Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5092

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23-004439-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voorhanden hebben hennep, cocaïne en scherpe patronen. Opiumwet en Wet Wapens en Munitie. Taakstraf 120 uren waarvan 60 uren vw met proeftijd 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004439-17

datum uitspraak: 17 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-162099-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ter terechtzitting opgegeven postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 september 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 21 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.276 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op of omstreeks 21 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.92 gram cocaïne gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3
hij op of omstreeks 21 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland munitie van categorie III, te weten 49, in elk geval een of meer patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 21 juli 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.276 gram hennep;

2
hij op 21 juli 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.92 gram cocaïne;

3
hij op 21 juli 2017 te Amsterdam, munitie van categorie III, te weten 49 patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met proeftijd 2 jaren.

De raadsman heeft het hof verzocht een straf op te leggen waardoor de verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt en de vordering van de advocaat-generaal te volgen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim 1.200 gram hennep en bijna een gram cocaïne. De hoeveelheid hennep was aanzienlijk. De verdachte had die partij niet alleen voor eigen gebruik aanwezig, maar ook met het oog op verdere verspreiding, reeds omdat hij – naar eigen zeggen – vrienden tegen vergoeding van hennep voorziet, maar ook gelet op het aantreffen van een hoeveelheid sealbags door het verpakken van softdrugs plegen te worden gebruikt. Hennep en cocaïne zijn bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 49 scherpe patronen. Hij heeft daarmee in strijd met de Wet wapens en munitie gehandeld, hetgeen een gevaar voor de veiligheid van personen oplevert.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van de Opiumwet. Dit wordt in zijn nadeel gewogen.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, voor het bezit van vergelijkbare hoeveelheden softdrugs in het bijzonder. Mede gelet daarop is het hof – anders dan de politierechter – enerzijds van oordeel dat in deze zaak nog kan worden volstaan met de oplegging van een taakstraf, maar anderzijds dat de omvang van de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf te zeer voorbij gaat aan de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte. Om de verdachte in te scherpen dat hij zich in de toekomst verre moet houden van het plegen van strafbare feiten, zal naast een taakstraf bovendien een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2018.

Mr. M.J. Dubelaar en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]