Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:62

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
200.178.953/01 en 200.178.955/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:3841
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:5434
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap naar recht van de staat New York

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0034
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 januari 2018

Zaaknummers: 200.178.953/01, 200.178.955/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/574571 / FA RK 14-7774

in de zaken in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.E. Martinez Linnemann te Almere,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.C. Duvekot te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

In de zaken met zaaknummers 200.178.953/01 en 200.178.955/01

1.1.

Partijen worden hierna wederom respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Het hof heeft in deze zaak op 20 september 2016 en op 20 december 2016 tussenbeschikkingen gegeven. Voor het verloop van het geding tot de datum van die tussenbeschikkingen verwijst het hof naar die beschikkingen.

1.3.

Op 31 maart 2017 is bij het hof ingekomen een brief van het T.M.C. Asser Instituut te Den Haag (hierna: Asser Instituut) met zes bijlagen, waaronder het deskundigenbericht van het Asser Instituut, de reacties van partijen en het antwoord daarop van het Asser Instituut.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 19 oktober 2017, alwaar zijn verschenen partijen vergezeld van hun advocaten, alsmede mevrouw N. van der Geld, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de raad). De advocaten hebben ter zitting de standpunten van partijen toegelicht; mr. Duvekot aan de hand van overgelegde aantekeningen.

2 De verdere beoordeling

In de zaak met zaaknummer 200.178.955/01:

2.1.

Bij tussenbeschikking van 20 september 2016 is de behandeling van de verzoeken van de man aangehouden. Het gaat om de verzoeken van de man, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op basis van het actuele inkomen van partijen en de zorgverdeling, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- de zorg- en opvoedverdeling vast te leggen op basis van een ouderschapsplan op 50/50 basis.

2.2.

Partijen hebben ter zitting van 3 maart 2016 afgesproken dat zij in onderling overleg tot een oplossing van deze geschilpunten zullen trachten te komen. Ter zitting van 19 oktober 2017 hebben partijen meegedeeld onderling overeenstemming te hebben bereikt over de invulling van de zorg- en contactregeling, waarbij partijen zich gezamenlijk inspannen om deze regeling goed te laten verlopen. De man ziet de kinderen met regelmaat, in die zin dat de kinderen een maal per veertien dagen van zaterdag tot zondagavond bij de man verblijven. De vertegenwoordigster van de raad heeft na deze mededeling van partijen de zittingzaal verlaten. Het hof zal, gelet op de standpunten van partijen, geen nadere beslissing nemen op dit onderdeel.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van het verzoek van de man en de vrouw in hoger beroep op dit onderdeel.

2.3.

Ten aanzien van de bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarigen heeft de vrouw – onbetwist - verklaard dat de man geen enkele betaling heeft gedaan. Zij heeft voorts verklaard dat zij geen meningsverschillen wenst over de onderhoudsverplichting omdat zij zich wil inzetten om de verstandhouding tussen partijen goed te laten zijn, en dat zij de discussie over de onderhoudsverplichting wil laten rusten. Het hof begrijpt dat de vrouw zich refereert op dit punt.

In het licht van de standpunten van partijen zal het hof de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen. Gelet op de referte van de vrouw en haar verklaring ter zitting dat zij de kwestie wil laten rusten, zal het hof geen bijdrageverplichting van de man opnemen, te meer daar zijn advocaat ter zitting van het hof heeft verklaard dat de man een minimale draagkracht heeft van € 3,- per maand.

In de zaak met zaaknummer 200.178.953/01:

2.4.

De rechtbank heeft in het dictum van de bestreden beschikking kort gezegd een bevel aan partijen opgenomen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris.

De man is tegen dit onderdeel opgekomen en heeft verzocht de beschikking op dit onderdeel te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- te gelasten dat er een boedelbeschrijving komt met tussenkomst van een notaris, en daarna

naar het recht van de staat New York een ‘equitable distribution’ vast te stellen, zonder dwangvertegenwoordigers;

- te bepalen dat verdeling bij helfte het uitgangspunt is, en daarin eventueel niet in het nadeel, maar slechts ten voordele van de man af te wijken, gelet op de veertien factoren in de Domestic Relations Law, voor zover het hof dat redelijk acht;

- het pensioen van de vrouw te verdelen volgens de 50/50-regel uit de uitspraak van het New York Court of Appeals van 3 april 1984, Majauskas v. Majauskas en dat in de beschikking ook in het Engels te verwoorden, ten behoeve van executie in het buitenland. Het pensioen moet als lump-sum worden uitgekeerd aan de man en de vrouw moet gelast worden mee te werken aan uitkering door het pensioenfonds aan de man.

De vrouw is in incidenteel appel tegen de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel opgekomen. De vrouw stelt – kort gezegd - dat er geen resterende vermogensbestanddelen zijn die tussen partijen verdeeld zouden moeten worden.

