Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5171

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
23-003430-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis, behalve ten aanzien van vordering benadeelde partij en opgelegede schadvergoeding en met aanvulling bewijsmiddelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003430-18

datum uitspraak: 23 april 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-741190-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1952,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen zal aanvullen, zoals hieronder weergegeven.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof vult het vonnis waarvan beroep met het volgende bewijsmiddel aan:

- Een proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1300-2018180682-8 van 6 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina 15).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 545,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De hoogte van de materiële schadevergoeding van de benadeelde partij is door de verdediging betwist. De raadsman stelt voorop dat niet in het geding is dat het handelen van de verdachte ertoe heeft geleid dat er schade aan de laptop van de benadeelde partij is ontstaan. Evenwel heeft de raadsman bepleit dat de hoogte van de geleden materiële schade niet valt vast te stellen nu de onderbouwing daarvan, in de vorm van een aankoopbon, ontbreekt. Gelet hierop acht de raadsman het niet billijk de vordering toe te wijzen tot een hoger bedrag dan € 272,50, zijnde de helft van de gevorderde materiële schade.

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof, evenals de raadsman, vast dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden aan zijn laptop. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof stelt vast dat een concrete onderbouwing van de zijde van de benadeelde partij van de hoogte van de materiële schade ontbreekt. Nu de vordering tot een bedrag van € 272,50 door de verdediging niet wordt betwist en het hof deze niet onbillijk acht, zal het hof de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 272,50 (tweehonderdtweeënzeventig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 272,50 (tweehonderdtweeënzeventig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 september 2018.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. F.A. Hartsuiker en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2019.

mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]