gebeurtenissen: de attendering door [A] aan [geïntimeerde] dat hij rekening diende te houden met de kwetsbaarheid van de leerlingen, het pornografisch filmpje dat [geïntimeerde] aan de leerlingen heeft laten zien, het door [geïntimeerde] uitnodigen van een leerling om naar de Wallen te gaan en het door [geïntimeerde] vragen van het telefoonnummer van een leerling en het vervolgens verkrijgen van dat telefoonnummer en het opslaan daarvan in [geïntimeerde] ’s eigen telefoon. Omdat KCS [geïntimeerde] verwijt dat deze geen openheid heeft gegeven over de betreffende gebeurtenissen is ook van belang wat [geïntimeerde] tijdens de gesprekken op 27 mei, 1 en 3 juni 2016 hierover heeft gezegd en hoe deze gesprekken zijn verlopen.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij het pornografische filmpje niet bewust aan een of meer leerlingen heeft laten zien. Volgens [geïntimeerde] heeft hij een per WhatsApp ontvangen filmpje geopend en hebben leerlingen zonder dat hij het wist meegekeken. Verder is [geïntimeerde] niet geïnformeerd over de achtergrond van de leerlingen anders dan dat de groep afkomstig was van het ROC Luchtvaart College. Ook betwist [geïntimeerde] een leerling te hebben uitgenodigd om naar de Wallen te gaan en met dat doel zijn telefoonnummer te hebben gevraagd en gekregen.

2.2

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft KCS getuigen doen horen. Deze getuigen hebben voor zover van belang, ten aanzien van (i) de mededeling over de al dan niet kwetsbaarheid van de leerlingen, (ii) het al dan niet laten zien van een pornografisch filmpje, (iii) de (vermeende) uitnodiging van een leerling om naar de Wallen te gaan, (iv) het hiertoe aan deze leerling vragen van zijn telefoonnummer en het verkrijgen daarvan en (v) de gesprekken die nadien hebben plaatsgevonden, het volgende verklaard.

[personeelsmanager ] , personeelsmanager, heeft verklaard: “De verklaringen in het dossier ondertekend door [D] , door [E] en van [F] zijn door mij opgesteld. Het zijn handgeschreven verklaringen en het is mijn handschrift. Het zijn wel hun handtekeningen die er onder staan. Ik heb alle drie eerst een aantal foto’s laten zien vanwege de zorgvuldigheid. Dat de leerlingen zich niet zouden vergissen. Alle drie identificeerden zij foto nummer 6 als de chauffeur om wie het gaat en dat is mijnheer [geïntimeerde] . Ik heb de handgeschreven verklaringen in enige haast opgesteld. Dat wat in de verklaring van [D] staat heeft hij ook echt tegen mij verteld. (…) De gesprekken met de leerlingen heb ik niet alleen gevoerd. De heer [operationeel manager] was er ook bij.” [personeelsmanager ] heeft voorts, samengevat, verklaard:

  • -

    i) [D] was volgens [A] in de groep de zwakste schakel, hij was het meest beperkt en had de grootste afstand tot de arbeidsmarkt.

  • -

    ii) [E] heeft mij verteld dat [geïntimeerde] hem en [D] een filmpje liet zien met het beeldscherm van zijn telefoon naar de leerlingen toe gedraaid, waarbij hij zoiets zei als: lekker hé? [E] voegde daar aan toe dat toen het filmpje getoond werd hij achter in het vliegtuig naar mevrouw [A] en ene mevrouw [B] (voorvrouw van Asito) liep omdat hij haar over het filmpje wilde vertellen. [A] en [B] schonken echter op dat moment niet veel aandacht aan hem. [C] heeft mij op zaterdag 28 mei 2016 gebeld en gezegd dat hij had gezien dat [geïntimeerde] een pornografisch filmpje aan de leerlingen had getoond.

  • -

    iii) en (iv) [E] heeft mij verteld dat [D] bang dat [geïntimeerde] hem bij het werk zou opwachten en dat [D] in het vliegtuig tegen [A] heeft gezegd dat hij zijn telefoonnummer aan [geïntimeerde] had gegeven. [D] heeft mij verteld dat er iets was gezegd van na rijlessen op een locatie. [C] heeft mij op zaterdag 28 mei 2016 gebeld en gezegd dat een telefoonnummer was gegeven.

