Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23-000153-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot terugwijzing afgewezen. Veroordeling mishandeling en goed beschadigen. Beroep noodweer verworpen. Overschrijding redelijke termijn verdisconteerd in strafmaat. Taakstraf 30 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000153-16

datum uitspraak: 23 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-112481-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2017 en 9 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Verzoek tot terugwijzing

De raadsvrouw heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en daartoe aangevoerd dat de politierechter ten onrechte de zaak bij verstek heeft behandeld. De politierechter had het in eerste aanleg gedane aanhoudingsverzoek van de raadsman moeten inwilligen, om de raadsman in staat te stellen een machtiging te verkrijgen. Nu de politierechter niettemin de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte of een gemachtigd raadsman heeft behandeld is het aanwezigheidsrecht van de verdachte geschonden en heeft geen effectieve uitoefening van de verdedigingsrechten plaatsgevonden, aldus de raadsvrouw.

Het hof wijst het verzoek om terugwijzing af en overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), indien de hoofdzaak door de rechtbank is beslist, de zaak door het hof niet teruggewezen naar de eerste rechter op de grond dat de verdachte een aanleg heeft ontbeerd tenzij de behandeling in eerste aanleg niet door een onpartijdige rechter heeft plaatsgevonden dan wel indien een van de personen die een kernrol vervullen – waaronder de verdachte – bij het onderzoek ter terechtzitting niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze van de terechtzitting op de hoogte is gebracht of anderszins is gebleken dat hij daarvan op de hoogte was.

In de onderhavige zaak is de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg op de wet voorgeschreven wijze betekend. Ook anderszins is geen sprake van een geval als hiervoor vermeld, zodat het verzoek tot terugwijzing geen grond heeft.

Het hof overweegt ten overvloede dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg de politierechter op het verzoek tot aanhouding van de zaak een afweging heeft gemaakt van alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte. De beslissing tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek is, na afweging van die belangen, niet onbegrijpelijk. In zoverre is geen sprake van nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 10 mei 2013 te Medemblik opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), met kracht met zijn tot vuist gebalde hand (meermalen) in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2
hij op of omstreeks 10 mei 2013 te Medemblik opzettelijk en wederrechtelijk een taxi ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bespreking van verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt en dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op het moment dat de aangever [slachtoffer] de verdachte in zijn gezicht sloeg, was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, waartegen hij zich moest verdedigen. Omdat [slachtoffer] direct daarop het autoraam sloot, kwamen de vingers van de verdachte klem te zitten en duurde de aanranding voort. Aangezien vluchten geen optie was, heeft de verdachte zich op noodzakelijke en gepaste wijze verdedigd door [slachtoffer] terug te slaan.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken. Primair komt de verdachte een beroep op noodweer toe. Het bewust sluiten van het autoraam door [slachtoffer] , terwijl de vingers van de verdachte daartussen zaten, is aan te merken als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Om deze aanranding te beëindigen was het meest passende en geboden verdedigingsmiddel het breken van het autoraam.

Indien [slachtoffer] het autoraam onbewust sloot, terwijl de vingers van de verdachte daartussen zaten, is subsidiair sprake geweest van overmacht door een noodtoestand, die ziet op het mogelijke verliezen van zijn vingers. Om zich voor dit letsel te behoeden, heeft de verdachte enkel de mogelijkheid gehad het raam te breken, aldus de raadsvrouw

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

De verdachte ging in de vroege ochtend van 10 mei 2013 nadat hij met zijn vrouw [naam 1] was uitgegaan in Medemblik, op weg naar huis. Een kennis, [naam 2] , zou hen thuisbrengen. De auto van [naam 2] stond file geparkeerd naast de taxi van de aangever [slachtoffer] en kon daardoor niet wegrijden. De verdachte liep naar de taxi van [slachtoffer] toe en tikte op het raam aan de bestuurderskant. [slachtoffer] , die in zijn taxi zat, opende het raam. De verdachte vroeg [slachtoffer] of hij met zijn taxi aan de kant wilde gaan. [slachtoffer] antwoordde dat hij dat niet wilde doen en deed het raam weer dicht. Deze situatie herhaalde zich, waarna de verdachte het raam kapot sloeg, naar zijn zeggen omdat zijn vingers door het raam werden geklemd. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem daarna in zijn gezicht heeft geslagen. Tevens heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem heeft getrapt. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de verdachte inderdaad werd geslagen door [slachtoffer] . Dat de verdachte (ook) is getrapt acht het hof niet aannemelijk. De verdachte heeft [slachtoffer] (vervolgens) vuistslagen in zijn gezicht gegeven. Zowel op straat als in de auto lagen na het incident glasscherven van het raam en rode, dikke glasscherven van een kaarsenhouder.

Oordeel van het hof

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van verdediging van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat, op het moment dat [slachtoffer] de verdachte in zijn gezicht sloeg, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer] . Voor zover het slaan door [slachtoffer] een reactie was op de vernieling van de autoruit was die reactie niet geboden. Op zijn beurt had de verdachte niet door middel van vuistslagen mogen reageren op de klap van [slachtoffer] . Hij had een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de aanranding te onttrekken. De verdachte bevond zich op het moment dat [slachtoffer] hem in zijn gezicht sloeg buiten de taxi, terwijl [slachtoffer] zich in de taxi bevond. Nu de verdachte had zich aan de aanranding had kunnen en ook moeten onttrekken, is aan de subsidiariteitseis niet voldaan. Bovendien was het geven van meerdere vuistslagen evenmin proportioneel.

