Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
200.224.904/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquête; coöperatie; gedeeltelijke toewijzing onderzoek; afwijzing verzoek onmiddellijke voorzieningen; art. 2:345, 349a lid 2, 350 lid 1, 3 en 4 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0046
JOR 2018/120
ARO 2018/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.224.904/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 28 februari 2018

inzake

1. de maatschap

[A] ,

gevestigd te [....] ,

2. 1 tot en met 33 (RECHTS)PERSONEN,

VERZOEKERS,

advocaten: mr. C.P.B. Kroep en mr. S. Erkel, beiden kantoorhoudende te Enschede,

t e g e n

de coöperatie

COÖPERATIEVE AANKOOPVERENIGING “DEN HAM” U.A.,

gevestigd te Den Ham,

VERWEERSTER,

advocaten: mr. A.N. Stoop en mr. C.I. Corsten, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1. de vennootschap onder firma

[B] ,

gevestigd te [....] ,

2. 1 tot en met 49 (RECHTS)PERSONEN,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. P.F. Schepel, kantoorhoudende te Deventer,

e n t e g e n

3 [C] ,

wonende te [....] ,

4. [D],

wonende te [....] ,

5. [E],

wonende te [....] ,

6. [F],

wonende te [....] ,

7. [G],

wonende te [....] ,

8. [H],

wonende te [....] ,

9. [I],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. P.J. van der Korst, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeksters als [A] c.s.;

  • -

    verweerster als CAV Den Ham of de coöperatie;

  • -

    belanghebbende sub 1 en 2 als [B] c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 3 tot en met 9 als raad van commissarissen.

1.2

[A] c.s. hebben bij op 9 oktober 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van CAV Den Ham over de periode vanaf 1 januari 2015. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding

  1. een tijdelijke onafhankelijk bestuurder bij CAV Den Ham te benoemen met een doorslaggevende stem binnen het bestuur;

  2. een of meer onafhankelijk(e) commissaris(sen) bij CAV Den Ham te benoemen met een doorslaggevende stem in de raad van commissarissen;

  3. zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht,

alsmede om CAV Den Ham te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3

CAV Den Ham, [B] c.s. en de raad van commissarissen hebben bij op 30 november 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen afzonderlijke verweerschriften met producties de Ondernemingskamer verzocht het verzoek af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van verzoekers in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad, en wat [B] c.s. betreft te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente.

1.4

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 21 december 2017. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en wat [A] c.s. en CAV Den Ham betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties, te weten producties 33 tot en met 42 van [A] c.s. en producties 64 tot en met 69 van CAV Den Ham. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De feiten

2.1

CAV Den Ham is in 1920 opgericht door de boerenbevolking van Den Ham om gezamenlijk diervoer (mengvoer) te produceren voor een zo laag mogelijke prijs ten behoeve van de leden. De coöperatie exploiteert sinds 1968 ook een winkel (ook voor particuliere klanten). In de loop der jaren zijn de fabriek en de winkel uitgebreid.

2.2

Ook het afzetgebied van CAV Den Ham is in de loop der jaren groter geworden en boeren van buiten Den Ham hebben zich bij de coöperatie aangesloten. Het huidige ledenbestand (177 leden) bestaat merendeels uit boeren van buiten Den Ham of directe omgeving.

2.3

Tot 2016 bestond het bestuur van CAV Den Ham uit zeven (boeren-)leden. [J] (hierna: [J] ) is in 2013 aangetreden als gevolmachtigd directeur. Na een wijziging van het bestuursmodel begin 2016 is [J] enig bestuurder van CAV Den Ham geworden en bestaat de raad van commissarissen uit zes (boeren-)leden van de coöperatie en één externe commissaris, [E] (hierna: [E] ). Voorzitter van de raad van commissarissen is [C] (hierna: [C] ).

2.4

Artikelen 6, 11 en 23 lid 4 van de statuten luiden (sinds 12 januari 2016), voor zover hier van belang:

BUITENGEWONE LEDEN

ARTIKEL 6

1. Oud-leden van wie het lidmaatschap is geëindigd door opzegging door het oud-lid zelf of door de Coöperatie in verband met het feit dat het oud-lid niet langer meer betrokken is bij het uitoefenen van zijn agrarisch bedrijf verkrijgen een zogenoemd buitengewoon lidmaatschap.

2. Buitengewone leden hebben geen stemrecht bij de algemene vergadering en geen verdere rechten dan het recht op de tijdstippen en de wijze die de directie zal bepalen informatie omtrent de Coöperatie en haar bedrijf/bedrijven te ontvangen. (…)”

EINDE LIDMAATSCHAP

(…)

ARTIKEL 11

1. De directie kan het lidmaatschap – zonder inachtneming van een opzegtermijn –opzeggen:

a. wanneer een lid gedurende het voorafgaande boekjaar voor een bedrag minder dan de minimale afname zoals bepaald in artikel 3.1 onder (d) heeft afgenomen van de Coöperatie.

b. wanneer een lid niet meer voldoet aan de vereisten voor het lidmaatschap gesteld en nalaat zijn lidmaatschap op te zeggen. (…)

Deze opzegging geschiedt door de directie en wel schriftelijk, onder vermelding van de reden en van de dagtekening.

(Artikel 3.1 onder (d) houdt in dat een lid een minimum hoeveelheid van de door de Coöperatie geproduceerde mengvoeders en/of daaraan gerelateerde handelsartikelen gedurende het laatst afgesloten boekjaar afneemt en dat die minimum hoeveelheid na goedkeuring van de raad van commissarissen op voorstel van de directie door de algemene vergadering wordt vastgesteld.)

STEMMING BIJ ELK ORGAAN

ARTIKEL 23

(…)

3. De oproeping kan vermelden dat stemmen voorafgaand aan (…) de vergadering via een elektronisch communicatiemiddel kunnen worden uitgebracht. De op die manier uitgebrachte stemmen worden gelijkgesteld met stemmen die tijdens de vergadering worden uitgebracht en zijn als zodanig geldig.

4. Stemming over personen geschiedt] met gesloten briefjes.

Blanco stemmen en niet behoorlijk ingevulde stembriefjes zijn van onwaarde en worden geacht niet te zijn uitgebracht.

2.5

Tijdens de ledenvergadering van 14 april 2016 zijn minimum afnamehoeveelheden vastgesteld conform het voorstel van het bestuur. Volgens deze regeling blijven bestaande leden met een beperkte veestapel lid mits zij al hun veevoer dan wel het overgrote deel daarvan afnemen van de coöperatie, ongeacht de daadwerkelijk afgenomen hoeveelheid. Voor “andere” leden geldt een minimum afnameverplichting van 25 ton voer of een minimum omzet van handelsartikelen van € 20.000. In deze vergadering is tevens de bezoldiging en kostenvergoeding voor de commissarissen van de coöperatie vastgesteld en is het ‘vergoedingenbudget’ voor de raad van commissarissen bepaald op € 71.000.

2.6

Artikelen 11, 15.1 en 16.2 van het Reglement voor de raad van commissarissen (hierna: het rvc-reglement), zoals vastgesteld op 12 juli 2016, luiden:

ARTIKEL 11 – TEGENSTRIJDIG BELANG

11.1

Een commissaris meldt een (potentieel) tegenstrijdig belang dat van materiële betekenis is voor de Coöperatie en/of voor de betreffende commissaris, terstond aan de voorzitter en verschaft daarover terstond alle relevante informatie (…). Aan de beoordeling van de RvC of er sprake is van een tegenstrijdig belang neemt de desbetreffende commissaris niet deel.