( v) In de door mij opgestelde ontslagbrief staat met juistheid dat [geïntimeerde] op 27 mei 2016 in het gesprek, waar ik bij aanwezig was, verklaarde dat hij zich niet bewust was iets fout te hebben gedaan of dat hij iets anders had moeten doen; hij antwoordde toen ontkennend dat hij pornografische filmpjes aan de leerlingen had laten zien, dat hij geen onaanvaardbare grapjes had gemaakt en dat het woord ‘seks’ of soortgelijke woorden niet waren gevallen, hij had geen afspraak met een leerling gemaakt om naar de Wallen te gaan en had geen telefoonnummer gevraagd. Op 1 juni 2016 herhaalde [geïntimeerde] in het gesprek waar ik bij aanwezig was dat hij geen pornografische filmpjes had laten zien en dat hij niet had gezegd dat hij een van de leerlingen voorstelde om op zaterdag 28 mei 2016 naar de Wallen te gaan. Op 3 juni 2016 bevestigde [geïntimeerde] in het gesprek waar ik bij aanwezig was bij zijn eerdere verklaring te blijven.

[operationeel manager] , manager tracking en control, heeft verklaard: “Datgene wat in de ontslag op staande voet brief van 3 juni 2016 op pagina 1 en 2 staat, waar het betreft de gesprekken die op 27 mei 2016 en 1 juni 2016 hebben plaatsgevonden en waarbij ik aanwezig was, is juist. (…) [personeelsmanager ] en ik hebben apart met de drie jongens gesproken. We hebben eerst gecheckt of het om de betrokken persoon ging om geen misverstand te hebben. We hebben ze ieder gevraagd wat er die middag gebeurd was.” [operationeel manager] heeft voorts, samengevat, verklaard:

  • -

    i) Het waren enigszins kwetsbare leerlingen.

  • -

    ii) Alle drie de jongens vertelden het zelfde over het filmpje, misschien dat alleen de details afweken.

  • -

    iii) Alle drie de jongens vertelden het zelfde over het telefoonnummer, misschien dat alleen de details afweken.

  • -

    iv) Hierover heeft [operationeel manager] niets verklaard.

  • -

    v) [operationeel manager] heeft verklaard dat de weergave van de gesprekken van 27 mei en 1 juni 2016 in de ontslagbrief juist is. Toevoeging van het hof: In deze ontslagbrief staat dat [geïntimeerde] op 27 mei 2016 in het gesprek waar [operationeel manager] bij aanwezig was verklaarde dat hij zich niet bewust was iets fout te hebben gedaan of dat hij iets anders had moeten doen; hij antwoordde toen ontkennend dat hij pornografische filmpjes aan de leerlingen had laten zien, dat hij geen onaanvaardbare grapjes had gemaakt en dat het woord ‘seks’ of soortgelijke woorden niet was gevallen, hij had geen afspraak met een leerling gemaakt om naar de Wallen te gaan en had geen telefoonnummer gevraagd. Op 1 juni 2016 herhaalde [geïntimeerde] in het gesprek waar [operationeel manager] bij aanwezig was dat hij geen pornografische filmpjes had laten zien en dat hij niet een van de leerlingen had voorgesteld om op zaterdag 28 mei 2016 naar de Wallen te gaan. [personeelsmanager ] en [operationeel manager] hebben [geïntimeerde] meermalen, constructief, uitgenodigd openheid van zaken te geven en dat oprecht geprobeerd.

[C] , medewerker KLM Catering Services, heeft verklaard dat hetgeen in zijn verklaring van 1 juni 2016 (productie 9 verweerschrift eerste aanleg) staat, juist is. In deze brief staat dat [C] op vrijdag op non-actief werd gezet; de week erop heeft hij verteld wat er echt was gebeurd. Verder heeft [C] , samengevat, verklaard:

  • -

    i) Op 24 mei 2016 vertelde de begeleidster van het luchtvaartcollege wat voor soort jongens er zouden komen; mevrouw [A] vertelde iets over een achterstand en dat het moeilijk opvoedbare leerlingen waren. De leerlingen waren niet helemaal normaal. Ze waren vrolijk, baldadig en een beetje kinderlijk, brutaal ook wel. Ze waren overal en nergens.

  • -

    ii) In het vliegtuig stonden een aantal leerlingen en mijn collega [geïntimeerde] bij de middenkeuken. De leerlingen stonden om mijn collega heen om naar het filmpje te kijken. Ze waren daar enthousiast over. Ik was eerst doorgegaan met beladen. Ik heb toen even gekeken om wat voor filmpje het ging. Het was een seksueel filmpje. Iedereen kon meekijken.

