Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:575

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
200.207.555/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgleveringsovereenkomst voor zorg met tevens verblijf in woning zorgverlener. Betalings¬achterstand van zorgontvanger. Sprake van huurovereenkomst en/of zorgovereenkomst? Gemengde overeenkomst, waarbij i.i.g. sprake is van huurovereenkomst en daarnaast van zorgovereenkomst met inspannings- en geen resultaatsverbintenis. Geen bevoegdheid tot opschorting huurverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.207.555/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 4639806 \ CV EXPL 15-33251

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 februari 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

STICHTING HVO-QUERIDO,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. van der Hoeden te Laren.

Partijen worden hierna [appellant] en HVO-Querido genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 3 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 29 maart 2016, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen HVO-Querido als eiseres in de hoofdzaak en een (voorwaardelijke) provisionele vordering, gedaagde in het incident en [appellant] als gedaagde in de hoofdzaak en een (voorwaardelijke) provisionele vordering, eiser in het incident (verder: het vonnis van 29 maart 2016), alsmede van het vonnis van de kantonrechter van 5 juli 2016, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen HVO-Querido als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (verder: het vonnis van 5 juli 2016).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- incidentele conclusie tot schorsing zijdens HVO-Querido.

Bij rolbeslissing van 11 april 2017 is het geding op vordering van HVO-Querido op grond van de artikelen 27 en 28 Fw geschorst. Vervolgens is bij rolbeslissing van 25 april 2017 bepaald dat HVO-Querido met inachtneming van een termijn van veertien dagen de bewindvoerder kon oproepen tegen de zitting van 23 mei 2017. Bij deurwaardersexploot van 8 mei 2017 is dat laatste gebeurd, maar de bewindvoerder is op 23 mei 2017 niet in het geding verschenen.

Hierna heeft HVO-Querido een memorie van antwoord ingediend, met productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 1 februari 2018 doen bepleiten, [appellant] door mr. H.J. Oosterhagen, advocaat te Amsterdam, en HVO-Querido door haar voornoemde advocaat, beide aan de hand van pleitnotities die zij daarbij in het geding hebben gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van HVO-Querido zal afwijzen en de vordering van [appellant] zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

HVO-Querido heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van 5 juli 2016 zal bekrachtigen voor zover het betreft de daarbij uitgesproken ontbinding van de zorgleveringsovereenkomst alsmede de veroordeling van [appellant] om de krachtens die overeenkomst ter beschikking gestelde kamer te ontruimen, voorts zal vaststellen dat het geding in hoger beroep ten aanzien van de geldvorderingen van HVO-Querido op [appellant] krachtens artikel 29 Fw blijvend is geschorst en ten slotte HVO-Querido op grond van artikel 27 lid 2 Fw zal ontslaan van de instantie voor zover het de vordering in reconventie betreft.

[appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 5 juli 2016 onder 1.1 tot en met 1.23 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) HVO-Querido is een organisatie die zorgdraagt voor maatschappelijke opvang in Amsterdam.

(ii) [appellant] heeft op 24 januari 2014 met HVO-Querido een zorgleveringsovereenkomst gesloten “voor zorg met verblijf in een voorziening c.q. woning van HVO-QUERIDO (…)” (verder: de overeenkomst). [appellant] verbleef in woonvoorziening [X] .

(iii) [appellant] diende op grond van artikel 12.2 van de overeenkomst aan HVO-Querido bij vooruitbetaling een bedrag van laatstelijk € 391,= per maand aan “Eigen bijdrage c.q. (pension)vergoeding (…) voor de door HVO-Querido geleverde zorg en huisvesting” (verder: de vergoeding) te betalen.

(iv) De overeenkomst is aangegaan voor de duur van drie maanden en verlengd voor de duur van zes maanden, te weten tot 24 oktober 2014. Tussen partijen is daarna geen nieuwe schriftelijke overeenkomst gesloten.

