Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
200.035.790/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Meerdere leaseovereenkomsten. Ten aanzien van een leaseovereenkomst onaanvaardbaar zware last. Betwisting dat op het moment van beëindiging resterende termijnen in rekening zijn gebracht. Tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.035.790/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 847690 DX EXPL 07-527

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 februari 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Dexia is bij dagvaarding van 5 december 2008 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 8 oktober 2008, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie.

Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 verschillende Dexia-zaken, waaronder deze zaak, waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is. Deze comparitie heeft op

12 december 2016 plaatsgevonden.

Bij rolbeslissing van 4 april 2017 is het hof teruggekomen op zijn eerdere voornemen om de afnemers een akte te laten nemen en is bepaald dat in de Dexia-zaken waarin geen tussenpersoon of cliëntenremisier betrokken was, waaronder de onderhavige zaak, zal worden voortgeprocedeerd in de stand waarin deze zaken zich bevonden voordat deze werden aangehouden. Omdat in de onderhavige zaak pleidooi was gevraagd, is de zaak naar de rol verwezen voor beraad partijen (pleidooi of arrest). Daarop is arrest gevraagd.

Dexia heeft in dit geding geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de schadevergoedingsplicht van Dexia op grond van het Hofmodel te bepalen op maximaal het uit het Hofmodel voortvloeiende bedrag, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep van Dexia heeft ontvangen, met rente, met beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten.

[geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan en in het incidenteel hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep behoudens ten aanzien van de daarbij uitgesproken kostenveroordeling en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren, primair dat het beroep op dwaling c.q. bedrog gegrond is, subsidiair dat Dexia jegens [geïntimeerde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door hem de leaseovereenkomsten te doen aangaan zonder voldoende informatie te verstrekken over de aan die overeenkomsten inherente beleggingstechnische tekortkomingen en door de waarschuwings- en informatieplicht met betrekking tot de inleg en de restschuld en de financiële positie niet te respecteren alsmede dat Dexia de overeenkomst van 14 september 1999 per 13 april 2005 had moeten beëindigen en de na die datum door [geïntimeerde] terzake gedane betalingen onverschuldigd zijn voldaan, en meer subsidiair dat [geïntimeerde] de overeenkomsten terecht wegens wanprestatie heeft ontbonden, steeds met veroordeling van Dexia om aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen [geïntimeerde] onder de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen en met veroordeling van Dexia in de kosten van het principaal en het incidenteel appel.

Dexia heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.5 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, met uitzondering van enkele van de gegevens opgenomen onder 1.2 en 1.4, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[geïntimeerde] is op 23 mei 1997, 14 september 1999 en 22 maart 2000 leaseovereenkomsten met de contractnummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] (hierna aangeduid als (lease)overeenkomst I, II en III) aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia). De looptijd van de drie leaseovereenkomsten is respectievelijk 60, 120 en 36 maanden.

2.2

Op grond van de leaseovereenkomsten heeft [geïntimeerde] bedragen van Dexia geleend (in totaal € 40.932,71). Over de geleende bedragen was [geïntimeerde] rente verschuldigd (in totaal € 14.852,93).

2.3

De leaseovereenkomsten zijn beëindigd op respectievelijk 22 mei 2002,

23 oktober 2008 en 23 april 2003. Na de verkoop van de effecten resteerde bij leaseovereenkomst I een positief saldo van € 2.091,05, bij leaseovereenkomst II een negatief saldo van € 2.501,85 en bij leaseovereenkomst III een negatief saldo van

€ 6.024,33. De schuld inzake leaseovereenkomst III is aan Dexia voldaan, de schuld inzake leaseovereenkomst II niet.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

[geïntimeerde] heeft Dexia in eerste aanleg gedagvaard en voor zover in hoger beroep nog van belang gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd, althans ontbonden, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat Dexia wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen hij in het kader van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met wettelijke rente.

3.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling tot een bedrag van in totaal € 7.881,92 met rente toegewezen en de overige vorderingen afgewezen, met veroordeling van Dexia in de kosten van de procedure.

