Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5120

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
23-004424-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004424-17

datum uitspraak: 11 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-192559-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 17 april 2017 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, openlijk, te weten, op [adres 2], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door:

- voornoemde [slachtoffer] bij de schouders te pakken/grijpen en/of

- te krabben in/op de nek/wang en/of

- te knijpen in de (rechter onder)arm en/of

- te schoppen/slaan tegen het lichaam en/of

- voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd, althans lichaam, (met kracht) tegen een (schuur)muur aan te duwen;

subsidiair:

zij op of omstreeks 17 april 2017 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- voornoemde [slachtoffer] bij de schouders te pakken/grijpen en/of

- te krabben in/op de nek/wang en/of

- te knijpen in de (rechter onder)arm en/of

- te schoppen/slaan tegen het lichaam en/of

- voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd, althans lichaam, (met kracht) tegen een (schuur)muur aan te duwen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen haar primair en subsidiair is ten laste gelegd. Hij heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat geen sprake is geweest van geweldstoepassing, dan wel mishandeling. De verdachte heeft aangever slechts tot de orde willen roepen door hem bij de schouders te pakken en tegen de muur aan te duwen en daarop was haar handelen ook gericht. Om dezelfde reden ontbreekt het opzet op het plegen van openlijke geweldpleging, dan wel mishandeling. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte in vereniging met een ander heeft gehandeld, aangezien iedereen met een eigen doel en plan ter plaatse is gekomen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de verklaringen van aangever [slachtoffer], diens vader en de getuige [getuige], alsmede op basis van de overige te bezigen bewijsmiddelen, leidt het hof af dat twee vrouwen (de verdachte en medeverdachte [medeverdachte]) gezamenlijk de tuin van aangever zijn ingelopen, aangever hebben vastgepakt en vervolgens in de tuin voor anderen zichtbaar (en daarmee openlijk) geweld hebben gepleegd tegen aangever. Aangever heeft verklaard dat zijn hoofd pijn deed doordat hij met zijn hoofd tegen de schuurmuur aan kwam. Het hof acht op basis hiervan wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Het verweer wordt op alle onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 17 april 2017 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, openlijk, te weten, op [adres 2], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] door:

- voornoemde [slachtoffer] bij de schouders te pakken/grijpen en

- te knijpen in de (rechter onder)arm en

- voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd (met kracht) tegen een (schuur)muur aan te duwen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een minderjarig kind dat ten tijde van het gebeuren elf jaar oud was. Zij heeft door zo te handelen samen met een andere volwassene een voor dit kind intimiderende situatie geschapen. Hoewel bij de verdachte kennelijk de emoties hoog waren opgelopen toen zij had vernomen dat het slachtoffer haar kind pijn zou hebben bezorgd, had de verdachte zich moeten realiseren dat zij niet op deze wijze de confrontatie met een kind had moeten aangaan. Dit rekent het hof de verdachte aan.

In het voordeel van de verdachte weegt dat uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 september 2018 blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep duidelijk gemaakt een en ander ernstig te betreuren en veel spijt te hebben van haar handelen. Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat risico op recidive aanwezig is.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

[naam] heeft namens zijn zoon, de benadeelde partij [slachtoffer], in eerste aanleg in het strafproces zijn ouders gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding ingediend door [naam] namens de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 april 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 oktober 2018.

=========================================================================

[…]