( v) In de overeenkomst staat, voor zover van belang, vermeld:

overwegende dat:

- (…)

- HVO-QUERIDO uitsluitend ten behoeve van haar zorglevering aan cliënten op tijdelijke basis haar woningen in gebruik geeft, waarbij het zorgelement te allen tijde voorop staat en door de cliënt ondubbelzinnig wordt onderkend; (…)

Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen

(…)

4. Zorg:

Alle vormen van dienst- en hulpverlening die door HVO-QUERIDO aan de cliënt wordt verstrekt.

(…)

7. Zorgplan:

Het document waarin periodiek de afspraken worden vastgelegd over de wijze waarop en de mate waarin HVO-QUERIDO in samenspraak met de cliënt en, indien en voor zover beschikbaar, mede op basis van het zorgarrangement zorg verleent. Het zorgplan is onverbrekelijk verbonden aan deze overeenkomst.

(...)

9. Woonruimte:

De onroerende zaak die door HVO-QUERIDO als tijdelijke ruimte (woning, unit, kamer, voorziening) uitsluitend ten behoeve van door haar te verlenen zorg aan de cliënt in gebruik is gegeven of de woning die door de cliënt rechtstreeks op eigen naam wordt gehuurd van een woningcorporatie.

(…)

Artikel 4 Zorgplan en toestemming

4.1.

Zo spoedig mogelijk na aanvang van de levering van de zorg en hulp wordt in samenspraak met de cliënt een individueel zorgplan opgesteld. Het opstellen van dit plan wordt uitgevoerd binnen de geldende termijn die door de afdeling c.q. locatie is vastgelegd.(…)

(…)

Artikel 6 Het tijdelijk gebruik van de beschikbaar gestelde woonruimte en inventaris

(…)

6.2.

De cliënt zal de aan en in het kader van de aan hem door HVO-Querido verstrekte zorg beschikbaar gestelde woonruimte aan [adres] overeenkomstig de bestemming gebruiken en daarin geen schade toebrengen.

(…)

Artikel 19 Beëindiging overeenkomst

19.1.De overeenkomst wordt beëindigd:

(…)

f. in geval van ontbinding door de rechter;

(…)

h. bij opzegging ingevolge lid 19.2;

19.2

HVO-QUERIDO kan de overeenkomst in de hiernavolgende gevallen tegen elke dag van de kalendermaand opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, tenzij dringende, aan de zorgvrager onverwijld mee te delen redenen, onmiddellijke ingang opzegging rechtvaardigen:

(…)

f. indien één of meer voor de cliënt uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk wordt nagekomen;

g. om overige gewichtige redenen, waaronder, maar niet uitsluitend, zijn begrepen agressief gedrag of seksuele intimidatie door cliënt jegens de Zorgverlener, alsmede het plegen van een ernstig strafbaar feit door de cliënt;

19.3.

Indien wordt opgezegd op grond van lid 19.2, sub d t/m g zal HVO-QUERIDO slechts overgaan tot opzegging nadat hij de gronden waarop de voorgenomen opzegging stoelt met de cliënt besproken heeft en naar een zorgalternatief is gezocht.

(…)”

(vi) [appellant] heeft vanaf februari 2014 een achterstand in de betalingen van de vergoeding laten ontstaan.

(vii) Op 23 maart 2014 hebben partijen een actieplan ondertekend, waarin als langetermijndoel het schuldenvrij worden is geformuleerd; [appellant] is aangemeld bij Financiële dienstverlening en Budgetbeheer (verder: FIBU). Op 23 mei 2014 is wederom een actieplan ondertekend waarin is opgenomen dat [appellant] is gestopt bij FIBU en in budgetbeheer zal gaan bij Puur Zuid. Ook zou [appellant] worden aangemeld bij Centram.

(viii) Nagenoeg vanaf de aanvang van de overeenkomst heeft [appellant] een betalingsachterstand gehad, die vanaf medio 2014 steeds verder is toegenomen en ter zake waarvan HVO-Querido hem bij brieven van 5 september 2014 en 11 november 2014 heeft aangemaand.

