Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:567

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
200.186.201/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2015:10965. Arbeidsovereenkomst. Werkneemster vordert schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW. In casu geen reden voor toepassing van de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’. Zijn de lichamelijke klachten gevolg van werkomstandigheden? Deskundigenbericht is nodig. Nadere instructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1236
PS-Updates.nl 2018-0912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.201/01

zaak- en rolnummer rechtbank (Noord-Holland) : 3938754 \ CV EXPL 15-1866

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 februari 2018

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

advocaat: mr. M.H.M. Verbeemen te Utrecht,

t e g e n

HEMERA TEXTILES B.V.,

gevestigd te Hem, gemeente Drechterland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Hemera genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 12 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, hierna ‘de kantonrechter’, van 25 november 2015, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen haar als eiseres en Hemera als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 februari 2017 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid heeft [appellante] nog producties in het geding gebracht en zijn door of namens partijen enige vragen van het hof beantwoord.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar oorspronkelijke vorderingen alsnog zal toewijzen, en Hemera zal veroordelen tot terugbetaling van de aan haar betaalde proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling, alles met veroordeling van Hemera in de proceskosten in beide instanties.

Hemera heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “De feiten” - onder 2.1 tot en met 2.19 - een aantal feiten vastgesteld. Over de juistheid van deze feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat bij de beoordeling van het hoger beroep ook enkele andere, hierna te noemen, feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep relevant, om het volgende.

( i) Hemera exploiteert een kledingsorteerbedrijf alsmede een groothandel in gedragen kleding en aanverwante artikelen. Hemera verzorgt diverse voorbereidende handelingen, waarna de kleding via (web)winkels wordt verkocht.

(ii) [appellante] was in dienst van (de rechtsvoorganger van) Hemera in de periode van 1 maart 2006 tot 30 november 2007 en van 5 maart 2008 tot en met 3 september 2010 op basis van tijdelijke contracten in de functie van naaister. Van 5 december 2007 tot 5 maart 2008 was [appellante] in dienst van Faded Glory B.V., een aan Hemera gelieerde onderneming.

(iii) [appellante] was aanvankelijk de enige naaister bij Hemera. In 2007 werd de afdeling uitgebreid met twee collega’s. Het aantal naaisters is in de loop der jaren verder gegroeid naar acht. De naaiwerkzaamheden werden uitgevoerd op een lockmachine, op een naaimachine voor stof en op een naaimachine voor leer.

(iv) Op 31 augustus 2009 heeft [appellante] haar huisarts bezocht in verband met klachten aan haar linkerschouder. De huisarts constateerde een verhoogde spierspanning in nek en schouder. Vervolgens heeft [appellante] vanwege deze klachten in 2009 nog tweemaal de huisarts bezocht.

( v) Vanaf 3 maart 2010 is de omvang van de arbeidsovereenkomst op verzoek van [appellante] aangepast van 40 uur naar 32 uur per week.

(vi) [appellante] heeft zich, na een incident op haar werk, op 20 april 2010 ziek gemeld. Op 22 april 2010 heeft [appellante] de bedrijfsarts bezocht.

(vii) Het verslag van de bedrijfsarts van 17 mei 2010 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Er is sprake van arbeidsgebonden problemen met medische klachten. Ik acht uw medewerker op dit moment volledig arbeidsongeschikt voor het eigen werk en voor ander vervangend werk. Betrokkene heeft klachten die te maken hebben met het persoonlijk- en sociaal functioneren, het gebruik van de linkerschouder- en arm, hoofdbewegingen maken, het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk. (…)”

(viii) Op 22 juli 2010 heeft [appellante] een bezoek gebracht aan [orthopedisch chirurg] (hierna: [orthopedisch chirurg]), orthopedisch chirurg, in verband met klachten in de linkerschouder. [orthopedisch chirurg] heeft bij [appellante] een peesruptuur in de linkerschouder vastgesteld en haar voor impingementklachten doorverwezen naar de fysiotherapeut. In het verslag van Fysiotherapeutisch Instituut Alkmaar van 20 september 2010 staat vermeld dat het werk achter de naaimachine de klachten provoceert en onderhoudt.

(ix) De arbeidsovereenkomst is per 3 september 2010 van rechtswege geëindigd. Het ingezette re-integratietraject heeft hierdoor geen vervolg gekregen.

