Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:547

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
17/00038
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 6.27 van de Wet IB 2001 (tekst 2012); scholingsuitgaven; belanghebbende (piloot) maakt niet aannemelijk dat de door hem gestelde kosten (onder andere voor een cursus Duits) als scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/581
V-N 2018/680
V-N 2018/24.1.4
Viditax (FutD), 15-03-2018
FutD 2018-0751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00038

20 februari 2018

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. J.A.M. Kamps

tegen de uitspraak van 23 december 2016 in de zaak met kenmerk HAA 16/1253 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 3 juli 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en bij beschikking (ex art. 6.2a Wet IB 2001) met dezelfde dagtekening het bedrag van de op 31 december 2012 niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek (hierna: beschikking te verrekenen pga) vastgesteld op € 75.549.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de inspecteur bij uitspraak van 26 januari 2016 de aanslag IB en de beschikking te verrekenen pga gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 23 december 2016 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 26 januari 2017 (pro forma) hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 16 februari 2017 is het hoger beroep gemotiveerd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 18 januari 2018 nadere stukken ingediend. Kopieën daarvan zijn naar de inspecteur gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’– de volgende feiten vastgesteld.

“1. Eiser heeft een beroepsopleiding tot verkeersvlieger vóór het jaar 2012 met goed gevolg afgerond. Tot in het jaar 2012 heeft eiser geen baan kunnen vinden als verkeersvlieger.

2. Om zijn vliegbrevet geldig te houden, heeft eiser in het jaar 2012 de volgende kosten gemaakt:

recurrency € 1.350

single engine vlieguren € 1.032

Pilots 4 Pilots 737 simulator uren € 500

Cursus Duits aan het Goethe-Institut Niederlande € 485

vliegmedische keuring JAA klasse 1 € 329

totaal € 3.696

3. Eiser heeft deze kosten in zijn aangifte ib/pvv 2012 opgevoerd als studiekosten. Na aftrek van de wettelijke drempel van € 500 heeft eiser een bedrag van € 3.196 aan scholingsuitgaven in aftrek gebracht. Eiser heeft aangifte ib/pvv 2012 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil (inkomen uit werk en woning van € 33.397 verminderd met € 33.397 pga) en een te verrekenen restant pga ultimo 2012 van € 108.946.

4. In de aanslag ib/pvv 2012 is het verzamelinkomen van eiser op nihil vastgesteld. Verweerder heeft de hiervoor genoemde scholingsuitgaven niet geaccepteerd. Verweerder heeft het restant pga bij beschikking in de zin van artikel 6.2a van de Wet IB 2001 (hierna: beschikking te verrekenen pga) als volgt vastgesteld:

restant pga ultimo 2011: € 108.946

af: in 2012 verrekende pga: € 33.397

restant pga ultimo 2012: € 75.549”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof vult deze feiten als volgt aan.

2.3.

In hoger beroep heeft de gemachtigde een schriftelijke verklaring van belanghebbende toegezonden. Daarin staat onder meer:

“lm März 2012 habe ich an einem Intensivkurs Deutsch beim Goethe Institut in Amsterdam teilgenommen. Die Studienlast diese Kurses betrug 63 Stunden über 14 Wochen verteilt.

Bücher und sonstige Arbeitsmaterialien wurden vom Goethe Institut gestellt. Nach Abschluss des Kurses, habe ich erfolgreich an der Abschlussprüfung teilgenommen und damit mein B2 Zertifikat erhalten (siehe Anhang). Das B2 Zertifikat war Voraussetzung um einen Job als Pilot bei einer deutschen Fluggesellschaft antreten zu können”

Onderaan de verklaring schrijft [naam medewerker], een medewerker van het Goethe Instituut, op 17 januari 2018 omtrent deze verklaring van belanghebbende voorts nog het volgende:

“Hiermit bestätigen wir die von [naam belanghebbende] gemachten Angaben:

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep komt de inspecteur terug op zijn – bij de rechtbank ingenomen – standpunt dat de kosten voor ‘recurrency’ (ad € 1.350), alsmede de kosten van de ‘Pilots 4 Pilots 737 simulator uren’ (ad € 500; zie onder 2 in de rechtbankuitspraak) niet als scholingsuitgaven aftrekbaar zijn.