2.5.

Het hof stelt voorop dat, zoals partijen ter zitting van 19 oktober 2017 ook uitdrukkelijk hebben verklaard, het geschil tussen partijen omtrent de verdeling van het huwelijksvermogen zich toespitst op de verdeling van de waarde van het pensioenrecht dat de vrouw heeft opgebouwd bij haar werkgever. Het bestaan van het pensioenrecht blijkt onder andere uit de (eerste) productie van de zijde van de vrouw, gevoegd bij de “akte commentaar op 4.8 uitspraak 20 september 2016” ingediend bij het hof op 11 oktober 2016, waarin melding wordt gemaakt van het “Hilton Worldwide 401(K) Plan”.

Gelet op het gegeven dat het geschil zich beperkt tot het betreffende pensioenrecht van de vrouw, valt zonder toelichting niet in te zien dat de man enig belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek tot het opstellen van een boedelbeschrijving. Dat onderdeel dient dan ook te worden afgewezen. Het hof zal in het onderstaande een beslissing nemen over de verdeling van voormeld pensioenrecht, zodat het verzochte onder het eerste gedachtestreepje (voor het overige) en het tweede gedachtestreepje eveneens bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

Daarnaast heeft te gelden dat Nederlands de voertaal is in deze procedure, hetgeen meebrengt dat de beschikking in de Nederlandse taal wordt opgesteld en het verzoek tot het opnemen van een verdeling in de Engelse taal dient te worden afgewezen. Het belang van de man valt ook niet goed in te zien aangezien partijen, indien nodig, in het kader van de tenuitvoerlegging van de uitspraak de benodigde vertalingen aan de bevoegde instantie kunnen verstrekken. Uit de stukken blijkt (productie 3 verweerschrift) dat ingevolge de toepasselijke wetgeving van de staat New York voor een zogenaamde “Qualified Domestic Relations Order” een datum is vereist (of data zijn vereist) op grond waarvan de pensioenbeheerder op verzoek van een rechthebbende kan overgaan tot splitsing van het pensioenrecht. Het hof gaat ervan uit dat in het onderstaande de data voldoende naar voren komen opdat de man de splitsing (dan wel het liquide maken) van zijn aandeel naar het toepasselijke recht van de staat New York kan bewerkstelligen.

2.6.

Vast staat dat de gerechtigdheid tot het pensioenrecht vanwege het huwelijk van partijen dient te worden beoordeeld naar het recht van de staat New York (Verenigde Staten van Amerika). Vanwege dit uitgangspunt heeft het hof bij tussenbeschikking van 20 december 2016 een aan het Asser Instituut verbonden persoon tot deskundige benoemd om antwoord te krijgen op de volgende vragen:

1. Wat is, naar het recht van de staat New York, in het kader van een equitable distribution van marital property, de peildatum voor de bepaling van de omvang van de marital property?

2. In hoeverre zijn waardestijgingen of waardedalingen van bestanddelen uit de marital property, optredend na genoemde peildatum, van belang voor genoemde equitable distribution?

3. a. in hoeverre behoort een ‘401(k)-plan’ naar het recht van de staat New York tot de marital property?

b. maakt het daarbij verschil of de gelden die in het fonds zijn gestort uitsluitend afkomstig zijn van één der echtgenoten of van beide?

c. maakt het daarbij verschil of de storting(en) in het fonds al dan niet tijdens het huwelijk zijn gedaan respectievelijk of gelden die een echtgenoot in het fonds heeft gestort al dan niet tijdens het huwelijk zijn verkregen, en zo ja, in hoeverre?

d. maakt het daarbij verschil of de gelden die in het fonds zijn gestort afkomstig zijn uit rechtstreekse werkgeversbijdragen, en zo ja, in hoeverre?

4. Welke omstandigheden spelen volgens het recht van de staat New York een rol bij het vaststellen door de rechter van een equitable distribution van de marital property?

5. In hoeverre moet volgens het recht van de staat New York een studieschuld van een der partijen worden betrokken bij de equitable distribution van de marital property? Maakt het daarbij verschil of die studieschuld voor of tijdens het huwelijk is aangegaan?

6. Heeft u overige opmerkingen die u relevant acht voor de beoordeling van het onderhavige geschil?

2.7.

Het hof maakt uit het deskundigenbericht op dat het huwelijksvermogensregime naar het recht van de staat New York wordt beheerst door de Domestic Relations Law (hierna: DRL) van New York. Voor wat betreft de omvang van het huwelijksvermogen (marital property) geldt een vergelijkbare peildatum als naar Nederlands recht en kan worden aangesloten bij de datum van indiening van het inleidend verzoek tot echtscheiding: 22 oktober 2014. Op deze peildatum bestond het pensioenrecht van de vrouw en in zoverre kan dat vermogensrecht behoren tot het huwelijksvermogen.