( x) Op 21 maart 2011 heeft [arbeidsdeskundige] (hierna: [arbeidsdeskundige]), arbeidsdeskundige, een Arbeidsdeskundige Onderzoeksverslag opgemaakt. Dit verslag luidt als volgt, voor zover van belang:

“(…) Ik heb het dossier bestudeerd.

Op 9 maart 2011 heb ik cliënt ([appellante], toevoeging hof) gesproken op kantoor.

Op 16 maart 2011 heb ik de voormalige werkgever (Hemera, toevoeging hof) bezocht en de werkplek bekeken. (…)

Eigen waarneming: de kleding wordt beneden gesorteerd en in grote plastic zakken gedaan. Deze worden onder aan de trap opgesteld en naar boven getransporteerd. De zakken zijn zwaar, ik schat in meer dan 20 kg.

Boven staan de zakken vervolgens in de gang opgesteld. In de werkruimte is een aparte kniptafel, in het midden staan de tafels met naaimachines opgesteld in een vierkant. Er zijn verschillende soorten machines zoals stikmachines, lockmachines. De stoelen zijn in hoogte instelbaar. Vervolgens is er een strijktafel en een tafel voor de laatste controle en afwerking. (…)

Over het naar boven sjouwen van de zakken verschillend cliënt en werkgever van mening. Ik acht dit (los van de medische beperkingen) niet echt geschikt voor cliënt, die klein en tenger van bouw is. In zijn algemeenheid kan van de werknemers niet verwacht worden dat zakken van meer dan 20 kg de trap op gedragen worden. (…) Dit geldt niet voor het slepen van de zakken vanuit de gang naar de werkplek. Ik kan niet stellen dat dit zo zwaar is dat dit niet van de werknemers gevergd kan worden, ook kan ik niet aantonen dat deze of vergelijkbare belasting bij andere werkgevers niet voorkomt. Daarom sluit ik het duwen/trekken van de kledingzakken niet uit van de maatstaf.

Hoofdtaak: naaiwerk aan de naaimachine.

Neventaken: materiaal aanvoeren, knippen, vouwen.

Kenmerkende belasting in de functie:

Overwegend zittend werk (…) Kortdurend lopen en staan (…)”

(xi) Bij brief van 25 juli 2011 heeft Bureau Beroepsziekten FNV, namens [appellante], Hemera aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van een door [appellante] ontwikkelde beroepsziekte als gevolg van haar werkzaamheden voor Hemera.

(xii) In opdracht van Allianz Global Risks Nederland (hierna: de verzekeraar van Hemera) heeft Andriessen Expertise een toedrachtonderzoek verricht. Het rapport van 7 november 2011 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

f. Werkzaamheden en blootstelling volgens verzekerde

De werkzaamheden van de ateliermedewerkster bestaan uit naaien en knippen. Ongeveer 80 tot 90% van de werktijd wordt besteed aan naaien, de resterende 10 tot 20 % aan knippen. Het naaien gebeurde zittend achter de naaimachine, terwijl het knippen in beginsel staand werd uitgevoerd achter de zogenaamde kniptafel. De kniptafel bevindt zich op stahoogte.

Door verzekerde werden vaste werktijden en vaste pauzes gehanteerd. Bij een volledige werkdag werd er gewerkt tussen 07.00 uur en 09.30 uur, tussen 09.45 uur en 12.00 uur, tussen 12.30 uur en 14.45 uur en tussen 15.00 uur en 16.00 uur. (…)

Desgevraagd gaven mijn gesprekspartners aan dat er zeker geen sprake was van een hoge werkdruk. (…)

Volgens verzekerde maakt het bij het naaien wel uit welke materialen er worden gebruikt. Zo is naaien met leer niet zo eenvoudig. Er wordt dan ook voor gezorgd dat de medewerkers niet continu hetzelfde materiaal gebruiken, maar steeds wisselend materiaal. De medewerkers gebruiken ook verschillende typen machines en verschillende modellen. Het naaien gebeurt vanuit een zittende positie. Op zich moet daarbij steeds dezelfde werkwijze worden uitgevoerd, waarbij de handen bij de machine moeten worden gehouden. De onderarm wordt geregeld gesteund op het werkblad. De medewerker moet tijdens het naaien met de handen het materiaal verplaatsen. De medewerker moet verder regelmatig opstaan om ander materiaal te halen.

