Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:624

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
13/698556-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Voorlopige hechtenis, verdachte niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in het huis van bewaring PI Ter Apel te Ter Apel,

tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2018 houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2018, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman, mr. B.C. Swier.

De beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, slechts eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek in hoger beroep komen.

In het geval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd, heeft de wetgever met artikel 406, tweede lid Sv – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel – ook in een beperkt aantal gevallen hoger beroep open willen stellen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis.

In de Nota naar aanleiding van het nader verslag bij de wet van 22 april 1998, Stb. 1998, 250 (waarbij het tweede lid van artikel 406 Sv is toegevoegd) komt nadrukkelijk de vraag aan de orde of invoering van artikel 406, tweede lid Sv mogelijk maakt dat degene wiens verzoek reeds voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is afgewezen, andermaal een beroepsmogelijkheid krijgt als die afwijzing plaats vindt nadat het onderzoek is geopend.

Uit het antwoord op deze vraag blijkt dat het juist niet de bedoeling is geweest met de regeling nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren (Kamerstukken II 1996/1997, 24 149, nr. 12, p. 9).

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de beperkingen in artikel 87, tweede lid Sv mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd.

Nu het hof reeds op 29 november 2017 heeft beslist op een namens de verdachte ingesteld hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 87, tweede lid Sv, niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven op 21 februari 2018 in de raadkamer van dit hof door

mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, voorzitter,

mrs. G.M. Boekhoudt en M. Senden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij als griffier.