Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
200.196.151/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep gericht tegen een vonnis van de rechtbank waarbij is beslist over de heropening van het geding is niet-ontvankelijk. Vergelijk beschikking van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.196.151/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/590171 / HA ZA 15-628

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 februari 2018 (bij vervroeging)

inzake

[X] ,

in persoon en in zijn hoedanigheid van curator van [Y] , geboren [in] 1973,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.M. van der Zwan te ‘s-Gravenhage,

tegen

STICHTING ONS TWEEDE THUIS,

gevestigd te Aalsmeer,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.D. Roelink te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] en de Stichting genoemd.

[X] is bij dagvaarding van 21 juli 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 4 mei 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] als eiser en de Stichting als gedaagde.

Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 13 oktober 2016, heeft [X] tevens verzocht om te bevelen dat ten behoeve van de onderhavige procedure een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden. Dit verzoek is bij beschikking van het hof van 18 april 2017, zaaknummer 200.201.101/01, afgewezen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Daarop heeft [X] om pleidooi gevraagd, welk verzoek is toegewezen, onder verwerping van het daartegen door de Stichting gemaakte bezwaar.

Per e-mail van 15 januari 2018 heeft de griffier van het hof voornoemde advocaten van partijen bericht dat met het oog op het bepaalde in artikel 388 lid 2, eerste volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de beschikking van de HR van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, het pleidooi voorshands beperkt zou worden tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep en dat partijen in de gelegenheid zouden worden gesteld om hun visie hieromtrent te geven.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 januari 2018 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Mr. Van der Zwan heeft, gelet op de hiervoor vermelde beperking, zijn pleitnotities voorgedragen tot en met nummer 14. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] heeft bij memorie van grieven geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 4 mei 2016 zal herroepen en de bij dagvaarding van 6 juli 2015 ingediende vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van beide instanties.

Ter zitting in hoger beroep heeft [X] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2010 zal worden herroepen, dan wel dat de oorspronkelijke procedure zal worden heropend, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding in beide instanties.

De Stichting heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [X] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep heeft de Stichting geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [X] .

2 Feiten

2.1

Tussen [X] en de Stichting is op 27 januari 2010 door de rechtbank een vonnis uitgesproken, met zaaknummer 426757 / HA ZA 09-1430.

2.2

De verstandelijk gehandicapte zoon van [X] , [Y] (hierna: [Y] ), heeft gewoond in wooncentrum [wooncentrum 1] , een wooncentrum van de Stichting. Het geschil tussen partijen zag op de door de Stichting in 2008 aangekondigde overplaatsing van [Y] naar een appartement in een ander wooncentrum van de Stichting, wooncentrum [wooncentrum 2] .

2.3

In het vonnis van 27 januari 2010 zijn de vorderingen van [X] afgewezen. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

[X] heeft bij inleidende dagvaarding van 6 juli 2015 herroeping van het vonnis van de rechtbank van 27 januari 2010 gevorderd en toewijzing van de door [X] in die procedure tegen de Stichting ingestelde vorderingen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure, waaronder de daadwerkelijk door [X] gemaakte kosten van rechtsbijstand.

3.2

De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis van 4 mei 2016 [X] in persoon en in zijn hoedanigheid van curator van [Y] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en [X] in persoon veroordeeld in de proceskosten. Wat de rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt samengevat worden. [X] heeft als grond voor herroeping aangevoerd dat de brief van de Stichting waarin de overplaatsing van [Y] is aangekondigd, ten onrechte gedateerd is op 24 oktober 2008. [X] heeft echter op de comparitie van partijen verklaard dat hij reeds op 3 december 2008 op de hoogte was van de door hem gestelde grond voor herroeping. [X] had dus al in de oorspronkelijke procedure aan de orde kunnen stellen dat de brief in werkelijkheid van een latere datum was. Als wordt aangenomen dat [X] pas na het verschijnen van het onderzoeksrapport van de Inspectie voor de Gezondheidzorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van januari 2012 (hierna: het IGZ-rapport) waarin staat dat genoemde brief op 21 november 2008 is verzonden met die verzenddatum bekend is geworden, moet als vaststaand worden aangenomen dat [X] al op 16 maart 2012 van de werkelijke verzenddatum op de hoogte was omdat zijn toenmalige advocaat in een brief van die datum refereert aan het IGZ-rapport. Als gevolg daarvan had [X] het rechtsmiddel herroeping in ieder geval binnen drie maanden nadien moeten instellen. Dat [X] pas in 2015 van een advocaat zou hebben vernomen dat de datum waarop de brief is gedateerd belangrijk was, heeft niet tot gevolg dat de termijn van artikel 383 lid 1 Rv pas toen aanving, aldus de rechtbank. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [X] zijn stelling dat de Stichting heeft gelogen over de passendheid van de woning van [Y] niet voldoende heeft onderbouwd en bovendien niet heeft toegelicht waarom hij een en ander niet eerder, in het bijzonder in de oorspronkelijke procedure, aan de orde heeft kunnen stellen.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] met zijn grieven op. [X] voert kort samengevat in grieven 1 en 5 aan dat de rechtbank ten onrechte [X] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering. Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de discrepantie tussen de zorgindicatie van [Y] en de zorg die werd geleverd in wooncentrum [wooncentrum 2] . Grieven 3 en 4 zien op het oordeel van de rechtbank dat [X] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en niet heeft toegelicht waarom hij een en ander niet eerder aan de orde heeft gesteld dan wel heeft kunnen stellen. Grief 6 is gericht tegen de veroordeling van [X] in de proceskosten.

Ambtshalve

3.4

Het hof overweegt, met verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van

21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4896, dat ingevolge het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv de beslissing tot heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep en dat de uitsluiting van hoger beroep geldt zowel voor de beslissing waarbij het geding wordt heropend als voor de beslissing, zoals in het onderhavige geval, waarbij de vordering tot herroeping wordt afgewezen, met als noodzakelijk gevolg dat het geding niet wordt heropend.

3.5

[X] heeft bij pleidooi voor zover thans van belang aangevoerd dat hieraan voorbij gegaan is door het hof in zijn beschikking van 18 april 2017, waarbij het verzoek van [X] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van de onderhavige procedure op inhoudelijke gronden is afgewezen, en heeft met een beroep op het belang van de rechtszekerheid ervoor gepleit dat zijn hoger beroep daarom inhoudelijk wordt behandeld.

3.6

De omstandigheid dat het hof in zijn beschikking van 18 april 2017 niet heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv, zoals door de Hoge Raad uitgelegd in de eerdergenoemde beschikking, in de weg staat aan toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor - het hof heeft dat verzoek op andere gronden afgewezen -, ontslaat het hof niet van de verplichting in dit geding ambtshalve de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [X] te beoordelen en voor zover nodig terug te komen van het in de beschikking (mogelijk) besloten liggende andersluidende oordeel van het hof hieromtrent, waarbij voor zover nodig opmerking verdient dat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten. Het belang van de rechtszekerheid staat daaraan niet in de weg.

Slotsom en kosten

3.7

[X] zal daarom in persoon en in zijn hoedanigheid van curator van [Y] niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Aan behandeling van de door [X] aangevoerde grieven tegen het bestreden vonnis wordt dientengevolge niet toegekomen. [X] zal daarom in persoon worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [X] in persoon en in zijn hoedanigheid van curator van [Y] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt [X] in persoon in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Stichting begroot op € 718,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, R.J.F. Thiessen en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2018.