Kennelijk brengt betrokkene een scheur van de pees in de linkerschouder met dit werk in verband. Verzekerde dacht dat betrokkene linkshandig zou zijn. Door uw medisch adviseur zal moeten worden beoordeeld in hoeverre dit past bij de bovenomschreven werkzaamheden. (…)

k. Risico-inventarisatie

Verzekerde stuurde mij de risico-inventarisaties uit de jaren 2009, 2010 en 2011. Hierin wordt onder andere opgenomen dat de werkplekken in overleg met het afdelingshoofd in hoogte verstelbaar zijn. Ongewenst gedrag kan bij de vertrouwenspersoon worden gemeld. Dit is bij het personeel bekend. Problemen op de werkvloer kunnen bij het afdelingshoofd en personeelszaken worden gemeld. In het rapport van 2011 is opgenomen dat er maximaal acht uur per dag wordt gewerkt en dat er één uur per dag word gepauzeerd. In het rapport van 2011 is opgenomen dat tijdens pauzes niet meer mag worden doorgewerkt, waar in eerdere rapporten nog staat dat er op moet worden toegezien dat er niet meer onder pauzes wordt doorgewerkt om tijd in te halen.

l. Onderzoek door derden

Desgevraagd laat verzekerde mij weten dat er geen onderzoek door derden is uitgevoerd. Er zijn bijvoorbeeld geen werkplekonderzoeken geweest. Volgens verzekerde heeft daarvoor ook nooit een aanleiding bestaan.

m. Veiligheidsmaatregelen

Verzekerde heeft aan de werknemers geen schriftelijke instructies verstrekt waar het gaat om de aan te nemen werkhouding. Er wordt echter wel op toegezien dat de werkplek goed is ingericht en dat de medewerkers op veilige wijze hun werk doen. Als dat niet gebeurt, dan wordt dit aan de orde gesteld. (…)”

(xiii) De verzekeraar van Hemera heeft [verzekeraar] (hierna: [verzekeraar]), medisch adviseur, ingeschakeld om het medisch causaal verband tussen de klachten van [appellante] en de door haar verrichte werkzaamheden te beoordelen. Bij brief van 16 november 2011 heeft [verzekeraar] het volgende geschreven, voor zover van belang:

“(…) U vindt hierbij een kopie van het advies door de medisch adviseur [medisch adviseur] d.d. 22.06.2011. (…) Op basis van de documentatie wordt betrokkene volgens [medisch adviseur] blootgesteld aan relevante nek- en schouderbelastende omstandigheden. Om die reden is er naar zijn mening sprake van een beroepsziekte. Onder een beroepsziekte verstaat de Arbo-wet een ziekte of aandoening die in hoofdzaak het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden. Of dat ten aanzien van de schouderklachten van betrokkene in onderhavige casus het geval is, acht ik discutabel. Dit nog afgezien van de vraag in hoeverre er ten aanzien van de litigieuze arbeidsomstandigheden sprake is geweest van een onverantwoorde en niet te vergen vorm van belasting. Hieromtrent zou eventueel werkplekonderzoek moeten worden geëntameerd.

Wanneer iemand bekend is met een schouderprobleem, zoals bijvoorbeeld een inpingementsyndroom, kunnen ook relatief lichte schouderbelastende arbeidsomstandigheden de klachten doen toenemen. De arbeidsomstandigheden zijn dan niet de oorzaak van het primaire probleem, maar kunnen bestempeld worden als klachtenprovocatief.

Hierbij is dan geen sprake van een beroepsziekte. Wanneer arbeidsomstandigheden klachten veroorzaken dient altijd de afweging gemaakt te worden in hoeverre er een verstoring bestaat in het evenwicht tussen de belasting aan de ene kant en de specifieke individuele belastbaarheid anderzijds. Wanneer klachten het gevolg zijn van minder dan gemiddelde belastbaarheid is het niet redelijk om vervolgens te spreken van een beroepsziekte. (…)”

(xiv) Bij brief van 21 november 2012 heeft [verzekeraar] het volgende geschreven, voor zover van belang:

“Beoordeeld werd het advies door [medisch adviseur] d.d. 26.06.2012. (…)