3.4

Tegen dit vonnis zijn zowel Dexia als [geïntimeerde] in hoger beroep gekomen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd.

Toetsingskader

3.5

De onderhavige zaak betreft een effectenleasezaak. Voor de behandeling en beslissing van effectenleasezaken waarop de WCAM-overeenkomst niet van toepassing is, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009 (De Treek/Dexia (ECLI:NL:HR:2009:BH2815), Levob/Bolle c.s. (ECLI:NL:HR:2009:BH2811) en Stichting GeSp/Aegon (ECLI:NL:HR:2009:BH2822)) algemene maatstaven en beoordelingskaders ontwikkeld. Vervolgens heeft dit hof op 1 december 2009 vier zogenoemde richtinggevende arresten gewezen (Dexia/Van der Heijden (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978), Dexia/Bouwhuis (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981), Dexia/Madarie (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982) en Dexia/Wijbenga (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983), waarbij is voortgebouwd op de uitgangspunten en het beoordelingskader blijkend uit de overwegingen en de beslissingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009. Aan de arresten van het hof is een breed gevoerd debat vooraf gegaan, waarin Dexia en belangenbehartigers van groepen van afnemers uitvoerig hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tegen twee arresten van
1 december 2009 is beroep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij arresten van 29 april 2011 (Van der Heijden/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) en Bouwhuis/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4012) het beroep tegen die arresten verworpen.

3.6

Vervolgens heeft dit hof in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 en 1136) ten aanzien van onder meer (i) beleggingstechnische gebreken, (ii) dwaling, (iii) bedrog, (iv) misbruik van omstandigheden en (v) eigen schuld, alles afwegende, onvoldoende gegronde redenen aanwezig geacht om terug te komen op eerdere jurisprudentie. Met die eerdere jurisprudentie doelt het hof in het bijzonder op de hiervoor genoemde richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009.

3.7

Het onderhavige hoger beroep dient tegen de achtergrond van (onder meer) deze rechtspraak te worden beoordeeld.

Dwaling en bedrog

3.8

Met grief 2 in het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] onder meer betoogd dat de leaseovereenkomsten - anders dan de kantonrechter oordeelde - nietig zijn wegens dwaling en bedrog.

3.9

Uit hetgeen [geïntimeerde] naar voren brengt, blijkt niet dat zijn zaak op deze punten verschilt van de zaken die in de arresten van dit hof van 1 april 2014 voorlagen. Hetgeen daaromtrent in die arresten is overwogen, geldt ook in onderhavige zaak. Deze grief faalt dan ook in zoverre.

3.10

Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep zal worden afgewezen.

Ontbinding wegens wanprestatie

3.11

Gelet op het falen van de primaire vordering komt betekenis toe aan het bij gelegenheid van grief 2 in incidenteel appel (gehandhaafde) beroep op de ontbinding van de overeenkomsten wegens wanprestatie. Aan deze vordering legt [geïntimeerde] ten grondslag dat Dexia de door haar krachtens de leaseovereenkomsten in huurkoop verkochte aandelen niet heeft aangekocht en behouden en niet op naam van [geïntimeerde] heeft geadministreerd. [geïntimeerde] stelt zich in dit verband op het standpunt dat niet kan worden uitgegaan van het door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) op

9 november 2006 in het kader van de WCAM-procedure aan dit hof uitgebrachte rapport, alsmede van de daaraan toegekende betekenis in de beschikking van het hof van 25 januari 2007.

3.12

Dexia voert gemotiveerd verweer.