11.2

Een tegenstrijdig belang bestaat in ieder geval wanneer de Coöperatie voornemens is een transactie aan te gaan:

(a) waarin een commissaris persoonlijk een materieel financieel belang heeft (…).

11.3

Een commissaris neemt niet deel aan de discussie en de besluitvorming over een onderwerp of transactie waarbij hij/zij een tegenstrijdig belang met de Coöperatie heeft. Een dergelijk transactie zal uitsluitend mogen worden aangegaan onder ten minste in de branche gebruikelijke condities. De besluiten tot het aangaan van een dergelijke transactie behoeven de goedkeuring van de RvC.

(…)

ARTIKEL 15 – GEDRAGSCODE

15.1

De RvC ziet er op toe dat de Directie een klokkenluidersregeling vaststelt, die er toe dient dat werknemers zonder gevaar voor hun rechtspositie de mogelijkheid hebben te rapporteren over vermeende onregelmatigheden van algemene, operationele en financiële aard binnen de Coöperatie aan de voorzitter van de Directie of aan een door hem/haar aangewezen functionaris, dan wel indien het een bevinding betreft aangaande de Directie zelf, aan de voorzitter van de RvC.

(…)

ARTIKEL 16 – RELATIE ALGEMENE VERGADERING

(…)

16.2

De RvC is er verantwoordelijk voor dat de algemene vergadering wordt voorzien van alle benodigde informatie en alle informatie die de algemene ledenvergadering verder verlangt, tenzij zwaarwichtige belangen van de Coöperatie of een wettelijk voorschrift of een rechtsregel zich daartegen verzet. Indien de RvC een beroep doet op een dergelijke uitzondering dient zij dit aan de algemene ledenvergadering gemotiveerd toe te lichten.

2.7

Vanaf najaar 2016 heeft [J] een cursus Dienend Meesterschap gevolgd bij NICE, een opleidingsinstituut voor bestuurders en toezichthouders van coöperaties. [E] is directeur en aandeelhouder van NICE. [C] heeft desgevraagd ingestemd met het verzoek van [J] om zich in te schrijven voor de cursus. Het cursusgeld bedroeg € 12.200 (exclusief btw).

2.8

In de nieuwsbrief van oktober 2016 van CAV Den Ham staat vermeld:

De komende maanden gaan we ook kijken naar het ledenbestand. Leden die op dit moment niet voldoen aan de lidmaatschapseisen, gaan we benaderen om te kijken hoe deze situatie veranderd kan worden. Op deze wijze verwachten wij het ledenbestand actueel te kunnen maken en mogelijk ook nog een afzetverbetering te realiseren.

2.9

Op 29 november 2016 hebben zes werknemers (hierna: de zes werknemers) van CAV Den Ham ’s avonds in een gesprek met de raad van commissarissen misstanden gemeld die zich naar hun zeggen binnen de coöperatie voordeden. De zes werknemers hebben in dit gesprek verzocht om een onafhankelijk onderzoek, waarbij [J] niet betrokken is. De raad van commissarissen heeft een vervolggesprek gepland met de zes werknemers op 7 december 2016.

2.10

Twee leden van de raad van commissarissen hebben op 30 november 2016 en 1 december 2016 gesproken met [J] over de zaken die in het hierboven onder 2.9 genoemde gesprek aan de orde waren gekomen.

2.11

[J] heeft, nadat was gebleken dat de zes werknemers andere medewerkers van CAV Den Ham op de hoogte hadden gesteld van hun bezwaren, in overleg met de raad van commissarissen de zes werknemers op 2 december 2016 voorlopig vrijgesteld van werkzaamheden (met behoud van salaris). [J] heeft voorts op die dag gesprekken met andere medewerkers van CAV Den Ham gevoerd en een informatiebijeenkomst voor de leden en medewerkers van de coöperatie aangekondigd voor 5 december 2016.

2.12

De zes werknemers hebben op 2 december 2016 een brief gestuurd naar de raad van commissarissen om hun ongenoegen te uiten over gang van zaken na het gesprek op 29 november 2016 en hun teleurstelling kenbaar te maken over het handelen van de raad van commissarissen. Ook hebben zij diezelfde dag een brief gestuurd naar de leden van de coöperatie om hen te informeren over de door hen geconstateerde misstanden, die volgens hen grotendeels zijn terug te voeren op [J] . De zes werknemers hebben de leden opgeroepen aanwezig te zijn op de geplande informatiebijeenkomst. W. Kleinovink (lid, oud-bestuurslid en een van de verzoekers) heeft deze brief ondersteund. De brief is vervolgens terechtgekomen bij klanten, leveranciers, concurrenten en media.

2.13

Eveneens op 2 december 2016 hebben 28 andere werknemers hun handtekening gezet onder een verklaring waarin wordt gesteld dat de werksfeer binnen de coöperatie is verstoord en dat [J] zijn functie niet naar behoren uitvoert. Dertien ondertekenaars hebben later, in een verklaring van 9 mei 2017, hun handtekening onder de verklaring van 2 december 2016 gerelativeerd en toegelicht dat zij enkel bedoelden dat [J] tekort is geschoten in de communicatie en omgang met bepaalde personeelsleden.

2.14

Tijdens de informatiebijeenkomst op 5 december 2016, waar een groot deel van de leden en het personeel van de coöperatie aanwezig was, hebben twee van de zes werknemers een toelichting gegeven op de ontstane situatie. Voorts hebben [J] en de raad van commissarissen nadere informatie gegeven en vragen uit de zaal beantwoord. [E] heeft een nadere toelichting gegeven op de door [J] gevolgde cursus bij NICE.

2.15

De verkoopleiders van de buitendienst van de coöperatie hebben op 6 december 2016 overleg gehad naar aanleiding van de gebeurtenissen, waarna zij per brief aan de raad van commissarissen en de bestuurder hebben laten weten dat zij achter de huidige koers van het bestuur en het gevoerde beleid staan.

2.16

[J] heeft bij brief van 15 december 2016 aan de raad van commissarissen de in de brief van 2 december 2016 genoemde vermeende (financiële) misstanden inhoudelijk betwist.

2.17

Eén van de zes werknemers heeft eind december 2016 afstand genomen van de overige vijf en heeft vervolgens ook weer zijn werkzaamheden bij de coöperatie hervat.

2.18

In een brief van 3 januari 2017 aan [J] hebben de overige vijf werknemers bezwaar gemaakt tegen deelname van [K] (hierna: [K] ), oud-directeur van CAV Den Ham, aan een onderzoekscommissie, ingesteld door [J] , die tot taak kreeg onderzoek te verrichten naar “de impact van de acties van de zes werknemers, met name het rondsturen van de brief van 2 december 2016, op de (medewerkers van de) coöperatie en de positie van CAV Den Ham bij haar klanten”. Voorts hebben zij verzocht om te wachten met het hun door CAV Den Ham aangeboden mediationtraject totdat de onderzoekscommissie de resultaten van haar onderzoek bekend heeft gemaakt en verzocht om een persoonlijk gesprek met [J] om daarna zo snel mogelijk terug te keren op de werkvloer.

