Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:505

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
001535-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

591a Sv - appellant heeft de noodzaak van rechtsbijstand over zich zelf heeft afgeroepen, geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 001535-17 (591a Sv HB)

Proces-verbaalnummer politie: PL1100-2017019143

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 14 augustus 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[appellant],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. A. Admiraal, [adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 1.333,90 ter zake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer.

Het verzoekschrift strekt voorts tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek.

2 Procesverloop

Het hoger beroep is op 17 augustus 2017 ingesteld namens verzoeker (hierna: appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 januari 2018 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer is op 23 maart 2017 geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en aldus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het inleidende verzoek is op 13 april 2017 ter griffie van de rechtbank ingekomen en is derhalve tijdig ingediend.

De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen omdat - kort weergegeven - appellant geen (volledige) openheid van zaken heeft gegeven.

Het hof overweegt als volgt.

In een door appellant gehuurde woning is op 27 januari 2017 een hennepplantage aangetroffen. Bij de stukken bevindt zich een huurovereenkomst gedateerd 16 september 2016. Appellant wordt vervolgens door de politie opgeroepen en als verdachte gehoord. Hij verklaart dat hij deze woning aan twee personen heeft onderverhuurd, maar wil desgevraagd niet verklaren aan wie. Hij verklaart voorts een enkele keer in de woning te zijn geweest om zijn post te checken en om de huur contant te innen. Verder geeft hij aan niets van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning te hebben geweten. Hij rook wel eens een henneplucht maar dacht dat dit afkomstig was van het roken van wiet door de huurder.

De zaak tegen appellant wordt vervolgens geseponeerd. De kosten die appellant heeft gemaakt zien voornamelijk op een bespreking met zijn raadsman vooraf aan het verhoor alsmede het door zijn raadsman bijwonen van dat verhoor. Onder voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat appellant de noodzaak van rechtsbijstand over zich zelf heeft afgeroepen en acht het geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

Met betrekking tot het verzoek tot forfaitaire vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een verzoekschriftprocedure overweegt het hof dat een (deels) afwijzende beslissing op het onderliggende verzoek dat ziet op de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, niet vanzelfsprekend met zich brengt dat ook het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de verzoekschriftprocedure moet worden afgewezen. Ook bij vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure gaat het om een billijkheidsoordeel. Geen gronden van billijkheid bestaan indien het verzoeker, voorzien van een rechtsgeleerd advocaat, rechtstreeks uit de wet en/of de bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het onderliggende verzoek zou worden afgewezen. In dat geval dient ook het verzoek ex artikel 591a Sv te worden afgewezen. Hiervan is in casu geen sprake. Het verzoek zal in zoverre worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en overeenkomstig het voorgaande beslissen .

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Kent ten laste van de Staat aan appellant een vergoeding toe van € 830,00 (achthonderddertig euro).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M. Iedema en A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 februari 2018.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 830,00 (achthonderddertig euro), te betalen uit ’s Rijks kas aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].

Amsterdam, 9 februari 2018.

Mr. R.D. van Heffen, voorzitter.