  • -

    iii) Mijn collega heeft één van de leerlingen zijn telefoonnummer gevraagd.

  • -

    iv) Mijn collega heeft één van de leerlingen voorgesteld om wat te gaan drinken en naar de wallen te gaan.

  • -

    v) Toen ik op 27 mei 2016 bij KCS moest komen had ik niet echt een idee waarover het ging. Ik kwam [geïntimeerde] daar tegen. Ik denk dat [geïntimeerde] wel wist dat het over 24 mei 2016 ging. Dat vermoed ik omdat hij zag dat hij en ik samen moesten komen.

[A] , student maatschappelijk werk en dienstverlening, heeft verklaard, dat de inhoud van de door haar op 31 mei 2016 ondertekende verklaring, productie 8 bij verweerschrift eerste aanleg, juist is. [A] heeft verklaard: “De tekst heb ik samen met [personeelsmanager ] opgesteld. Ik had het haar verteld en zij had het genoteerd”.

  • -

    i) In de hierboven genoemde verklaring van [A] staat: In de ochtend van 24 mei 2016 was ik aan boord van de CZ308 met 9 leerlingen van het Luchtvaartcollege die voor Asito B.V. schoonmaakwerkzaamheden doen voor KLM. Deze kwetsbare leerlingen hebben een achterstand tot de arbeidsmarkt, zijn 18 jaar oud, maar functioneren gemiddeld als 12 jarigen ten gevolge van gedragsproblemen en leerachterstand. Dit heb ik in de ochtend aan boord duidelijk aan de Chauffeur ( [geïntimeerde] ) en de Belader ( [C] ) medegedeeld. Voorts heeft [A] , samengevat, verklaard: Ik heb ze gezegd dat ze zich niet moesten mengen in een gesprek over een stagevergoeding, ik heb hen toen ook verteld over de achtergrond van de leerlingen. Ik heb duidelijk gemaakt aan [geïntimeerde] en [C] dat het grote stoere jongens lijken maar dat ze een ontwikkelingsniveau hebben als van een twaalfjarige. Dat geldt niet voor allemaal, maar het gaat om een groep en dat is dan wat je hanteert. Ze hebben een achterstand op de arbeidsmarkt en daarom hebben ze daar ook hulp bij nodig.

  • -

    ii) In de hierboven genoemde verklaring van [A] staat: De volgende ochtend in het vliegtuig hoorde ik pas dat een paar leerlingen het hadden over seks en pornografische filmpjes dat de chauffeur aan een paar leerlingen had laten zien. Het filmpje betrof geen kinderporno. Wat ik van ze begreep is dat [geïntimeerde] ze het filmpje echt onder de neus had gedrukt. [geïntimeerde] had wel gevraagd zijn jullie 18.

  • -

    iii) In de hierboven genoemde verklaring van [A] staat: Eén leerling heeft die volgende ochtend aan mij verteld dat hij zijn mobiele telefoonnummer aan de chauffeur heeft gegeven en dat deze het nummer had opgeslagen.

  • -

    iv) In de hierboven genoemde verklaring van [A] staat: Eén leerling heeft die volgende ochtend aan mij verteld dat de chauffeur hem zaterdag 28 mei zou bellen en meenemen naar de Wallen en dat hij voldoende geld moest meenemen. Hij vertelde ook dat de chauffeur de afspraak zou filmen opdat hij het aan zijn vrienden kon laten zien dat hij “het” gedaan heeft. De jongen vertelde ook dat er een gedetailleerde afspraak is gemaakt wat betreft tijdstip en locatie. Ik begreep van [D] dat hij met [geïntimeerde] echt besproken had wanneer hij naar de wallen zou kunnen gaan. Hij had in zijn hoofd zijn agenda daarbij geraadpleegd. Pas later kwam het besef dat hij dat niet wilde. Hij had het in een opwelling gedaan, maar schaamde er zich nu voor en had angst. Voorts heeft [A] , samengevat, verklaard: Onderling hebben ze het veel over seks en vriendinnetjes. Dat vind ik niet vreemd, wel dat [geïntimeerde] het daar met hen over had gehad. [D] vroeg me ook wat hij moest doen als hij door [geïntimeerde] gebeld zou worden voor die afspraak. Ik heb gezegd dat hij dan niet moest opnemen.

