Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5129

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
200.203.017/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 15 augustus 2017. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is de betalingsvordering slechts ten dele toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.203.017/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 4217173 CV EXPL 15-5514

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. R. Jethoe te Den Haag,

tegen

QFC HAARLEM B.V. (voorheen genaamd Interim Audit Services Haarlem B.V.),

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.J. van der Staaij te Haarlem.

Partijen worden hierna [appellant] en QFC genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Voor het verloop van het geding tot de datum van het in deze zaak gewezen arrest van 15 augustus 2017 in het incident, verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben vervolgens nog de volgende stukken ingediend:

- een memorie van antwoord, met producties;

- een door [appellant] genomen akte;

- een antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden vonnissen zal vernietigen, de vorderingen van QFC zal afwijzen en QFC alsnog zal veroordelen overeenkomstig de in eerste aanleg door hem ingestelde eis in reconventie. Daarnaast heeft hij geconcludeerd tot veroordeling van QFC tot terugbetaling van al hetgeen hij ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan QFC heeft voldaan, vermeerderd met rente, en veroordeling van QFC in de kosten van het geding in beide instanties, eveneens met rente.

QFC heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 11 mei 2016 van de kantonrechter, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staat het volgende vast.

2.1.

QFC heeft sinds 2008 in opdracht van [appellant] administratieve werkzaamheden verricht voor zijn eenmanszaak en voor hem in privé.

2.2.

Nadat [appellant] QFC medio 2013 had meegedeeld dat hij de opdracht wenste te beëindigen, is tussen partijen discussie ontstaan over hetgeen [appellant] QFC nog verschuldigd was voor de door haar verrichte werkzaamheden.

2.3.

Bij e-mailbericht van 10 september 2014 heeft de heer [X] van QFC [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
“(…)
Ondanks dat ik vind dat het 2 verschillende zaken zijn, wil ik je nu vragen om mij eea te bevestigen inzake het afgesproken bedrag van 6000!!
(…)”

2.4.

Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft [appellant] [X] bericht:
“(…)

Ik ga jou voor einde jaar de € 6.000,00 betalen en zal wat jij vroeg als er geld is ook kleine bedragen over maken.

(…)”.

2.5.

Op 5 december 2014 heeft [appellant] € 500,00 aan QFC betaald.

3 Beoordeling

in de hoofdzaak:

3.1.

In eerste aanleg heeft QFC in conventie – beknopt weergegeven – gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 20.452,58, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de datum van dagvaarding en kosten. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [appellant] administratieve werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij in hoofdsom € 15.308,82 verschuldigd is. Zij stelt dat [appellant] in verzuim is vanaf de verschillende vervaldata van de facturen waarbij (per saldo) voornoemd bedrag bij hem in rekening is gebracht, zodat hij gehouden is tot betaling van wettelijke handelsrente over dit bedrag, tot aan de dag van dagvaarding berekend op € 3.281,13. Daarnaast stelt QFC dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en dat [appellant] op grond van toepasselijke algemene voorwaarden gehouden is tot betaling van € 2.362,63 ter zake van deze kosten, althans, subsidiair, tot betaling van deze kosten op grond van ‘Rapport Voorwerk’. Op deze bedragen strekt de betaling van € 500,00 in mindering.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie – eveneens beknopt weergegeven – gevorderd voor recht te verklaren dat QFC jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door aan derden vertrouwelijke mededelingen over hem te doen die zijn integriteit hebben aangetast, QFC te veroordelen tot het publiceren van een advertentie in het Haarlems Dagblad en haar te veroordelen tot schadevergoeding, vermeerderd met kosten. De vordering is gegrond op onrechtmatige daad, bestaande in het doen van lasterlijke en smadelijke mededelingen over [appellant] en het doorsturen naar derden van vertrouwelijke informatie.

3.3.

De kantonrechter heeft in het op 11 mei 2016 gewezen vonnis onder meer geoordeeld dat door [appellant] gestelde betalingsafspraken zijn vervallen zodat hij gehouden is om de door QFC aan [appellant] toegezonden facturen te voldoen en dat QFC op grond van de algemene voorwaarden terecht aanspraak maakt op buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente. Hij heeft de vordering van QFC nagenoeg geheel toegewezen. De vordering in reconventie heeft de kantonrechter afgewezen op de grond dat – kort gezegd – [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd welke concrete gedragingen van QFC onrechtmatig zijn.

3.4.