3.2.

In hoger beroep is derhalve nog in geschil of belanghebbende in 2012 recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven ten bedrage van – vóór aftrek van de wettelijke drempel van € 500 – in totaal € 1.846. Dit bedrag is – blijkens de aangifte - als volgt samengesteld:

1. “Single engine vlieguren (geldig houden vliegbrevet)”
(hierna: kosten vlieguren)

€ 1.032

2. “Duits cursus Goethe B2 certificaat (kennis verwerven arbeid)”

(hierna: kosten cursus Duits)

€ 485

3. “Vliegmedische keuring JAA klasse 1”

(hierna: kosten medische keuring)

€ 329

totaal

€ 1.846

3.3.

De inspecteur meent dat de onder 3.2 vermelde kosten niet als scholingsuitgaven aftrekbaar zijn en concludeert dat de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2012 op (€ 75.549 + € 1.350 + € 500 -/- € 500 =) € 76.899 dient te worden vastgesteld.

3.4.

Partijen doen hun standpunten overigens steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“ 7. Artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst voor het jaar 2012) luidt als volgt:

“1. Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.”

8. De parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 vermeldt onder meer het volgende:

“In artikel 6.7.1 [rechtbank: thans artikel 6.27 van de Wet IB 2001] wordt de definitie van scholingsuitgaven opgenomen. Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Hierbij moet worden gedacht aan reële en rechtstreekse kosten, lasten en afschrijvingen voor een opleiding of studie, zoals bijvoorbeeld lesgelden en leerboeken. Zo zijn uitgaven voor vakliteratuur alleen aftrekbaar indien er een zodanig verband tussen de literatuur en het volgen van het leertraject bestaat dat de literatuur in de gegeven omstandigheden naar het spraakgebruik als leerboek of leermiddel kan worden aangemerkt. Met de term ‹‹met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning›› wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning.”

Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 260-261.

9. Van het volgen van een opleiding of studie in de zin van voormeld artikel is vereist dat het studeren plaatsvindt in het kader van het volgen van een leertraject. Daarvoor is in ieder geval nodig dat het verwerven van de kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde plaatsvindt (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2601).

10. Gelet op de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis verwerpt de rechtbank de stelling van verweerder dat het op peil houden van kennis niet als opleiding of studie in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 aangemerkt kan worden. De rechtbank verwerpt voorts de stelling van eiser dat de opleiding tot verkeersvlieger in fiscale zin pas is afgerond zodra hij (voor het eerst) aan de slag gaat als verkeersvlieger in de commerciële luchtvaart omdat deze stelling geen steun vindt in het recht. De omstandigheid dat eiser zich genoodzaakt heeft gezien de onderhavige kosten te maken om de geldigheid van zijn vliegbrevet zeker te stellen betekent niet zonder meer dat de daarmee samenhangende activiteiten als opleiding of studie moeten worden aangemerkt. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat deze activiteiten als scholingsuitgaven moeten worden aangemerkt.

11. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat 'recurrency' inhoudt het ophalen van weggezakte kennis en het bijwerken van kennis, mede door gebruikmaking van een vliegsimulator en een instructie van een begeleider. Hiermee heeft eiser echter onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen over de (omvang van de) rol en de taken van de begeleider om tot de conclusie te kunnen leiden dat er sprake is van het verwerven van kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven die hij voor deze activiteiten heeft gedaan onder het begrip 'scholingsuitgaven' van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 kunnen worden gebracht.