2.19

[K] en [L] (hierna: [L] ), extern adviseur HRM, hebben bedoeld onderzoek verricht. Zij hebben in dat kader gesproken met medewerkers, de voorzitter van de raad van commissarissen en een aantal leden van de coöperatie (onder wie twee van de verzoekers). Zij hebben niet gesproken met de zes werknemers. De conclusie in het onderzoeksrapport van 6 januari 2017 luidt:

De impact is groot, we zien verdeeldheid op alle fronten, zowel bij klanten als personeel. Indicatief zou je kunnen stellen dat de grote meerderheid van het personeel zich niet kan vinden in de manier waarop de 6 medewerkers hebben geacteerd. Het beleid van de directeur wordt door iedereen nagenoeg onderschreven. De actie naar leden betreurt nagenoeg iedereen zonder enige twijfel. De leden die wij gesproken hebben zijn op een enkele uitzondering na duidelijk, namelijk “dit hadden ze niet mogen doen, ze zijn de directie of de RvC niet!”. De kans dat er door deze situatie ook vervolgschade ontstaat vanwege mogelijk verlies van leden neemt toe met de tijd die het kost om e.e.a. op te lossen.

2.20

[M] (hierna: [M] ), accountant, heeft in opdracht van het bestuur van CAV Den Ham, getoetst of de door [J] gegeven reactie op de vermeende financiële misstanden uit de brief van 2 december 2016 feitelijke onjuistheden bevat. [M] heeft in zijn rapport van 12 januari 2017 geconcludeerd dat de reactie van [J] inhoudelijk juist is.

2.21

Rond 11 januari 2017 heeft CAV Den Ham het lidmaatschap van 115 leden opgezegd omdat zij, volgens het bestuur, niet voldeden aan het minimum afnamevereiste (zie hiervoor onder 2.5). Twaalf geroyeerde leden hebben bezwaar gemaakt tegen de opzegging en zijn na herbeoordeling door het bestuur weer toegelaten als lid van de coöperatie.

2.22

Mede naar aanleiding van voornoemde externe onderzoeken, heeft het bestuur op 1 februari 2017 een extra ledenvergadering georganiseerd. [J] heeft op de vergadering een overzicht van de gebeurtenissen gegeven, een toelichting gegeven op de situatie tussen de zes werknemers en de coöperatie en een presentatie gegeven over de vermeende financiële misstanden. [L] en [M] hebben op deze vergadering mondeling de uitkomst van hun onderzoeken toegelicht. Op de vraag van advocaat Koelemaij (aanwezig namens vijf leden, tevens verzoekers in deze procedure) of de claims die zijn besproken, betrekking hebben op huidige commissarissen, heeft [J] ontkennend geantwoord.

2.23

Op de jaarlijkse algemene ledenvergadering op 20 april 2017 is het onderwerp claims van commissarissen wederom besproken, waarbij werd gerefereerd aan facturen van commissarissen [G] en [C] van respectievelijk circa € 35.000 en € 5.000. [J] heeft hierop geantwoord dat dit geen schadeclaims betreft, maar tegemoetkomingen in verband met gehouden voerproeven. De algemene ledenvergadering heeft voorts de jaarrekening 2016 vastgesteld en decharge verleend aan bestuur en raad van commissarissen voor het voor het in het boekjaar 2016 gevoerde beleid. [C] en [G] zijn tijdens de vergadering herbenoemd als commissaris van de coöperatie. Een deel van de stemmen is vooraf per e-mail uitgebracht.

2.24

Van de vijf overgebleven werknemers van de groep van zes, hebben drie werknemers na mediation een vaststellingsovereenkomst met CAV Den Ham gesloten waarbij hun dienstverband is geëindigd. Met betrekking tot de twee overige werknemers heeft CAV Den Ham, nadat was gebleken dat via mediation geen oplossing werd gevonden, een ontbindingsverzoek ingediend bij de rechtbank Overijssel. Die rechtbank heeft bij beschikkingen van 6 juni 2017 de ontbindingsverzoeken van de coöperatie afgewezen wegens, kort samengevat, het ontbreken van een redelijke grond voor ontbinding. De coöperatie heeft tegen deze beschikkingen hoger beroep ingesteld.

2.25

Op 6 juli 2017 heeft de raad van commissarissen een brief (gedateerd 21 juni 2017) ontvangen van negen “verontruste leden” (van wie acht verzoeker zijn in deze procedure), ondersteund met handtekeningen van 43 leden, met onder meer het verzoek om tot een nette oplossing met de werknemers te komen. Voorts roepen de leden de raad van commissarissen op hun eigen positie alsmede die van [J] te heroverwegen nu deze posities “volstrekt onhoudbaar” zijn geworden.

2.26

[C] heeft bij brief van 11 juli 2017 alle leden geïnformeerd over en gereageerd op de door de raad van commissarissen ontvangen brief. Hierop hebben de negen leden hun brief van 6 juli 2017 naar alle leden gestuurd. Uitnodigingen van [C] aan de betreffende leden hebben in eerste instantie niet geleid tot een gesprek.

2.27

Op 21 juli 2017 hebben 101 leden een steunbetuiging gestuurd aan het bestuur en de raad van commissarissen van de coöperatie om “door te gaan op de ingeslagen weg met het beleid dat ze nu voeren”. [C] heeft alle leden over de ontvangst van deze brief geïnformeerd.

2.28

In een gesprek op 27 juli 2017 hebben zes van de in 2.25 genoemde leden met de raad van commissarissen een gesprek gevoerd over onder meer de toekomst van de coöperatie. Zowel uit het door de leden als uit het door de raad van commissarissen opgemaakte verslag blijkt dat het gesprek niet soepel is verlopen.

2.29

Op 1 augustus 2017 hebben bestuur en raad van commissarissen een bezwarenbrief van de negen leden ontvangen. Deze brief is door de negen leden op 11 september 2017 per e-mail aan alle leden gestuurd.

2.30

Tijdens de algemene ledenvergadering op 11 september 2017 heeft [J] een presentatie gehouden over de coöperatie en de belangrijkste bezwaren van de negen leden.

2.31

De bestuurder en de raad van commissarissen hebben bij brief van 18 september 2017 inhoudelijk gereageerd op de bezwarenbrief. De conclusie van de brief luidt:

Met deze brief is inhoudelijk en onderbouwd gereageerd op de inhoud van uw brief van 1 augustus jl. Voorts hebben wij aangegeven welke acties zijn ondernomen en zullen worden ondernomen ter verbetering van bepaalde punten.

Mocht u desondanks op een of meer punten menen dat uw bezwaren niet zijn weggenomen, dan verzoeken wij u vriendelijk doch dringend ons gemotiveerd te informeren welke bezwaren dat betreft zodat wij een gesprek daarover kunnen aangaan op een constructieve manier. Wij zouden in dat geval om te beginnen kunnen overleggen in welke vorm en samenstelling een dergelijk gesprek het beste zou kunnen verlopen.

Wij doen dit beroep op u vanuit het belang van de Coöperatie, die immers niet is gebaat bij een tweedeling tussen haar leden en een openbare ruzie. Juist als kleine regionale coöperatie is eenheid essentieel in het bereiken en uitvoeren van het overeengekomen en uitgezette beleid. Mocht u ons verzoek naast u neer leggen, en er voor kiezen de harde lijn te blijven hanteren, dan zal de Coöperatie de maatregelen moeten nemen die zij geraden acht ter bescherming van haar belangen en die van haar leden.