(ix) In een brief van 21 januari 2015 heeft HVO-Querido, in de persoon van [A] , [appellant] het volgende geschreven:

“Vorige week hebben we met elkaar gesproken over de voortgang van de begeleiding binnen [X] . In eerdere gesprekken hebben wij aangegeven dat, willen wij u kunnen aanmelden voor een vervolgtraject, in uw geval de UMO, het van belang is dat u zich aanmeld bij een schuldhulpbureau en dat u de achterstallig pensionkosten gaat betalen of dat u met ons een regeling treft. Wat betreft de aanmelding schuldhulpbureau gaf u aan dat dit niet meer nodig is; de openstaande bedragen zijn of afgeschreven of u heeft een regeling getroffen.

Wat betreft de achterstand van betaling; ondanks eerdere verzoeken, hebben wij tot nu toe geen structurele betaling de pensionkosten van u ontvangen. (…) Uit onze administratie is gebleken dat u nog steeds een pensionachterstand heeft van: € 3356,46. (…)

Zoals we tijdens ons gesprek hebben aangegeven is het onze intentie om u uw traject succesvol af te ronden. (…) We kunnen uw traject echter niet vervolgen als u weigert de pensionkosten te betalen.

U heeft in het gesprek aangegeven dat u tegoeden heeft en dat u vindt dat HVO Querido deze voor u moet terughalen. Dit is echter niet onze taak. We kunnen u doorverwijzen naar juridisch medewerkers, maar kunnen niet deze complexe zaken uitvoeren. Dit is voor ons dan ook geen reden om geen pensionkosten te betalen.

Wij verwachten dat u er voor zult zorgen dat u uw huur zult betalen en een aflossing zult treffen voor het verschuldigde bedrag. Wanneer u dit niet voor 1 februari 2015 zult doen zal het traject [X] worden beëindigd.”

(x) Op 13 februari 2015 heeft HVO-Querido [appellant] onder verwijzing naar de aanmaningen geschreven:

“(…) Bij uw begeleider heeft u aangegeven dat u niet van plan bent om de huur te betalen, omdat u niet tevreden bent over de zorg die u ontvangt. Op dit moment bedraagt uw achterstand € 3724.

Uw verblijf bij [X] zal daarom worden beëindigd.

Wij verwachten van u dat voor 12 maart 2015 uw kamer heeft ontruimd en dat u uw sleutel heeft ingeleverd bij de begeleiding. Wij kunnen voor u een kamer voor 10 dagen in het passantenverblijf reserveren, als u dit wenst. Wanneer u niet meewerkt zal er een uitzettingsprocedure worden gestart en zullen eventuele kosten hiervoor op u worden verhaald.

Team [X] ”

(xi) Op 16 april 2015 heeft HVO-Querido een ‘Integraal trajectplan Instroomhuis’ ten behoeve van [appellant] opgesteld, waarin als eerste hulpvraag staat vermeld:

“Financiën zijn een groot breekpunt in de begeleiding van dhr. Dhr meent dat er hem onrecht wordt aangedaan en weigert te betalen voor schulden waar hij het niet mee eens is.”

Daarnaast zijn als hulpvragen het toewerken naar zelfstandig wonen en de agressieregulatie geformuleerd.

(xii) Op 7 mei 2015 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [appellant] , [B] (directeur zorg) en [C] (vertrouwenspersoon). In het gespreksverslag staat vermeld dat de onvrede die [appellant] ervaart over de door HVO-Querido geleverde zorg is besproken. Een medewerker Maatschappelijk Werk en Dienstverlener (verder: MWD-er) zal [appellant] gaan helpen met zijn financiële situatie, zodat er zal worden toegewerkt naar een complete UMO aanvraag. Wel zal [appellant] de vergoeding moeten gaan betalen, bij hoge uitzondering mag [appellant] maximaal drie maanden contant betalen. De MWD-er zal samen met [appellant] zorgdragen voor betaling per bank. De situatie zal na twee maanden worden geëvalueerd.

