Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:545

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
16/00374
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:5874, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navordering ten onrechte toegekende iack op de voet van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR. Begrip ‘fout’ in de zin van deze bepaling. Vraag wat bij een behoorlijke taakuitoefening redelijkerwijs van een aanslagregelaar mag worden verwacht die een aangifte met een bepaalde uitworpreden ter beoordeling krijgt aangeleverd. Het Hof is van oordeel dat in beginsel niet van de aanslagregelaar mag worden verwacht dat deze de aangifte onderzoekt op aspecten die geen verband houden met de uitworpreden. Dat ligt echter anders bij een (nauw) met de uitworpreden verband houdende correctie, zoals in casu de correctie van de in de aangifte geclaimde iack. De uitworpreden hield immers in dat de aangegeven inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking dienden te worden gecorrigeerd tot inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Het verzuim de samenhangende iack-correctie aan te brengen is, naar moet worden aangenomen, het gevolg van een onjuist inzicht in de feiten en/of het recht van de betrokken aanslagregelaar. Hieraan doet niet af een gedraging of uitlating van een leidinggevende jegens de aanslagregelaar om de aangeleverde uitworpreden zo beperkt mogelijk te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/399
V-N 2018/23.24.6
Viditax (FutD), 21-02-2018
FutD 2018-0550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00374

8 februari 2018

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

tegen de uitspraak van 20 juli 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/1678 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 14 februari 2013 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2010 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.774, met toekenning van een algemene heffingskorting van € 1.723 en een inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) van € 775 (hierna: de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 juli 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.774, met toekenning van een algemene heffingskorting van € 1.987 en zonder toekenning van een iack.

1.3.

Na tegen de navorderingsaanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur deze bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2015 gehandhaafd.

1.4.

Na het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak:

  • -

    het beroep gegrond verklaard;

  • -

    de uitspraak op bezwaar vernietigd;

  • -

    de navorderingsaanslag vernietigd;

  • -

    bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, en

  • -

    de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 aan belanghebbende te vergoeden.

1.5.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 augustus 2016, aangevuld bij brief 21 september 2016. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij brief van 16 oktober 2017 heeft de inspecteur een nader stuk ingediend. Hiervan is een afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 8 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’).


“1. Eiseres is gehuwd met [Y] en woont met haar echtgenoot en drie kinderen te [Z] . Eiseres heeft sinds het jaar 2003 geen aangifte ib/pvv gedaan.

2. Eiseres ontving in 2010 van de gemeente [A] een bijstandsuitkering van € 6.774 waarop € 445 aan loonheffing is ingehouden.

3. In april 2012 heeft eiseres een brief van de Belastingdienst ontvangen over het terugvragen van inkomstenbelasting over 2010, omdat volgens gegevens van de Belastingdienst eiseres over dat jaar mogelijk recht zou hebben op een teruggaaf van € 167.

4. Op 2 augustus 2012 heeft eiseres op basis van de hiervoor genoemde brief haar aangifte ib/pvv over het jaar 2010 ingediend naar een verzamelinkomen van € 6.774. Eiseres heeft in de aangifte al haar inkomsten onder de rubriek 2 ‘Loon en ziektewetuitkeringen’ als inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven. Tevens heeft eiseres bij onderdeel 33a van de aangifte aangegeven dat zij voldeed aan de voorwaarden voor heffingskortingen voor ouders door aankruising van het vakje voor ‘inkomensafhankelijke combinatiekorting’.

5. Verweerder heeft bij brief van 14 december 2012 aangekondigd dat is gebleken dat eiseres in haar aangifte ten onrechte een of meer bedragen heeft aangegeven in de rubriek ‘inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’, en dat deze bedragen zullen worden verplaatst naar de rubriek ‘inkomsten uit vroegere dienstbetrekking’.

