Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:535

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
23-001809-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen doodslag. Bevestiging vs muv straf(motivering). Gvs 8 jr, ma, en tbs met dwangverpl. Toepassing art 37b, lid 2 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001809-16

datum uitspraak: 16 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-871114-14 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen, gemeente Noordenveld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2016 en 2 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg impliciet subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en tot terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

De raadsman heeft verzocht de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren alsmede tot terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. De raadsman heeft daartoe in de kern aangevoerd dat het met het oog op de verslechterde psychische toestand van de verdachte – en in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte in de penitentiaire inrichting geen enkele vorm van behandeling krijgt – van belang is dat zo spoedig mogelijk met de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel – en de behandeling van de psychische problemen van de verdachte – wordt begonnen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het

feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof

heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Straf

De verdachte is in de avond van 28 april 2014 met de mededader, zijn zwager, naar de woning van het slachtoffer, [slachtoffer], gegaan om te praten over de wijze waarop zij de kringloopwinkel van de mededader had aangekocht. Toen [slachtoffer] zich onverschillig toonde ten aanzien van de bezwaren van de mededader en deze en de verdachte de woning uit wilde zetten, sloeg de mededader [slachtoffer] tegen het hoofd, waarna het door de verdachte en de mededader tegen [slachtoffer] gebruikte geweld escaleerde. De verdachte en de mededader hebben vervolgens in een explosie van gewelddadigheden op buitengewoon brute en gruwelijke wijze [slachtoffer] om het leven gebracht: het slachtoffer is door hen tegen het hoofd en in het gezicht geschopt en gestompt, verwurgd met een snoer en met een mes in de hals gestoken. Uit onderzoek door deskundigen is gebleken dat op zodanig grove wijze tegen het slachtoffer is opgetreden dat elk van deze methoden tot de dood van [slachtoffer] heeft kunnen leiden, maar dat zeker de combinatie ervan haar dood kan verklaren. Het kan niet anders dan dat [slachtoffer] vreselijk heeft geleden totdat zij bewusteloos raakte of overleed.

Met het plegen van dit feit heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. De verdachte en zijn mededader hebben [slachtoffer] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, opzettelijk ontnomen. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies altijd moeten dragen. Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde en versterkt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 januari 2018 is hij – onder meer – tussen 2004 en 2010 een aantal malen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. De verdachte is voorts diverse malen veroordeeld voor het plegen van diefstallen. In 2012 is hem een ISD-maatregel opgelegd die nog geen twee weken voor het bewezenverklaarde ten einde was gelopen. Het opleggen van gevangenisstraffen en de ISD-maatregel alsmede de in het kader van de tenuitvoerlegging van deze maatregel gestarte behandeling van de verdachte hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Het voorgaande noopt tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van lange duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof in strafmatigende zin ermee rekening gehouden dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Dit laatste volgt uit de met betrekking tot de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapporten, telkens opgemaakt naar aanleiding van verblijf van de verdachte in de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum door [naam 1], psychiater, en [naam 2], psycholoog, op 15 mei 2015 respectievelijk op 17 juli 2017. Voorts heeft het hof acht geslagen op het door behandelaars van de Woenselse Poort opgemaakte behandelverslag van 19 juni 2014, betreffende het verblijf van de verdachte aldaar in het kader van de aan hem opgelegde ISD-maatregel.