2.32

Een groep leden heeft op 14 november 2017 een open brief in een lokale krant geplaatst met de strekking dat een kleine groep leden ten onrechte onrust veroorzaakt binnen de coöperatie.

2.33

Accountantskantoor Baker Tilly Berk heeft in opdracht van het bestuur van de coöperatie een onderzoek uitgevoerd naar de in het verzoekschrift gestelde financiële bezwaren met betrekking tot CAV Den Ham. In het onderzoeksverslag van 29 november 2017 concludeert Baker Tilly Berk:

Op basis van bovenstaande informatie kan worden geconcludeerd dat de financiële situatie van CAV na een aanzienlijk mindere periode zich heeft gestabiliseerd en duidelijke signalen van verbetering laat zien. Daarnaast is er afstand genomen van meer risicovolle omzetstromen en activiteit van het financieren van eigen omzet middels werkkapitaalfinancieringen verminderd, wat de CAV een minder afhankelijk klantenbestand geeft. Dit heeft een positief effect op de continuïteit van de organisatie.

2.34

[J] heeft op 8 december 2017 aangekondigd dat hij per 1 februari 2018 stopt als bestuurder van CAV Den Ham omdat hij een baan in het buitenland heeft aanvaard. De raad van commissarissen heeft stappen gezet om te voorzien in zijn opvolging.

3 De gronden van de beslissing

De standpunten van partijen

3.1

[A] c.s. hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van CAV Den Ham en dat gelet op de toestand van de coöperatie onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting hebben [A] c.s. – samengevat – het volgende naar voren gebracht.

i. Het bestuur en de raad van commissarissen van CAV Den Ham handelen in strijd met de wet, statuten en het rvc-reglement. [A] c.s. wijzen in dit kader op:

- de door [J] gevolgde cursus bij NICE, het opleidingsinstituut waarvan [E] , commissaris bij CAV Den Ham, bestuurder en aandeelhouder is. [E] had zich op grond van het rvc-reglement niet mogen mengen in de discussie over dit onderwerp binnen de raad van commissarissen; uit niets blijkt dat is gehandeld conform artikel 11 van het rvc-reglement. Bovendien had in het jaarverslag een paragraaf over dit onderwerp moeten worden opgenomen. Voorts plaatsen [A] c.s. vraagtekens bij de noodzaak voor het volgen van deze cursus, die bedoeld is voor toezichthouders (en dus niet voor bestuurders) en wijzen ze erop dat een cursus tegen zulke hoge kosten in strijd is met de bestendige gedragslijn van CAV Den Ham;

- het tegenstrijdig belang wat betreft de vergoedingen aan de commissarissen [C] en [G] , die overigens ook niet in het jaarverslag zijn opgenomen. Deze ‘schadevergoedingen’ zijn door het bestuur en de raad van commissarissen eerst verzwegen en ontkend en de onderbouwing voor deze vergoedingen ontbreekt of klopt niet: er hebben geen voerproeven plaatsgevonden;

- het door de raad van commissarissen niet verstrekken van informatie aan de leden tijdens de algemene ledenvergadering, onder meer over de non-actiefstelling van de zes werknemers, de door [J] gevolgde cursus en de vergoedingen aan [C] en [G] ;

- het onterecht en zonder vooraankondiging uitschrijven van 115 leden van de coöperatie, die daardoor tijdens de extra ledenvergadering op 1 februari 2017 niet konden deelnemen aan de discussie en besluitvorming. Het bestuur heeft de uitgeschreven leden niet benaderd zoals was aangekondigd in de nieuwsbrief. De uitgeschreven leden hebben bovendien ten onrechte niet automatisch een buitengewoon lidmaatschap gekregen. Een groot aantal leden is ten onrechte uitgeschreven ten gevolge waarvan de commerciële belangen en de goede naam van CAV Den Ham zijn geschonden.

- de herverkiezing van [C] en [G] tijdens de algemene ledenvergadering op 20 april 2017 is niet reglementair verlopen. Er zijn stemmen uitgebracht per e-mail, hetgeen niet kan worden bestempeld als stemming met gesloten briefjes, zoals voorgeschreven in de statuten. Het geheime karakter is allerminst gewaarborgd en de spelregels zijn zo geschonden.

ii. Er ontbreekt een onafhankelijk beleid binnen de coöperatie, mede door het bestaan van de tegenstrijdig belangsituaties en het gebrek aan distantie tussen bestuur en raad van commissarissen van de coöperatie. Er is sprake van belangenverstrengeling, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat bestuur en raad van commissarissen dezelfde advocaat hebben gehad en zij gezamenlijk naar buiten zijn getreden betreffende de kwestie met de zes werknemers.

iii. [J] voert financieel wanbeleid bij de coöperatie. [J] heeft in 2014 onnodig hoge risico’s genomen bij het afsluiten van de overeenkomsten met Nature Porc en Veluvar B.V. Deze partijen konden hun verplichtingen niet nakomen en dit heeft geleid tot forse afboekingen. Er zijn voorts bezwaren over de financiële gang van zaken betreffende de voorziening voor niet-inbare debiteuren, de waardering van de winkelvoorraden op de balans en het resultaat uit gewone bedrijfsactiviteiten. Voorts zetten [A] c.s. vraagtekens bij de post financiële vaste activa op de balans en de leningen aan coöperatieleden die hieronder vallen.

iv. Bestuur en raad van commissarissen stellen het belang van CAV Den Ham achter.

v. De belangen van bezorgde personeelsleden worden veronachtzaamd. De zes werknemers die hun bezorgdheid hebben geuit bij de raad van commissarissen zijn niet beschermd, hetgeen overeenkomstig de klokkenluidersregeling wel had gemoeten. Integendeel: zij zijn daags na het gesprek met de raad van commissarissen op non-actief gesteld en, op één werknemer na, daarna ofwel vrijwillig vertrokken met een regeling ofwel betrokken in een arbeidsrechtelijke procedure.

Er is geen onafhankelijk onderzoek gedaan naar de gemelde misstanden. De door [M] , [L] / [K] en Baker Tilly Berk uitgevoerde onderzoeken deugen volgens [A] c.s. niet. Deze onderzoeken zijn verricht in opdracht van [J] terwijl het onderzoek juist is gericht op zijn handelen althans op misstanden die onder zijn leiding hebben plaatsgevonden. De onderzoeken zijn grotendeels gebaseerd op informatie die [J] zelf heeft aangeleverd. [K] en [L] hebben bovendien verzuimd de betreffende zes werknemers te horen en hebben de werknemers die ze wel hebben gehoord geen waarborg betreffende geheimhouding gegeven. In de brief van 18 september 2017 worden antwoorden gegeven die niet juist en/of onvolledig zijn.