Volgens [medisch adviseur] kunnen aandoeningen van de bovenste ledematen bestempeld worden als brancherisico in de sector waarin betrokkene werkzaam is. Om vervolgens te spreken van een beroepsziekte wanneer het probleem zich voordoet is mijns inziens wat kort door de bocht. Daarvoor zijn schouderklachten binnen de algemene bevolking een te frequent voorkomend fenomeen. (…)”

(xv) Bij brief van 27 februari 2013 heeft [verzekeraar] het volgende geschreven, voor zover van belang:

“Onder verwijzing naar advies van 21.11.2012 werden we nu in het bezit gesteld van de ontbrekende medische informatie die ik ook nu weer per document kort voor u zal samenvatten. (…)

[naam], neuroloog Westfries Gasthuis d.d. 16.01.2012

Betrokkene werd op het spreekuur gezien met nek- en schouderklachten links. De neuroloog doet uitsluitend verslag van MRI-onderzoek. Er lijkt sprake te zijn van een volledige ruptuur van de aanhechting van een van de schouderspieren. Op de MRI van de halwervelkolom is degeneratie zichtbaar van de tussenwervelschijven. In zijn bespreking stelt de neuroloog dat de schouderklachten links multifactorieel lijken te zijn bepaald. Daarbij zijn er dus de degeneratieve afwijkingen op niveau van de halswervels. (…)

[naam], arbeidsdeskundige d.d. 26.01.2012

Ook hierin wordt bevestigd dat betrokkene volledig arbeidsongeschikt is. Betrokkene wordt aangewezen geacht op nek-, linker schouder- en linker armsparend werk. (…) Betrokkene wordt op dat moment wel met gangbare arbeid te belasten geacht, echter gelet op het opleidingsniveau in combinatie met de beperkingen op het gebied van duwen en trekken, tillen en roteren van het hoofd, zijn er geen voldoende gangbare functies te duiden. Om die reden is er geen theoretische verdiencapaciteit.

[naam], procesbegeleider UWV d.d. 30.01.2012

Betrokkene wordt 100% arbeidsongeschikt geacht en krijgt een uitkering gebaseerd op 70% van het WIA maandloon.

Op basis van deze aanvullende documenten heb ik vooralsnog geen reden om mijn advies van 16.11.2011 in inhoudelijke zin bij te stellen.”

(xvi) Bij brief van 21 februari 2012 heeft de verzekeraar van Hemera, namens Hemera, aansprakelijkheid afgewezen.

(xvii) Bij brief van 2 januari 2014 heeft [verzekeraar] in reactie op een aanvullend bericht van medisch adviseur [medisch adviseur] van 16 september 2013 het volgende geschreven, voor zover van belang:

“(…) Overigens worden door de arbeidsdeskundige ([naam], toevoeging hof)) de taken als volgt omschreven:

De voornaamste taken zijn naaien: 70%, materiaal aanvoeren: 10%, knippen en vouwen: 20%. Het gaat om overwegend zittend werk, reiken ca 340x per uur. Duwen en trekken meer dan 5 kg tot enkele malen per dag. Tillen 10-30x per uur 1-2 kg. Voorts kortdurend lopen en staan. (…)”

(xviii) In zijn brief van 2 januari 2014 heeft [verzekeraar] verder geschreven dat de taken, zoals nader omschreven door Tamis, naar zijn mening niet verantwoordelijk kunnen zijn voor het ruptureren van aanhechtingen van schouderspieren.

(xix) Ongeveer 25 jaar geleden heeft [appellante] ten gevolge van een val een fractuur in de ribben opgelopen.

(xx) [appellante] is volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt thans een WIA-uitkering.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg - kort gezegd - gevorderd dat Hemera wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van € 20.000,= als voorschot op (im)materiële schadevergoeding, alsmede tot betaling van de resterende schade (zowel materieel als immaterieel) waaronder arbeidsvermogensschade, nader op te maken bij staat, rente en kosten rechtens. Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd, samengevat, dat zij als gevolg van haar werk bij Hemera en de gebrekkige arbeidsomstandigheden waaronder zij dat werk verrichtte een beroepsziekte heeft ontwikkeld waarvoor Hemera op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is.

3.2

Hemera heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijf grieven op. Hemera heeft de grieven bestreden.

