Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:500

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
200.228.447/ 01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:8192, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing, zorgen over (deels veronderstelde) medische problematiek kinderen, het is aangewezen dat de GI onderzoeken laat verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.228.447/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/264687 / JU RK 17-1664

beschikking van de meervoudige kamer van 13 februari 2018 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.T.A. Visser te Purmerend,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- [kind a] (hierna te noemen: [kind a] );

- [kind b] (hierna te noemen: [kind b] );

- [kind c] (hierna te noemen: [kind c] ).

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

locatie: Haarlem

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) (hierna: de kinderrechter) van

3 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 29 november 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

3 oktober 2017.

2.2.

De vader heeft op 27 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De GI heeft op 28 december 2017 een verweerschrift ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 5 januari 2018 met bijlagen;

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 8 januari 2018 met bijlagen;

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 9 januari 2018, gestuurd door mevrouw G. Lamboo.

2.5.

[kind a] heeft zijn mening per brief, ingekomen op 15 december 2017, kenbaar gemaakt. De voorzitter heeft ter zitting van de inhoud hiervan zakelijk mededeling gedaan.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 9 januari 2018 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager, een collega en een gedragswetenschapper;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer R. Koops;

- de vader, bijgestaan door mr. E.T.A. Boers, advocaat te Hoorn.

Tevens zijn verschenen – en als informant door het hof gehoord –:

- de heer [a] en mevrouw [b] (hierna: de pleegouders van [kind a] );

- mevrouw [c] (hierna: de pleegmoeder van [kind c] );

- mevrouw [d] (hierna: de grootmoeder moederszijde).

De heer [e] en mevrouw [f] (hierna: de pleegouders van [kind b] ) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1.

Uit het (inmiddels door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind a] , [in] 2005, te [geboorteplaats] ;

- [kind b] , [in] 2008, te [geboorteplaats] ; en

- [kind c] , eveneens [in] 2008 te [geboorteplaats] .

[kind a] , [kind b] en [kind c] worden gezamenlijk ook ‘de kinderen’ genoemd.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds 29 september 2017 alle drie in een ander (netwerk)pleeggezin.

3.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 7 mei 2015 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 7 mei 2018.

3.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 29 september 2017 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor plaatsing in het netwerk van de kinderen en aansluitend, voor [kind b] en [kind c] , een plaatsing in een pleeggezin, en voor [kind a] een plaatsing op een observatieplek in de jeugdhulpverlening dan wel in een verpleegkundig kinderzorghuis, met ingang van 29 september 2017 voor de duur van vier weken.

3.4.

In het dossier bevindt zich onder meer een rapport van de raad van 20 april 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de GI, een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend tot 7 mei 2018, voor [kind a] voor plaatsing op een observatieplek dan wel een verpleegkundig kinderziekenhuis en voor [kind b] en [kind c] voor plaatsing in een pleeggezin.

4.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen dan wel de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een zo kort mogelijke periode. Voor zover het hof het inleidend verzoek niet alsnog afwijst, verzoekt zij een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten naar de mogelijkheid van de moeder om de kinderen zelf te verzorgen en op te voeden.

4.3.

De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4.

De vader verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren, en of deze gronden thans nog aanwezig zijn.

Standpunten betrokkenen

5.2.

