Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
23-001870-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van opruiing door “afschieten dat wijf” (Sylvana Simons) op Facebook te posten. Geen beroep gedaan op art. 10 EVRM en hof ziet ook ambtshalve geen enkel aanknopingspunt voor oordeel dat sprake is (ongerechtvaardigde) inbreuk op recht van vrijheid van meningsuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001870-17

datum uitspraak: 15 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-659342-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2014 tot en met 14 oktober 2016 te Diemen en/of Amsterdam en/of Leiden, in elk geval in Nederland, in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte (middels een facebookaccount "[naam]) een bericht op facebook geplaatst/gedeeld met de inhoud: "Afschieten dat wijf";

subsidiair:
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2014 tot en met 14 oktober 2016 te Diemen en/of Amsterdam en/of Leiden, in elk geval in Nederland, S.H. Simons heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (middels een facebookaccount "[naam]") een bericht op facebook geplaatst/gedeeld met de inhoud: "Afschieten dat wijf", in elk geval een of meer woord(en) van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsverweren en bewijsoverwegingen

Daderschap

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken op grond van het volgende. De context van de aan de verdachte toegeschreven uitlating ontbreekt geheel, evenals het tijdstip waarop die uitlating vervaardigd zou zijn en door de aangeefster of haar medewerkers is ontdekt. Ook is onopgehelderd gebleven waarop met deze uitlating is gereageerd en op wie de uitlating betrekking heeft. Voorts is onduidelijk waarom de aangeefster de uitlating op zichzelf heeft betrokken.

De verdachte heeft hieraan ter terechtzitting in hoger beroep toegevoegd dat hij zich het plaatsen van de uitlating met zijn Facebookaccount “[naam]” niet kon herinneren, dat anderen van zijn computer gebruik konden maken en dat hij er niet van uit gaat dat hij op Facebook “afschieten dat wijf” heeft gezegd. De inhoud van zijn bij de politie afgelegde verklaring zou, volgens de verdachte, het gevolg zijn van de omstandigheid dat hij “moeilijk de hele tijd nee kan zeggen” (tegen de politie), dat hij “probeert met het systeem mee te werken” en “als aan hem een vraag wordt gesteld, hij de beschikbare info gebruikt in zijn antwoord”.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2017 afgelegde verklaring, houdt onder meer in dat hij niets aan zijn bij de politie afgelegde verklaring had toe te voegen, dat “het” (het hof begrijpt: de onderhavige uitlating op Facebook) een emotionele reactie was op Facebook, een vrij medium, dat hij dacht zeker te weten dat “het” betrekking had op mevrouw Simons, dat “het” eenmalig was en dat hij “het” er waarschijnlijk zelf van (Facebook) af heeft gehaald. In het licht van die verklaring en in aanmerking genomen dat de inhoud van de door de verdachte op 14 oktober 2016 bij de politie afgelegde verklaring geen enkele aanleiding geeft te veronderstellen dat de verdachte daarin anders dan in vrijheid, weloverwogen en uit eigen wetenschap en ondervinding antwoord heeft gegeven op hem gestelde vragen, verwerpt het hof het verweer van de verdachte voor zover dat ertoe strekt dat hij zich bij de beantwoording van vragen door de politie heeft laten sturen op een wijze die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid of betekenis van hetgeen als zijn verklaring is opgetekend en door hem is ondertekend. Op de inhoud van deze verklaring, in samenhang beschouwd met de inhoud van de overige hierna vermelde bewijsmiddelen, stuit het verweer van de raadsman af.

Opzettelijk aanzetten tot ongeoorloofd handelen

De raadsman heeft voorts betoogd dat de context van de uitlating ontbreekt, waardoor niet zonder twijfel kan worden gezegd dat is aangezet tot iets ongeoorloofds noch dat de verdachte met het vereiste opzet heeft gehandeld, zodat reeds om die reden vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer op grond van het volgende.

“Afschieten dat wijf” is een uitlating die reeds op zichzelf beschouwd aanzet tot een strafbaar feit, te weten moord / doodslag. Het hof neemt voor wat betreft de context waarin de verdachte deze uitlating heeft gedaan in aanmerking dat de aangeefster, op wie zijn uitlating naar zeggen van de verdachte betrekking had, in de periode waarin de verdachte zijn uitlating deed, via onder meer programma’s op de nationale televisiezenders deelnam aan de discussie over zwarte piet en zich had aangesloten bij de politieke partij Denk, in het kader waarvan zij is geconfronteerd met een enorme hoeveelheid racistische en haatdragende, aan haar gerichte reacties via diverse media, waaronder Facebook. De suggestie dat de verdachte zich van die context niet bewust is geweest, acht het hof volstrekt onaannemelijk, mede in aanmerking genomen dat hij heeft verklaard zijn uitlating te hebben gedaan naar aanleiding van wat iemand of Sylvana op Facebook had gezet. Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte, gezien de expliciete bewoordingen van de uitlating, bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat anderen zijn uitlating zouden opvatten als een aanmoediging een ernstig geweldsdelict te plegen.