3.3

De grieven I tot en met III strekken ten betoge dat de arbeidsomstandigheden gebrekkig waren doordat het meubilair, waaraan [appellante] moest werken, tot augustus 2009 niet verstelbaar was, althans niet goed was afgesteld waardoor [appellante] in een verkrampte en niet ergonomische houding haar werkzaamheden verrichtte telkens ononderbroken gedurende meer dan twee uur per dag, dat de werkzaamheden die vrijwel uitsluitend bestonden uit naaiwerkzaamheden, hierdoor (over)belastend waren en dat de afwisseling van werkzaamheden niet ontlastend was omdat die andere werkzaamheden (het knippen aan een niet ingestelde kniptafel en het over de trap naar boven tillen van zakken kleding) eveneens fysiek (over)belastend waren. Met de grieven IV en V betoogt [appellante] dat zij ten gevolge van de gebrekkige werkomstandigheden nek-en schouderklachten is gaan ontwikkelen die tot een schouderruptuur hebben geleid en dat aldus sprake is van causaal verband tussen de werkomstandigheden en de gezondheidsschade, althans dat er voldoende aanleiding is voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Voor zover nodig verzoekt [appellante] het hof een deskundige te benoemen die zich uitspreekt over de causaliteit.

3.4

De grieven I tot en met III lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Blijkens de toelichting hierop en de reactie daarop van de zijde van Hemera verschillen partijen van mening omtrent het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden [appellante] haar werkzaamheden voor Hemera verrichtte. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de naaitafel waaraan [appellante] werkte niet direct en eenvoudig verstelbaar was en dat deze tafel in augustus 2009 door Hemera lager is afgesteld. Hieruit volgt dat in de periode daaraan voorafgaand, te weten van 2006 tot augustus 2009, [appellante] haar werkzaamheden heeft uitgevoerd aan een tafel die voor haar te hoog was. Dat [appellante] nooit eerder heeft geklaagd over de hoogte van de tafel, zoals Hemera aanvoert, is in dit verband niet relevant. Verder is voldoende komen vast te staan dat [appellante] als nevenactiviteit wel eens zakken met kleding versleepte in de werkruimte zoals de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] in zijn arbeidsdeskundig verslag heeft verklaard. Met betrekking tot de stelling van [appellante] dat zij daarnaast zakken met kleding van beneden naar boven over de trap heeft getild, overweegt het hof als volgt. [arbeidsdeskundige] die de werkplek heeft bezocht, heeft hierover verklaard dat hij [appellante] hiervoor - los van haar medische beperkingen - niet geschikt achtte gelet op haar geringe lengte en tenger postuur. Dat [appellante] hiervoor niet geschikt wordt geacht door de arbeidsdeskundige betekent naar het oordeel van het hof nog niet dat [appellante] deze werkzaamheden niet verrichtte. Dit punt blijft tussen partijen in geschil. Wat betreft de verdeling van de werkzaamheden volgt het hof de stelling van [appellante] dat zij voor ongeveer 90 procent van haar tijd achter de naaimachine werkte. Deze stelling strookt immers met de inhoud van het verslag van [arbeidsdeskundige] die heeft verklaard dat de hoofdtaak van [appellante] naaiwerk aan de naaimachine was en dat hij de functie van naaister als maatstaf heeft gehanteerd bij zijn beoordeling of [appellante] geschikt is voor haar werk. De verklaring van de arbeidsdeskundige Tamis dat het naaiwerk 70 procent van de arbeidstijd van [appellante] zou beslaan, acht het hof niet aannemelijk nu Tamis zelf geen onderzoek op de werkplek heeft gedaan, maar zijn verklaring heeft gebaseerd op het verslag van [arbeidsdeskundige] (waarin een percentage van negentig wordt genoemd). Bovendien is niet komen vast te staan dat Tamis met [appellante] heeft gesproken over de aard van haar werkzaamheden.