De moeder stelt dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen niet aanwezig zijn. Zij voert hiertoe – onder meer – het volgende aan. De moeder ontkent dat sprake is van Pediatric Condition Falsification (hierna: PCF). Zij heeft altijd gehandeld volgens de adviezen van de artsen. Voor de klachten van [kind a] is een diagnose gesteld, zodat PCF niet kan worden aangetoond. [kind a] heeft vanaf de geboorte verschillende (medische) problemen, zo had hij reflux, voedingsproblemen, een motorische achterstand en driftbuien. De moeder is hiervoor door de ene specialist doorverwezen naar de andere en heeft niet zelf geshopt tussen verschillende medici. Ook nu is bij [kind a] sprake van complexe problematiek, waaronder PDD-NOS, ADHD-verschijnselen en een verkleinde blaas. De GGZ is van mening dat de lichamelijke klachten verklaard kunnen worden als psychosomatisch vanuit autisme spectrum problematiek en een verhoogde prikkelgevoeligheid. Dit heeft de moeder geaccepteerd. De moeder heeft een posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS) door seksueel misbruik, waardoor zij misschien volhardender is dan een ander om de problemen van [kind a] op te lossen, maar dat betekent niet dat er sprake is van PCF. De moeder is voorts overbelast geweest en dat heeft gezorgd voor spanningen in het gezin. Het tij is gekeerd nu de echtscheiding definitief is. De moeder staat thans meer open voor hulpverlening en is bereid in training te gaan om haar opvoedcapaciteiten te verbeteren, als dat nodig is.

De kinderen zijn plotseling uit huis geplaatst op basis van slechts een melding vanuit de Omring en informatie van de vader. Op de juistheid van de stellingen van de vader kan niet zonder meer worden vertrouwd, omdat hij snel overbelast is, chronisch oververmoeid en zijn geheugen snel achteruit gaat. De visie van de Omring staat haaks op de visie van Kids2Care ten tijde van het onderzoek naar de zorgmelding. De GGZ, scholen en artsen van het VUmc staan ook niet achter de uithuisplaatsing, omdat zij de zorgen niet delen. Hun visie is echter niet kenbaar gemaakt in het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing.

De moeder ontkent dat de veiligheid van [kind b] en [kind c] niet gewaarborgd is, als [kind a] uithuisgeplaatst is. Niet duidelijk is waarop de GI deze beschuldiging stoelt. Met [kind b] gaat het niet goed, school heeft grote zorgen over hem sinds de uithuisplaatsing. Hij is vaker overstuur en laat zich niet meer bijsturen. [kind c] heeft helemaal geen problemen, zodat niet aan de gronden voor een uithuisplaatsing is voldaan.

Voorts beroept de moeder zich op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Venema tegen Nederland volgt dat vermoedens van PCF onvoldoende zijn voor een uithuisplaatsing.

Ten slotte verzoekt de moeder, als het hof het inleidend verzoek niet afwijst, een deskundige te benoemen op grond van art. 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de moeder om de kinderen zelf te verzorgen en op te voeden.

5.3.

De GI voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet alleen gebaseerd is op de zorgen van de Omring en de vader, maar dat sinds de start van de ondertoezichtstelling sprake was van een vermoeden van PCF bij de raad en Veilig Thuis. De ouders hebben deze zorgen onvoldoende herkend en erkend, hebben een ambivalente houding naar de hulpverlening en haken af als zij zich niet in het geadviseerde hulpverleningstraject kunnen vinden. De moeder vertoont dan zogenaamd shopgedrag en wisselt naar een andere hulpverlener. De moeder medicaliseert de problematiek van [kind a] en de discrepantie tussen de klachten van [kind a] zoals die door anderen worden beschreven en zoals die door de moeder worden beschreven, is erg groot. De moeder is blijvend op zoek naar een verklaring voor de klachten, waarbij ze – ook tegenover [kind a] – de nadruk legt op zaken die [kind a] niet kan en niet goed doet. Zij is te weinig gericht op herstel dan wel vooruitgang. Sinds de uithuisplaatsing maakt [kind a] kleine stapjes vooruit, bijvoorbeeld op het gebied van zelfstandigheid.

Gelet op de ernstige zorgen ten aanzien van [kind a] , kan ook de veiligheid van [kind b] en [kind c] in de thuissituatie niet worden gewaarborgd. Ook zij groeiden op in een overbelast gezinssysteem, waarbij onder meer sprake was van een vechtscheiding, een gebrek van empathie van de moeder richting de kinderen en het mogelijk geven van fysieke straffen. Voorts valt op dat [kind c] , sinds de uithuisplaatsing, moeite heeft met het uiten van haar emoties. Zolang de moeder de zorgen niet herkent en erkent, kan niet naar een thuisplaatsing van de kinderen worden toegewerkt, aldus de GI.