12. Op basis van de door hem overgelegde facturen kan de rechtbank niet vaststellen dat de uitgaven voor de ‘single engine vlieguren’ zijn gedaan in het kader van een leertraject. De duur van de trainingen, blijkens de facturen eenmalig 90 minuten voor theorie en praktijk, en het vijf maal huren van een vliegtuig waarvan de huurperiodes liggen tussen de 42 en 90 minuten, is onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat er sprake is van kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde. Deze kosten kunnen daarom niet als scholingsuitgaven in aftrek komen.

13. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de ‘Pilots 4 Pilots’ training betrekking heeft op les van ervaren piloten over het vliegen met een Boeing 737 in moeilijke en bijzondere situaties, gekoppeld aan een simulatortraining en een voor- en nabriefing. Verweerder heeft dit onvoldoende weersproken. Tussen partijen is niet in geschil dat het hierbij gaat om het behoud van vaardigheden. Wetsgeschiedenis noch jurisprudentie bieden steun aan het standpunt van verweerder dat pas van een leertraject sprake kan zijn indien het wordt afgesloten met een diploma. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden is voldaan aan het vereiste van het volgen van een leertraject, zodat de kosten als scholingsuitgaven aftrekbaar zijn.

14. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de cursus Duits vaktechnisch van aard was of dat er enig rechtstreeks verband is tussen het volgen van deze cursus en de uitoefening van werkzaamheden als piloot. Uit de toelichting van eiser dat Duits de voertaal is bij Duitse vliegmaatschappijen en dat een goede beheersing van vaktechnisch Duits van belang is bij de selectie van kandidaten maakt de rechtbank bovendien op dat eiser deze cursus vooral heeft gevolgd om zijn kansen bij sollicitaties bij Duitse vliegmaatschappijen te vergroten. Daarmee houdt de cursus Duits onvoldoende verband met de werkzaamheden als piloot om de kosten daarvan als aftrekbare scholingsuitgaven te kunnen aanmerken.

15. De medische keuring kan niet als opleiding of studie worden aangemerkt. Dat een medische keuring voorwaarde is om aan een opleiding deel te nemen of te mogen vliegen maakt nog niet dat deze keuring deel uitmaakt van enige opleiding. De hiermee samenhangende kosten behoren derhalve niet tot de aftrekbare scholingsuitgaven.

16. Uit het voorgaande volgt dat uitsluitend de kosten voor ‘Pilots 4 Pilots’ als aftrekbare scholingsuitgaven worden aangemerkt. Nu de hiervoor in aftrek gebrachte kosten gelijk zijn aan de voor deze uitgaven geldende drempel, te weten € 500, leidt dit niet tot een verlaging van het door verweerder vastgestelde bedrag van de beschikking nog te verrekenen pga.

17. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende met betrekking tot de onder 3.2 genoemde kosten de last rust feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van uitgaven als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001.

In het onderhavige geval gaat het meer specifiek om de vraag of bedoelde kosten door belanghebbende zijn gemaakt ten behoeve van het op peil houden van de reeds verworven kennis en vaardigheden als piloot, dit ter verwerving van een functie als zodanig. Dit dient voorts te geschieden onder begeleiding en toezicht van een deskundige derde.

5.1.2.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in het leveren van dat bewijs geslaagd. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

5.2.

Betreffende de aftrekbaarheid kosten vlieguren (€ 1.032)

5.2.1.

Over deze kosten heeft belanghebbende op de zitting van de rechtbank verklaard:

“De kosten voor ‘single engine’ betreffen de huur van een eenmotorig vliegtuig om hiermee vereiste vlieguren te maken, bij gebreke waarvan het vliegbrevet hiervoor verloopt. Hierbij vliegt de piloot zelf en er gaat niemand met hem mee. Er is hierbij geen toezicht op de piloot.”

5.2.2.

Belanghebbende heeft zijn standpunt in hoger beroep nader als volgt toegelicht:

“Ook de kosten van het examengeld van Singel Engine, ad € 1.032, zien op een leertraject, waarbij de belastingplichtige door het voorbereiden van oude stof/vaardigheden, het tot zich nemen van nieuwe inzichten/voorschriften, tijdens het examen laat zien te voldoen aan de voorschriften/ inzichten en vaardigheden op dat moment. Ook het behalen van dit examen wordt aangetekend op het brevet.”

