Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5128

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2018
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
23-003536-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Hof leest tenlastelegging verbeterd. Verdachte wordt daardoor niet in verdediging geschaad. Verdachtes gedragingen dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als gericht op het toebrengen van dodelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003536-17

datum uitspraak: 7 mei 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2017 in de strafzaak onder de parketnummers
13-741052-17 en 15-246747-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte van 9 oktober 2017 is namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2017. Bij akte van 24 oktober 2017 is namens de verdachte, krachtens een schriftelijke volmacht, het ingestelde beroep ‘partieel ingetrokken’ door een ambtenaar van de rechtbank. Blijkens die volmacht, gedateerd 20 oktober 2017, is de ambtenaar namens de verdachte gevolmachtigd om het ingestelde hoger beroep in te trekken voor wat betreft [naar het hof begrijpt: de beslissingen naar aanleiding van] het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus het hoger beroep op geldige wijze heeft beperkt tot de beslissingen die naar aanleiding van het onder 1 tenlastegelegde zijn genomen. Gelet hierop zijn de beslissingen die de rechtbank naar aanleiding van het onder 2 en 3 tenlastegelegde (met inbegrip van de toewijzende beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij onder parketnummer 15-246747-16 gewezen vonnis opgelegde voorwaardelijke straf) niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1 primair:

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of

- eenmaal of meermalen met een tafel, althans een soortgelijk hard en/of hoekig voorwerp, op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen;

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een geboren oogkas en/of gebroken jukbeen en/of gebroken neusbot en/of gebroken slaapbeen en/of kneuzingen in het gezicht), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet

- eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht te stompen en/of te slaan en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, te schoppen en/of te trappen en/of

- eenmaal of meermalen met een tafel, althans een soortgelijk hard en/of hoekig voorwerp op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan.

Net als kennelijk de raadsman (vide p. 2 van zijn schriftelijk pleidooi) gaat het hof er – mede tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier – vanuit dat de officier van justitie als steller van de tenlastelegging onder het verwijt dat de verdachte met een tafel heeft geslagen, mede heeft willen begrijpen dat met die tafel is gegooid. Dit vindt bevestiging in het door de officier van justitie in eerste aanleg bij requisitoir expliciet ingenomen standpunt dat vastgesteld kan worden dat de verdachte een tafel tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft “geslagen/gegooid”. Het hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat in het primair ten laste gelegde bij het derde gedachtestreepje na de woorden “heeft geslagen” wordt ingelezen “/gegooid” (en in het subsidiair ten laste gelegde bij het derde gedachtestreepje “/gooien” na “te slaan”). De aard en ernst van het ten laste gelegde wordt in zijn geheel beschouwd hierdoor niet worden aangetast en de verdachte, bij wie op dit punt kennelijk geen onduidelijkheid heeft bestaan en die met betrekking tot het gooien met de tafel verweer heeft doen voeren, wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden

vernietigd, omdat het hof met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair tenlaste- gelegde moet worden vrijgesproken en heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier onvoldoende betrouwbaar, en dus onvoldoende overtuigend bewijs bevat dat de verdachte de aangever [slachtoffer] tegen het hoofd heeft getrapt of met een tafel tegen het gezicht of het hoofd heeft geslagen of gegooid. Bovendien heeft de verdachte nimmer (voorwaardelijk) opzet gehad op het om het leven brengen van de aangever.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof het volgende als vaststaand aan.