6. Met dagtekening 14 februari 2013 is de definitieve aanslag ib/pvv 2010 opgelegd. Bij de aanslagregeling zijn de ontvangen bedragen aan bijstandsuitkering en de daarop ingehouden loonheffing verplaatst van de rubriek tegenwoordige arbeid naar de rubriek vroegere arbeid/ontvangen uitkeringen. De aanslag resulteert in een teruggaaf van € 716 (inclusief bedrag van € 38 aan vergoede heffingsrente). Hierbij is aan eiseres een bedrag van € 775 aan inkomensafhankelijke combinatiekorting toegekend.


7. Verweerder heeft in zijn brief met dagtekening 3 juli 2014 aan eiseres geschreven dat de aanslag ib/pvv 2010 te laag is vastgesteld doordat daarbij ten onrechte een bedrag aan inkomensafhankelijke combinatiekorting in aanmerking is genomen. Als gevolg hiervan zal aan eiseres een navorderingsaanslag ib/pvv 2010 worden opgelegd. En verder onder meer:

“Het bedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting dat u moet terugbetalen, staat op uw definitieve aanslag. Omdat wij deze fout hebben gemaakt, betaalt u geen boete en belastingrente.”

8. De aan eiseres met dagtekening 26 juli 2014 opgelegde navorderingsaanslag ib/pvv 2010 behelst een te betalen bedrag van € 511.”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.

2.3.

In een op verzoek van de rechtbank door de inspecteur overgelegd stuk, gedagtekend 15 februari 2014, afkomstig van de ‘damage coördinator IMB aanslag IH’, gericht aan de ‘damage regisseur BCA’ en in kopie aan onder meer de ‘damage beslisser BCA’ en de ‘vervangend damage beslisser BCA’ (hierna: het damage memo), is onder meer het volgende vermeld:


“Omschrijving damage
Op 10-02-2014 is DMP 2014-06 aangemaakt. Tijdens de gefaseerde opstart van massaal corrigeren stellige correctie H560 voor belastingjaar 2012 is geconstateerd dat in een deel van de opgelegde definitieve aanslagen ten onrechte een bedrag van € 1.024 aan Inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna IACK) is berekend.
(…)
Voorwaarden inkomensafhankelijke combinatiekorting
U krijgt de inkomensafhankelijke combinatiekorting als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
(…)
3) Uw inkomen uit werk (loon, winst of bijvoorbeeld freelance-inkomsten) is hoger dan
€ 4.814 of u krijgt de zelfstandigenaftrek (of kunt deze krijgen).
(…)
De damage speelt zich af op voorwaarde 3.
De voorwaarde 3 is uitgewerkt in bovenstaande rekentabellen [Hof: niet opgenomen]. Uit deze rekentabellen kan het volgende worden geconcludeerd:

a) Iemand die aan de voorwaarden voor IACK voldoet en (recht op) zelfstandigenaftrek heeft, heeft minimaal recht op € 1.024 IACK (…), dus ook als het arbeidsinkomen niet meer is dan € 4.814!.
b) Iemand die aan de voorwaarden voor IACK voldoet en geen (recht op) zelfstandigenaftrek heeft en het arbeidsinkomen niet meer is dan € 4.814, heeft recht op € 0 IACK!