  • -

    v) Hierover heeft [A] niets verklaard.

[E] heeft, samengevat, verklaard:

  • -

    i) Hierover heeft [E] niets verklaard.

  • -

    ii) De mijnheer die hier aanwezig is ( [geïntimeerde] , toevoeging hof) liet samen met de belader een video zien. Dat was een pornografisch filmpje. Hij liet dat filmpje met zijn telefoon echt zien, het was niet per ongeluk. Wij moesten er een beetje om lachen.

  • -

    iii) en (iv) Later, na het tonen van het filmpje, werd [D] door die mijnheer terug geroepen. Mijnheer vroeg of hij [D] telefoonnummer mocht om samen naar de wallen te gaan. Dat telefoonnummer heeft [D] hem gegeven. Ik heb dat gesprek een beetje gehoord, maar ik liep ook door. [D] heeft dit ons in het busje verteld. Toen hij het ons in het busje vertelde vond hij het al ongemakkelijk. Ik weet niet precies hoe lang het filmpje duurde. Ik heb het niet helemaal afgekeken. Ik denk eerder in minuten dan in seconden.

[geïntimeerde] heeft, samengevat, verklaard:

  • -

    i) Op 24 mei 2016 was ik aan het werk als belader van een vliegtuig. Op een gegeven moment trof ik in het vliegtuig een aantal personen die aan het schoonmaken waren. Niemand had mij van te voren gezegd wie dit waren. Ik wist niet dat het scholieren waren. Ik ging er van uit dat het gewoon schoonmaakpersoneel was. Er waren wel twee begeleiders bij aanwezig. Dat er schoonmaakpersoneel in het vliegtuig was, was voor mij geen verrassing: dat komt wel vaker voor. De schoonmakers, die scholieren bleken te zijn, waren overal in het vliegtuig. Het komt wel vaker voor dat Asito uitzendkrachten inschakelt. Op een nadere vraag van mr. Wellenberg of het ooit is voorgekomen dat KLM tegen mij heeft gezegd dat er leerlingen van een ROC met een mentale beperking bij ons langskomen zeg ik: nee.

  • -

    ii) Op een gegeven moment kreeg ik een appje van een vriend van mij op mijn telefoon. Dat heb ik geopend. Het was niet mijn bedoeling, maar achter mij stonden meerdere scholieren mee te kijken. Op een gegeven moment was er een heel groepje om mij heen. Ze hebben meegekeken en toen ben ik weer verder gegaan met mijn werk. Ik heb een Samsung telefoon, het is een normaal formaat iPhone. Ik hield de telefoon een stukje voor me om het filmpje te kunnen zien. Toen keken enkele scholieren voor mij onbedoeld mee. Vervolgens kwamen er meer scholieren aan, die ook aan de voorkant van mij gingen staan. Toen heb ik de telefoon zo gehouden dat zij ook mee konden kijken. Ik heb met geen van de scholieren over de inhoud van het filmpje gesproken. Ik herhaal: ik heb met de scholieren geen enkel woord gewisseld over de inhoud van het filmpje. Toen ik het filmpje op mijn telefoon had ontvangen zijn er over en weer grapjes gemaakt. Het zou kunnen dat ik zelf ook grapjes heb gemaakt. Het filmpje duurde denk ik tussen 30 en 45 seconden. Behalve dat ik grapjes heb gemaakt heb ik niets tegen de scholieren gezegd.

  • -

    iii) Ik heb niemand een telefoonnummer gevraagd en ik heb dus ook van niemand een telefoonnummer gekregen.

  • -

    iv) Ik heb met niemand over de Wallen gesproken. Ik moest volgens mijn rooster op zaterdag 28 mei 2016 werken van 13.00 uur tot 21.30 uur. Dat betekent dat ik dan om 11.30 of 11.45 uur uit huis ga. Na afloop van de dienst heb ik één à anderhalf uur reistijd naar huis. Ik kleed mij altijd thuis al om in mijn KLM-kleding. Op 24 mei 2016 heb ik met [C] niet meer gesproken over de scholieren. Het was voor mij een gewone dag geweest. Na 24 mei 2016 heb ik drie gesprekken gehad met KLM. Als mijn advocaat mij vraagt of ik mij daardoor overvallen voelde, en of het klopt dat ik moeilijk uit mijn woorden kom zeg ik: ja dat klopt. Ik heb tijdens dat gesprek zo goed als ik kon mijn verhaal gedaan. Ik kende op dat moment [personeelsmanager ] niet goed. Ik begreep niet goed waarom ze mij haar kaartje gaf. Ik heb tijdens die gesprekken niet van KLM begrepen dat er andere oplossingen dan ontslag mogelijk waren wanneer ik meer openheid van zaken zou geven.