3.2

CAV Den Ham heeft verweer gevoerd en – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er is slechts beperkt draagvlak onder de leden en personeelsleden van de coöperatie voor de standpunten van verzoekers. Het merendeel van de leden steunt het bestuur en de raad van commissarissen. Ook verschillende medewerkers hebben expliciet medegedeeld achter de bestuurder te staan. Verzoekers hebben de uitnodigingen van het bestuur en de raad van commissarissen om in gesprek te gaan, afgewezen. De gesprekken die wel zijn gevoerd, zijn niet constructief geweest. De uitnodiging in de brief van 18 september 2017 is genegeerd en dat is verzoekers aan te rekenen. Verzoekers lijken niet te kunnen accepteren dat bepaalde besluiten conform het democratische proces binnen de coöperatie worden genomen. Zij hebben tijdens de algemene ledenvergaderingen – bij uitstek het forum voor discussie – geen bezwaar gemaakt. Wat betreft de (categorieën van) bezwaren van verzoekers hebben zij het volgende aangevoerd:

i. Bestuur en raad van commissarissen hebben in overeenstemming met wet, statuten en rvc-reglement gehandeld:

- [J] heeft het voornemen om de cursus bij NICE te volgen voorgelegd aan [C] , die daarmee heeft ingestemd. Voor zover sprake is van een tegenstrijdig belang bij [E] , is voldaan aan de vereisten van het rvc-reglement: het potentieel tegenstrijdige belang is gemeld bij en deelname aan de cursus is goedgekeurd door de voorzitter van de raad van commissarissen, [E] heeft niet deelgenomen aan de discussie en besluitvorming over de cursus en de transactie is aangegaan onder de in de branche gebruikelijke condities;

- in 2015 zijn proeven uitgevoerd met nieuwe voeders waar zeven leden, onder wie [C] en [G] maar ook verzoeker [N] , aan hebben meegewerkt. De betaling aan [C] en [G] waar verzoekers aan refereren, betreft een tegemoetkoming voor de deelname aan het onderzoek en het beschikbaar stellen van de gegevens. Aan [C] is een extra bedrag toegekend omdat de proeven een desastreus effect hadden op de melkproductie en omdat er als gevolg van de proeven koeien zijn gestorven. [C] en [G] waren ten tijde van de voederproeven bestuurder van de coöperatie. De toenmalige raad van commissarissen was op de hoogte van de afspraken en de mogelijke tegemoetkomingen; het rvc-reglement was destijds nog niet van kracht. De vergoedingen zijn in 2016 door de huidige bestuurder, [J] , vastgesteld. Overigens is decharge verleend over het beleid en de gang van zaken in 2016, dat geldt ook voor deze vergoedingen;

- de leden van de coöperatie zijn voor en tijdens iedere algemene ledenvergadering van alle benodigde informatie voorzien, onder meer via de oproeping en de nieuwsbrieven. Onduidelijk is welke informatie de leden zou zijn onthouden. Er is niet om (specifieke) nadere informatie verzocht. Dat herhaalde vragen niet nogmaals zijn beantwoord dan wel niet iedereen persoonlijk (maar wel via de aanwezige advocaat) het woord heeft gekregen tijdens de algemene vergadering, levert geen strijd op met het rvc-reglement;

- de uitschrijving van de 115 leden is in de nieuwsbrief van oktober 2016 aangekondigd en deze was overeenkomstig wet en statuten. De lidmaatschappen zijn opgezegd omdat deze leden niet meer voldeden aan de minimale afzetvereiste. Dit is geen grond voor een bijzonder lidmaatschap op grond van artikel 6 lid 1 van de statuten. Uit het feit dat 12 leden weer zijn ingeschreven, kan niet worden afgeleid dat de uitschrijving van de leden niet terecht was. Met deze leden zijn nieuwe afspraken gemaakt om alsnog aan het afnamevereiste te voldoen;

- de herverkiezing van [C] en [G] is volgens de regels verlopen. De stemmen konden, zoals vermeld in de oproepingsbrief voor de algemene ledenvergadering, naar een mailadres van het secretariaat van de raad van commissarissen worden gestuurd, en die stemming kan – ook volgens de geraadpleegde notaris – worden gekwalificeerd als stemmen met gesloten briefjes. De statuten sluiten elektronisch stemmen over personen niet uit. Overigens, voor zover ze niet geldig zouden zijn, hebben deze (zeven) digitaal uitgebrachte stemmen geen invloed gehad op de uitslag van de stemming.

ii. De raad van commissarissen en het bestuur van de coöperatie zijn onafhankelijk van elkaar. Er is geen belangenverstrengeling. Zij hebben niet dezelfde advocaat en hebben ook niet in het voortraject een advocaat gedeeld. Dat bestuur en raad van commissarissen het eens zijn met betrekking tot de aantijgingen, betekent niet dat de raad van commissarissen niet onafhankelijk is.

iii. Het bestuur, de raad van commissarissen en [J] (in zijn toenmalige positie van gevolmachtigd directeur) hebben bij het aangaan van de overeenkomsten met Nature Porc en Veluvar B.V. in 2014 een zorgvuldige afweging gemaakt. Er zijn geen onverantwoorde risico’s genomen. Geen van de leden heeft bezwaar gemaakt tegen de jaarrekening 2016. Verzoekers verzuimen om in te gaan op de door CAV Den Ham gegeven antwoorden op de bezwaren in de brief van 18 september 2017. Alle cijfers, dus ook de voorziening, de waardering van de winkelvoorraad en het resultaat uit bedrijfsactiviteiten, zijn afgestemd met de accountant van De Jong & Laan Accountants, die ook een controleverklaring over 2016 heeft afgegeven.

iv. Verzoekers hebben niet gespecificeerd of verduidelijkt met welk handelen het belang van CAV Den Ham zou zijn achtergesteld. Voor zover wordt gedoeld op vermeende belangenverstrengeling of tegenstrijdige belangen, wordt naar bovenstaand verweer verwezen.

v. Uit extern onderzoek blijkt dat geen sprake is van angstcultuur onder het personeel zoals verzoekers stellen. Het merendeel van de werknemers staat achter het bestuur en de raad van commissarissen. De vraag in hoeverre de zes werknemers bescherming hadden moeten genieten op grond van het rvc-reglement en de NCR-code voor coöperatieve ondernemingen, is onderdeel van de arbeidsrechtelijke procedure die nog aanhangig is.

Voorts wijst het bestuur erop dat de algemene ledenvergadering op 20 april 2017 met het verlenen van decharge akkoord is gegaan met het door het bestuur en de raad van commissarissen gevoerde beleid over 2016. Verzoekers hebben meegestemd over de besluiten maar klagen nu over de gevolgen daarvan, zoals het uitschrijven van leden. Er dreigt een richtingenstrijd en er wordt met veel wantrouwen gekeken naar het beleid van het bestuur en de raad van commissarissen. Er heeft een professionaliseringslag plaatsgevonden die onvermijdelijk veranderingen met zich brengt, hetgeen op zich goed is voor de coöperatie maar wel aanpassingsvermogen van de leden vergt.

3.3

De raad van commissarissen heeft daaraan kort samengevat het volgende toegevoegd.

a. De raad van commissarissen heeft ten aanzien van de zes werknemers juist en zorgvuldig gehandeld. Hij heeft toezicht gehouden op het beleid van het bestuur, op de algemene gang van zaken in de coöperatie en de daarmee verbonden onderneming. Toen de zes werknemers zich bij de raad van commissarissen meldden, was er nog geen klokkenluidersregeling binnen CAV Den Ham vastgesteld. De raad van commissarissen heeft evenwel de melding van de zes werknemers terstond en zorgvuldig opgenomen, overeenkomstig de hoofdlijnen van de later vastgestelde klokkenluidersregeling. Dit bezwaar van verzoekers heeft betrekking op een arbeidsrechtelijke kwestie, die thans ter beoordeling ligt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

b. De raad van commissarissen houdt onafhankelijk toezicht op het bestuur van CAV Den Ham. Dit betekent evenwel niet dat de raad van commissarissen het oneens is met het beleid van de bestuurder. Dankzij coördinatie en afstemming kan de bestuurder de coöperatie besturen en extern vertegenwoordigen met instemming van de raad van commissarissen.

c. De vergoedingsregeling voor de raad van commissarissen is in de algemene ledenvergadering van 14 april 2016 vastgesteld. De bezoldiging en kostenvergoeding zijn in de jaarrekening 2016 opgenomen in de post ‘Bestuurs- en vergaderkosten’. De accountant heeft een goedkeurende verklaring inzake deze jaarrekening afgegeven en deze is bij acclamatie vastgesteld in de vergadering van 20 april 2017. Er zijn tijdens deze vergadering geen vragen gesteld over de jaarrekening.