In het openbaar

De raadsman heeft betoogd dat het plaatsen van de uitlating door de verdachte op Facebook niet is aan te merken als “in het openbaar” opruien, nu op Facebook de mogelijkheid bestaat vertrouwelijk te communiceren zonder dat derden van de inhoud van die communicatie kennis kunnen nemen. Nu niet duidelijk is op welke locatie het bericht is aangetroffen, biedt het enkele feit dat het bericht bij de aangeefster terecht is gekomen onvoldoende wettig en/of overtuigend bewijs voor de vereiste openbaarheid, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer op grond van het volgende.

De raadsman heeft in zijn algemeenheid gesteld dat Facebook de mogelijkheid biedt van vertrouwelijke communicatie. Noch de raadsman noch de verdachte heeft gesteld dat de uitlating van de verdachte door middel van een privébericht is gedaan. Het hof merkt hierbij op dat, gezien de verklaring van de verdachte dat de reden van zijn uitlating een “reactie op wat iemand of Sylvana op facebook heeft gezet” was, het plaatsen van een privébericht ook niet aannemelijk is geworden. Dit geldt temeer nu de inhoud van de uitlating een algemene, aan derden gerichte oproep betreft, hetgeen ook de door de raadsman opgeworpen suggestie dat de uitlating kan zijn vervat in een vertrouwelijk e-mailbericht aan de aangeefster, onwaarschijnlijk maakt.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de uitlating op Facebook geplaatst op een wijze waardoor verdere verspreiding van die uitlating voor de hand lag. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Facebook een potentieel groot publieksbereik heeft. Alleen al uit het feit dat de aangeefster de uitlating van de verdachte aan de politie heeft overhandigd, valt af te leiden dat een breed publiek, waaronder ook personen die niet tot de Facebookvrienden van de verdachte behoren, het bericht onder ogen konden krijgen. Door deze handelwijze heeft de verdachte naar het oordeel van het hof ook het opzet op de openbaarheid gehad.

Pleegperiode

Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte zijn uitlating op Facebook heeft geplaatst in de periode van 18 mei 2016 tot en met 31 mei 2016. Daartoe acht het hof redengevend dat de bijlagen bij de op 31 mei 2016 gedane aangifte, waaronder de uitlating van de verdachte, blijkens de verklaring van de aangeefster na 18 mei 2016 zijn verzameld, terwijl uit de desbetreffende schermafdruk kan worden afgeleid dat deze is geplaatst 50 minuten voordat deze ten behoeve van het doen van aangifte werd afgedrukt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 mei 2016 tot en met 31 mei 2016 in Nederland, in het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte middels een facebookaccount “[naam]” een bericht op Facebook geplaatst met de inhoud: "Afschieten dat wijf".

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

1. Een proces-verbaal met nummer 2016152199-1 van 31 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s B1 001-B1 003. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voormelde datum afgelegde verklaring van aangeefster S.H. Simons:

Op 13 mei 2016 (het hof begrijpt: 2015) was ik te gast bij het programma De Wereld Draait Door. In dat programma ontstond een korte discussie nadat Martin Simek bootvluchtelingen in Italië “die zwartjes” had genoemd. Na afloop van de uitzending is de hel losgebarsten. Ik werd geconfronteerd met racistische, seksistische, hatelijke Tweets, Facebookberichten en andere sociale media. De zwarte pieten discussie was toen al gaande, maar er werden uitspraken gedaan als “Als u aan onze cultuur komt dan zullen we u een kopje kleiner maken” en dat ik “terug moest gaan naar mijn apenland”. Twee weken geleden heb ik mij aangesloten bij de partij Denk. Vanaf die tijd is het echt totaal geëxplodeerd. Ik krijg de ene na de andere racistische en bedreigende opmerking toegevoegd. Ik merk dat het me steeds meer persoonlijk gaat raken en dat ik mij ook zeer bedreigd voel. Doordat dit allemaal zo massaal is geworden en inmiddels structureel, voelt het voor mij steeds meer als een bedreiging; er hoeft maar één persoon te zijn die zijn uitspraken omzet in daden. Het beheerst inmiddels mijn hele leven. Ik voel mij niet meer veilig. Van een deel van de uitspraken die er gedaan zijn heb ik afbeeldingen meegenomen.

