Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:5020

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
23-002496-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal van geld (ongeveer zeven euro) uit auto. Bevestiging met bespreking van een verweer en m.u.v. straf. Voorwaardelijke werkstraf van 30 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002496-18

datum uitspraak: 15 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13‑061961-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof een in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft gestolen en slechts de deur van de auto heeft geopend om een selfie te maken van het interieur. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding heeft de aangever verklaard dat er niets weg was uit zijn auto. De aangever heeft pas de volgende dag een verklaring afgelegd waarin hij heeft gesteld dat er geld was weggenomen. Dat geld is ook niet overhandigd of getoond aan de verbalisant. Er is daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.


De aangifte is gedaan op 27 maart 2018 om 17:55 uur, zijnde binnen één uur nadat de aangever, [slachtoffer], de verdachte bij zijn auto aantrof. De aangever verklaart dat hij met zijn zoon, getuige [getuige], de verdachte tegen de auto heeft aangezet en in zijn zakken heeft gekeken of er iets in zat. De aangever zag toen dat de verdachte geld in zijn jaszak had dat afkomstig was uit zijn auto. Het geld was opgeborgen in het middenvak van de auto onder de klep. De aangever heeft voorts aan de politie verklaard dat het ging om ongeveer zeven euro. De verklaring van de aangever wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaring van de getuige [getuige]. Het hof hecht meer waarde aan deze uitgebreide en door de aangever respectievelijk de getuige ondertekende verklaringen dan aan de door de raadsman aangehaalde zin in het proces-verbaal van aanhouding. Het door de verdachte geschetste scenario, dat hij slechts in de auto heeft gehangen om een foto te maken van het stuur dan wel van het interieur, is niet aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Oplegging van straf

Vonnis van de kinderrechter en standpunten van partijen

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van dertig uur.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van dertig uur, waarvan vijftien uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en als bijzondere voorwaarden schoolgang en medewerking aan de Intensieve Forensische Aanpak (IFA).

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een geldbedrag van ongeveer zeven euro gestolen uit een auto. Dat is een hinderlijk feit, waarmee de verdachte heeft laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van anderen. De aangever heeft de verdachte in de auto gezien, hem aangehouden, zijn geld teruggenomen en hem overgedragen aan de politie.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en het Leger des Heils hebben naar voren gebracht dat er nog steeds zorgen zijn over de verdachte. De verdachte is kort na de zitting bij de kinderrechter over deze zaak opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. De verdachte werkt wel goed mee met de hulpverlening en komt afspraken na. Hij staat op de wachtlijst voor een IFA-coach. De Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep een (deels) voorwaardelijke werkstraf geadviseerd, met als bijzondere voorwaarden naar school gaan volgens het rooster en meewerken aan IFA.

Het hof acht de geadviseerde bijzondere voorwaarden van belang voor een positieve ontwikkeling van de verdachte. Het hof zal de door de kinderrechter opgelegde straf volledig in voorwaardelijke vorm opleggen, met genoemde bijzondere voorwaarden. Gelet op de beperkte ernst van het feit is het niet noodzakelijk een deel van de werkstraf in onvoorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke werkstraf van dertig uur met na te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde onderwijs zal volgen volgens het rooster.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan de Intensieve Forensische Aanpak (IFA).

Geeft opdracht aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJ&R), gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. A.M. Kengen en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 november 2018.

Mr. M.R. Cox is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002496-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 15 november 2018.

Tegenwoordig zijn:

mr. A.M. Kengen, raadsheer,

mr. O. Boekraad, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.C.A. Bakker, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.