3.5

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat [appellante] haar werk voor Hemera onder de volgende omstandigheden verrichtte:

a. a) [appellante] werkte in het naaiatelier van Hemera tussen 07.00 en 16.00 uur, tot 3 maart 2010 gedurende 40 uur per week en vanaf die datum 32 uur per week;

b) Er waren iedere werkdag vaste pauzes van 09.00 tot 09.15 uur, van 12.00 tot 12.30 uur en van 15.00 tot 15.15 uur;

c) [appellante] verrichtte hoofdzakelijk naaiwerkzaamheden die ongeveer 90 procent van de arbeidstijd besloegen;

d) Vanaf 2009 waren de stoelen achter de naaitafels in hoogte verstelbaar;

e) De naaitafels konden in hoogte versteld worden na overleg met de leidinggevende;

f) Tot augustus 2009 verrichtte [appellante] haar werkzaamheden zittend achter een naaitafel die gelet op haar lengte te hoog was;

g) [appellante] verrichtte daarnaast zo nu en dan knipwerk aan de kniptafel die eveneens te hoog voor haar was;

h) [appellante] versleepte als nevenactiviteit verder zakken met kleding in de werkruimte.

3.6

Met betrekking tot de grieven IV en V overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:658 lid 2 BW het aan de werknemer is te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, kan de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde verplichtingen is nagekomen. Daarbij geldt wel dat wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel, de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’, is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van een veiligheidsnorm die beoogt de hier bedoelde schade te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.

3.7

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en hetgeen overigens ten processe is gebleken, volgt niet dat de werkzaamheden van [appellante] naar objectieve maatstaven zodanig fysiek belastend waren dat het aannemelijk is dat zij daardoor (lichamelijk) letsel heeft opgelopen. In dit verband is onduidelijk gebleven of de schouderklachten van [appellante] in zijn algemeenheid hun oorzaak kunnen vinden in de verrichte werkzaamheden. Dit klemt te meer nu Hemera ter betwisting heeft gesteld dat de schouderklachten van [appellante] aan de niet dominante kant aanwezig zijn en dat [appellante] tijdens een bezoek aan haar huisarts op 31 augustus 2009 in verband met schouderklachten heeft verklaard dat zij eerst sinds twee weken last had van haar schouders. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’. Voor zover de grieven IV en V daartoe strekken, falen zij.

3.8

[appellante] stelt dat zij haar werkzaamheden heeft moeten verrichten onder de hiervoor 3.5 - in haar visie - gebrekkige werkomstandigheden en dat zij ten gevolge daarvan klachten is gaan ontwikkelen en een schouderruptuur heeft opgelopen. Nu de door partijen ingeschakelde medisch adviseurs verschillende opvattingen hierover hebben, heeft het hof voor het antwoord op de vraag of [appellante] ten gevolge van de werkomstandigheden nek -en schouderklachten is gaan ontwikkelen en een schouderruptuur heeft opgelopen, behoefte aan deskundige voorlichting. Anders dan [appellante] heeft gesteld, acht het hof een orthopeed in staat om aan de hand van een eigen onderzoek vorenbedoelde vraag te beantwoorden. Het hof acht benoeming van een orthopeed dan ook aangewezen en stelt in dat verband voor [orthopedisch chirurg], orthopedisch chirurg, p/a OrthoDirect, Weteringschans 72, 1017 XR Amsterdam, te benoemen.

3.9

Het hof stelt zich voor aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:

a. Kunt u op basis van uw onderzoek vaststellen of de nek –en schouderklachten van [appellante] alsmede de schouderruptuur zijn veroorzaakt door de omstandigheden waaronder zij haar werk voor Hemera heeft verricht in de periode voorafgaand aan augustus 2009, een ander zoals hiervoor onder 3.5 is weergegeven?

b. Is uw oordeel anders indien moet worden aangenomen dat [appellante] twee keer per dag zakken kleding van meer dan 20 kg over de trap naar boven tilde?

c. Kunt u aangeven of de val die ongeveer 25 jaar geleden heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan bij [appellante] een fractuur in de ribben was ontstaan, van invloed is geweest op het ontwikkelen van de klachten en de schouderruptuur?

d. Is er sprake van een medische eindtoestand?

e. Heeft u verder opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

3.10

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de voorlopig geformuleerde vraagstelling.

3.11

Aan de te benoemen deskundige zal te zijner tijd worden gevraagd het loon en de kosten te begroten. Het voorschot, thans door de deskundige begroot op € 4.356,= (inclusief btw) zal door [appellante], op wie in dezen de bewijslast rust, dienen te worden betaald.

3.12

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 20 maart 2018 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante] tot het hiervoor omschreven doel en bepaalt dat Hemera daarop eveneens bij akte zal kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, D. Kingma en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.