5.2.3.

De inspecteur meent dat met betrekking tot deze kosten geen sprake is van het volgen van een leertraject, maar van zelfstudie. Derhalve is – aldus de inspecteur – geen sprake van scholingsuitgaven

5.2.4.

Naar het oordeel van het Hof zien de onderhavige kosten – anders dan belanghebbende in hoger beroep stelt – niet op ‘examengeld’. Ze hebben blijkens de door belanghebbende ingebrachte facturen, betrekking op het vijf maal huren van een vliegtuig en op ‘Theorie & praktijk van (een) checkout piloot’, eenmalig gedurende 90 minuten (aldus ook rechtsoverweging 12 van de rechtbank).

5.2.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat sprake is van scholingsuitgaven die voor aftrek in aanmerking komen. Hierbij wijst het Hof er in het bijzonder op dat niet althans onvoldoende is gebleken van toezicht of begeleiding door een deskundige derde bij het praktijkvliegen dan wel het bestuderen van de betreffende theorie. Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking hetgeen belanghebbende op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard, namelijk dat er tijdens het onderhavige vliegen geen toezicht op de piloot (belanghebbende) was.

5.3.

Aftrekbaarheid cursus Duits (€ 485)

5.3.1.

De gemachtigde onderbouwt deze aftrekpost met name met hetgeen belanghebbende onder 2.3 verklaard heeft.

5.3.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen rechtstreeks verband is met het beroep van piloot. Met betrekking tot de cursus die belanghebbende gevolgd heeft (Intensieve cursus Duits op niveau B.2) bevatte de website van het Goethe instituut (destijds), naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, de volgende informatie:

“Na de opleiding kan een deelnemer:

• hoofdlijnen van concrete en abstracte onderwerpen volgen en de voor u relevante informatie (bijvoorbeeld uit radioprogramma’s) opmaken,

  • -

    een breed scala van teksten begrijpen, onder andere kortere teksten zoals advertenties en langere, gecompliceerde non-fictieteksten, commentaren en reportages.

  • -

    zich schriftelijk over gecompliceerde toedrachten duidelijk en gestructureerd uiten, maar ook de fouten in teksten van anderen corrigeren,

  • -

    duidelijk gestructureerde mondelinge weergaves geven over algemene onderwerpen en onderwerpen van uw persoonlijke interesses,

  • -

    actief deelnemen aan discussies over u bekende onderwerpen, daarbij een positie innemen en uw standpunten helder overbrengen.”

Volgens de inspecteur is de cursus slechts bedoeld om de persoonlijke uitrusting van belanghebbende te vergroten en om belanghebbende een voorsprong te geven in geval van sollicitaties bij in Duitsland gevestigde luchtvaartmaatschappijen.

5.3.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat sprake is van scholingsuitgaven. De kosten van de cursus Duits staan in een te ver verwijderd verband tot een concrete vorm van inkomensverwerving. Van doorslaggevend belang is dat het gaat om een cursus die de kennis en vaardigheden van het algemeen Duits verbreedt c.q. verdiept zonder dat die cursus zich nader richt op specifieke, technische terminologie zoals doen gebruikelijk in het beroep van piloot, hetgeen de gemachtigde ter zitting van het Hof desgevraagd heeft bevestigd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende de cursus volgde om, in geval hij in de toekomst zou solliciteren naar een - mogelijke - vacante functie van piloot bij een Duitse luchtvaartmaatschappij, zijn kansen op een dienstbetrekking bij een dergelijke maatschappij te vergroten.

5.4.

Aftrekbaarheid medische keuring (€ 329)

5.4.1.