(xiii) In het verslag van het vervolggesprek dat op 16 juli 2015 heeft plaatsgevonden, waarbij [appellant] werd bijgestaan door [D] , staat vermeld:

“Allereerst geeft Dhr. [appellant] aan dat hij ervaart dat er weinig tot niets is gebeurd. Zijn verwachtingen waren dat er inzicht in schulden zou zijn bereikt, geen verdere stijging van schulden zou zijn, en had gehoopt op meer informatie van Advocaat en [E] (SJD’er). Meneer [appellant] geeft aan dat hij nog steeds geen handelingsplan heeft (…). Dhr [B] heeft een andere visie, en is van mening dat er wel degelijk werk is verricht; HVO Querido heeft alleen geen invloed op derden zoals De Belastingdienst, Zilverenkruis Achmea, Incassobureaus et cetera. Dhr. [B] baseert zijn visie op het mailverkeer en telefonisch contact dat hij heeft gehad met [F] (MWD’er) en [E] (SJD’er). De afspraken die op 07-05-2015 gemaakt zijn worden herhaald door meneer [B] (…)

Geconcludeerd wordt dat er tot op heden geen huur zoals overeengekomen betaald is door Dhr. [appellant] . Slechts één cash betaling van € 300 is binnengekomen. Meneer [B] verzoekt Dhr. [appellant] een volmacht te tekenen zodat de huur maandelijks wordt betaald. (…) Huur betalen is noodzakelijk; indien huur niet wordt betaald zal uitzetting plaatsvinden, en kan de kwestie niet verder worden afgehandeld. (…)

Om meneer [appellant] goed te begeleiden in dit hele proces is het van belang dat er wordt samengewerkt. Onheuse bejegening als schelden, dreigen of schreeuwen is uit den boze. Ook is het van belang dat meneer [appellant] zich laat begeleiden in deze kwestie. Meneer [D] biedt aan om aanwezig te zijn bij de gesprekken tussen [F] (MWD’er) en Dhr. [appellant] . Meneer [appellant] stemt hiermee in.”

(xiv) Op 21 juli 2015 heeft het gesprek met de MWD’er [G] plaatsgehad, waarbij de financiële situatie van [appellant] is besproken en zijn betalingsverplichting jegens HVO-Querido. [appellant] laat weten de machtiging voor automatische incasso na zijn vakantie te zullen ondertekenen. HVO-Querido is hiermee niet akkoord gegaan, waarop [appellant] dreigementen richting [G] heeft geuit.

(xv) Bij brief van 29 juli 2015 heeft HVO-Querido [appellant] nog een termijn van twee dagen gegeven om de betalingsmachtiging af te geven, bij gebreke waarvan het verblijf van [appellant] in [X] zal worden beëindigd.

(xvi) In een e-mail van 2 augustus 2015 aan HVO-Querido heeft [appellant] zich erover beklaagd dat hij het handelingsplan nog niet heeft ontvangen en heeft hij toegezegd op 6 augustus 2015 de betalingsmachtiging te zullen ondertekenen.

(xvii) Tijdens het gesprek op 6 augustus 2015 heeft [appellant] te kennen gegeven de vergoeding met ingang van 1 september 2015 te willen betalen, waarmee HVO-Querido niet heeft ingestemd, waarop [appellant] zich verbaal agressief heeft gedragen.

(xviii) HVO-Querido heeft haar vordering op [appellant] ter incasso uit handen gegeven aan een deurwaarderskantoor, dat hem bij brief van 12 augustus 2015 in de gelegenheid heeft gesteld zijn kamer vrijwillig te ontruimen en hem tot betaling van € 5.622,52 aan achterstallige vergoeding heeft gesommeerd.

(xix) In reactie hierop heeft [appellant] op 20 augustus 2015 laten weten nog steeds geen handelingsplan te hebben ontvangen en zegt hij schuldhulpbureau Puur Zuid te hebben ingeschakeld.

(xx) HVO-Querido heeft bij dagvaarding van 1 september 2015 in kort geding gevorderd [appellant] te veroordelen tot ontruiming en betaling van de achterstand.

(xxi) Bij vonnis van 16 oktober 2015 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen.

(xxii) Op 15 juni 2016 is [appellant] overgeplaatst naar een andere locatie, omdat hij zich agressief naar een medewerker heeft gedragen.

(xxiii) Naar aanleiding van het vonnis van 5 juli 2016 heeft [appellant] op 17 juli 2016 zijn kamer ontruimd.

3.2.