2.8.

Ten aanzien van de vraag naar de relevante peildatum voor de (verdeling van de) waarde van het huwelijksvermogen geeft de deskundige aan dat de rechter enige vrijheid heeft, waarbij een datum kan worden bepaald die ligt tussen de dag van indiening van het inleidende stuk en de dag van de behandeling. Nu in het deskundigenbericht melding wordt gemaakt van het uitgangspunt dat, wanneer het gaat om een passieve stijging van het “marital” deel van de pensioenrechten - genoemd wordt een toename vanwege beleggingen - een datum dicht gelegen bij de zitting de voorkeur heeft. Nu voorts in het bericht is aangegeven dat deze toename van het vermogen ook onderworpen is aan de “equitable distribution” (hierna, op basis van Van Dale: billijke verdeling) zal het hof deze “autonome” vermogenstoename vanaf de datum van indiening van het verzoek tot de datum van de laatste zitting bij het hof waarin de verdeling aan de orde kwam (19 oktober 2017) in het kader van de toets van de billijke verdeling meenemen.

2.9.

In het deskundigenbericht is voorts opgenomen dat geen twijfel mogelijk lijkt dat een 401(K) retirement plan, i.e. een pensioenregeling als de onderhavige, behoort tot het huwelijksvermogen, in ieder geval voor wat betreft de pensioenrechten opgebouwd gedurende de looptijd van het huwelijk. Daarbij maakt het geen verschil of het pensioenrecht is opgebouwd door bijdragen van de werkgever of de vrouw zelf, nu het naar het oordeel van de deskundige – dat het hof ook tot het zijne maakt – gaat om een zogenaamd “vested” (naar het hof begrijpt: gevestigd, in de zin van een onvoorwaardelijk toegekend) pensioenrecht.

Nu de man ervan uitgegaan is dat de pensioenrechten staande huwelijk zijn opgebouwd en de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep niet nader gespecificeerd heeft aangegeven dat zij in het jaar 2000 – dus in het jaar dat partijen in het huwelijk traden – is toegetreden tot het fonds, gaat het hof ervan uit dat het pensioenrecht in kwestie staande huwelijk is opgebouwd. Het voorgaande brengt mee dat de zogenaamde “marital component”, dit is het (breuk)deel van de opgebouwde waarde in het pensioen dat kan worden toegerekend aan de huwelijkse periode, als genoemd onder punt 6 van het deskundigenbericht, op 1 kan worden gesteld.

De tussenconclusie op grond van het voorgaande is dat het gehele tot 19 oktober 2017 opgebouwde pensioenvermogen tot het huwelijksvermogen behoort.

2.10.

Omtrent de billijke verdeling overweegt het hof dat de DRL (onder artikel 5d) voorschrijft dat bij de bepaling van een dergelijke verdeling een veertiental factoren in overweging dient te worden genomen. Onder andere zijn genoemd het inkomen en vermogen van partijen bij aanvang van het huwelijk en bij aanvang van de procedure, de duur van het huwelijk, de aanwezigheid van een onderhoudsbijdrage (“any award of maintenance”), het liquide of niet-liquide karakter van het huwelijksvermogen en de aannemelijke toekomstige financiële omstandigheden van iedere partij.

2.11.

Met betrekking tot de omstandigheden als genoemd (onder artikel 5d 1 t/m 14) in de DRL overweegt het hof dat het huwelijk tussen partijen ruim vijftien jaar heeft geduurd en dat de man thans 46 jaar oud is en de vrouw thans 43 jaar oud is. Gelet op de leeftijd van partijen hebben zij nog meer dan twintig jaren om voor zichzelf een pensioenopbouw te realiseren.

De vrouw heeft vanwege haar verblijf in de Verenigde Staten een zogenaamd AOW-gat waardoor zij meer dan gebruikelijk is gebaat bij een pensioenvoorziening; ten aanzien van de man is niet gebleken dat hij vooralsnog enige relevante pensioenvoorziening heeft opgebouwd, zodat ook de man belang heeft bij een pensioenvoorziening. In dit verband heeft de man nog gewezen op zijn belang om zijn aanspraak op een deel van het pensioen te gelde te kunnen maken, zodat hij in staat is in Nederland een woning aan te schaffen.

