Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5149

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
200.213.158/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldleningen aan dochter en/of dier partner, looptijd 30 jaar en aflossingsvrij. Vordering tot terugbetaling van de leningen nadat de relatie verbroken was, is door de eerste rechter niet toegewezen. Noch op grond van art. 6:248 lid 1 BW (aanvulling), noch op grond van art. 6:258 BW (wijziging), dient in de overeenkomst de mogelijkheid van opzegging wegens het verbroken zijn van de relatie te worden opgenomen. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/315
RFR 2019/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.213.158/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/236678 / HA ZA 15-845

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 november 2018

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. H.A. van Hapert te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.

Partijen zullen hierna [appellante] en [geïntimeerde] worden genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 17 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 21 december 2016 alsmede van het daarop gevolgde herstelvonnis van 15 februari 2017, beide onder voornoemd zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven, met producties;

  • -

    akte wijziging eis van de zijde van [appellante] ;

  • -

    memorie van antwoord tevens houdende incidentele vordering tot oproeping in

vrijwaring, met producties;

  • -

    memorie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] ;

  • -

    schriftelijke reactie op de akte uitlating.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 29 juni 2018 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid zijn door beide partijen nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen - zoals geformuleerd in de akte van wijziging van eis van 24 oktober 2017 - zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op grond van de bestreden vonnissen aan hem heeft voldaan, met wettelijke rente, en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof hem toestaat dat hij [B] in vrijwaring zal oproepen, voorts dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar grieven en eiswijziging, althans deze zal verwerpen, en [appellante] zal veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 21 december 2016 onder het kopje “De feiten” onder 3.1 tot en met 3.6 een aantal feiten als vaststaand opgesomd. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat bij de beoordeling van het hoger beroep ook enkele andere, hierna te noemen, feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellante] heeft op 3 april 2009 aan [geïntimeerde] en diens toenmalige levenspartner [B] (hierna: [B] ), dochter van [appellante] , een bedrag geleend van € 1.000.000,=, met een looptijd van 30 jaar en tegen een rente die over 2014 in totaal € 12.910,75 bedroeg. Op de geldlening behoefde voor de einddatum niet te worden afgelost. De overeenkomst van geldlening is vastgelegd in een notariële akte die onder meer het volgende inhoudt:

“(…)

1. Looptijd

De geldlening is – tenzij deze wordt verlengd – verstrekt voor een tijdsduur, die eindigt op drie april tweeduizend negenendertig.

(…)

4. Opzegging

De hoofdsom is – behoudens de hierna sub 5. bepaalde gevallen van opeisbaarheid – niet opeisbaar voor drie april tweeduizend negenendertig (…)

5. Opeisbaarheid

De hoofdsom is direct opeisbaar en dient met de lopende en de eventueel achterstallige rente en met drie maanden extra rente te worden terugbetaald:

a. bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen;

(…)”

8. Positieve hypotheekverklaring

De schuldenaar is verplicht om op eerste verzoek van schuldeiser voldoende hypothecaire zekerheid te verschaffen tot meerdere zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de onderhavige overeenkomst.

(…)”

(ii) In juni 2010 heeft [appellante] , eveneens bij wijze van geldlening, aan [geïntimeerde] een bedrag van € 75.000,= verstrekt, zulks op dezelfde voorwaarden als de eerdere lening. Deze geldlening is niet schriftelijk vastgelegd.

(iii) Eerdere rentebetalingen werden voldaan uit een jaarlijkse schenking van [appellante] aan [geïntimeerde] en [B] ten bedrage van aanvankelijk € 50.000,- en later

€ 100.000,= per jaar. De affectieve relatie tussen [geïntimeerde] en [B] die op 24 november 1994 begon en waaruit twee kinderen zijn geboren, is in de loop van 2014 geëindigd, de samenwoning in het najaar van 2014.