HVO-Querido heeft in eerste aanleg in de hoofdzaak in conventie gevorderd, kort gezegd, primair voor recht te verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen duur dan wel door rechtsgeldige opzegging door HVO-Querido en subsidiair de overeenkomst te ontbinden, alsmede [appellant] te veroordelen tot ontruiming van zijn kamer en tot betaling van een bedrag van € 6.569,94 aan achterstallige vergoeding tot en met november 2015 (met wettelijke rente), van een bedrag van € 391,= per maand dat [appellant] de kamer na 30 november 2015 nog in gebruik houdt en van een bedrag van € 793,92 aan buitengerechtelijke kosten, met beslissing over de proceskosten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [appellant] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen door vanaf oktober 2014 geen vergoeding meer te betalen voor door HVO-Querido geboden zorg en onderdak – de achterstand tot en met juni 2016 bedraagt € 9.306,94 – alsmede door zich niet coöperatief op te stellen en niet mee te werken aan een oplossing van zijn schuldenproblematiek en zich meer dan eens agressief te gedragen jegens medewerkers van HVO-Querido. Voorts geldt dat de overeenkomst geen resultaatsverbintenis, maar een (wederzijdse) inspanningsverbintenis, is en dat zij zich, kort gezegd, voldoende heeft ingespannen ten behoeve van [appellant] . Voor zover de overeenkomst niet reeds door opzegging is geëindigd, is het voorgaande voldoende grond voor ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de kamer die aan [appellant] ter beschikking is gesteld, aldus (nog steeds) HVO-Querido. [appellant] heeft allereerst bij wege van incident gevorderd dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, vervolgens tegen de vordering in de hoofdzaak in conventie verweer gevoerd en in reconventie, kort gezegd, nakoming gevorderd van het bepaalde in artikel 4 van de overeenkomst inhoudende dat HVO-Querido wordt bevolen om binnen veertien dagen na het vonnis een zorgplan als omschreven in de overeenkomst op te stellen, met beslissing over de proceskosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat HVO-Querido zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn financiële administratie en schuldenproblematiek op orde te krijgen en toe te werken naar zelfstandig wonen alsmede hem te begeleiden met het omgaan van woede en het verwerken van trauma’s uit het verleden. HVO-Querido heeft bij antwoordakte in het door [appellant] opgeworpen incident tot onbevoegdverklaring door de kantonrechter zelf nog een provisionele vordering ex artikel 223 Rv ingesteld.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 29 maart 2016, kort gezegd, overwogen dat zij het door [appellant] opgeworpen incident opvat als een verzoek tot verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank, maar dat naar haar oordeel de onderhavige zaak terecht aan haar is voorgelegd omdat in elk geval sprake is van een huurovereenkomst, nu aan [appellant] woonruimte (een kamer) ter beschikking is gesteld waarvoor deze een geldbedrag betaalt als tegenprestatie, zodat voldaan is aan de essentialia van een huurovereenkomst – in welk geval een geschil moet worden voorgelegd aan de kantonrechter –, terwijl de omstandigheid dat daarnaast sprake is van een zorgovereenkomst slechts ertoe leidt dat de overeenkomst als een gemengde overeenkomst moet worden gekwalificeerd. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vordering in het incident tot onbevoegdverklaring afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Vervolgens heeft de kantonrechter in het vonnis van 5 juli 2016 allereerst in het incident omtrent de provisionele vordering van HVO-Querido beslist dat, nu zij op die dag uitspraak zou doen in de hoofdzaak, HBO-Querido geen belang meer heeft bij haar provisionele vordering en deze zal worden afgewezen, en voorts in de hoofdzaak, kort gezegd, in conventie als volgt overwogen. De primair gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen, omdat, voor zover in de brieven van 13 februari 2015 en 12 maart 2015 al een opzegging valt te lezen, deze opzegging door HVO-Querido ongedaan is gemaakt, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat aan de vereisten van het bepaalde in artikel 19.3 van de overeenkomst is voldaan. Wat betreft de subsidiaire vordering tot ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van [appellant] geldt dat [appellant] niet betwist dat hij gehouden is de maandelijkse vergoeding te voldoen en dat hij zijn verweer dat er geen betalingsachterstand meer bestaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Een en ander betekent dat [appellant] een betalingsachterstand heeft tot en met juni 2016 van € 9.306,94. Met betrekking tot de vraag of [appellant] zijn verplichting tot betaling terecht heeft opgeschort geldt dat hij niet het recht had de gehele maandelijkse vergoeding op te schorten, omdat dit bedrag op zorg én huisvesting ziet en [appellant] zich alleen beroept op een tekortkoming in de levering van de zorg, welk beroep hij echter onvoldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het hier om een inspannings- en niet om een resultaatsverplichting gaat. Evenmin is komen vast te staan dat HVO-Querido geen zorg/handelingsplan heeft opgesteld. De conclusie is dat [appellant] geen rechtsgrond had om zijn betalingsverplichtingen niet na te komen, wat betekent dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting. De gevorderde achterstand van € 6.569,94 tot en met november 2015 is dan ook toewijsbaar. Gelet op de hoogte van de betalingsachterstand moet worden geoordeeld dat sprake is van een zodanig ernstig tekortschieten van [appellant] in de betaling van de vergoeding, dat toewijzing van de gevorderde ontbinding van de overeenkomst en de ontruiming van de aan hem toegewezen kamer gerechtvaardigd is. Dat [appellant] een zwaarwegend belang heeft bij behoud van de kamer staat buiten kijf. Dit legt echter, gezien de duur van de achterstand, de betalingsonwil afgezet tegen alle hulp die [appellant] is geboden en zijn toenemende, agressieve gedrag jegens medewerkers, onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat de wanprestatie de ontbinding niet rechtvaardigt. De door HVO-Querido gevorderde en niet betwiste buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. De kantonrechter heeft in reconventie overwogen dat de vordering wordt afgewezen, nu reeds in conventie is geoordeeld dat HVO-Querido niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen in de verleende zorg. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter allereerst in het incident de provisionele vordering afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. In de hoofdzaak heeft de kantonrechter in conventie de overeenkomst ontbonden, [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de kamer alsmede tot betaling van € 6.569,94 ter zake van achterstallige vergoeding berekend tot en met november 2015 (met wettelijke rente), tot betaling van € 391,= per maand vanaf 1 december 2015 tot en met het einde van de maand van ontruiming van de kamer en tot betaling van € 793,92 aan buitengerechtelijke kosten, en voorts [appellant] veroordeeld in de proceskosten, en in reconventie de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De eerste grief is gericht tegen het vonnis van 29 maart 2016, in het bijzonder tegen de verwerping van het beroep van [appellant] op de onbevoegdheid van de kantonrechter. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter zich ten onrechte bevoegd verklaard althans de zaak ten onrechte niet verwezen naar de handelskamer van de rechtbank Amsterdam, en is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk op basis waarvan de kantonrechter meent dat er “in ieder geval sprake” is van een huurovereenkomst. Volgens [appellant] is er geen huurovereenkomst, wel een zorgverleningsovereenkomst, en overheerst in die overeenkomst het zorgelement, wat de kantonrechter ten onrechte niet heeft getoetst. Volgens [appellant] had verwijzing moeten plaatsvinden, omdat zonder verwijzing eigenlijk in één instantie (door een bevoegde rechter) wordt beslist, nu immers de kantonrechter onbevoegd was en dus enkel in hoger beroep een bevoegde beslissing wordt gegeven waartegen niet het rechtsmiddel van hoger beroep kan worden aangewend, wat in strijd is met artikel 6 EVRM. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5.