  • -

    v) Het eerste gesprek met KLM vond plaats met de heer [operationeel manager] en [personeelsmanager ] en nog een manager. Dat gesprek was niet prettig. Bij het tweede gesprek had ik iemand meegenomen. Ook dat gesprek was niet prettig. Ik heb tijden een gesprek aan [personeelsmanager ] gezegd dat ik een pornografisch filmpje had ontvangen. Ik weet niet meer of dit het eerste, tweede of derde gesprek was. Het klopt dat ik aan het eind van het derde gesprek aan [personeelsmanager ] heb gevraagd: kunnen we nog een schikking treffen? Nogmaals: ik weet niet meer goed in welk gesprek ik aan [personeelsmanager ] over de inhoud van het filmpje heb verteld.

[H] , cateringchauffeur/belader, heeft, samengevat, verklaard:

  • -

    i) Er is aan mij door KLM-catering nooit iets gezegd over scholieren met een mentale beperking. Ik weet zelf van niks. Niemand van de chauffeurs is ervan op de hoogte van wat er rondloopt. Ik heb zelf nadien ook wel meegemaakt dat scholieren via Asito in het vliegtuig waren en dat die dan om je heen komen en dat ze het allemaal erg interessant vinden. Ik zie dan wel dat het scholieren zijn, want ze zijn heel jong en druk. Veel werknemers van Asito werken er al heel lang en die ken je van gezicht. Ze hebben ook wel uitzendkrachten, maar die zijn vaak wat ouder dan scholieren en de meesten spreken ook geen Nederlands.

  • -

    ii) Hierover heeft [H] niets verklaard.

  • -

    iii) Hierover heeft [H] niets verklaard.

  • -

    iv) Hierover heeft [H] niets verklaard.

  • -

    v) Ik ben met het laatste gesprek met [geïntimeerde] mee geweest naar KLM-catering. Namens KLM zat daar de P&O-manager en de manager Distributie. Het gesprek duurde niet heel lang. Er heerste een heel erg gespannen sfeer. Ik had zelf ook veel moeite met hoe er gesproken werd. Het was heel strak. Er was totaal geen ruimte. Er was geen normaal open gesprek mogelijk. De spanning was erg hoog. De sfeer was zo alsof er al besloten was tot ontslag. Nadien heb ik het gesprek moeten verwerken, het heeft mij gegrepen. Zo een gesprek is moeilijk als je geen prater bent.

[B] , schoonmaakster bij Asito, heeft, samengevat, verklaard:

  • -

    i) Die dag was ik begeleider van een groep scholieren, zeven jongens. Ze liepen stage, drie dagen in de week, dinsdag, woensdag en donderdag. Het zijn jongens van 18 of 19 jaar met misschien 50 procent hersens. Ik noemde die scholieren zojuist autistisch, of zwakbegaafd. In Suriname zeggen wij ook wel voor 50 procent hersens hebben. Dat is hetzelfde en het betekent dat ze moeilijk kunnen leren.

  • -

    ii) Ik heb aan het eind van die dag niks gehoord dat er iets bijzonders was gebeurd. De volgende dag zag ik de groep scholieren weer. Ik zei tegen één van de jongens dat hij moest gaan stofzuigen. Hij zei nee. Ik zei dat hij het toch moest leren maar hij wilde het niet. Toen kwam de begeleidster, […] ( [A] , toevoeging hof), naar mij toe en zei dat er gisteren iets was gebeurd. De jongen had verdriet of zo. Ik vroeg wat is er dan gebeurd, waarom heb ik dat dan niet gemerkt. […] zei dat ze het nu ook pas gehoord had. Ik zei: dan klopt er iets niet want ik heb gisteren niks gemerkt. De scholieren hebben me die dag niet verteld dat er iets bijzonders was gebeurd. Ik heb ook niks bijzonders aan ze gemerkt. De volgende dag heeft niemand over iets bijzonders gesproken. Ze waren vrolijk. Ik hou van luisteren, maar ik heb niks gehoord.

  • -

    iii) Zie (ii).

  • -

    iv) Zie (ii).