2. Een proces-verbaal met nummer 2016119157 van 14 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s B1 004-B1 007. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voormelde datum afgelegde verklaring van aangeefster S.H. Simons (A) op aan haar gestelde vragen (V):

A: Ik was op 18 mei 2016 bij De Wereld Draait Door met collega’s van Denk. Daar werd een fragment getoond van het gesprek dat ik met de heer Simek had op 13 mei 2015. In die uitzending heb ik hem aangesproken op zijn bewoordingen.

V: U gaf aan dat u vervolgens werd geconfronteerd met, onder andere, racistische en hatelijke berichten via social media. Wanneer was dit?

A: Na de tweede uitzending, dus na die van 18 mei 2016 is de hel losgebarsten. Toen hebben we al dit materiaal verzameld.

3. Een proces-verbaal met nummer 2016119157 van 14 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], doorgenummerde pagina’s C1 02-C1 05. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 31 mei 2016 deed Sylvana Simons aangifte. Aangeefster Simons voegde meerdere bijlagen voorzien van de gedane uitlatingen bij de aangifte. Wij zagen een bijlage met de volgende uitlating: “Afschieten dat wijf”. Dit bericht werd op Facebook geplaatst door een persoon die gebruik maakte van de profielnaam: “[naam]”.

4. Een geschrift, als bijlage gevoegd bij voormeld proces-verbaal, zijnde een schermafdruk van een Facebookbericht van [naam], doorgenummerde pagina C01 07. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang:

[naam]

Afschieten dat wijf

50 minuten geleden

5. Een proces-verbaal met nummer 2016119157 van 14 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], doorgenummerde pagina’s C1 08-C1 10. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte (A) op aan hem gestelde vragen (V):

V: Weet u waarvoor u hier zit?

A: Ik heb iets gezegd op Facebook, wat over Sylvana Simons gaat.

V: Is dit uw reactie en is “[naam]” uw profielnaam?

A: Profielnaam klopt.

V: Wat is de reden waarom je dit erop hebt gezet?

A: Als reactie op wat iemand of Sylvana op Facebook heeft gezet.

V: Wat is uw achterliggende gedachte?

A: Het heeft betrekking op Sylvana.

Het onder 4 vermelde geschrift is gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Door de verdediging is geen beroep gedaan op schending van artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof ziet ook ambtshalve geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat met de onderhavige berechting van de verdachte sprake zou kunnen zijn van een (ongerechtvaardigde) inbreuk op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht, indien het tot een strafoplegging komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de media-aandacht voor zijn strafzaak, en de verdachte derhalve schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing door op Facebook een bericht te plaatsen met daarin de tekst “Afschieten dat wijf”, waarmee hij het slachtoffer heeft bedoeld. Door dit bericht op een openbaar en voor het publiek toegankelijk netwerk te plaatsen heeft de verdachte bewust het risico genomen dat derden geïnspireerd zouden worden tot het plegen van moord of doodslag op het slachtoffer. Voor het slachtoffer is het zeer beangstigend geweest dat dit bericht over haar geschreven is. Het hof rekent dit de verdachte sterk aan.

De verdachte heeft zelf de keuze gemaakt zijn uitlating te richten op een persoon die sterk in de publieke belangstelling stond en deze uitlating op een openbaar en voor het publiek toegankelijk medium te plaatsen. Dat maakt dat het hof van oordeel is dat de verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij onderwerp is geworden van een strafzaak waarvoor media-aandacht is ontstaan. Het hof ziet dan ook geen aanleiding in strafverminderende zin rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte de media-aandacht rondom de berechting in eerste aanleg als belastend heeft ervaren. Voorts komt, gelet op de ernst van het feit, een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, zoals door de raadsman is verzocht, niet in aanmerking.

De verdachte heeft er weinig blijk van gegeven in te zien wat voor impact feiten als door hem gepleegd op het slachtoffer hebben gehad. Gebruikers van sociale media plegen wel vaker de ogen te sluiten voor de gevolgen van het (zeer) grove taalgebruik waarmee zij hun onvrede menen te mogen uiten. Het hof beoogt dan ook met de strafoplegging niet alleen aan de verdachte, maar ook anderen in de samenleving voor wie dat nodig is, duidelijk te maken dat het strafrecht grenzen stelt aan hetgeen men – ook via openbare sociale media – tegen of over anderen kan zeggen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 januari 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, maar die omstandigheid zal het hof de verdachte, gelet op de tijd die sinds de laatste veroordeling is verstreken, nu niet tegenwerpen.

Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, oplegging van een werkstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 131 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. A.M. Kengen, en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2018.

[…]