3.13

In de WCAM-procedure lag de vraag voor of Dexia op de in de leaseovereenkomsten voorziene wijze ten behoeve van de afnemers aandelen heeft gekocht en behouden. De AFM heeft daar onder leiding van een door dit hof aangewezen raadsheer-commissaris (deskundigen)onderzoek naar verricht. Op basis daarvan is in de WCAM-beschikking vervolgens geoordeeld dat er onvoldoende reden is om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken. In onder andere de arresten van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en ECLI:NL:HR:2014:1533) die zien op opt out- gevallen is dit hof tot eenzelfde oordeel gekomen. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822). [geïntimeerde] heeft in het onderhavige geding geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Gelet op het brede en uitvoerig gemotiveerde rapport van de AFM, dat ook ziet op de administratie van de aandelen op naam van de lessees, heeft [geïntimeerde] zijn stelling dat daaraan in onderhavige zaak geen argumenten kunnen worden ontleend omdat nu een andere vraag zou voorliggen, onvoldoende feitelijk toegelicht. Die stelling wordt daarom verworpen. Ook overigens ziet het hof in de stellingen van [geïntimeerde] geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de AFM te twijfelen. Dit leidt tot het oordeel dat grief 2 in incidenteel appel in zoverre faalt. Dit betekent dat ook de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen.

Zorgplicht

3.14

Uit hetgeen [geïntimeerde] ten aanzien van beleggingstechnische gebreken naar voren brengt, blijkt niet dat zijn zaak op die punten verschilt van de zaken die in de arresten van dit hof van 1 april 2014 voorlagen. Hetgeen daaromtrent in die arresten is overwogen, geldt ook in onderhavige zaak. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen argumenten aangedragen die in het voorliggende geval tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.15

Uit eerdergenoemde arresten volgt dat op Dexia als professionele dienstverlener op het terrein van beleggingen in effecten en aanverwante financiële diensten jegens [geïntimeerde] als particuliere persoon met wie zij een leaseovereenkomst zal aangaan een zorgplicht rust die ertoe strekt particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Op Dexia heeft een tweeledige zorgplicht gerust: een verplichting om degene met wie zij een leaseovereenkomst aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasde effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de leaseovereenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wedepartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen. De waarschuwingsplicht met betrekking tot het restschuldrisico en de verplichting inlichtingen in te winnen omtrent inkomen en vermogen van de potentiële particuliere afnemer hebben een algemeen karakter, dat in belangrijke mate is verbonden met de risicovolle aard van het effectenleaseproduct dat aan een breed publiek is aangeboden.

3.16

Dexia onderkent dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Daarmee staat vast dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. In eerdergenoemde arresten is beslist dat schending van de hiervoor beschreven zorgplicht kan leiden tot een verplichting van de aanbieder tot schadevergoeding. De schade die het gevolg is van de schending van de zorgplicht dient evenwel deels voor rekening van de afnemer te blijven vanwege een schending van de op hem rustende onderzoeksplicht. Op grond van vaste jurisprudentie geldt de volgende schadeverdeling. Bij een ontstane restschuld krijgen de afnemers twee derde deel van de restschuld als schade vergoed. Een derde deel van de restschuld blijft op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Als de overeenkomst van effectenlease bij het aangaan daarvan naar redelijke verwachting leidde tot een onaanvaardbaar zware financiële last, worden de rente, aflossing en kosten volgens dezelfde maatstaf tussen de afnemer en Dexia verdeeld.

3.17

Met grief 3 in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen de door de kantonrechter gehanteerde schadeverdeling. Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) waarin het hof nogmaals heeft bevestigd dat uit de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat over het geleende bedrag rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Daaruit volgt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat een derde van de restschuld als eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW voor rekening van [geïntimeerde] behoort te blijven. Hetgeen [geïntimeerde] verder nog aanvoert, maakt dat niet anders. [geïntimeerde] heeft geen persoonlijke omstandigheden gesteld die afwijken van die in de genoemde procedures aan de orde waren en die tot een andere afweging zouden kunnen leiden. De grief faalt.

Onaanvaardbaar zware financiële last?