De verdachte en [benadeelde] hebben ongeveer twee en een half jaar een relatie gehad. Ten tijde van het tenlastegelegde was die relatie echter verbroken. In de avonduren van 7 maart 2017 is de verdachte bij [benadeelde] op bezoek geweest, maar zij heeft hem om of kort na middernacht de deur gewezen, omdat zij vond dat hij vervelend deed. Omstreeks 05:00 uur – het was inmiddels 8 maart 2017 – is de aangever [slachtoffer], met wie [benadeelde] was bevriend, naar de woning van laatstgenoemde gekomen. Zij lagen samen in bed toen zij omstreeks 6:15 uur gebonk hoorden op het slaapkamerraam. [benadeelde] zag dat de verdachte voor haar achterdeur stond en hoorde hem schreeuwen dat zij de deur open moest doen. Zij heeft meerdere malen naar hem geroepen: “Ga weg, ga weg. Laat mij met rust!”. De verdachte pakte echter een stalen prullenbak, sloeg deze door de raam van de deur en betrad vervolgens de woning. Hij gaf [benadeelde] een duw, waardoor zij met haar achterhoofd tegen een raam of kozijn viel. De verdachte had hele grote ogen en kwam zeer agressief op [benadeelde] over. Vervolgens liep de verdachte direct door naar [slachtoffer], die ter hoogte van de slaapkamerdeur doende was zijn broek aan te trekken. De verdachte versnelde zijn pas en viel [slachtoffer] aan. De verdachte sloeg daarbij meerdere malen met gebalde vuisten in op het gezicht van [slachtoffer]. Volgens ontstond er een worsteling waarbij [slachtoffer] op de grond viel. De verdachte schopte met volle kracht en geschoeide voet meermalen op het hoofd/gezicht van – de op de grond liggende – [slachtoffer]. Daarna gooide hij een houten tafel van meer dan 30 kilo en met een afmeting van ongeveer 1 meter bij 40 centimeter op het hoofd van [slachtoffer]. Door het op hem toegepaste geweld is [slachtoffer] buiten bewustzijn geraakt. De verdachte heeft [benadeelde] vervolgens de nog een klap op haar oog gegeven, waarna hij is weggegaan, [slachtoffer] gorgelend en bewegingsloos achterlatend.

Gealarmeerde politieambtenaren zagen omstreeks 06.45 uur dat het raam van de deur was ingeslagen en dat op de vloer van de woning zowel glas als bloed lag. Ter hoogte van de keuken zagen zij [slachtoffer] in de foetushouding liggen; naast hem lag – op z’n kop – een kapotte en bebloede salontafel en naast zijn hoofd bevond zich een grote plas bloed. In de slaapkamer zat [benadeelde], huilend en onder het bloed, met haar baby op bed.

De bij [slachtoffer] veroorzaakte letsels bestonden uit een gebroken oogkas, een blauwpaarse verkleuring en zwelling rond het rechteroog, een fractuur van de rechteroogkas, een fractuur van het rechter jukbeen, een fractuur van het neusbot, een zwelling en huidverkleuring van de linkerslaap, een zwelling van het linkeroor, een scheur van anderhalf centimeter bij het oorklepje links en een fractuur van het slaapbeen links achter het oor.

Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdachte welbewust en doelgericht [slachtoffer] meermalen hard en met gebalde vuist heeft geslagen, hem, terwijl hij op de grond lag, met geschoeide voet heeft geschopt, en een grote en zware tafel op [slachtoffer] heeft gegooid. Dit geweld werd toegepast op diens gezicht/hoofd, een zeer kwetsbaar lichaamsdeel. Dit laatste geldt voor zijn linkerslaap in het bijzonder. De hevigheid van dit geweld wordt weerspiegeld in de aard, het aantal en de ernst van de aan [slachtoffer] toegebrachte letsels. De verdachte heeft [slachtoffer] daarna ‘voor dood’ achtergelaten. Deze gedragingen dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het hof op grond hiervan vast stelt dat – bij het in dezen ontbreken van contra-indicaties – verdachtes opzet hierop ten volle was gericht.