(iv) Met betrekking tot de over 2014 verschuldigde rente heeft [appellante] aan [geïntimeerde] facturen doen toekomen d.d. 24 juli 2014 (ad € 6.794,=) en 1 december 2014

(ad € 6.116,75). Nadat deze facturen onbetaald waren gebleven, heeft de raadsman van [appellante] bij brief van 5 januari 2015 [geïntimeerde] gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling over te gaan, bij gebreke waarvan aanspraak zou worden gemaakt op terugbetaling van de gehele hoofdsom van de twee geldleningen.

( v) [geïntimeerde] heeft de openstaande renteposten in twee gedeelten voldaan door betaling van een bedrag van € 2.000,= op 16 januari 2015 en van een bedrag van

€ 10.910,75 op 17 februari 2015. De rente over 2015 en 2016 is door [geïntimeerde] tijdig en correct voldaan.

(vi) Op 13 februari 2015 heeft [appellante] beslag laten leggen op een aantal onroerende zaken van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft in reactie hierop een executiegeschil aanhangig gemaakt. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 7 april 2015 is geoordeeld dat de hoofdsom weliswaar opeisbaar is, maar dat het op dat moment opeisen daarvan in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert. De voorzieningenrechter heeft de executie van de geldleningsovereenkomst voor de duur van zes maanden geschorst.

(vii) Na het vonnis van 7 april 2015 heeft [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd om op grond van artikel 8 van de geldleningsovereenkomst voldoende hypothecaire zekerheid te verschaffen tot meerdere zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Naar aanleiding van deze sommatie heeft [geïntimeerde] ten gunste van [appellante] een recht van (tweede) hypotheek laten vestigen op acht panden waarbij de beslagen op de panden zijn opgeheven.

(viii) Tegen het vonnis van 7 april 2015 heeft [geïntimeerde] spoedappel ingesteld. Bij arrest van 5 oktober 2015, gewezen in kort geding, heeft dit hof geoordeeld dat [appellante] misbruik maakt van recht door beslag te leggen op de genoemde onroerende zaken. Het hof heeft [appellante] verboden de executie voort te zetten totdat in een eventuele bodemprocedure anders zal zijn beslist. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“ [geïntimeerde] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat hij in reactie op de sommatie tot betaling van achterstallige rente aan [appellante] heeft voorgesteld de rentebetaling te betrekken in een mediation tussen alle betrokkenen ( [appellante] , [B] en [geïntimeerde] ), op welk voorstel tot aan de beslaglegging inhoudelijk niet is gereageerd. Reeds om die reden leverde de beslaglegging door [appellante] , in de bijzondere omstandigheden van dit geval zoals hiervoor nader omschreven (waaronder in het bijzonder de gebruikelijke rentebetaling uit de gebruikelijke schenking), misbruik van recht op. (…) Het vorenstaande geldt evenzeer de executie van de vordering, waarbij in kort geding in het midden kan blijven of deze al dan niet reeds opeisbaar was/is. Gelet op de bedoeling van partijen (er hoefde niet eerder terugbetaald te worden dan tegen het 90e levensjaar van [appellante] ), de lage rente (ruim 1 % op jaarbasis) en de relatief korte periode van achterstalligheid in de betalingen, en dan ook nog in een periode kort na de feitelijke verbreking van de affectieve relatie van [geïntimeerde] met de dochter van [appellante] en hangende een voorstel tot mediation over te gaan, komt het hof tot het oordeel dat voortzetting van de executie door [appellante] onaanvaardbaar is, gelet op de op het spel staande belangen van partijen. Daarbij wordt mede overwogen dat [appellante] nimmer op terugbetaling van de hoofdsom (binnen 30 jaar) had gerekend - zoals door haar ter terechtzitting desgevraagd is erkend -, dat zij door de enigszins verlate betaling geen noemenswaardig nadeel heeft ondervonden, dat inmiddels tot zekerheid op een zevental panden een recht van (tweede) hypotheek ten laste van [geïntimeerde] en ten gunste van [appellante] is gevestigd, dat [geïntimeerde] de nadien vervallen rentetermijn(en) tijdig heeft voldaan en heeft aangekondigd deze tijdig te zullen blijven voldoen. Gelet op het belang van [geïntimeerde] om een beslissing in een bodemprocedure over het al dan niet verplicht zijn van terugbetaling van de hoofdsom te kunnen afwachten en gelet op het grote nadeel dat hij bij gedwongen executieverkoop kan en naar verwachting zal lijden, wordt voortzetting van de executie door [appellante] , gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, als onrechtmatig jegens [geïntimeerde] geoordeeld.”