3.18

Voor de beoordeling van de vraag of overeenkomsten van effectenlease op afnemers mogelijk een onaanvaardbaar zware financiële last legden heeft het hof in de vier richtinggevende arresten van 1 december 2009 de hofformule ontwikkeld. Het eerder door de kantonrechters ontwikkelde categoriemodel is daarbij niet gevolgd. De Hoge Raad heeft in de arresten van 29 april 2011 ten aanzien van de hofformule onder andere overwogen dat de rechter mag uitgaan van een algemene formule aan de hand waarvan de financiële ruimte van de afnemer wordt getoetst, mits die formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden.

3.19

Grief 1 in het principaal hoger beroep strekt ten betoge dat het bestreden vonnis, dat gebaseerd is op het inmiddels achterhaalde categoriemodel, niet in stand kan blijven. Deze grief slaagt. Voor zover [geïntimeerde] bedoelt in het incidenteel hoger beroep ook te grieven tegen het categoriemodel, slaagt ook die grief. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de hofformule hanteert. De afnemer dient in verband daarmee gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de verplichtingen uit een leaseovereenkomst tot een onaanvaardbaar zware financiële last voor hem hebben geleid. De factoren die bij de toepassing van de hofformule in het voorliggende geval een rol spelen, worden hierna besproken. In grief 2 in het incidenteel hoger beroep wordt terecht bezwaar gemaakt tegen het door de kantonrechter in aanmerking genomen inkomen en vermogen.

Hofformule

3.20

De hofformule is een vuistregel waarvan de Nibud-basisnorm, als een absoluut minimum, een bestanddeel vormt. Daarbij wordt uitgegaan van 110% van de Nibud-basisnorm en wordt een opslag toegepast ter grootte van 15% van het verschil tussen de basisnorm en het netto-inkomen.

3.21

Het hof stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat ten aanzien van leaseovereenkomst I geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last en dat deze is geëindigd met een positief resultaat. Gelet hierop, blijft deze leaseovereenkomst in het onderstaande buiten beschouwing. Partijen zijn verdeeld over de vraag of toepassing van de hofformule tot de conclusie leidt dat sprake is van een onaanvaardbaar zware last ter zake van leaseovereenkomsten II en III.

Nettomaandinkomen (factor X)

3.22

Vaste rechtspraak van het hof is dat ter bepaling van het in aanmerking komende inkomen in beginsel een ‘Biljet van een proces’ of een ander stuk in het geding dient te worden gebracht waaruit het inkomen blijkt in het jaar waarin de betreffende overeenkomsten zijn gesloten, in dit geval de jaren 1999 (leaseovereenkomst II) en 2000 (leaseovereenkomst III).

Ter zake van leaseovereenkomst II is geen biljet van een proces voorhanden. Uit de in het geding gebrachte Aanslag 1999 Inkomstenbelasting maakt het hof op dat [geïntimeerde] in 1999 een brutoloon had van f. 73.271 (omgerekend € 33.249), hetgeen nagenoeg overeen komt met het door [geïntimeerde] berekende brutoloon ad f. 73.704,32 (productie 3 bij memorie van antwoord/memorie van grieven). Daarvan is blijkens de Aanslag 1999 Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen (productie 4c bij memorie van antwoord/memorie van grieven) f. 21.829 (omgerekend € 9.905,57) als loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. Zijn nettoloon was aldus

f. 51.442, dat is € 23.343,36. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat zijn partner in dat jaar geen inkomen heeft genoten, als gevolg waarvan voornoemd bedrag tevens het gezinsinkomen is. Het in aanmerking te nemen netto-inkomen per maand bedraagt aldus € 1.945,28. Voor zover Dexia meent dat met andere bedragen moet worden gerekend, heeft zij die onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

Ter zake van leaseovereenkomst III is eveneens geen biljet van een proces voorhanden en evenmin een inkomensverklaring. Uit de in het geding gebrachte salarisafrekening over december 2000 (productie 4b bij memorie van grieven/memorie van antwoord) leidt het hof af dat [geïntimeerde] in 2000 een brutoloon had van f. 81.241 waarvan f. 23.447 als loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden. Deze bedragen heeft ook [geïntimeerde] tot uitgangspunt genomen in zijn berekening. Zijn nettoloon was aldus

f. 57.794, dat is € 26.225,77. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat zijn partner in dat jaar geen inkomen heeft genoten, als gevolg waarvan voornoemd bedrag tevens het gezinsinkomen is. Het in aanmerking te nemen netto-inkomen per maand bedraagt aldus € 2.185,48. Voor zover Dexia meent dat met andere bedragen moet worden gerekend, heeft zij die onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