Voorkomen nieuwe damage definitieve aanslagen 2008 tot en met 2012.
De foute aanslagen kunnen nog ontstaan vanaf belastingjaar 2008.
(…)
Analyse foutsituaties
Analyse van de bevinding heeft duidelijk gemaakt dat deze fout zich al jaren heeft voorgedaan in de volgende 2 situaties:
1. In de eerste plaats bij de zgn. “stellige correcties” vanaf belastingjaar 2011 geautomatiseerd via massaal corrigeren voor de uitworpreden H560 in ABS worden doorgevoerd. Deze uitworpreden H560 heeft betrekking op belastingplichtigen die in de aangifte ten onrechte loon uit vroegere dienstbetrekking bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking hebben aangegeven. Effect van deze onjuiste invulling is dat er ten onrechte (…) inkomensafhankelijke combinatiekorting (…) wordt berekend. Dit wordt middels de automatische correctie hersteld in de definitieve aanslag.
Het bedrag aan inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt berekend aan de hand van het door ABS afgeleide “berekende arbeidsinkomen”, dit is het totaal van loon, winst vóór ondernemersaftrek en resultaat uit overige werkzaamheden. Door het verschuiven van het loon tegenwoordige dienstbetrekking naar vroegere dienstbetrekking, wordt het “berekende arbeidsinkomen” verlaagd (in veel gevallen tot nul). In het geval bij deze correcties in de aangifte ook de kruisrubriek “recht op IACK” is ingevuld, had deze rubriek ook automatisch moeten worden gecorrigeerd (verwijderd) in die situatie dat het berekende arbeidsinkomen na correctie niet meer is dan € 4.814, en er ook (geen recht) op zelfstandigenaftrek is.
Deze automatische correctie is niet ontworpen binnen het Massaal Corrigeren proces en daarbij is dit probleem functioneel zeer lastig op te lossen binnen het huidige ontwerp.
Medeoorzaak van de fout is dat in berekenen ABS geen onderscheid wordt gemaakt tussen de hiervoor onder letter a en b beschreven varianten. Uitgangspunt voor berekenen was dat de kruisrubriek “recht op IACK” nooit wordt aangeboden aan berekenen als niet aan voorwaarde 3 wordt voldaan. In de praktijk blijkt dit dus niet zo te zijn.
Vanaf 2011 ontstaat deze fout dus bij automatische correcties via het proces “massaal corrigeren” voor de uitworpreden H560. Tot en met belastingjaar 2010 worden deze correcties “handmatig” aangebracht door aanslagregelaars. De medewerker moet als er ook sprake is van IACK de kruisrubriek “recht op IACK” verwijderen als het “arbeidsinkomen” door de looncorrectie lager wordt dan de ondergrens waarop recht bestaat op IACK. De query heeft aangetoond dat deze aanvullende correctie regelmatig ten onrechte niet is aangebracht.
(…)
Omvang damage

Belastingjaar Bedrag IACK per aanslag Aantal foutposten Belastingderving (maximaal) #
(…) (…) (…) (…)
2010 € 775 2.256 € 1.748.400
(…).”

2.4.

In een pleitnota van de inspecteur, bestemd voor de behandeling van de zaak ter zitting van het Hof van 18 oktober 2017 (de behandeling van de zaak is toen verdaagd in verband met het overlijden van de gemachtigde van belanghebbende), is onder meer het volgende vermeld:


“In een vergelijkbare zaak is op 7 maart 2017 uitspraak gedaan door Gerechtshof Arnhem. (…) Volgens het Hof blijkt uit het zogenaamde ‘damage memo’ dat de inspecteur in de gevallen waartoe ook belanghebbende behoort, altijd handmatig een correctie diende aan te brengen als geen recht (meer) zou bestaan op IACK.
(…)
In het kader van het lopende cassatieberoep (Hof Arnhem) is nader uitgezocht hoe het precies zit met de oorzaak van de fout op basis waarvan wordt nagevorderd. Uit navraag bij de makers van het programma is gebleken dat het nimmer de bedoeling is geweest dat het aangifteprogramma erin zou voorzien dat de IACK automatisch werd gecorrigeerd. Zoals ook blijkt uit het ‘damage memo’ diende de inspecteur de IACK handmatig aan te passen voor zover dat nodig zou zijn.
(…)
(…), voortschrijdend inzicht leidt ertoe dat ik moet concluderen dat van een programmeerfout (…) geen sprake is geweest.
Zoals ik hiervoor al aanhaalde en wat Hof Arnhem ook schrijft in zijn eerdergenoemde uitspraak, blijkt uit het zogenaamde ‘damage memo’ dat de inspecteur in de gevallen waartoe de onderhavige casus behoort, altijd handmatig een correctie diende aan te brengen als geen recht (meer) zou bestaan op de IACK. En uit navraag bij de makers van het programma is eveneens gebleken dat het nimmer de bedoeling is geweest dat het programma hierin zou voorzien.”