De beslissing van de kantonrechter om zelf de zaak te behandelen en niet te verwijzen naar de handelskamer van de rechtbank betreft een beslissing op de voet van artikel 71 Rv, waartegen ingevolge het vijfde lid van die bepaling geen voorziening openstaat. Dit betekent dat [appellant] , voor zover het onderhavige hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om zijn vordering op dit punt – tot onbevoegdverklaring door de kantonrechter van zichzelf althans verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank – af te wijzen, in beginsel daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [appellant] heeft met zijn beroep op artikel 6 EVRM echter, zo begrijpt het hof, een beroep gedaan op een zogenoemde doorbrekingsgrond, waarbij – zo begrijpt het hof eveneens – door hem met name wordt betoogd dat de kantonrechter het artikel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast, omdat door die toepassing geen eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak in twee instanties meer zou kunnen plaatsvinden. Daarom is hij met zijn vordering op dit punt in hoger beroep wel ontvankelijk. Het hof verwerpt echter zijn betoog, reeds omdat de enkele grond dat de handelskamer van de rechtbank en niet de kantonrechter de onderhavige zaak had moeten behandelen – de juistheid van welke stelling het hof overigens uitdrukkelijk in het midden laat – onvoldoende is voor de conclusie dat in het onderhavige geval een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak in twee instanties niet aan de orde was of kon zijn. Dit betekent dat grief 1 faalt.