Het Pro Justitia-rapport van 15 mei 2015 houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis, te weten ADHD en polydrugafhankelijkheid, alsmede van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarbij zijn kenmerken van psychopathie geconstateerd. Verdachte presenteert zich als een egocentrische, sterk zelfbepalende, spanning zoekende en impulsieve man, die grote moeite heeft om te plannen, zijn hele leven bij de dag leeft, een zeer beperkt gevoelsleven en een matig ontwikkelde gewetensfunctie heeft. Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van ADHD, afhankelijkheid van verschillende middelen en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte lijkt de mogelijke gevolgen van zijn gedrag niet te hebben overdacht. De mogelijkheid om ‘nee’ te zeggen tegen zijn zwager lijkt niet in de verdachte te zijn opgekomen. Hierbij spelen zowel impulsiviteit ten gevolge van zijn ADHD als een spanningzoekende component, die grotendeels moet worden gerelateerd aan de persoonlijkheidsstoornis, een rol. De verdachte wordt zijn hele leven gedreven door primitieve impulsen en thrill seeking waaraan hij tot nu toe nauwelijks weerstand heeft kunnen bieden. Het lukt hem niet vooraf en in het hier en nu zijn gedrag te beïnvloeden en zijn impulsiviteit te verminderen. Ondanks dat de omstandigheden vlak voor het ten laste gelegde feit onvoldoende helder zijn geworden, is er hoe dan ook sprake van een aanmerkelijke mate van thrill seeking en een grote mate van impulsief en ondoordacht reageren. De onderzoekers adviseren daarom het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Naar aanleiding van het aanvullende onderzoek in 2017 zien onderzoekers geen redenen om af te wijken van hun eerdere conclusies ten aanzien van de doorwerking van de stoornissen in het ten laste gelegde feit.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte brengen mee dat oplegging van een gevangenisstaf voor de duur van acht jaren passend en geboden is. Het hof heeft hierin, zoals vermeld, de verminderde toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte meegewogen. Een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, zoals door de raadsman bepleit, doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan onvoldoende recht. Hierbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.

Maatregel

Ten aanzien van het opleggen van een maatregel wordt in het Pro Justitia-rapport van 15 mei 2015 het volgende overwogen. De verdachte leeft bij de dag, heeft een beperkt gevoel voor normen en waarden, deinst er niet voor terug om agressief te reageren als anderen hem uitdagen of provoceren en heeft weinig last van schuldgevoel. Hij ervaart detentie niet als straf en lijkt hier ook niet wezenlijk van te leren. Hoewel de verdachte aangeeft geen verslavingsprobleem meer te hebben, is de verwachting dat hij zonder adequate behandeling niet in staat zal zijn het gebruik van middelen te stoppen en zal hij na kortere of langere tijd opnieuw vervallen in heftig druggebruik. Er is bij de verdachte in geen enkele mate sprake van empathie met het slachtoffer noch van schuld- en schaamtegevoelens. Of het de verdachte er in de toekomst van kan weerhouden opnieuw in een dergelijke situatie terecht te komen. wordt dan ook betwijfeld. Met name het thrill seeking gedrag en het onvermogen van de verdachte om de mogelijke gevolgen van zijn gedrag van tevoren in te schatten en hierop te acteren – zelfs zonder excessief middelengebruik – en het verminderde geweten zijn belangrijke risicofactoren. De verdachte zegt behandeld te willen worden, maar dit heeft een voorwaardelijkheid in zich. Het al dan niet slagen van een behandeling en de motivatie voor een behandeling hangen sterk af van de mate van ‘klik’ die de verdachte ervaart met behandelaars. Wanneer het de verdachte – inherent aan een behandeling – moeilijk wordt gemaakt, is de verwachting dat de motivatie voor behandeling snel afneemt, ook gezien het beperkte doorzettingsvermogen van de verdachte. De kans op herhaling van een geweldsdelict wordt hoog ingeschat. Teneinde het risico op herhaling van een geweldsdelict te verminderen, dient met name het gebruik van alcohol en drugs te worden verminderd, gezien de veelvuldige geweldsincidenten in het verleden onder invloed van middelen. Echter, de mogelijk beperkte rol van middelen in het huidige ten laste gelegde suggereert andere (meer) belangrijke risicofactoren. De vermindering van thrill seeking gedrag is moeilijk. Dit heeft onder andere de functie om de innerlijke leegte te camoufleren of op te vullen. Het zoeken naar andere vormen van maatschappelijk geaccepteerde en minder schadelijke gedragsalternatieven zal in de behandeling aan bod moeten komen. Daarnaast zal een adequate behandeling van de ADHD de innerlijke onrust kunnen verminderen en daarmee ook een gedeelte van het thrill seeking gedrag. Tevens zal een goede ADHD-behandeling de verdachte meer rust en ruimte in zijn hoofd geven om te leren plannen en organiseren en stil te staan bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen, hetgeen de risicoprognose in gunstige zin zal kunnen beïnvloeden. Als laatste zal een langdurige psychotherapeutische behandeling binnen een ‘holding environment’ de verdachte meer zicht kunnen geven op zijn driften en drijfveren, waarna hij idealiter meer toegang zal krijgen tot zijn gevoelsleven inclusief angsten en schuldgevoelens, en is het van belang dat de verdachte deelneemt aan ego-versterkende therapieën teneinde zijn innerlijke leegte te verminderen. Het al of niet slagen van een dergelijke langdurige therapie valt of staat bij een langdurige intrinsieke motivatie van de verdachte. De behandeling binnen FPK De Woenselse Poort heeft aangetoond dat bij een te weinig beperkende maatregel en een te snelle resocialisatie de verdachte zich geregeld onttrekt aan afspraken en terugvalt in middelengebruik, hetgeen de motivatie als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. Verder is er zonder langdurige intensieve behandeling het risico op verdere verharding, hetgeen de behandelprognose in ongunstige zin beïnvloedt. Een langdurig traject waaraan de verdachte zich niet kan onttrekken is dan ook geïndiceerd. Wat betreft het juridische kader waarin een dergelijke behandeling dient plaats te vinden, achten de deskundigen gezien de hardnekkigheid en de ernst van de problematiek, de te verwachte duur van de behandeling en de noodzakelijke beveiliging oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging onontkoombaar, hetgeen dan ook wordt geadviseerd.

