Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5096

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23-001354-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling opzetheling. Bespreking bewijsverweer. Oplegging taakstraf i.v.m. schuldenlast verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001354-18

datum uitspraak: 17 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer

13-163280-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 september 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een goed te weten een telefoon heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redeleijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de telefoon van diefstal afkomstig was. De verdachte heeft onmiddellijk bij de politie verklaard dat de iPhone 6+ niet van hem was, dat deze telefoon van een vriend van hem was en dat hij de telefoon voor die vriend bij zich heeft gehouden. De verklaring van de verdachte kan niet worden weerlegd door de bewijsmiddelen. Daarnaast stond de telefoon nog niet geregistreerd als gestolen en was aan de telefoon niet te zien dat de telefoon gestolen was. Het enkele voorhanden hebben van een telefoon is niet voldoende voor opzet- dan wel schuldheling, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op 8 augustus 2016 is de verdachte wegens het aanbieden van ‘nepdope’ (naar het hof aanneemt: aangehouden en) omstreeks 1:00 uur overgebracht naar het politiebureau [naam 1] te Amsterdam. Bij de insluitingsfouillering werden bij hem drie telefoons aangetroffen. Een witte iPhone 5s, een zwarte iPhone 6+ en een zwarte Blackberry. Bij het drukken op de homeknop van de iPhone6+ zag hoofdagent [verbalisant 1] dat deze in het Engels was ingesteld en dat op het scherm ‘no sim’ stond, hetgeen betekent dat de simkaart uit het toestel is verwijderd. Ook in de Blackberry bevond zich geen simkaart. Het was de hoofdagent bekend dat in het Amsterdamse [plek] veel telefoons worden gestolen, waarna de simkaart uit de telefoon wordt gehaald om te voorkomen dat de telefoon traceerbaar is. Het proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent [verbalisant 1] houdt voorts in:

“Ik vroeg van wie deze telefoons waren. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Deze telefoons zijn gewoon van mij”. Hierop reageerde ik met: “Drie telefoons, toe maar?”, waarop [verdachte] reageerde met: “Nee, die ene is van een vriend van mij”, waarop hij wees naar de iPhone 6+. Ik vroeg of [verdachte] deze telefoons kon ontgrendelen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Nee, alleen die iPhone 5s kan ik ontgrendelen. Die andere zijn van een vriend.” Ik hoorde dat [verdachte] continu een ander verhaal vertelde over wie de eigenaar was van de telefoons. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Mijn vriend heeft deze telefoon aan mij gegeven. Ik moest dit vasthouden. Hij heeft namelijk schulden. Wanneer ze hem fouilleren, treffen ze dan niets aan.”.

In de iPhone 6+ werden berichten aangetroffen van [slachtoffer].1 Op 8 augustus 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van diefstal, vermoedelijk gepleegd op 6 augustus 2016. Hij heeft de bij de verdachte aangetroffen iPhone 6+ herkend als de zijne.2 In zijn verhoor door de politie heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen, gevraagd naar de naam van de vriend van wie de iPhone 6+ zou zijn.3

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het ging om iemand die hij kent van vroeger uit de buurt, wiens voornaam “[naam 2]” was en die “[naam 3]” als bijnaam had, omdat hij krullen had. Diens achternaam kent de verdachte niet en hij heeft “[naam 2]” nadien nooit meer gezien; de verdachte denkt dat “[naam 2]” verhuisd is.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte onder suspecte omstandigheden (drie telefoons, waarvan twee zonder simkaart) in het bezit bleek van een zeer kostbare smartphone. Van dergelijke smartphones is algemeen bekend dat zij – in het bijzonder in het gebied waarin de verdachte zich bevond – veelvuldig voorwerp van diefstal zijn. Dat de verdachte in deze opvallende omstandigheden (maximaal) anderhalve dag na de diefstal over de iPhone kon beschikken acht het hof redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde feit, in die zin dat daaruit afgeleid wordt dat de verdachte het toestel heeft verkregen onder omstandigheden waarin hij wist dat het van diefstal afkomstig was. Verder stelt het hof vast dat de verdachte aanvankelijk wisselend heeft verklaard over wie de eigenaar was van deze telefoon en vervolgens een curieus en vragen oproepend verhaal heeft verteld over verkrijging van die telefoon van een vriend die ontdekking van de telefoon bij een eventuele fouillering zou hebben willen voorkomen, zonder de naam van die vriend te willen noemen. Eerst in hoger beroep heeft hij de naam van ‘[naam 2] [naam 3]’ laten vallen, maar daarmee of daarbij heeft hij geen enkel serieus te nemen gegeven aangereikt aan de hand waarvan zijn verklaring kan worden geverifieerd. Het hof acht de hem voorgespiegelde lezing dan ook niet aannemelijk geworden. Nu de verdachte geen aannemelijke, voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, kan de ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend worden bewezen als na te melden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 augustus 2016 te Amsterdam, een telefoon heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze hiervoor zijn weergegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300, subsidiair 6 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken, zodat zij niet tot het formuleren van een strafeis is gekomen.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een kostbare smartphone. Hij heeft hiermee geprofiteerd van de diefstal een ander. Door dergelijk handelen wordt bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige goederen.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Daarbij gaat het regelmatig om (flinke) geldboetes. Ter terechtzitting in hoger beroep is echter gebleken dat de verdachte een aanzienlijke schuldenlast heeft. Daarom wordt in deze zaak een geldboete niet passend geacht en zal een taakstraf worden opgelegd. Voor die strafmodaliteit is temeer aanleiding nu de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2018, onherroepelijk veroordeeld ter zake van een misdrijf dat is begaan vóór het thans bewezen geachte feit, hetgeen in zijn nadeel wordt gewogen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 15 augustus 2018 onder CJIB-nummer 4132542002683387.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. R. Kuiper en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2018.

Mr. M.J. Dubelaar en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 […]

2 […]

3 […]