Het hof overweegt voorts dat het pensioenrecht waarvan verdeling wordt verzocht uitsluitend is opgebouwd door inbreng van de zijde van de vrouw. De vrouw is staande huwelijk overwegend kostwinner geweest en zij beschikt ook thans over een aanzienlijk hoger salaris dan de man. Het hof neemt hierbij voorts in overweging dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij staande huwelijk gedurende een aantal jaren een relatief laag salaris had vanwege zijn ambities een universitaire graad te verkrijgen, waarin hij om niet opgehelderde redenen niet is geslaagd. In deze zin gaat het hof uit van een vooral door de vrouw geleverde inspanning staande huwelijk tot het opbouwen van het pensioenrecht, waarbij het hof nog erop wijst dat de inbreng van de echtgenoten in de opvoeding en verzorging van de kinderen in de periode dat het gezin in de Verenigde Staten verbleef achteraf niet goed is vast te stellen. In dit verband heeft de vrouw nog aangevoerd dat de kinderen een deel van de tijd naar kinderopvang gingen. Hoe dit laatste ook zij; de man heeft in verhouding tot de vrouw in economische zin aanzienlijk minder bijgedragen aan opbouw van het vermogen staande huwelijk, zonder dat hij een afdoende verklaring heeft gegeven voor het aanzienlijk achterblijven – en deels zelfs geheel uitblijven - van zijn financiële inbreng.

Het hof overweegt voorts dat de man tot de datum van de laatste zitting feitelijk geen onderhoudsbijdrage aan de vrouw heeft betaald voor de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen en dat ook thans geen bijdrage ten laste van de man wordt vastgesteld. De omstandigheid dat de man geen financiële bijdrage levert aan de verzorging van de kinderen weegt temeer, nu de vrouw overwegend de dagelijkse zorg heeft voor de minderjarigen.

Wel houdt het hof rekening met het feit dat de man met het gezin naar Nederland is verhuisd, dat hij doende is hier een (werkend) leven op te bouwen, waarbij niet ondenkbaar is dat hij een (taal- en cultuur)achterstand heeft, en dat hij tijd nodig heeft om zijn bestaan hier op te bouwen. In zoverre komt de man ook een aandeel toe in het opgebouwde pensioenrecht.

Daar staan weer tegenover de feitelijke verdeling van de verzorgingstaken en de ruime gelegenheid die met name de man thans nog heeft om te voorzien in zijn eigen levensonderhoud en pensioenopbouw. Het hof weegt deze laatste omstandigheden eveneens mee in het nadeel van de man.

2.12.

Gelet op de voorgaande omstandigheden is het hof van oordeel dat een billijke verdeling van het pensioenrecht onder de geven omstandigheden de man ( [de man] , geboren [in] 1971, Social Security Number [1] ) aanspraak geeft op vijfentwintig procent (25%) van de per 19 oktober 2017 opgebouwde waarde in het Hilton Worldwide 401(k) Plan ten name van de vrouw ( [de vrouw] , geboren [in] 1974, Social Security Number [2] ). Het is niet aan het hof de wijze van uitkering vast te stellen; deze hangt af van de instructie die de man geeft aan het pensioenfonds en wordt bepaald door de mogelijkheden die het toepasselijke recht van de staat New York de man geeft. Het verweer van de vrouw dat mogelijk een procedure in de Verenigde Staten aanhangig is omtrent de verdeling van de waarde is niet voldoende onderbouwd en daaraan gaat het hof voorbij.

2.13.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven van de man in zoverre slagen, dat het hof niet toekomt aan vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen en dat het afgegeven bevel over te gaan tot verdeling niet in stand kan blijven. Het hof zal de verdeling van het huwelijksvermogen (marital property) dat thans nog bestaat uit het pensioenrecht, tussen partijen vaststellen. In zoverre dient de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2015 te worden vernietigd.

Nu partijen voormalig echtelieden zijn ziet het hof aanleiding de kosten van de procedure en de kosten van de deskundige tussen partijen te compenseren.

2.14.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

In de zaak met zaaknummer 200.178.955/01:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is bepaald dat de man € 250,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen [kind a] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika), en [kind b] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen [kind a] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika), en [kind b] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) af;

In de zaak met zaaknummer 200.178.953/01:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank partijen heeft bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris, met benoeming van onzijdige personen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de verdeling van het ten name van de vrouw opgebouwde pensioenrecht aldus vast dat de man [de man] , geboren [in] 1971 (Social Security Number [1] ) onder toepassing van het recht van de staat New York, in het bijzonder de Domestic Relations Law (art. 236B) aanspraak heeft op vijfentwintig procent (25%) van de per 19 oktober 2017 opgebouwde waarde in het Hilton Worldwide 401(k) Plan ten name van de vrouw [de vrouw] , geboren [in] 1974 (Social Security Number [2] ) en dat de vrouw gerechtigd is tot de overige pensioenwaarde in genoemd fonds;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van de kosten van het deskundigenbericht dient te dragen;

In de beide zaken:

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep in principaal en incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht;

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Driessen – Poortvliet, mr. A.R. Sturhoofd en
mr. H.A. van den Berg in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2018.