Grief III richt zich onder meer tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door [appellant] gestelde betalingsafspraken zijn vervallen. In zoverre slaagt de grief. [appellant] heeft gesteld dat hij in september 2014 met QFC heeft afgesproken dat hij voor de door QFC verrichte werkzaamheden € 6.000,00 zou betalen tegen finale kwijting, hetgeen QFC niet heeft weersproken. Als onweersproken staat verder vast dat daarbij niet een ontbindende voorwaarde is overeengekomen, inhoudende dat de betalingsregeling zou vervallen als [appellant] deze niet zou nakomen. Voorts heeft QFC zich niet op het standpunt gesteld dat zij de overeengekomen betalingsregeling heeft ontbonden. Anders dan QFC heeft betoogd, brengt niet-nakoming daarvan door [appellant] niet van rechtswege mee dat de betalingsregeling vervalt. QFC heeft verder betoogd dat zij de niet-nakoming redelijkerwijs zo mocht begrijpen dat [appellant] alsnog niet instemde met de afspraak en dat de oorspronkelijke betalingsverplichtingen daardoor herleefden, maar zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt dat niet in te zien. Dat [appellant] de overeenkomst bij het aangaan daarvan redelijkerwijs zo diende te begrijpen dat deze zou vervallen indien [appellant] zijn verbintenissen uit hoofde daarvan niet zou nakomen, is niet gesteld. QFC is dus gebonden aan de betalingsregeling.

3.5.

Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat deze betalingsregeling vernietigbaar is op grond van dwaling en dat hij mitsdien kan terugvallen op een eerder, in juli 2014 met QFC gemaakte afspraak dat hij € 4.500,00 voor de door QFC verrichte werkzaamheden zou betalen. Indien [appellant] , zoals hij stelt, bij het aangaan van de overeenkomst tot betaling van € 6.000,00 al heeft gedwaald en niet meer voor ogen had dat hij eerder een overeenkomst was aangegaan op grond waarvan hij € 4.500,00 diende te betalen, blijft dit voor zijn rekening (artikel 6:228 lid 2 BW).

3.6.

Op grond van de tussen partijen in 2014 getroffen betalingsregeling was [appellant] derhalve gehouden om een bedrag van € 6.000,00 aan QFC te betalen voor de door haar verrichte werkzaamheden. De grieven I en II die betrekking hebben op de verplichting tot betaling uit hoofde van de oorspronkelijke overeenkomst van opdracht, kunnen daarom onbehandeld blijven.

3.7.

Voor zover grief III zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst omdat partijen geen termijn voor de betaling van het bedrag van € 6.000,00 zijn overeengekomen, faalt de grief. In de hiervoor onder 2.4. van dit arrest genoemde e-mail van 10 september 2014 aan [X] heeft [appellant] meegedeeld dat hij voornoemd bedrag voor het einde van het jaar 2014 aan QFC zal betalen. In het licht hiervan heeft hij de stelling van QFC dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] het bedrag van € 6.000,00 uiterlijk eind 2014 diende te betalen, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof aan die betwisting voorbijgaat.

3.8.

De grieven IV en V bestrijden het oordeel van de kantonrechter dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat QFC op grond daarvan aanspraak kan maken op de gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten.

3.9.

Voor de beantwoording van de vraag of de wettelijke handelsrente verschuldigd is, is niet van belang of de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Zoals hiervoor is geoordeeld, is [appellant] immers niet gehouden tot betaling van de facturen op grond van de oorspronkelijke overeenkomst van opdracht, maar op grond van de in 2014 getroffen betalingsregeling. De bij deze regeling overeengekomen betalingstermijn is verstreken zonder dat [appellant] zijn verbintenis tot betaling (volledig) is nagekomen, zodat hij in beginsel, behoudens een terecht beroep op opschorting (waarover hierna onder rov. 3.13), vanaf 1 januari 2015 in verzuim is (artikel 6:83 aanhef en sub a BW).

3.10.

Verder acht het hof artikel 6:119a BW van toepassing, waartoe het hof als volgt overweegt. Anders dan de grieven betogen, dient de tussen [appellant] en QFC gesloten overeenkomst van opdracht tot het verrichten van administratieve werkzaamheden te worden gekwalificeerd als een handelsovereenkomst als bedoeld in dit artikel. Tussen partijen is niet in geschil dat deze opdracht overwegend betrekking heeft op het verrichten van administratieve werkzaamheden ten behoeve van de eenmanszaak van [appellant] . [appellant] heeft voorts niet weersproken dat QFC de facturen voor alle door haar verrichte werkzaamheden steeds heeft gericht aan de eenmanszaak van [appellant] , zodat hij de verschuldigde btw volledig in vooraftrek kon nemen. Gelet op deze omstandigheden dient de overeenkomst van opdracht als een handelsovereenkomst te worden aangemerkt. Het bedrag van € 6.000,00 dat [appellant] op grond van de betalingsregeling diende te betalen, betreft in wezen een betaling voor de door QFC verrichte administratieve werkzaamheden. Deze betalingsregeling is daarmee zozeer verbonden met de oorspronkelijke overeenkomst van opdracht dat deze regeling evenzeer als een handelsovereenkomst dient te worden aangemerkt. Indien [appellant] vanaf 1 januari 2015 in verzuim is, is hij, met in achtneming van de betaling van € 500,00 in december 2014, vanaf die datum gehouden tot vergoeding van wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW over een bedrag van € 5.500,00.