3.4

[B] c.s., tezamen 50 leden van de coöperatie, staan achter de strategie van de coöperatie. [B] c.s. verwijzen naar een e-mail van de personeelsvertegenwoordiging van CAV Den Ham, die ondanks dat zij geen partij wil kiezen in het conflict, wel de aantijgingen betreffende de angstcultuur weerspreekt. [B] c.s. maken zich zorgen over de continuïteit van CAV Den Ham indien een onderzoek wordt gelast en mogelijk ook onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Dit brengt hoge kosten mee en bovendien zullen de zaken binnen de coöperatie hierdoor stagneren en bestaat het risico dat zakelijke relaties zich zullen afwenden. [B] c.s. zijn, mede door de brief van 18 september 2017 van bestuur en raad van commissarissen van CAV Den Ham, ervan overtuigd dat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken binnen de coöperatie te twijfelen.

Het oordeel van de Ondernemingskamer

3.5

De Ondernemingskamer stelt voorop dat een coöperatie een rechtspersoon is van een bijzondere aard. Het doel van een coöperatie is het voorzien in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden, in dit geval de aan- en verkoop van diervoer tegen een zo laag mogelijke prijs voor de leden. De coöperatie heeft aldus naast een lidmaatschapsverhouding ook een contractuele verhouding met de leden: de leden van de coöperatie zijn tevens de klanten van de door de coöperatie gedreven onderneming. Er kunnen ook andere rechtsverhoudingen met leden bestaan: leden kunnen in dienst zijn als werknemer of fungeren als bestuurder of commissaris van de coöperatie. Het bestuur van de coöperatie is, behoudens beperkingen in de statuten, belast met het besturen van de coöperatie. De raad van commissarissen houdt toezicht en staat het bestuur met raad ter zijde. De leden oefenen, achteraf, via de algemene ledenvergadering controle uit. Met het oog op dit laatste is het nodig dat de leden door het bestuur adequaat worden geïnformeerd.

3.6

De Ondernemingskamer zal – tegen deze achtergrond – eerst de door [A] c.s. aangevoerde gronden per onderwerp bespreken en tot slot nog terugkomen op de betekenis van het karakter van de coöperatie in het onderhavige geval.

De cursus bij NICE

3.7

De Ondernemingskamer acht het, gelet op het belang van het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling, niet verstandig dat [J] een cursus heeft gevolgd bij NICE, een organisatie waarvan een commissaris van CAV Den Ham indirect aandeelhouder en bestuurder is. Evenwel moet ervan worden uitgegaan dat de regels omtrent tegenstrijdig belang door de raad van commissarissen zijn gevolgd. Voldoende aannemelijk is geworden dat [E] , die als bestuurder en aandeelhouder van NICE belast was met een tegenstrijdig belang, niet heeft deelgenomen aan de discussie voorafgaand aan het besluit en dat [C] als voorzitter van de raad van commissarissen aan [J] toestemming heeft gegeven tot het volgen van de cursus en toen wist dat [E] gelieerd was aan NICE. Concrete aanwijzingen dat dit anders is gegaan dan CAV Den Ham heeft aangevoerd, zijn er niet. Dat [E] dat besluit nadien, tijdens de ledenvergadering van 5 december 2016, heeft verdedigd, maakt dit niet anders. In de gang van zaken met betrekking tot de cursus ziet de Ondernemingskamer dan ook geen gegronde reden om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen.

De aan [C] en [G] uitgekeerde vergoedingen

3.8

Vaststaat dat CAV Den Ham in 2016 aan [C] een vergoeding van € 5.000 en een vergoeding van € 597,75 heeft betaald en aan [G] een vergoeding van € 35.000. Deze vergoedingen houden volgens CAV Den Ham verband met deelname door [C] en [G] aan voerproeven van CAV Den Ham in 2015. In 2015 waren [C] en [G] bestuurders van CAV Den Ham. Ten tijde van de betaling van de vergoedingen in 2016, waren zij beiden lid van de raad van commissarissen. De Ondernemingskamer stelt voorop dat deze positie van [C] en [G] binnen CAV Den Ham vergt dat de coöperatie jegens haar leden openheid van zaken verschaft met betrekking tot deze vergoedingen, waaronder een adequate uitleg over de omvang daarvan.

3.9

Uit de hieronder weergegeven gang van zaken blijkt dat het aan die openheid van zaken heeft ontbroken, ook nadat vragen waren gerezen over deze vergoedingen. In de brief van de zes werknemers van 2 december 2016 wordt gesteld dat CAV Den Ham voor enkele tienduizenden euro’s niet onderbouwde schade heeft afgekocht. De notulen van de ledenvergadering van 1 februari 2017 houden in dat [J] op de vraag van advocaat Koelemaij of de claims betrekking hebben op huidige commissarissen heeft geantwoord dat dit geenszins het geval is. De notulen van de ledenvergadering van 20 april 2017 houden in dat [C] aanvankelijk heeft herhaald dat er geen claims zijn betaald aan de huidige commissarissen en dat een van de leden daarop stelde in het bezit te zijn van facturen waaruit blijkt dat aan [G] en [C] respectievelijk circa € 35.000 en circa € 5.000 is betaald. In reactie daarop heeft [J] gesteld dat dit geen schadeclaims zijn maar tegemoetkomingen in verband met deelname van [G] en [C] aan voerproeven in 2015 en dat de vergoedingen die zijn uitgekeerd aan de leden van de coöperatie die deelnamen aan de voerproeven verschillen, afhankelijk van de resultaten per deelnemer. In de bezwarenbrief van 1 augustus 2017 is aan de orde gesteld dat onafhankelijke rapportages die deze betalingen onderbouwen ontbreken en dat bij [G] geen voerproef heeft plaatsgevonden bij gebreke van voldoende wegingen. In reactie daarop (in de vergadering van 11 september 2017 is geen inhoudelijk nieuwe informatie verschaft) heeft CAV Den Ham in de brief van 18 september 2017 gesteld dat de betalingen aan [G] en [C] berusten op het voor alle deelnemers aan de voerproeven geldende uitgangspunt dat de deelnemers geen economisch nadeel mogen ondervinden als gevolg van de proeven en dat de vergoedingen een tegemoetkoming zijn voor de verminderde technische resultaten als gevolg van de proeven. In het verweerschrift heeft CAV Den Ham daaraan toegevoegd dat de proef bij [G] is begeleid door DLV Advies. Bij de mondelinge behandeling heeft CAV Den Ham gesteld dat de proeven bij [C] een desastreus effect hadden op de melkproductie van zijn koeien en enkele koeien als gevolg van de proeven zijn doodgegaan. Daarnaast is aan Timmerman een bedrag van € 597,75 (inclusief btw) betaald als correctie op de voerprijs, aldus CAV Den Ham.