Hierna heeft [appellante] de onderhavige bodemprocedure aanhangig gemaakt.

(ix) [geïntimeerde] heeft twee panden van de onroerend goed portefeuille verkocht, te weten [adres] en [adres] . Met toestemming van Rabobank als eerste hypotheekhouder is een bedrag van

€ 5.000,= respectievelijk € 10.000,= dat verkregen is uit de opbrengst van de verkoop van deze panden, aan [appellante] voldaan.

( x) Op 19 februari 2018 heeft [geïntimeerde] een derde pand ( [adres] ) verkocht en geleverd aan [appellante] . De koopsom bedroeg

€ 332.500,=. Partijen zijn overeengekomen dat de koopsom in mindering wordt gebracht op de geldlening.

(xi) Bij vonnis van 8 maart 2017 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, is [geïntimeerde] veroordeeld aan [B] te betalen een bedrag van

€ 458.550,= op grond van hun samenlevingsovereenkomst.

3 De beoordeling

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, primair voor recht te verklaren dat de geldleningen rechtsgeldig zijn opgezegd en, subsidiair en meer subsidiair te bepalen dat als opzeggingsgrond voor de geldleningen ook geldt de verbreking van de affectieve relatie tussen [geïntimeerde] en [B] met daarnaast, in alle gevallen, de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.075.000,=, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Nadat [geïntimeerde] verweer had gevoerd, heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. Deze zaak wordt hierna ook wel de hoofdzaak genoemd. Bij het bestreden vonnis van 21 december 2016 heeft de rechtbank tevens de vorderingen van [geïntimeerde] in de zaak die bekend staat onder zaaknummer C/15/242824 / HA ZA 16-287, hierna de vrijwaringszaak, tussen hem als eiser en [B] als gedaagde, afgewezen en de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

3.3

Tegen de beslissingen in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met elf grieven op. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven en, voor het geval de vorderingen van [appellante] voor gehele of gedeeltelijke toewijzing in aanmerking komen, vordert hij in hoger beroep dat [B] in vrijwaring wordt opgeroepen.

eiswijziging in hoger beroep

3.4

[appellante] heeft, nadat zij een memorie van grieven had genomen, bij akte haar eis in hoger beroep gewijzigd. Tegen deze eiswijziging heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt. Het hof overweegt ten aanzien daarvan als volgt.

3.5

Het hof stelt voorop dat de in artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) besloten twee-conclusie-regel de - ingevolge artikel 130 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv - aan de oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (o.m. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:BQ7064).

3.6

[appellante] heeft haar eis vermeerderd nadat zij van grieven had gediend. De eiswijziging is dus in beginsel te laat. In het onderhavige geval is geen sprake van instemming van de wederpartij, noch is het geschil van zodanige aard dat de eis steeds moet kunnen worden aangepast aan de meest recente omstandigheden. Voorts heeft [appellante] geen feiten of omstandigheden aan haar vermeerdering van eis ten grondslag gelegd die eerst na de indiening van de memorie van grieven zijn voorgevallen of gebleken. Er is derhalve niet voldaan aan de criteria op grond waarvan een eisvermeerdering ook nog na memorie van grieven kan plaatsvinden. Het hof zal op de eisvermeerdering, zoals gedaan bij akte van 24 oktober 2017, dan ook geen acht slaan.

de grieven

3.7

Met grief I bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat onverkorte toepassing van het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder a van de geldleningsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aangezien de grieven II tot en VII een nadere uitwerking zijn van grief I zullen de grieven I tot en VII gezamenlijk worden behandeld.