2.5.

Ter zitting van het Hof is door de inspecteur onder meer het volgende verklaard:


“Door mijn leidinggevende is mij verteld dat ik mij dien te beperken tot de uitworpreden.
Er is geen tijd voor een ‘hobbyende’ inspecteur. (…)
Op mijn beeldscherm wordt de volgende tekst vermeld bij uitworpreden H560: “Loon uit vroegere dienstbetrekking in verkeerde rubriek ingevuld of niet aangegeven. Door abs berekende arbeidskorting onjuist.”. Voor uitworpreden H560 waren verder geen specifieke instructies beschikbaar voor de aanslagregelaar.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank is voor het Hof in geschil of de inspecteur de bij de aanslag ten onrechte toegekende inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) op de voet van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan navorderen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer in de onderdelen 12 tot en met 17 van haar uitspraak het volgende overwogen.

“12. Artikel 16, eerste lid, van de Awr (cursiveringen door de rechtbank toegevoegd), bepaalt:

“Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”

13. De hiervoor cursief weergegeven tekstdelen zijn per 1 januari 2001 in deze bepaling opgenomen op basis van de Invoeringswet Wet IB 2001. In de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wet IB 2001 staat hierover het volgende vermeld:

“In het systeem van de Wet inkomstenbelasting 2001 leidt een verhoging van de standaardheffingskorting bij de minstverdienende partner tot het verlenen van het recht op uitbetaling van de heffingskorting (artikel 8.1.8 Wet inkomstenbelasting 2001). Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een uit te betalen heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend moet de inspecteur de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kunnen navorderen overeenkomstig de bestaande mogelijkheid van navordering van een ten onrechte of tot een te hoog verleende vermindering van belasting. De heffingskorting is naar aard namelijk een vermindering van belasting. Ten einde misverstanden te voorkomen wordt dit expliciet in artikel 16, eerste lid, tot uitdrukking gebracht.” MvT, Kamerstukken II, 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 23.

14. In het tweede lid van artikel 16 van de Awr zijn een aantal gevallen omschreven waarin ook kan worden nagevorderd zonder dat sprake is van een zogenoemd nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Awr. Met ingang van 1 januari 2010 is artikel 16, tweede lid, letter c, van de Awr ingevoerd. Artikel 16, tweede lid, aanhef en letter c, van de Awr luidt:

“Navordering kan mede plaatsvinden in gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat:

(…)

c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.”

15. Naar het oordeel van de rechtbank laat artikel 16 van de Awr, en in het bijzonder het tweede lid, aanhef en letter c, van dit artikel naar haar duidelijke bewoordingen niet toe heffingskorting in een situatie als hier aan de orde na te vorderen. Anders dan in artikel 16, eerste lid, van de Awr, spreekt het tweede lid, van deze bepaling niet expliciet over de mogelijkheid van navordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting indien een in de belastingwet voorziene heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 16, tweede lid, letter c, van de Awr is ingevoerd per 1 januari 2010 en derhalve ná de hiervoor onder 12 cursief aangeduide wijziging van het eerste lid van dat artikel. Indien de wetgever met het tweede lid, letter c, beoogde in geval van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting onder de daar genoemde omstandigheden ook navordering mogelijk te doen zijn, zou het ter vermijding van enige twijfel en ter voorkoming van misverstanden en gelet op de tekst van het eerste lid, voor de hand hebben gelegen een vergelijkbare passage over heffingskorting als in het eerste lid ook in het tweede lid, op te nemen.

Tegenover de wettekst biedt de wetsgeschiedenis van (de met ingang van 1 januari 2010 geldende) tekst van het tweede lid, onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat in een geval als hier aan de orde navordering kan plaatsvinden.

16. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat navordering van ten onrechte uitgekeerde heffingskortingen op grond van de tekst van het tweede lid, letter c, niet ondubbelzinnig wordt uitgesloten, dienen de gevolgen van een eventuele onduidelijkheid in de wettekst voor rekening van de wetgever te blijven. Het is aan de wetgever er voor zorg te dragen dat de mogelijkheid van navordering en de voorwaarden waaronder navordering mogelijk is, kan worden gelezen in een duidelijke wettekst.

17. Niet in geschil is dat verweerder de onderhavige navorderingsaanslag niet kan worden gegrond op artikel 16, eerste lid, van de Awr, aangezien een nieuw feit voor navordering ontbreekt. Gelet op het voorgaande dient de navorderingsaanslag te worden vernietigd.”


Standpunten partijen
4.2.1. De inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat herstel van het ten onrechte verlenen van een heffingskorting – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – met toepassing van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR mogelijk is, mits zich een ‘fout’ als bedoeld in die bepaling heeft voorgedaan.

4.2.2.

Het – ten onrechte – vaststellen van de aanslag met toekenning van iack, is volgens de inspecteur niet het gevolg van een programmeerfout of – naar het Hof begrijpt – een fout in het systeem van het automatisch vaststellen van aanslagen en/of verwerken van aangiften. Het bij aanslag toekennen van iack is volgens de inspecteur (desalniettemin) een fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR, zodat in een dergelijk geval ook zonder aanwezigheid van een nieuw feit kan worden nagevorderd. In dit verband wijst de inspecteur op de massaliteit van het aanslagregelend proces en op de omstandigheid dat

– bij beperkte (personele) middelen en beschikbare tijd – van een aanslagregelaar niet kan worden verwacht dat hij van een aangifte die met een bepaalde uitworpreden voor aanslagregeling bij hem wordt aangeleverd meer onderzoekt dan uitsluitend hetgeen in de desbetreffende uitworpreden is vermeld. Hiervan uitgaande dienen volgens de inspecteur ook fouten die het gevolg zijn van deze werkwijze als fout in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR te worden aangemerkt.

4.3.

Belanghebbende is het niet eens met het standpunt van de inspecteur en refereert aan het oordeel van het Hof.

Oordeel Hof
4.4.1. Vaststaat dat belanghebbende in 2010 van de gemeente [A] een bijstandsuitkering heeft genoten en dat zij deze in de door haar ingediende aangifte ib/pvv onder vraag 2 als ‘inkomsten uit loondienst’ heeft opgenomen en niet (zoals zij had behoren te doen) onder vraag 3 als ‘uitkering’. Tevens heeft belanghebbende in die aangifte bij vraag 33 (‘Heffingskortingen voor ouders met thuiswonende kinderen’) aangegeven dat zij in aanmerking komt voor de iack. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende het aangiftebiljet op deze punten onjuist heeft ingevuld en dat zij niet in aanmerking komt voor de iack.

4.4.2.

Bij het opleggen van de aanslag is niet onderkend dat belanghebbende geen recht heeft op de iack.

4.4.3.

Anders dan de rechtbank heeft beslist acht het Hof in het geval dat ten onrechte een iack is toegekend het herstel van die fout op de voet van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR – zonder aanwezigheid van een nieuw feit – door middel van een navorderingsaanslag in beginsel wel mogelijk (Hof Amsterdam 31 mei 2016, nr. 15/00778, ECLI:NL:GHAMS:2016:3335).

4.4.4.

Waar het op aankomt is het antwoord op de vraag of het bij het opleggen van de aanslag – ten onrechte – toekennen van iack een fout is als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR.

4.4.5.