In het Pro Justitia-rapport van 17 mei 2017 relateren de onderzoekers dat zij na hun aanvullend onderzoek geen aanleiding zien om een verandering in het risico op herhaling van een vergelijkbaar delict te vermoeden. Zowel vanuit een klinische inschatting als uit de risicotaxatie-instrumenten wordt opnieuw een hoog risico op herhaling van een geweldsincident ingeschat. De verdachte heeft in de tussentijd een psychotische episode gehad. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Gezien de aanwezigheid van forse psychopathologie bij de verdachte adviseren de onderzoekers om naast de standaardbehandeling voor verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsstoornis bij de verdachte vooral ook veel aandacht te besteden aan zijn psychotische kwetsbaarheid en ADHD, waarbij tevens mogelijke epilepsie bij de verdachte onder de aandacht moet blijven. De onderzoekers menen dat de verdachte veel baat kan hebben bij een langdurige behandeling, zowel psychotherapeutisch als ook medicamenteus. Zij adviseren opnieuw tot het opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De verdachte heeft tijdens de behandeling in hoger beroep verklaard de noodzaak van behandeling in te zien en zich niet langer te verzetten tegen (dwang)verpleging van overheidswege.

Het hof onderschrijft de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundigen en maakt deze tot de zijne. Het hof is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestonden, het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist. Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten medeplegen van doodslag, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.

Toepassing van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht

Met betrekking tot de situatie van de verdachte tijdens het onderzoek in het Pieter Baan Centrum in de periode januari-februari 2017 concluderen de deskundigen dat de toestand van de verdachte in de loop van zijn detentie op psychisch vlak lijkt te zijn verslechterd. Onderzoekers zijn van mening dat de verdachte zich door zijn lange detentie moeilijker kan ‘verstoppen’ en dat de onderliggende problematiek (die hij eerder weghield) nu meer zichtbaar wordt. De stimulantia die hij kreeg voorgeschreven voor zijn ADHD luxeerden in een fullblown psychotische decompensatie. Daarbij moet worden opgemerkt dat psychotische episodes een langdurige herstelperiode eisen en soms zelfs een blijvende negatieve invloed kunnen hebben op de psychische gezondheid van mensen (zoals psychotische restverschijnselen of sneller opnieuw psychotisch worden).

Het voorgaande brengt het hof, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, niet tot oplegging van een lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Wel ziet het hof hierin, met de raadsman, mede vanuit preventief oogpunt de noodzaak dat zo snel als mogelijk met de behandeling van de verdachte zal worden aangevangen. Overeenkomstig artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht adviseert het hof daarom de Minister voor Rechtsbescherming dringend om de behandeling van de verdachte te laten aanvangen alvorens tot executie van de gevangenisstraf zal worden overgegaan. Meer specifiek adviseert het hof om de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 mei 2018 te doen aanvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de Minister voor Rechtsbescherming dringend om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 mei 2018 te doen aanvangen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2018.