3.10

Uit een in het geding gebrachte creditfactuur van 29 februari 2016 blijkt dat aan [C] een bedrag van € 597,75 (inclusief btw) betaald is als correctie op de voerprijs. Uit een door verzoekers in het geding gebrachte e-mail van 24 maart 2016 blijkt dat tussen CAV Den Ham en [C] overeenstemming is bereikt over betaling van een schadevergoeding van € 5.000 vanwege “het niet behalen van positieve resultaten mbt het inzetten van ons nieuwe assortiment”.

3.11

De Ondernemingskamer constateert dat de door CAV Den Ham verstrekte informatie ontoereikend is in het licht van de vereiste transparantie. Met betrekking tot de aan [C] uitgekeerde vergoeding van € 5.000 is de informatie niet eenduidig en niet controleerbaar. Met betrekking tot de aan [G] uitgekeerde vergoeding is geheel onduidelijk gebleven welk verband er bestaat tussen de omvang van de vergoeding van € 35.000 en enige bij [G] uitgevoerde voerproef; de omstandigheid dat [G] per jaar voor ongeveer € 1 miljoen voer afneemt van de coöperatie verklaart de aan hem betaalde vergoeding niet. Ook het overgelegde rapport van DLV Advies biedt daarover geen opheldering. Het overgelegde rapport van [M] betreft de in de brief van de werknemers van 2 december 2016 vermelde afgekochte schadevergoedingen en ziet, gelet op het antwoord van [J] dat deze claims geen betrekking hebben op de huidige commissarissen, kennelijk niet op de aan [C] en [G] betaalde vergoedingen. Ten slotte is niet duidelijk hoe de aan [C] en [G] betaalde vergoedingen zich verhouden tot de vergoedingen die zijn betaald aan andere leden van de coöperatie in verband met hun deelname aan voerproeven en waardoor verschillen in de hoogte van de vergoedingen wordt verklaard.

3.12

De Ondernemingskamer acht de gebrekkige informatie over de vergoedingen een gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen. Het belang van verzoekers om hierover alsnog openheid van zaken te verkrijgen is van voldoende gewicht om een enquête te rechtvaardigen, ook omdat niet is in te zien dat een zwaarwegend belang van de coöperatie zich daartegen verzet. De door de ledenvergadering verleende decharge over het door het bestuur en raad van commissarissen gevoerde beleid over 2016 staat hier niet aan in de weg.

De minimum afnameverplichting en de opzegging van lidmaatschappen

3.13

In april 2016 heeft de ledenvergadering van CAV Den Ham minimum afnamevereisten vastgesteld voor de leden. In de nieuwsbrief van oktober 2016 heeft het bestuur van CAV Den Ham aangekondigd het ledenbestand naar aanleiding van dat besluit kritisch te bekijken en te actualiseren. De daarop volgende opzegging van het lidmaatschap van een aantal leden in januari 2017 kan aldus niet als een verrassing zijn gekomen voor de desbetreffende leden, die van de minimumvereisten en het voornemen tot herziening van het ledenbestand geacht kunnen worden op de hoogte te zijn geweest. Het bestaan van een minimale afnameverplichting als voorwaarde voor voortzetting van het lidmaatschap strookt bovendien met het doel en de rechtsvorm van de coöperatie. Aan verzoekers kan worden toegegeven dat de eenzijdige opzegging in januari 2017 niet geheel strookt met het in oktober 2016 geuite voornemen om de desbetreffende leden te benaderen 0m te bezien of deze alsnog aan hun afnameverplichtingen kunnen voldoen, maar dat maakt die opzegging nog geen gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen. Niet gebleken is dat er oud-leden zijn aan wie het buitengewoon lidmaatschap ten onrechte is geweigerd.

Het uitbrengen van stemmen per e-mail

3.14

CAV Den Ham heeft voorafgaand aan de herverkiezing van [C] en [G] bij de oproepingsbrief te kennen gegeven dat stemmen per e-mail was toegestaan. Geen van de leden heeft daar toen of tijdens de vergadering bezwaar tegen gemaakt. Vaststaat dat van de mogelijkheid per e-mail te stemmen zo weinig gebruik is gemaakt, dat die stemmen, gelet op de totale aantallen voor- en tegenstemmen, geen doorslaggevend gewicht in de schaal hebben gelegd. Achteraf, naar aanleiding van de klacht hierover als verwoord in de bezwarenbrief, heeft het bestuur een notaris geraadpleegd over de kwestie. Volgens de notaris was de gang van zaken niet in strijd met de statuten. Wat daar verder ook van zij, de gang van zaken levert, mede gelet op het zeer beperkte aantal per e-mail uitgebrachte stemmen, naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen gegronde reden op voor twijfel aan een juiste gang van zaken.

De verhouding tussen het bestuur en de raad van commissarissen

3.15

CAV Den Ham heeft onbestreden aangevoerd dat sinds 2013 beide organen niet meer overwegend gezamenlijk vergaderen en dat de rolverdeling tussen bestuur en raad van commissarissen een van de motieven was voor de statutenwijziging in 2016. Dat bestuur en raad van commissarissen gezamenlijk hebben geacteerd inzake de klachten van de zes werknemers en later in reactie op klachten van verontruste leden, betekent niet dat de organen niet onafhankelijk van elkaar opereren. Dat bestuur en raad van commissarissen niet onafhankelijk zouden opereren, is door [A] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Financieel beleid en verantwoording daarover

3.16

De omstandigheid dat de overeenkomsten van CAV Den Ham met Nature Porc en Veluvar hebben geleid tot niet inbare vorderingen op deze partijen, is op zich zelf geen gegronde reden om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen. Mede gelet op de toelichting op de wijze waarop deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen, in het rapport van Baker Tilly Berk en door CAV Den Ham in haar verweerschrift, is er ook overigens onvoldoende grond om aan te nemen dat CVA Den Ham daarbij onverantwoorde risico’s heeft genomen.

3.17

De jaarrekening van CAV Den Ham wordt gecontroleerd door een externe accountant. Op 20 april 2017 heeft de ledenvergadering de jaarrekening over 2016 zonder nadere vragen goedgekeurd. Afgezien van de hierboven reeds besproken vergoedingen aan [C] en [G] , ziet de Ondernemingskamer in de wijze waarop CAV Den Ham over de overige onderdelen van het financiële beleid informatie heeft verschaft, geen gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen. In opdracht van CAV Den Ham heeft [M] de antwoorden van [J] op de in de brief van 2 december 2016 opgeworpen vragen getoetst en geoordeeld dat de antwoorden juist waren. In de algemene ledenvergadering van 11 september 2017 heeft het bestuur een inhoudelijke toelichting gegeven op het bedrijfseconomische beleid en de cijfers. Het bestuur heeft derhalve daarover openheid van zaken gegeven en antwoord gegeven op de desbetreffende vragen.