In de parlementaire behandeling die met ingang van 2010 heeft geleid tot het tweede lid, aanhef en onderdeel c, van artikel 16 AWR is hierover onder meer het volgende vermeld:

““Fout” is een neutraal en ruim begrip, waaronder in elk geval schrijf-, reken-, overname-, intoetsfouten en fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften vallen. De afwezigheid van enige reden voor de onjuiste vaststelling van de belastingschuld kan een belangrijke aanwijzing zijn dat een fout is gemaakt. (…) De introductie van de navorderingsmogelijkheid bij fouten omvat dus ook niet de gevallen waarin de belastingaanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht. Als voorbeeld: navordering is nog steeds niet mogelijk om terug te komen op een kwalificatie van een bepaald bestanddeel of beoordeling van een feitelijke situatie bij de aanslagregeling.”, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 25,


en


“Met de voorgestelde aanvulling van de navorderingsbevoegdheid heeft het kabinet deels de schrijf- en tikfoutenjurisprudentie willen codificeren. (…) (Andere) fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze van de Belastingdienst vallen echter niet onder deze jurisprudentie en daarvoor leidt de voorgestelde wijziging tot een daadwerkelijke uitbreiding van de navorderingsbevoegdheid. Met deze uitbreiding neemt het kabinet afstand van het aan de AWR ten grondslag liggende, maar als sinds langere tijd niet meer reëel zijnde uitgangspunt dat de inspecteur per belastingplichtige de belastingschuld beoordeelt en handmatig een belastingaanslag vaststelt.”, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 48,


en


“De Belastingdienst dient vanzelfsprekend zorgvuldig te handelen. Het zorgvuldigheids-beginsel is neergelegd in art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de reikwijdte is nader bepaald in de jurisprudentie. De belastingplichtige mag erop vertrouwen dat de Belastingdienst zorgvuldig handelt en kan in voorkomende gevallen de Belastingdienst daaraan houden. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie (…) antwoordt het kabinet dat de voorgestelde wetswijziging derhalve inderdaad geen vrijbrief is voor de Belastingdienst om “slordig” te handelen, maar dat de Belastingdienst daarentegen de hoogste mate van zorgvuldigheid zal blijven betrachten.”, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 49.

4.4.6.

In het onderhavige geval heeft een aanslagregelaar van de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag – handmatig – uitvoering gegeven aan een hem door een automatiseringsafdeling van de Belastingdienst opgeleverde correctie van de aangifte van belanghebbende. Deze correctie is aangeduid als ‘uitworpreden H560’ en voorziet erin dat de door belanghebbende genoten uitkering die (abusievelijk) in de rubriek ‘inkomsten uit loondienst’ van het aangiftebiljet is opgenomen, alsnog in de juiste rubriek wordt geplaatst. Als gevolg van deze correctie werd het ‘arbeidsinkomen’ lager dan de ondergrens waarop nog recht bestaat op de iack. In verband met deze omstandigheid heeft belanghebbende in haar aangifte door middel van de kruisrubriek ‘recht op iack’ – ten onrechte – aangegeven dat zij recht heeft op de iack. Voornoemde aanslagregelaar heeft bij het opleggen van de aanslag evenwel nagelaten het ‘recht op iack’ uit de gedane aangifte te verwijderen. De vraag is nu of dit nalaten een fout is als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR. Bij een bevestigend antwoord op deze vraag heeft de inspecteur de bij het opleggen van de aanslag gemaakte fout bevoegdelijk kunnen herstellen door middel van de in geschil zijnde navorderingsaanslag.

4.4.7.

Aldus geformuleerd komt het geschil in wezen neer op de vraag wat bij een behoorlijke taakuitoefening redelijkerwijs van de aanslagregelaar mocht worden verwacht. Bij het beantwoorden van deze vraag speelt onder meer de context waarin de aanslagregelaar zijn werkzaamheden verricht een rol. De inspecteur heeft in dat verband erop gewezen dat van de aanslagregelaar in een dergelijke situatie wordt verwacht dat hij zich beperkt tot uitsluitend een behandeling van uitworpreden H560 en dat dit (mede) volgt uit de massaliteit van de desbetreffende werkzaamheid en de beperkte daarvoor ter beschikking staande tijd. Het Hof volgt dit betoog, in zoverre het op grond van hetgeen de inspecteur heeft gesteld aannemelijk acht dat – bij de beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van een ‘fout’ als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR – van de aanslagregelaar niet kan worden verwacht dat hij deze aangifte onderzoekt op aspecten die geen verband houden met de aan hem voorgelegde uitworpreden.