3.6.

De overige (acht) grieven zijn gericht tegen het vonnis van 5 juli 2016. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 14 maart 2017 de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: WSNP) op [appellant] van toepassing heeft verklaard. Daarmee zijn krachtens artikel 313 Fw onder meer de artikelen 27 tot en met 29 Fw van toepassing geworden. Daarvan uitgaande geldt het volgende.

3.7.

Ten aanzien van de (subsidiaire) vorderingen van HVO-Querido in de hoofdzaak in conventie tot ontbinding van de overeenkomst en tot ontruiming van de kamer van [appellant] – waarop artikel 28 Fw van toepassing is – geldt dat HVO-Querido te dezer zake kan voort procederen tegen [appellant] .

3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] gerekend over de gehele periode dat hij in een kamer van HVO-Querido heeft gewoond (januari 2014 tot juli 2016), in totaal een bedrag van € 11.095,04 had moeten betalen. Wel verschillen zij van standpunt waar het gaat om het totaalbedrag dat door [appellant] in deze periode ter zake aan HVO-Querido is betaald. Volgens HVO-Querido heeft [appellant] slechts een bedrag van € 1.788,10 voldaan, zodat hij nog altijd een bedrag van € 9.306,94 verschuldigd is. Volgens [appellant] heeft hij daarnaast nog een aantal contante betalingen verricht en aldus in totaal ten minste € 2.541,60 betaald. [appellant] heeft op dit punt echter, hoewel dit op zijn weg had gelegen – het betreft hier immers een bevrijdend verweer –, niet althans onvoldoende aan zijn stelplicht voldaan door niet te preciseren wanneer hij welke betaling aan wie heeft voldaan en dat met bewijzen van betaling te adstrueren. Het hof passeert dan ook het door [appellant] in dit verband (zie de toelichting op zijn tweede grief) gedane bewijsaanbod, waaraan het hof toevoegt dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om een omkering van de bewijslast (zie pleitnota in hoger beroep onder 8) te (kunnen) rechtvaardigen. Daaraan voegt het hof ten overvloede toe dat zelfs indien (slechts bij wijze van veronderstelling) ervan wordt uitgegaan dat [appellant] het genoemde bedrag van € 2.541,60 wel heeft betaald, nog altijd een restant hoofdsom resteert die zodanig omvangrijk is dat deze de ontbinding van de overeenkomst en de ontruiming in beginsel zonder meer rechtvaardigt.

3.9.

Met betrekking tot het verweer van [appellant] dat hij bevoegd was en is tot opschorting van zijn verplichtingen tot betaling als hiervoor (onder 3.8) bedoeld omdat, kort gezegd, HVO-Querido hem niet voldoende heeft begeleid in het oplossen van zijn schuldenproblematiek en voorts is tekortgeschoten omdat zij geen zorg/handelingsplan heeft opgesteld, overweegt het hof allereerst dat het de daarop betrekking hebbende overwegingen (17 en 18) van de kantonrechter in het vonnis van 5 juli 2016 volledig onderschrijft en tot de zijne maakt. Vervolgens overweegt het hof dat [appellant] in het licht daarvan – hoewel de kantonrechter hem daarop al had gewezen en dit dus van hem had mogen worden verwacht – zijn stellingen (ook) in hoger beroep onvoldoende concreet heeft toegelicht en onderbouwd. Terecht heeft de kantonrechter in dit verband ook expliciet in aanmerking genomen dat het (in alle gevallen) om een zeer forse betalingsachterstand van [appellant] gaat, dat de in de overeenkomst vervatte verplichting tot zorgverlening door HVO-Querido een inspannings- en geen resultaatsverbintenis betreft, dat aan [appellant] serieuze hulp is aangeboden en dat diens toenemende agressieve gedrag tegenover medewerkers een groot probleem vormt voor voortzetting van de overeenkomst, waar het hof nog aan toevoegt dat [appellant] een relatief slechts zeer geringe maandelijkse vergoeding verschuldigd was.