3.11.

De grieven IV en V slagen voor zover deze zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat [appellant] op grond daarvan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Tussen partijen is niet in geschil dat QFC de algemene voorwaarden nimmer aan [appellant] ter hand heeft gesteld of dat zij deze anderszins aan hem heeft verstrekt, een en ander als bedoeld in artikel 6:234 lid 1 BW. Niet gesteld is dat deze terhandstelling of verstrekking redelijkerwijs niet mogelijk was. Dat QFC, zoals zij stelt, op haar briefpapier en op haar facturen verwijst naar de algemene voorwaarden, betekent niet dat zij aan [appellant] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. [appellant] heeft het beding in de algemene voorwaarden over de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (15% van de hoofdsom) daarom terecht vernietigd.

3.12.

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat QFC redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte heeft gemaakt. Dat die kosten zijn gemaakt, blijkt ook voldoende uit de door QFC overgelegde correspondentie (o.a. productie B bij de inleidende dagvaarding). Artikel 6:96 lid 5 BW verwijst voor de vergoeding van deze kosten naar het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Besluit van 27 maart 2012, Stb. 2012, 141). Volgens artikel 2 lid 1 van dit besluit bedraagt de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, voor zover hier relevant, 15% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de eerste € 2.500,00 van de vordering, 10% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 2.500,00 van de vordering en 5% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 5.000,00 van de vordering. Het hof begroot de buitengerechtelijke kosten op grond hiervan op € 650,00. De stelling van [appellant] dat QFC hem niet heeft aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW is, wat daar verder ook van zij, niet relevant nu [appellant] heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf.

3.13.

De grieven VII, VIII en IX komen op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vordering in reconventie en de proceskostenveroordeling in reconventie. Deze grieven falen. [appellant] stelt dat QFC zich richting derden op een lasterlijke en smadelijke wijze over hem heeft uitgelaten maar hij heeft, ook in hoger beroep, niet geconcretiseerd waaruit die uitlatingen bestaan. [appellant] heeft zijn stelling in het licht van de ontkenning door QFC daarmee onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. De stelling dat QFC aan derden mededelingen heeft gedaan omtrent zijn liquiditeitspositie, is in het licht van de betwisting door QFC evenmin voldoende toegelicht, zodat het hof ook die stelling passeert. Voor bewijsvoering is geen plaats. Dit betekent niet alleen dat de vordering in reconventie terecht is afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie, maar ook dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn verbintenis uit hoofde van de met QFC getroffen betalingsregeling in verband met een vordering van hem op QFC faalt.

3.14.

Gelet op het voorgaande dient [appellant] te worden veroordeeld om aan QFC een bedrag van € 5.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van voldoening. Daarnaast dient [appellant] te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 650,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 15 juni 2015 tot aan de dag van voldoening. Het vonnis van de kantonrechter van 11 mei 2016 in conventie gewezen zal in zoverre worden vernietigd. Voor zover [appellant] ter uitvoering van het vernietigde deel van het vonnis betalingen aan QFC heeft verricht, heeft hij dat onverschuldigd gedaan. QFC zal de desbetreffende bedragen moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van de terugbetaling, zoals gevorderd. Deze veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd.

De kantonrechter heeft [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij terecht in de kosten van het geding in conventie veroordeeld. In zoverre zal het vonnis van de kantonrechter worden bekrachtigd. Daarmee is grief VI behandeld.

De kantonrechter heeft voorts de vordering in reconventie terecht afgewezen en [appellant] in de kosten van het geding in reconventie verwezen. Ook in zoverre zal het vonnis van de kantonrechter worden bekrachtigd.

3.15.

Omdat partijen in het hoger beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in het incident:

3.16.

Zoals het hof in het arrest van 15 augustus 2017 heeft geoordeeld dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van het geding in het incident. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van QFC op € 1.074,00 aan salaris advocaat. Het arrest zal voor zover dit deze proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard nu dit is gevorderd en op dit punt geen verweer is gevoerd.

4 Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 11 mei 2016 voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld om aan QFC te betalen een bedrag van € 20.452,58, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 15 juni 2015 tot aan de dag van voldoening,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan QFC van een bedrag van € 5.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2015 tot de dag van voldoening, alsmede tot betaling van een bedrag van € 650,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 15 juni 2015 tot de dag van voldoening;

veroordeelt QFC tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vernietigde deel van het vonnis aan QFC heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over het betaalde bedrag vanaf de datum van de betaling door [appellant] tot de datum van de terugbetaling;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 11 mei 2016 voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident:

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het incident, aan de zijde van QFC begroot op € 1.074,00 aan salaris;

in de hoofdzaak en het incident:

verklaart het arrest, voor zover dit de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, A.P. Schoonbrood-Wessels en L.W. Louwerse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.