3.8

Vooropgesteld wordt dat partijen in de geldleningsovereenkomst notarieel hebben laten vastleggen dat in geval van een tekortkoming in de nakoming van de uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot tijdige betaling van rente de geldleningsovereenkomst opzegbaar is en de geldlening in zijn geheel direct kan worden opgeëist. Vast staat dat [geïntimeerde] niet conform de contractueel overeengekomen termijn (acht dagen na sommatie) de rente over 2014 heeft betaald doordat hij eerst op de 11e dag na sommatie gedeeltelijk en vervolgens op de 44e dag na sommatie volledig heeft betaald. Daarmee is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van voornoemde contractuele verplichting. [geïntimeerde] heeft evenwel aangevoerd dat het beroep van [appellante] op deze tekortkoming en de daaraan verbonden consequentie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. [appellante] heeft de geldlening verstrekt teneinde het voor haar dochter en [geïntimeerde] mogelijk te maken onroerend goed aan te kopen. Bij het verstrekken van de geldlening heeft [appellante] een jaarlijkse rente bedongen, te betalen door [geïntimeerde] en/of [B] . Uit de stukken is genoegzaam gebleken dat deze rente telkens werd betaald uit een van [appellante] ontvangen schenking van een nog veel grotere omvang. Verder heeft [appellante] een relatief lage rente bedongen voor de geldlening (1 % op jaarbasis) en staat tussen partijen vast dat bij een reguliere nakoming van de geldleningsovereenkomst [geïntimeerde] niet gehouden was tot tussentijdse aflossing van de geldlening. Dit betekent dat [appellante] in dat geval de geldlening niet eerder zou terugontvangen dan het jaar 2039, ook in het geval de relatie tussen [geïntimeerde] en [B] tussentijds zou worden verbroken. De geldlening is voor een deel geïnvesteerd in onroerend goed waarop een recht van eerste hypotheek rust ten gunste van Rabobank. Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, waaruit onmiskenbaar blijkt dat de familieverhoudingen een belangrijke rol hebben gespeeld bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst en de daarin opgenomen verplichtingen over en weer, en gelet erop dat sprake is geweest van een relatief korte periode van achterstalligheid in de betalingen kort nadat de affectieve relatie van [geïntimeerde] met de dochter van [appellante] was verbroken, is het hof van oordeel dat een beroep van [appellante] op artikel 5 aanhef en onder a van de geldleningsovereenkomst met als consequentie dat de lening direct en in zijn geheel dient te worden terugbetaald, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De grieven I tot en met VII falen.

3.9

Met grief VIII betoogt [appellante] dat de geldleningsovereenkomst een leemte bevat en dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat die leemte wordt opgevuld in die zin dat aan artikel 5 van de overeenkomst een onderdeel c moet worden toegevoegd, inhoudende dat in geval de affectieve relatie tussen [geïntimeerde] en [B] eindigt, althans de tussen hen gesloten samenlevingsovereenkomst wordt opgezegd, de geldleningsovereenkomst per direct opeisbaar is en per direct, althans met een opzegtermijn van twee maanden kan worden opgezegd.