  • -

    v) Later werd ik opgeroepen voor een gesprek met drie mensen. Ik kende ze niet. Ik werd op een gegeven moment echt boos, omdat ik de indruk kreeg dat ze wilden dat ik iets zou zeggen wat ik niet gezien had.

2.3

Het hof oordeelt als volgt.

(i) Ten aanzien van de kwetsbaarheid van de betreffende leerlingen en de mogelijke attendering door [A] hierop, heeft [A] verklaard dat ze aan [C] en [geïntimeerde] duidelijk heeft medegedeeld dat het om kwetsbare leerlingen ging met een achterstand op de arbeidsmarkt, die 18 jaar oud zijn maar functioneren als 12 jarigen ten gevolge van gedragsproblemen en leerachterstand. [C] heeft bevestigd dat [A] verteld had wat voor soort leerlingen er zouden komen, dat ze iets vertelde over een achterstand en dat het moeilijk opvoedbare kinderen waren. [personeelsmanager ] en [operationeel manager] hebben verklaard dat het kwetsbare leerlingen waren, maar hebben niets verklaard over de mededeling hierover aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft verklaard dat hem niets was gezegd en dat hij er van uit ging dat het gewoon schoonmaakpersoneel was. [B] heeft verklaard dat het om jongens ging die zwakbegaafd waren en dat ze moeilijk konden leren. De verklaringen van [A] en [C] zijn duidelijk. Het hof acht beide getuigen geloofwaardig. Het hof acht de verklaring van [geïntimeerde] niet geloofwaardig, nu hij heeft verklaard dat hij er van uitging dat het om gewoon schoonmaakpersoneel ging, terwijl ook [B] heeft verklaard dat het om zwakbegaafde jongens ging. Het hof acht daarmee bewezen dat [geïntimeerde] op 24 mei 2016 voorafgaand aan de gebeurtenis met betrekking tot het filmpje er op was gewezen dat het om kwetsbare leerlingen ging.

(ii) [E] heeft verklaard dat [geïntimeerde] een pornografisch filmpje echt liet zien, en dat dat niet per ongeluk gebeurde. [C] heeft verklaard dat de leerlingen om [geïntimeerde] heen stonden om naar het filmpje te kijken, dat het een seksueel filmpje was en dat iedereen kon meekijken. [A] heeft verklaard de volgende dag van leerlingen te hebben gehoord dat [geïntimeerde] hen een pornografisch filmpje had laten zien. [personeelsmanager ] en [operationeel manager] hebben verklaard met [D] , [E] en [F] gesproken te hebben. [operationeel manager] heeft verklaard dat de jongens alle drie een zelfde lezing gaven over het zien van het filmpje. Deze verklaringen komen allen met elkaar overeen en het hof acht de verklaringen geloofwaardig. [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij een filmpje kreeg en dat er meerdere scholieren, voor hem onbedoeld, stonden mee te kijken. Hij heeft echter ook verklaard dat toen er meer scholieren kwamen, hij zijn telefoon zo heeft gehouden dat zij ook mee konden kijken. [geïntimeerde] bevestigt daarmee dat hij in ieder geval aan die scholieren zelf het filmpje heeft getoond. Deze verklaring had [geïntimeerde] niet eerder aan KCS gegeven, en dit standpunt heeft hij ook niet eerder in de processtukken ingenomen. Het hof acht ook een ander aspect van de verklaring van [geïntimeerde] hieromtrent niet consistent. Hij verklaarde eerst met nadruk (‘ik herhaal’) dat hij met de scholieren geen enkel woord had gewisseld over de inhoud van het filmpje. Nadien verklaarde hij dat hij – kennelijk in de context van het hebben ontvangen van het filmpje op zijn telefoon – behalve grapjes, niets tegen de scholieren heeft gezegd. Dat [B] heeft verklaard dat ze die dag niets aan de leerlingen heeft gemerkt doet hier niet aan af: vast staat immers dat de leerlingen een pornografisch filmpje hebben gezien, en ook [B] verklaart dat een van de leerlingen de volgende dag ‘verdriet of zo’ had. Het hof acht bewezen dat [geïntimeerde] aan (een of meer) leerlingen van het Luchtvaartcollege bewust een pornografisch filmpje heeft laten zien.