4.4.8.

Het onder 4.4.7 overwogene geldt naar het oordeel van het Hof echter niet voor een (nauw) met de uitworpreden verband houdende correctie, zoals – in het onderhavige geval – het herstel van een ten onrechte in de aangifte vermeld recht op de iack. De uitworpreden hield immers in dat de aangegeven inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking dienden te worden gecorrigeerd (en alsnog werden aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking); na deze correctie (tot nihil) van het aangegeven arbeidsinkomen bevatte de aangifte op dit punt alle informatie om tot een juiste vaststelling van de aanslag te komen. Het bezien of in verband met deze correctie recht bestaat op iack valt dan ook binnen een behoorlijke taakuitoefening vallend onderzoek naar de uitworpreden. Het laatstgenoemde oordeel volgt overigens ook uit de in het damage memo opgenomen normstelling ter zake van een dergelijke samenhangende correctie voor (onder meer) het jaar 2010 (als vermeld onder 2.3), alsmede uit de opvatting die de inspecteur in zijn pleitnota heeft opgenomen (als vermeld onder 2.4).

4.4.9.

Ook overigens kan in een geval als het onderhavige, mede gelet op hetgeen in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt (als vermeld onder 4.4.5), het verzuim de samenhangende iack-correctie aan te brengen, niet worden aangemerkt als een handeling die in de gegeven situatie valt binnen de grenzen van hetgeen van een behoorlijk functionerend aanslagregelaar mag worden verwacht. Het verzuim is naar moet worden aangenomen het gevolg van een onjuist inzicht in de feiten en/of het recht van de betrokken aanslagregelaar. Het verzuim is derhalve niet aan te merken als een ‘fout’ als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR. Veeleer is (mede) sprake van een onzorgvuldig handelen waarvoor, zoals in de parlementaire behandeling is overwogen, artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR meer in het bijzonder niet is bedoeld.

4.4.10.

Dit oordeel wordt niet anders door de omstandigheid dat, zoals de inspecteur ter zitting heeft betoogd, de leidinggevende(n) van de aanslagregelaar(s) – naar het Hof de inspecteur begrijpt – van de aanslagregelaars verwachtte(n) dat zij hun activiteit, bestaande uit het behandelen van uitworpreden H560, tot een minimum zouden beperken. Indien en voor zover het gestelde minimum inhoudt dat in gevallen als het onderhavige de samenhangende iack-correctie achterwege blijft – voor het jaar 2010 is daarmee kennelijk in totaal een bedrag van € 1.748.400 gemoeid –, dan geldt ook in zoverre dat niet wordt gehandeld binnen de grenzen van wat in de gegeven situatie van een behoorlijk functionerend aanslagregelaar mag worden verwacht. Waar dit verzuim is toe te schrijven aan een formele of informele aanwijzing van een leidinggevende geldt dat (ook) die aanwijzing is te beschouwen als een handeling van de in artikel 2, derde lid, onderdeel b, respectievelijk artikel 11, eerste lid, AWR bedoelde inspecteur dan wel daaraan moet worden toegerekend. Dat een functionaris een gedraging of uitlating van een leidinggevende met betrekking tot de aanslagregeling heeft opgevat (of heeft kunnen opvatten) als een aanwijzing om de opgeleverde uitworpreden (zeer) beperkt te behandelen, is in dit kader, bij de beoordeling van de bevoegdheidsuitoefening van ‘de inspecteur’, dan ook niet van belang.


Slotsom
4.5. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank – met verbetering van gronden waar het de reikwijdte van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, AWR betreft – moet worden bevestigd.

5
5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 8 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.