Het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt dan ook verworpen.

Anders dan de raadsvrouw, acht het hof op grond van de aangifte van [slachtoffer] en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het raam van de taxi met een kaarsenhouder heeft ingeslagen. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte een kaarsenhouder in zijn hand had en daarmee het raam stuk heeft geslagen. Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat zowel op straat als in het voertuig naast glasscherven van het raam, ook rode, dikke glasscherven lagen. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die avond een rode, glazen kaarsenhouder bij zich droeg. Het hof acht het niet aannemelijk dat deze glasscherven, afkomstig van de rode kaarsenhouder, op een andere dan voornoemde manier in de taxi terecht zijn gekomen. De verklaring van de verdachte dat hij het raam met zijn handen heeft stuk gemaakt dan wel gebroken acht het hof dan ook niet geloofwaardig. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte met zijn vingers klem zat tussen het raam en de sponning en hij zich slechts door het inslaan van het raam kon bevrijden.

De door de raadsvrouw overige gevoerde verweren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde behoeven gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 10 mei 2013 te Medemblik opzettelijk mishandelend [slachtoffer] , met kracht met zijn tot vuist gebalde hand meermalen in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2
hij op 10 mei 2013 te Medemblik opzettelijk en wederrechtelijk een taxi ( [kenteken] ), toebehorende aan [bedrijf] , heeft beschadigd.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt en (zo begrijpt het hof) dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake was van een zodanige hevige gemoedsbeweging als onmiddellijk gevolg van het slaan door de aangever, dat daardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 dagen, subsidiair 35 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke straf op te leggen, gelet op het tijdsverloop, het bedrijf van de verdachte en de gezondheid van de verdachte, die te wensen overlaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer meermalen een vuistslag in het gezicht gegeven. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt.

Daarnaast heeft de verdachte een taxi beschadigd, waarbij hij een raam heeft stuk geslagen. Door aldus te handelen heeft hij de eigenaar van de taxi schade berokkend. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor andermans eigendom.

Bij de berechting van de zaak in hoger beroep is de redelijke termijn, die ingevolgde artikel 6, eerste lid, van het EVRM in acht moet worden genomen, overschreden. De verdachte heeft op 14 januari 2016 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 23 november 2018 arrest. Het hof stelt op grond hiervan vast dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim tien maanden.

Dit leidt ertoe dat het hof deze overschrijding zal verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof in beginsel een taakstraf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd passend en geboden acht, maar deze, gelet op het tijdsverloop, zal matigen als hierna te vermelden.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 470,60, bestaande uit € 20,60 aan materiële schade (reiskosten naar het ziekenhuis) en € 450 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen tot een bedrag van € 470,60, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding primair niet-ontvankelijk te verklaren vanwege vrijspraak die bepleit is. Subsidiair heeft zij verzocht de reiskosten naar het ziekenhuis af te wijzen, nu geen noodzaak tot medisch ingrijpen heeft bestaan. Voorts heeft zij verzocht de immateriële schade slechts gedeeltelijk toe te wijzen, vanwege toepassing van artikel 6:101 BW (eigen schuld) aan de zijde van de aangever.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 220,60, bestaande uit € 20,60 aan materiële schade (reiskosten naar het ziekenhuis) en een naar billijkheid bepaald bedrag van € 200 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.146,77 aan materiële schade, bestaande uit de volgende kostenposten:

  1. reparatiekosten € 927,99

  2. schade aan derden € 698,78

  3. gemiste inkomsten € 3.520

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.766,93. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen een bedrag van

€ 1.766,93, bestaande uit € 766,93 aan reparatiekosten en € 1.000 aan gemiste inkomsten, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding primair af te wijzen.

Subsidiair heeft zij verzocht kostenpost a) reparatiekosten, te matigen tot een bedrag van € 416,93, nu de bumperschade ad € 350 niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 ten laste gelegde. Tevens heeft zij gesteld dat de BTW in mindering dient te worden gebracht op kostenpost a) reparatiekosten. Ten aanzien van kostenpost c) gemiste inkomsten, heeft zij verzocht de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze kostenpost onvoldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 416,93, bestaande uit kostenpost a) reparatiekosten. Daarbij wordt overwogen dat de bumperschade ad € 350 naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde, zodat de vordering voor dat deel zal worden afgewezen. Voorts is het hof van oordeel dat de BTW op het bedrag in mindering dient te worden gebracht. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Met betrekking tot kostenpost b) is het hof van oordeel dat die niet voor toewijzing vatbaar is, het betreft hier kennelijk door de verzekeraar aan derden vergoede schade.

Met betrekking tot kostenpost c) gemiste inkomsten, is het hof van oordeel dat deze kostenpost onvoldoende is onderbouwd, zodat de vordering ook voor dat deel zal worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 220,60 (tweehonderdtwintig euro en zestig cent) bestaande uit € 20,60 (twintig euro en zestig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 220,60 (tweehonderdtwintig euro en zestig cent) bestaande uit € 20,60 (twintig euro en zestig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 mei 2013.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 416,93 (vierhonderdzestien euro en drieënnegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 416,93 (vierhonderdzestien euro en drieënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 mei 2013.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. F.A. Hartsuiker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2018.

mr. G. Oldekamp en mr. F.A. Hartsuiker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]