3.10

Hoewel het juist is dat overeenkomsten niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen hebben, maar ook die welke naar de aard van de overeenkomst uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien (artikel 6:248 lid 1 BW), is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat

het beroep van [appellante] op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Daartoe is het volgende redengevend. Uitgangspunt is dat het aan de contracterende partijen is om de inhoud en omvang van hun wederzijdse rechten en verplichtingen af te bakenen en dat niet alles wat zij – al dan niet bewust – ongeregeld hebben gelaten een leemte oplevert die door de rechter kan worden opgevuld. In het onderhavige geval geldt dit te meer nu partijen de geldleningsovereenkomst notarieel hebben laten vastleggen hetgeen betekent dat zij een grotere mate van nauwkeurigheid en zorgvuldigheid hebben betracht dan wanneer zij zelf de overeenkomst via een onderhandse akte hadden vastgelegd. Dit betekent tevens dat onder deze omstandigheden niet snel sprake zal zijn van een leemte. Daarbij komt dat de subsidiaire vordering van [appellante] ertoe strekt dat [geïntimeerde] op grond van de geldleningsovereenkomst aanzienlijk eerder dan na ommekomst van 30 jaar de lening aan [appellante] dient terug te betalen omdat zijn relatie met [B] tot een einde is gekomen. Een dergelijke aanvulling van de overeenkomst is voor [geïntimeerde] van een zodanige ingrijpende en nadelige aard dat hiermee een ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op de hiervoor bedoelde vrijheid van partijen bij het bepalen van de inhoud van hun overeenkomst. Grief VIII faalt derhalve.

3.11

Ook grief IX die strekt ten betoge dat het verbreken van de relatie tussen [geïntimeerde] en [B] een onvoorziene omstandigheid is die het opzeggen van de geldleningsovereenkomst rechtvaardigt en dat daarom die overeenkomst dient te worden gewijzigd, faalt. Anders dan [appellante] heeft betoogd, kan hier niet worden gesproken van een wijziging in de zin van artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nu zij in de overeenkomst een bepaling wenst op te nemen op grond waarvan de overeenkomst kan worden opgezegd. Deze bepaling is geheel nieuw ten opzichte van de huidige tekst van de overeenkomst. Hetgeen [appellante] beoogt moet daarom als een aanvulling worden aangemerkt. Artikel 6:258 BW biedt daarvoor geen ruimte.

3.12

Met grief X betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat haar principiële uitspraak over de ernstige gevolgen van de opzegging door de feiten is achterhaald. Partijen hebben immers al uitvoering gegeven aan een stappenplan terwijl de rechtbank vasthoudt aan het jaar 2039, aldus [appellante] . Ook deze grief faalt. De omstandigheid dat [geïntimeerde] inmiddels drie panden heeft verkocht en met toestemming van Rabobank - als eerste hypotheekhouder - € 15.000,= heeft betaald aan [appellante] en daarmee de lening met dat bedrag heeft verminderd, brengt niet zonder meer met zich dat [geïntimeerde] verplicht kan worden ook zijn andere panden voortijdig te verkopen. Dit betekent evenwel niet dat [geïntimeerde] kan stilzitten. Er kan sprake zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat [geïntimeerde] ook die overige panden moet verkopen, bijvoorbeeld in het geval hij uit de opbrengst daarvan Rabobank en [appellante] kan voldoen. Op dit moment kan daar niet op vooruit worden gelopen.

3.13

Met grief XI, ten slotte, komt [appellante] op tegen de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Volgens [appellante] had de rechtbank gelet op het familiaire aspect in deze zaak de proceskosten tussen partijen ingevolge artikel 237 Rv moeten compenseren.

3.14

Anders dan [appellante] kennelijk stelt, valt de verhouding tussen [geïntimeerde] (ex-schoonzoon) en [appellante] (ex-schoonmoeder) niet onder het bereik van artikel 237 Rv. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen terecht niet gecompenseerd maar [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de proceskosten die aan de zijde van [geïntimeerde] zijn gemaakt. Grief XI faalt.

3.15

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd en [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

in het incident

3.16

Gelet op hetgeen in de hoofdzaak is overwogen en beslist, moet worden geoordeeld dat aan de voorwaarde waaronder de vordering in het incident is ingesteld, niet is voldaan. De vordering in het incident behoeft daarom geen bespreking.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.628,- aan verschotten en € 3.222,- aan salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, M.L.D. Akkaya en F.J. Verbeek en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 27 november 2018.