3.10.

Uit al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, trekt het hof dan ook de conclusie dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst en tot ontruiming van de kamer van [appellant] dient te worden toegewezen en dat grief 2 tot en met grief 5 falen.

3.11.

Wat betreft de vorderingen van HVO-Querido in de hoofdzaak in conventie tot veroordeling van [appellant] tot betaling van wat hij krachtens de overeenkomst is verschuldigd en van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten (inclusief nakosten) – waarop artikel 29 Fw van toepassing is – geldt dat de bewindvoerder de vordering van HVO-Querido heeft opgenomen in de lijst van (voorlopig erkende) concurrente crediteuren en niet in het geding is verschenen, zodat het geding op dit punt krachtens artikel 29 Fw geschorst dient te blijven.

3.12.

Ten aanzien van de vordering van [appellant] in de hoofdzaak in reconventie tot nakoming van het bepaalde in artikel 4 van de overeenkomst inhoudende dat HVO-Querido wordt bevolen om binnen veertien dagen na het vonnis een zorgplan als omschreven in de overeenkomst op te stellen – waarop artikel 27 Fw van toepassing is – geldt dat de bewindvoerder weliswaar ingevolge het eerste lid van die bepaling is opgeroepen, maar dat deze niet in het geding is verschenen en dat HVO-Querido op dit punt ontslag van de instantie heeft gevraagd, wat aan HVO-Querido op de voet van artikel 27 lid 2 Fw dan ook zal worden verleend.

3.13.

Hoewel dit vonnis aan het slot van de memorie van antwoord niet expliciet wordt genoemd, begrijpt het hof deze memorie, gelet op de inhoud van het daarin (met name onder 18 tot en met 21) betoogde, aldus dat HVO-Querido mede concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van 29 maart 2016.

3.14.

De slotsom luidt dat het appel faalt. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd, met dien verstande dat het vonnis van 5 juli 2016 slechts wordt bekrachtigd voor zover het betreft de vorderingen van HVO-Querido tot, kort gezegd, ontbinding van de overeenkomst en ontruiming. Voor zover het, kort gezegd, om de geldelijke vorderingen van HVO-Querido op [appellant] gaat, zal worden verstaan dat het geding blijft geschorst. Wat betreft de vordering in reconventie zal aan HVO-Querido ontslag van instantie worden verleend. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep. Dit betekent dat grief VI tot en met grief VIII buiten bespreking blijven en dat grief IX faalt voor zover het om het dictum van het vonnis van 5 juli 2016 onder III en IV gaat en voor het overige buiten bespreking blijft.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, met dien verstande dat het vonnis van 5 juli 2016 slechts wordt bekrachtigd voor zover het betreft de vorderingen van HVO-Querido in de hoofdzaak in conventie tot ontbinding van de overeenkomst en tot ontruiming van de kamer, dat wil zeggen het dictum van dat vonnis onder III en IV;

verstaat dat voor zover het om het vonnis van 5 juli 2016 gaat, in het bijzonder om de vorderingen van HVO-Querido in de hoofdzaak in conventie tot veroordeling van [appellant] tot betaling van wat hij krachtens de overeenkomst is verschuldigd alsmede van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten (inclusief nakosten), dat wil zeggen om het dictum van dat vonnis onder V, VI en VII, het geding is geschorst;

verleent aan HVO-Querido ontslag van de instantie voor zover het om de vordering in reconventie uit het vonnis van 5 juli 2016 gaat, dat wil zeggen om het dictum van dat vonnis onder X en XI;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van HVO-Querido gevallen, op € 718,= voor verschotten en op € 2.682,= voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C.W. Rang en D.J. van der Kwaak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 februari 2018.