5.4.

De vader voert aan volledig achter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te staan. Tijdens het huwelijk werd de vader door de moeder beïnvloed en werd alles door de moeder bepaald. Hij betwist dat hij de klachten, aandoeningen en stoornissen heeft die de moeder hem toedicht. Sinds hij gescheiden van de moeder leeft, gaat het veel beter met hem en de hulpverlening die hij van het RIBW ontvangt, wordt waarschijnlijk al op korte termijn afgebouwd. Hij maakt zich zorgen over hoe de thuissituatie van de kinderen bij de moeder is geweest, omdat de moeder regelmatig schreeuwde of fysiek agressief was naar de kinderen. Hij ziet een grote vooruitgang bij de kinderen sinds zij niet meer thuis wonen. [kind a] heeft geen vage klachten meer, wordt opener en heeft geen hulpmiddelen (zoals een rolstoel) meer nodig. Zolang de moeder haar problemen niet erkent, dienen de kinderen niet bij haar te worden teruggeplaatst, aldus de vader.

5.5.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. In het rapport van de raad van 20 april 2015 is geconcludeerd dat een ondertoezichtstelling nodig was en is een uithuisplaatsing overwogen, maar toen is ingezet op intensieve ondersteuning. De moeder heeft de kans gekregen om de sterke vermoedens van PCF te ontkrachten, maar zij bleef focussen op de medische problematiek van [kind a] . Thans dient een haalbaar plan opgesteld te worden voor een thuisplaatsing van [kind b] en [kind c] , aldus de raad.

5.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[kind a]

5.7.

[kind a] heeft sinds zijn geboorte te kampen met - deels onverklaarbare - lichamelijke klachten. Zo is hij in juli 2005 gedurende zes weken in het ziekenhuis opgenomen met refluxklachten. In augustus 2005 is hij in het ziekenhuis opgenomen vanwege voedingsproblemen en huilen. In de zomer van 2007 is [kind a] gestart bij de peuterspeelzaal, waar het de ouders opviel dat hij een motorische achterstand had ten opzichte van de andere kinderen. Hij is in 2009 naar de basisschool gegaan, waar hij in het eerste jaar zowel thuis als op school veel driftbuien liet zien. Na een psychologisch onderzoek in 2011, is hij in 2012 door Stichting de Praktijk onderzocht en gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADHD verschijnselen. Hij is doorverwezen naar het speciaal basisonderwijs en heeft eerst van juni 2012 tot juni 2013 op de Wissel gezeten en aansluitend tot augustus 2017 op de Mytylschool. In augustus 2017 is hij weer overgestapt naar de Wissel.

5.8.

In februari 2015 heeft de raad een melding ontvangen over de kinderen van de gemeente Hoorn. Veilig Thuis, het AMC, de GI, Triversum en de Mytylschool hadden aangegeven grote zorgen te hebben over de veiligheid van de kinderen, omdat de moeder aangaf dat met name [kind a] last had van aanhoudende (lichamelijke) klachten, terwijl deze door de overige betrokkenen niet werden herkend of erkend. Naast zorgen over de veiligheid van de kinderen, hadden Veilig Thuis, het AMC, de GI en de Mytylschool grote zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind a] , omdat een grote discrepantie bestond tussen het gedrag en de klachten die hij op school liet zien en het gedrag en de klachten die de moeder thuis signaleerde. Volgens de moeder had [kind a] last van lichamelijke klachten, zoals pijn in zijn benen, ernstige vermoeidheid, motorische achterstand en spierzwakte. Hij ging hierdoor een half jaar lang niet naar school, omdat dit te belastend voor hem zou zijn. Hij zat in een rolstoel, was niet zindelijk, droeg incontinentiemateriaal (luierbroekje) en had begeleiding nodig bij handelingen als zichzelf wassen. Hij gebruikte verschillende medicatie, waaronder Suprimal, Forlax, Methylfenidaat, Losec, Risperidon en Paracetamol. Op school klaagde hij niet over zijn lichamelijke ongemakken, ging hij op tijd naar de wc en droeg hij geen luierbroekje, vertoonde hij geen gedragsproblemen en gedroeg hij zich naar de regels van de groep. Hij had geen moeite met traplopen, toonde zich enthousiast en gemotiveerd en de school zag geen tekenen van vermoeidheid.