Het hof acht de andersluidende verklaring van de verdachte, die er in de kern op neerkomt dat hij na binnenkomst in de woning door [slachtoffer] is aangevallen en bij de keel is gegrepen en dat de verdachte hem in reactie daarop niet meer dan één vuistslag tegen de rechterkaak heeft gegeven, niet geloofwaardig, reeds omdat deze strijdig is met de gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij komt dat het hof van oordeel is dat het onaannemelijk is dat de grote en zware salontafel op de kop terecht is gekomen én kapot is gegaan doordat [slachtoffer], zoals door de verdediging is gesteld, door de vuistslag van de verdachte ongelukkig op de tafel terecht is gekomen. Anders dan de raadsman acht het hof voorts de verklaringen van [benadeelde] en [slachtoffer], voor zover tot het bewijs gebezigd, betrouwbaar. Het hof stelt vast dat die verklaringen elkaar in zoverre op essentiële onderdelen ondersteunen en weerklank vinden in de wijze waarop de politie de situatie ter plaatse heeft aangetroffen. Bovendien let het hof voor het vaststellen van de gebeurtenissen met name op de verklaringen die beiden op de dag van het incident hebben afgelegd en die gebeurtenissen zich op dat moment dus net hadden voorgedaan. Aan de omstandigheid dat [benadeelde], die te kennen heeft gegeven inmiddels weer een relatie of in ieder geval contact met de verdachte te hebben – zij hebben samen een kind – op 9 april 2018 ten overstaan van raadsheer-commissaris een voor de verdachte veel minder belastende verklaring heeft afgelegd, kent het hof daarom niet dezelfde gewicht toe als de raadsman. Hetgeen de raadsman met betrekking tot het voorwaardelijk opzet heeft aangevoerd behoeft geen bespreking, omdat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte met vol opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehandeld. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:


hij op 8 maart 2017 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- meermalen met kracht en met gebalde vuist tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en

- meermalen met kracht op het gezicht, althans tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt en

- een tafel op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen/gegooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte met vrucht een beroep kan doen op de strafuitsluitingsgronden noodweer of noodweerexces en dat de verdachte bij een bewezenverklaring ter zake van het onder
1 primair tenlastegelegde daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij is de door de verdachte beschreven gang van zaken, waarin hij werd aangevallen door [slachtoffer], door de raadsman tot uitgangspunt genomen.

Het hof verwerpt het beroep op de strafuitsluitingsgronden, omdat hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd – de ongeloofwaardig bevonden lezing van de verdachte – niet aannemelijk is geworden.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Bepaling en oplegging van straf

Inleiding

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 subsidiair en
3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde

zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden. De advocaat-generaal heeft daarbij toegelicht dat hij de straf die de rechtbank bij het bestreden vonnis voor het onder 2 subsidiair en
3 bewezenverklaarde heeft opgelegd bepaald wil zien op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring voor het onder 1 primair tenlastegelegde een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest en het meerdere in voorwaardelijke vorm op te leggen. Hij heeft voorgesteld dat daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat hij de straf die de rechtbank voor het onder 2 subsidiair en
3 bewezenverklaarde heeft opgelegd taxeert op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 of 2 maanden.

Bepaling van straf

Nu het hoger beroep slechts is gericht tegen de beslissingen die door de rechtbank zijn genomen naar aanleiding van het onder 1 primair tenlastegelegde zal het hof, overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering, eerst de straf bepalen ten aanzien van de door de rechtbank onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde misdrijven. Het hof bepaalt deze straf, gelet op de door de rechtbank gebezigde strafmotivering, op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Oplegging van straf