3.23

[geïntimeerde] is blijkens zijn toelichting op het hofmodel in deze zaak (productie 3 bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte tot wijziging van eis) van mening dat bij de toepassing van de hofformule de procentuele premie Ziekenfondswet, alsmede de premies ZKV, WW en de WAO-gat verzekering in mindering moet worden gebracht op het besteedbaar netto-maandinkomen. Het hof volgt hem daarin niet en blijft bij zijn vaste rechtspraak dat binnen de hofformule het nettoinkomen bij loonvormende arbeid in beginsel dient te worden bepaald door het brutoloon te verminderen met de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen (zie onder andere hof Amsterdam 10 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2830). De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2749 (Groeneveld/Dexia) het tegen deze rechtspraak aangevoerde cassatiemiddel verworpen.

Woonlasten (factor W)

3.24

[geïntimeerde] is blijkens zijn toelichting op het hofmodel in deze zaak (productie 3 bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte tot wijziging van eis) voorts van mening dat bij de berekening volgens de hofformule de werkelijke netto-woonlasten over 1999 en 2000 op respectievelijk

€ 456,57 en € 451,25 per maand gesteld moeten worden. In deze bedragen is rekening gehouden met een maandbedrag van (omgerekend en afgerond) € 45,38 voor een spaarpolis die was bedoeld om uiteindelijk het aflossingsvrije deel te voldoen. Dexia heeft niet toegelicht waarom zij in haar berekening de woonlasten op nul heeft gesteld en heeft ook overigens het door [geïntimeerde] bij latere gelegenheid in zijn berekening opgenomen bedragen voor woonlasten (productie 2 en 3 bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte tot wijziging van eis) onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet hierop zal het hof rekenen met de door [geïntimeerde] genoemde bedragen.

3.25

Na aftrek van de woonlasten volgens het Nibud, bedraagt factor W van de hofformule (de huur- of hypotheeklasten voor de eigen woning voor zover deze het basisbedrag van het Nibud overtreffen) voor 1999 € 302,57 en voor 2000 € 293,24.

Verplichtingen uit de overeenkomst (factor A)

3.26

Niet in geschil is dat de verplichtingen uit de leaseovereenkomst van 1999

€ 83,54 per maand belopen en die van 2000 een bedrag van € 395,59 per maand.

Verplichtingen uit andere overeenkomsten (factor B)

3.27

De verplichtingen uit andere leaseovereenkomsten belopen volgens beide partijen in 1999 € 277,79 per maand en in 2000 een bedrag van € 361,32 per maand.

Andere kredieten (factor C)

3.28

Niet betwist is dat [geïntimeerde] in 1999 bij de SNS bank een kredietovereenkomst heeft gesloten. Uit hoofde van deze overeenkomst had [geïntimeerde] in 1999 en 2000 een verplichting van € 90,76 per maand. Dexia heeft niet toegelicht waarom zij in haar berekening de factor C op nul heeft gesteld en heeft ook overigens het door [geïntimeerde] bij latere gelegenheid in zijn berekening opgenomen bedrag voor eerder overig krediet (productie 2 en 3 bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte tot wijziging van eis) onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet hierop zal het hof rekenen met de door [geïntimeerde] genoemde bedragen.

Vermogen (V)

3.29

Er was in het jaar 1999 en 2000 geen relevant vermogen voorhanden.

Nibud-basisnorm (factor Y)

3.30

De toepasselijke Nibud-basisnorm (factor Y) bij twee volwassenen met een kind was in 1999 f. 1.939 (€ 880) en in 2000 f. 1.987 (€ 902).