(iii ) [E] heeft verklaard dat [geïntimeerde] aan [D] diens telefoonnummer mocht om samen naar de Wallen te gaan en [D] heeft hem dat gegeven. [E] heeft verklaard dit gesprek zelf ‘een beetje’ gehoord te hebben, en ook dat [D] hem dit kort daarna in het busje vertelde en dat [D] dat toen al ongemakkelijk vond. [A] heeft verklaard dat [D] haar de volgende dag had verteld dat hij zijn mobiele telefoonnummer aan [geïntimeerde] had gegeven en dat die het nummer had opgeslagen. [C] heeft ook verklaard dat [geïntimeerde] één van de leerlingen zijn telefoonnummer heeft gevraagd. [personeelsmanager ] en [operationeel manager] hebben verklaard met [D] , [E] en [F] gesproken te hebben. [personeelsmanager ] heeft verklaard dat [E] haar heeft verteld dat [D] na het gebeurde tegen [A] heeft verteld dat hij zijn telefoonnummer aan [geïntimeerde] gegeven had. [operationeel manager] heeft verklaard dat de jongens alle drie een zelfde lezing gaven over het telefoonnummer. [geïntimeerde] heeft ontkend een telefoonnummer te hebben gevraagd en gekregen. Het hof acht de verklaringen van [E] , [A] , [C] , [personeelsmanager ] en [operationeel manager] consistent en geloofwaardig. De ontkenning door [geïntimeerde] maakt dat niet anders. Het hof acht bewezen dat [geïntimeerde] aan [D] diens mobiele telefoonnummer heeft gevraagd en gekregen.

(iv) [C] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat [geïntimeerde] één van de leerlingen had gevraagd om wat te gaan drinken en naar de wallen te gaan. [A] heeft verklaard dat zij van [D] begrepen heeft dat hij met [geïntimeerde] echt besproken had wanneer hij naar de wallen zou kunnen. [D] besefte later dat hij dit niet wilde, hij had het in een opwelling gedaan, schaamde zich er nu voor, had angst en vroeg haar wat hij moest doen als hij door [geïntimeerde] gebeld zou worden voor de afspraak, aldus [A] . [B] heeft verklaard die dag niets te hebben gemerkt, maar wel de volgende dag van [A] te hebben vernomen dat er een jongen was met ‘verdriet of zo’. [E] heeft verklaard dat [D] direct in het busje zich er al ongemakkelijk over voelde dat hij zijn telefoonnummer aan [geïntimeerde] had gegeven. [geïntimeerde] heeft verklaard met geen enkele leerling over de Wallen te hebben gesproken. Hij heeft er ook op gewezen dat hij op zaterdag 28 mei 2016 dienst had van 13.00 tot 21.30 uur, dat hij vanwege zijn reistijd dan al om 11.30 of 11.45 uur van huis ging en ook na afloop één à anderhalf uur reistijd had, en dat hij zich thuis altijd al omkleedde in KLM kleiding, zodat het niet mogelijk althans goed voorstelbaar is dat hij aan [D] zou hebben voorgesteld om die zaterdag naar de Wallen te gaan. De verklaringen van [C] , [A] en [E] passen in de door KCS gegeven lezing dat [geïntimeerde] aan [D] had voorgesteld om mee naar de wallen te gaan, dat [D] daar aanvankelijk mee had ingestemd maar daar kort daarna spijt van kreeg en angst over had. Het hof acht die verklaringen ook geloofwaardig. Hetgeen [geïntimeerde] verklaard heeft over zijn werktijden op zaterdag 28 mei 2016 doet daar onvoldoende afbreuk aan. Het door KCS aan [geïntimeerde] gemaakte verwijt is dat [geïntimeerde] met een leerling van het Luchtvaartcollege heeft gesproken om naar de Wallen te gaan, hetgeen [geïntimeerde] nadien stelselmatig heeft ontkend, en het hof acht dat verwijt terecht, nu het voldoende bewezen acht dat [geïntimeerde] met een leerling, [D] , over een bezoek aan de Wallen heeft gesproken.