Het hof heeft bij de in hoger beroep op te leggen straf voor het onder 1 primair bewezenverklaarde gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is in de vroege ochtenduren naar de woning van de moeder van zijn kind gegaan heeft daar een vriend van haar getracht van het leven te beroven. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer met kracht op het gezicht stompt en hem, terwijl deze op de grond lag, meermalen met geschoeide voet en met volle kracht tegen het hoofd getrapt. Daarna heeft de verdachte een grote en zware salontafel op het hoofd van het slachtoffer gegooid, waarna laatstgenoemde het bewustzijn is verloren. De verdachte heeft het slachtoffer met andere woorden op enorm toegetakeld. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer fors letsel in zijn gezicht en aan het hoofd opgelopen. Hij wordt nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het geweldsincident. Hij moet nog altijd door het leven met een ijzeren plaatje bij zijn jukbeen om de breuken te fixeren, zijn neus staat nog scheef en van de scheur bij zijn oor heeft hij een litteken overgehouden; het gevoel in zijn bovenlip is nog niet helemaal teruggekeerd. Daarbij komt dat de ervaring leert dat slachtoffers van pogingen tot levensbeëindiging als de onderhavige daarvan nog langdurige en ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Het hof acht het – met de rechtbank – zeer zorgelijk dat de verdachte er op geen enkel moment blijk heeft gegeven inzicht te hebben in het laakbare van zijn geweldsuitspatting, die bovendien plaatsvond in de woning waar zijn eigen (zeer jonge) zoon aanwezig was. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.

Evenzeer wordt in het nadeel van de verdachte gewogen dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 april 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder in 2016 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand voor het plegen van een geweldsdelict, en in 2005 tot een gevangenisstraf van 3 jaren wegens straatroven die gepaard zijn gegaan met geweld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen. Gelet op de ernst van het thans bewezen feit en de (mate en aard van) recidive kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof ziet geen aanleiding deze straf deels in voorwaardelijke vorm te gieten; de eerder in die vorm opgelegde straf heeft immers niet het gewenste effect – voorkoming van recidive – kunnen sorteren. Slechts oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Bijzondere omstandigheden in de persoonlijke situatie van de verdachte die in het voordeel van de verdachte spreken zijn aangevoerd noch gebleken.

Het hof acht, alles afwegende, ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en drie maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.750,67, bestaande uit € 3.750,67 aan materiële schade en € 4.000 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het verzoek tot vergoeding van de schade geheel wordt toegewezen.

De raadsman heeft het hof, indien en voor zover het hof mocht oordelen dat de verdachte met succes een beroep kan doen op noodweer c.q. noodweerexces, verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering. Gevraagd is om in het andere geval de vordering wegens medeschuld aan de zijde van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel aanzienlijk te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet in het vastgestelde feitencomplex geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de opgevoerde schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij moet worden toegerekend (in de zin van artikel 6:101 BW). Het beroep op ‘medeschuld’ faalt derhalve.

Van de zijde van de verdachte is de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de opgevoerde schade verder niet gemotiveerd betwist, in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van die schade en de causale relatie van die schade met het onder 1 primair bewezen verklaarde.

Nu met betrekking tot de materiële schade ook de omvang niet gemotiveerd is weersproken, ligt het deel van de vordering dat daarop ziet voor toewijzing gereed.

De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 3.500. Bij deze schatting heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij

- slachtoffer is geworden van een bijzonder akelig geweldsmisdrijf,

- als gevolg daarvan ingrijpend letsel heeft bekomen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest en waarvan hij, zoals hiervoor beschreven, thans nog de lichamelijke gevolgen ondervindt en

- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

De verdachte is tot dat bedrag tot vergoeding van immateriële schade gehouden. Voor het overige gaat het tot compensatie van immateriële schade strekkende deel van de vordering de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 subsidiair en onder 3 door de rechtbank bewezenverklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 1 primair bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder
1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.250,67 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 3.750,67 (drieduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.250,67 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 3.750,67 (drieduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade voor het bedrag van € 120,00 op 8 maart 2017, voor het bedrag van € 713,49 op 10 april 2017, voor het bedrag van € 75,35 op 24 april 2017, voor het bedrag van € 31,92 op 2 mei 2017, voor het bedrag van € 2.780,82 op 29 augustus 2017 en voor het bedrag van € 29,09 op 21 september 2017.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 maart 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. M. Lolkema en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van
mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2018.

mr. A.M. Ruige is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.