Belanghebbende heeft zijn standpunt in hoger beroep als volgt toegelicht:

“Ten aanzien van de medische kosten verwijzen wij naar een schrijven van (…) Meuldijk van de Belastingdienst (hierna de Brief). (…) Meuldijk heeft (uitvoerig) onderzoek gedaan naar de aftrekbaarheid van studiekosten van piloten en naar de mate waarin vertrouwen opgewekt zou kunnen zijn dat in rechte te honoreren is. De medische keuring werd “gewoon” gehonoreerd. De (Brief) ziet op een situatie uit 2011, waarin de wettekst gelijkluidend was aan die van 2012. De kosten van de medische keuring vormen daarmee naar ons oordeel of (onderdeel) van de opleidingskosten, danwel is sprake van in rechte te honoreren vertrouwen op grond van beleid van de Belastingdienst.”

5.4.2.

De inspecteur stelt in hoger beroep dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan met de opleiding tot piloot. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel stelt de inspecteur onder andere dat geen sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling. Hij schrijft in zijn verweerschrift in hoger beroep:

“Het standpunt zoals dat is verwoord in de (Brief) heeft zowel betrekking op een andere belastingplichtige als op een ander belastingjaar. Daarnaast waren ook de omstandigheden van de desbetreffende belastingplichtige anders. Uit de (Brief) blijkt dat die belastingplichtige nog volop bezig was met zijn initiële opleiding”

5.4.3.

Niet in geschil is dat de inspecteur die de Brief heeft geschreven aan dezelfde eenheid was verbonden als de inspecteur (die in dit geschil als bevoegde inspecteur optreedt).

5.4.4.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de kosten van de medische keuring niet op basis van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 aftrekbaar zijn. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is niet gebleken dat deze keuring ertoe dient om de kennis en vaardigheden van belanghebbende op peil te houden, maar tot doel heeft om diens lichamelijke conditie te testen als zijnde geschikt voor de functie van piloot. Die doelstelling leidt er evenwel niet toe dat sprake is van zogenoemde scholing, maar van een medische check die op basis van artikel 6.27, eerste lid, Wet IB 2001 niet voor aftrek in aanmerking komt.

5.4.5.

Belanghebbende stelt zich kennelijk op het standpunt dat de Brief bij hem de indruk heeft gewekt dat het in aftrek toelaten van de kosten van een medische keuring berustte op een weloverwogen standpuntbepaling van de - voor hem bevoegde - inspecteur.

5.4.6.

Het Hof verwerpt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Allereerst zag de Brief op een andere belastingplichtige die in andere omstandigheden verkeerde (de initiële opleiding was nog niet afgerond) dan belanghebbende. De Brief kon dan ook redelijkerwijs niet bij belanghebbende de indruk wekken dat de inspecteur van mening was dat de kosten van de medische keuring in een situatie als de onderhavige - dat wil zeggen voor een belastingplichtige met een afgeronde beroepsopleiding als piloot - als scholingsuitgaven aftrekbaar waren.

5.4.7.

Belanghebbende heeft geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld en/of aannemelijk heeft gemaakt die tot het oordeel nopen dat enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. In ieder geval is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel - indien het Hof belanghebbendes onder 5.4.1 weergeven citaat aldus moet begrijpen - meer nodig dan één geval waarin kosten als de onderhavige door een inspecteur van dezelfde eenheid als belanghebbende - zonder enige toelichting - in aftrek zijn toegelaten.

Slotsom

5.4.

De slotsom is dat - gelet op onderdeel 3.1 - het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2012 op € 76.899 vaststellen (zie 3.3).

6 Kosten

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten gemaakt in de procedure op de voet van artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.

6.2.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde in bezwaar, beroep en hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 [bezwaarschrift] x € 249 x 1 (wegingsfactor) + 4 [beroepschrift en hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting bij de rechtbank en bij het Hof] x € 501 x 1 (wegingsfactor) = € 2.253.

7 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2012 vast op € 76.899;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.253;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten ad € 46 (beroep) en € 124 (hoger beroep) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 20 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.