(v ) Over de drie op 27 mei, 1 en 3 juni 2016 gehouden gesprekken bestaat weinig verschil van mening. [geïntimeerde] en [H] verklaren dat ze de gesprekken (voor [H] voor zo ver hij daarbij aanwezig was) niet prettig vond, hetgeen het hof vanuit hun positie goed voorstelbaar acht. [geïntimeerde] heeft echter verklaard in een van de gesprekken tegen [personeelsmanager ] te hebben gezegd dat hij een pornografisch filmpje had ontvangen, maar dat hij niet meer wist in welk gesprek dat was. Uit de tussen partijen uitgewisselde correspondentie blijkt echter niet dat [geïntimeerde] dat al in één van genoemde gesprekken had gemeld. In de brief van 3 juni 2016 waarin het ontslag op staande voet werd gegeven, schrijft KCS dat [geïntimeerde] op woensdag 1 juni 2016 had herhaald geen pornografisch filmpje op zijn mobiele telefoon te hebben laten zien en dat [geïntimeerde] op 3 juni 2016 bij zijn eerdere verklaringen bleef. Namens [geïntimeerde] is op 7 juni 2016 een verslag gedaan van de gebeurtenissen op 24 mei 2016 en de gesprekken daarna; gesteld wordt dat [geïntimeerde] niet door had dat leerlingen met hem meekeken naar het meergenoemde filmpje; gesteld wordt niét dat [geïntimeerde] dit al tijdens een van de drie genoemde gesprekken aan KCS had medegedeeld. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [geïntimeerde] in de drie gesprekken nog geen melding heeft gemaakt van het hebben ontvangen van een pornografisch filmpje. Het hof acht bewezen dat [geïntimeerde] voldoende gelegenheid heeft gehad zijn visie op de gebeurtenissen te geven. Hij heeft de belangrijkste door KCS aan hem gemaakte verwijten (hierboven besproken in de eerste alinea van 2.2, genummerd (i) tot en met (iv)), ontkend. Nu het hof de betreffende verwijten terecht acht, immers de daaraan ten grondslag liggende feiten bewezen acht, was de ontkenning door [geïntimeerde] hiervan niet terecht, en heeft KCS hem evenzo terecht verweten geen openheid van zaken te hebben gegeven. De grieven 1 en 2, gericht tegen – kort samengevat - de overwegingen dat de gedragingen van [geïntimeerde] niet zijn komen vast te staan, slagen.

2.4

Het hof is van oordeel dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten een dringende reden vormen, zowel in objectieve zin als in subjectieve zin. Hiertoe dient het volgende. Het door een werknemer van KCS – in casu [geïntimeerde] - tijdens het werk aan leerlingen van een middelbare school, die bij KCS stage lopen, tonen van pornografisch materiaal, een van hen uitnodigen om naar de Wallen te gaan en betrokkene daartoe om diens telefoonnummer te vragen, is onacceptabel, meer in het bijzonder nadat betrokken werknemer van KCS er op gewezen is dat het om kwetsbare leerlingen gaat. Het meermalen, stelselmatig ontkennen dat de betreffende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, en het dus liegen daarover, maakt dat van KCS redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het hof acht daarbij van belang dat [geïntimeerde] zijn werkzaamheden ook in het beveiligde deel van Schiphol verricht en daarmee een vertrouwensfunctie heeft, hetgeen maakt dat aan zijn betrouwbaarheid extra hoge eisen gesteld mogen worden. Dat [geïntimeerde] afgezien van deze gebeurtenissen goed heeft gefunctioneerd en dat de gevolgen van het ontslag voor hem zeer ernstig zullen zijn maakt dat niet anders, omdat deze omstandigheden onverlet laten het vertrouwen dat KCS, gelet op zijn functie en werkplek, in hem moet kunnen stellen en welk vertrouwen [geïntimeerde] grovelijk heeft beschaamd. Het ontslag is ook onverwijld gegeven. Grief 3, gericht tegen het oordeel dat de vaststaande gedragingen niet van zo ernstige aard zijn dat die een dringende reden opleveren, slaagt.

2.5

KCS heeft, na een wijziging van eis, het hof verzocht de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk maar per toekomstige datum te beëindigen. Het hof zal daartoe overgaan, nu de gedragingen van [geïntimeerde] reeds op 3 juni 2016 een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW opleverden. De arbeidsovereenkomst tussen KCS en [geïntimeerde] zal worden beëindigd per 15 maart 2018 en de bestreden beschikking zal worden vernietigd waar het betreft de proceskostenveroordelingen (6.3 en 6.8). Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover KCS (onder 6.3 en 6.8) in de proceskosten is veroordeeld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van KCS begroot op € 800,- voor salaris voor de vordering in conventie en € 400,- voor salaris voor de vordering in reconventie;

en voorts:

beëindigt de arbeidsovereenkomst tussen KCS en [geïntimeerde] per 15 maart 2018;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van KCS begroot op € 730,- aan verschotten en € 2.682,-voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, D. Kingma en H.M.M. Steenberghe en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.