3.18

Ook in de brief van 18 september 2017 is het bestuur uitvoerig ingegaan op de door verzoekers geuite bezwaren. Voor zover er nadien nog vragen bestonden bij [A] c.s., had het op hun weg gelegen om in te gaan op de uitdrukkelijke uitnodiging van het bestuur in de brief van 18 september 2017 om mogelijk resterende vragen kenbaar te maken en daarover overleg te voeren. Mede daarom treft de kritiek van [A] c.s. op de door de coöperatie uitgevoerde onderzoeken overigens geen doel. Op de betekenis van de met de brief van 18 september 2017 geboden handreiking komt de Ondernemingskamer nog terug in rechtsoverweging 3.24.

Achterstelling van het belang van de coöperatie en van de leden?

3.19

De stelling dat het bestuur en de raad van commissarissen de belangen van CAV Den Ham achterstellen (de Ondernemingskamer begrijpt: bij hun eigen belangen), is door [A] c.s. niet nader onderbouwd. Voor zover wordt gedoeld op de door de commissarissen ontvangen vergoedingen of de cursus van [J] , wordt naar het voorgaande verwezen.

De gang van zaken in reactie op de melding door zes werknemers

3.20

De zes werknemers hebben zich gemeld bij de raad van commissarissen. [J] heeft daags na dit gesprek de werknemers, die volgens [J] onrust binnen de coöperatie veroorzaakten, op non-actief gesteld. Met drie werknemers is een vaststellingsovereenkomst gesloten en zij hebben de coöperatie verlaten. Met één werknemer is het dienstverband voortgezet en ten aanzien van de twee andere werknemers loopt nog een arbeidsrechtelijke procedure.

3.21

De arbeidsrechtelijke beoordeling van de wijze waarop CAV Den Ham jegens de werknemers heeft gehandeld is niet aan de Ondernemingskamer, maar aan de gewone burgerlijke rechter. De Ondernemingskamer acht wel aannemelijk dat het ten tijde van de melding ontbreken van een (volgens de CAO voorgeschreven) personeelsvertegenwoordiging en vooral van een door het bestuur opgestelde klokkenluidersregeling eraan heeft bijgedragen dat de aandacht van CAV Den Ham in reactie op de melding ten onrechte vooral uitging naar de door de melding veroorzaakte onrust binnen de organisatie (waarvan door bestuur en raad van commissarissen de melders een verwijt werd gemaakt) en niet, althans veel minder, naar de inhoud van de melding. De inleiding van de voorzitter van de raad van commissarissen op de informatiebijeenkomst van 5 december 2016 en de formulering van de onderzoeksopdracht aan [L] en [K] getuigen daarvan. Achteraf kan worden geconstateerd dat daardoor de verhouding met de betrokken werknemers snel is geëscaleerd en dat het met de klokkenluidersregeling beoogde doel – te weten dat werknemers kunnen rapporteren over vermeende onregelmatigheden zonder gevaar voor hun rechtspositie (zie artikel 15.1 van het rvc-reglement) – niet is behaald. Integendeel: de zes betrokken medewerkers zijn met instemming van de raad van commissarissen enkele dagen na hun melding op non-actief gesteld. Het standpunt van CAV Den Ham en raad van commissarissen dat de opstelling van de zes medewerkers aanleiding gaf voor de schorsing, miskent dat het in het bijzonder op de weg van (de voorzitter van) de raad van commissarissen lag (nu de melding betrekking had op gedragingen van [J] ) om regie te voeren gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van escalatie ten nadele van de zes medewerkers. Aan dat laatste lijkt het te hebben ontbroken.

3.22

Dat het bestuur en de raad van commissarissen terughoudend zijn (geweest) met betrekking tot het verschaffen van informatie over de positie van de zes werknemers aan de leden van de coöperatie acht de Ondernemingskamer, gelet op de privacy van deze werknemers, voorstelbaar. Het bestuur was ook niet gehouden om daar tussentijds informatie over te verstrekken, maar dient achteraf wel verantwoording af te leggen aan de algemene ledenvergadering over het gevoerde beleid, ook ten aanzien van het geschil met de werknemers.

3.23

De kritische kanttekeningen die in het bijzonder bij de rol van de raad van commissarissen kunnen worden geplaatst, rechtvaardigen naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter niet het gelasten van een enquête met betrekking tot dit onderwerp, mede in aanmerking genomen dat het arbeidsrechtelijke geschil met twee van de zes betrokken werknemers thans ter beoordeling is van de gewone civiele rechter en omdat [J] , op wiens gedrag de melding in hoofdzaak betrekking had, per 1 februari 2018 is teruggetreden als bestuurder van CAV Den Ham, zodat een enquête in zoverre niet zal bijdragen tot herstel van de verhoudingen.

Afsluitende overwegingen

3.24

Uit het bovenstaande volgt dat de Ondernemingskamer aanleiding ziet een onderzoek te gelasten met betrekking tot de door CAV Den Ham aan [C] en [G] in 2016 uitbetaalde vergoedingen en dat de overige bezwaren van verzoekers niet leiden tot het gelasten van een enquête. CAV Den Ham is ten aanzien van de bedoelde vergoedingen steeds onvoldoende transparant geweest. Met betrekking tot de overige bezwaren van verzoekers ligt dat naar het oordeel van de Ondernemingskamer anders. Het bestuur van CAV Den Ham heeft zowel in de vergadering van 11 september 2017 als in de brief van 18 september 2017 een inhoudelijke reactie gegeven op bezwaren van verzoekers. Tevens is in deze brief uitdrukkelijk verzocht om in gesprek te gaan indien er nog vragen zijn en om nader te specificeren waarnaar nog onderzoek dient te worden verricht. De verzoekers zijn niet op deze uitnodiging ingegaan, maar hebben een verzoekschrift tot het gelasten van een enquête ingediend. De redelijkheid en billijkheid die leden van een coöperatie jegens het bestuur, de raad van commissarissen èn de overige leden van de coöperatie in acht dienen te nemen, vergt evenwel in een dergelijke situatie dat eerst door middel van serieus inhoudelijk overleg wordt getracht tot een oplossing te komen. Hierbij speelt een rol dat juist in het verband van een coöperatie als de onderhavige, waar de ondernemingsactiviteit er voor de leden is, van de leden kan worden gevergd dat zo veel mogelijk naar de-escalatie wordt gestreefd. De inhoud van de brief van 18 september 2017 bood daartoe nadrukkelijk een handvat. Bij de door de verzoekers in acht te nemen redelijkheid en billijkheid is ten slotte van belang dat de meerderheid van de leden zich achter de bestuurder en de raad van commissarissen heeft geschaard.

3.25

Gelet op de beperkte reikwijdte van het te gelasten onderzoek en hetgeen de Ondernemingskamer voor het overige heeft overwogen, vergt het belang van de coöperatie of van het onderzoek niet dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen.

3.26

De slotsom is dat het verzoek slechts ten dele zal worden toegewezen, te weten voor zover het strekt tot het gelasten van een onderzoek naar de door CAV Den Ham aan [C] en [G] in 2016 betaalde vergoedingen en dat het verzoek voor het overige zal worden afgewezen. Dienovereenkomstig zal de Ondernemingskamer de kosten compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Coöperatieve Aankoopvereniging “Den Ham” U.A. met betrekking tot de in rechtsoverweging 3.8-3.12 genoemde vergoedingen;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 10.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Coöperatieve Aankoopvereniging “Den Ham” U.A. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

compenseert de kosten van het geding, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, prof. dr. mr. F. van der Wel RA en drs. J.S.T. Tiemstra RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, ondertekend door mr. S.C. Prins, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 28 februari 2018.