Berekening volgens de hofformule

3.31

Uitgaande van de door het hof eerder vastgestelde bedragen was in 1999 de bestedingsnorm (Y+(0,1xY)+0,15x(X-Y)) € 1.127,79 per maand. Het besteedbaar inkomen (X+V-W-A-B-C) was € 1.190,62 per maand. Dit bedrag is hoger dan de bestedingsnorm.

3.32

In 2000 was de bestedingsnorm (Y+(0,1xY)+0,15x(X-Y)) € 1.184,72 per maand. Het besteedbaar inkomen (X+V-W-A-B-C) was € 1.044,57. Dit bedrag is lager dan de bestedingsnorm.

3.33

Het voorgaande betekent dat de verplichtingen uit hoofde van leaseovereenkomst II naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] legden. De verplichtingen uit hoofde van leaseovereenkomst III legden naar redelijke verwachting wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] .

3.34

Voor wat betreft leaseovereenkomst II is Dexia, nu geen sprake is van een naar redelijke verwachting bestaande onaanvaardbaar zware last, (slechts) ter zake van de ontstane restschuld jegens [geïntimeerde] tot schadevergoeding gehouden. De restschuld bedraagt € 2.501,85. De leaseovereenkomst is geëindigd met een negatief resultaat. Volgens [geïntimeerde] heeft Dexia in de eindafrekening betreffende deze overeenkomst op het moment van beëindiging nog resterende termijnen betrokken. Deze stelling wordt door Dexia betwist. Het hof zal Dexia in de gelegenheid stellen haar betwisting bij akte (nader) toe te lichten, onder overlegging van de eindafrekening terzake van leaseovereenkomst II, waarna [geïntimeerde] hierop bij antwoordakte zal kunnen reageren.

3.35

Het hof gaat voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat de restschuld moet worden verminderd met de termijnen die na 13 april 2005 zijn betaald, omdat de eerste brief met verwijten van [geïntimeerde] aan Dexia dateert van 13 april 2005. [geïntimeerde] heeft aan die stelling ten grondslag gelegd dat Dexia hem uiterlijk op dat moment een aanbod tot beëindiging van de overeenkomst had moeten doen. Voor de door [geïntimeerde] aangenomen verplichting van Dexia tot het doen van een aanbod is evenwel geen rechtsgrond gesteld of gebleken.

3.36

Ter zake van leaseovereenkomst III moet Dexia, naast twee derde deel van de restschuld, ook twee derde deel van de rente, aflossing en kosten als schade aan [geïntimeerde] vergoeden. Vaststaat dat de restschuld € 6.024,33 bedraagt. Twee derde deel daarvan

(€ 4.016,22) komt voor vergoeding in aanmerking, terwijl een derde gedeelte

(€ 2.008,11) voor rekening van [geïntimeerde] blijft. Over het aan [geïntimeerde] te betalen bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van beëindiging van de overeenkomst (23 april 2003). [geïntimeerde] heeft de volledige restschuld uit hoofde van de leaseovereenkomst uit 2000 (€ 6.024,33) reeds voldaan aan Dexia. Gelet op het voorgaande is dit bedrag onverschuldigd betaald en is Dexia gehouden tot restitutie, met rente vanaf 23 april 2003. [geïntimeerde] heeft € 2.469,96 aan termijnen (36 x € 68,61) betaald en geen dividenden ontvangen, zodat de netto-inleg € 2.469,96 bedraagt. Daarvan komt twee derde deel (€ 1.646,64) voor vergoeding door Dexia in aanmerking, over welk deel wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop het desbetreffend gedeelte van de inleg daadwerkelijk is voldaan (ECLI:NL:HR:2015:1198). Grief 2 in principaal hoger beroep, waarin wordt gesteld dat bij beide overeenkomsten geen sprake is van een onaanvaardbaar financiële last, slaagt dan ook alleen voor leaseovereenkomst II.

3.37

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2018 met het in r.o. 3.31 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Jurgens, J.W. Hoekzema en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.