5.9.

De moeder was ervan overtuigd dat een medische oorzaak ten grondslag lag aan de klachten, en ging met [kind a] naar verschillende medisch specialisten. Zo is [kind a] sinds 2011 bekend bij de kinderarts in het West-Fries Gasthuis vanwege, onder meer, zijn gedragsproblematiek en snelle spiervermoeibaarheid – waarvoor in het AMC en VUmc geen afwijkingen zijn geconstateerd maar wel een discrepantie tussen de anamnestische en geobjectiveerde klachten. In 2013 is hij voor een second opinion op de polikliniek van het Beatrix Kinderziekenhuis in het UMCG geweest, in verband met progressieve vermoeidheid, pijnklachten in de benen en inspanningstolerantie. Ook hier zijn geen afwijkingen geconstateerd. Hij is in 2013 bij een diëtist geweest vanwege mogelijk onvoldoende aankomen in gewicht en heeft calorieverrijkte voeding gekregen. In 2014 is hij in het AMC geweest op de polikliniek voor kinderen vanwege vermoeidheid en moeilijk lopen, waar cardiale, neuromusculaire en (mitochondriale) metabole aandoeningen werden uitgesloten. Sinds 2016 gaat [kind a] naar de poli kinderurologie van het VUmc vanwege incontinentieproblematiek, bij hem is een klein-capacitaire blaas vastgesteld. In 2017 is hij in het VUmc op de poli klinische genetica geweest, waar is onderzocht of een overkoepelende genetische diagnose gesteld kon worden voor zijn klachten (waaronder verstandelijke beperking, PDD-NOS, spierpijnen en zwakte), dit bleek niet het geval te zijn.

5.10.

[kind a] is in 2013 ter observatie opgenomen in het AMC, waarbij zijn klachten niet geobjectiveerd konden worden en sommige klachten zijn ontkracht. In november 2013 heeft Triversum [kind a] psychologisch onderzocht. Op basis van dit onderzoek kon een pervasieve ontwikkelingsstoornis worden gediagnosticeerd. In maart 2014 heeft het AMC een vermoeden van PCF gemeld bij AMK/Veilig Thuis. Een opvallende discrepantie werd geconstateerd tussen de door de ouders, met name de moeder, geuite klachten en observaties van [kind a] tijdens polibezoeken, ziekenhuisopname en observaties van school. Hierop is het AMK/Veilig Thuis een onderzoek gestart naar het gezin. Uit dit onderzoek volgde het advies om de ouders van [kind a] te scheiden, zodat zicht kon komen op het klachtenpatroon, zijn gedrag en ontwikkeling en om na te kunnen gaan welke invloed de gezinsleden hebben op het ziektebeeld van [kind a] . Veilig Thuis achtte een uithuisplaatsing noodzakelijk en heeft de zaak daarop overgedragen aan de GI. De ouders gaven aan niet achter het advies van Veilig Thuis te staan en kwamen niet tot samenwerking met de GI. De GI heeft de zaak daarom in november 2014 teruggelegd bij Veilig Thuis. Triversum had in maart 2014 geadviseerd tot een klinische opname van [kind a] . Aanvankelijk hebben de ouders zich ook daartegen verzet, maar uiteindelijk stemden zij in en is [kind a] in december 2014 ter observatie opgenomen bij Triversum, welke opname na een korte periode echter weer (voortijdig) is beëindigd.

Diverse medici – de vorige huisarts [x] , de huidige huisarts praktijk [y] , de kinderartsen in het West-Fries Gasthuis – deelden de mening van de kinderartsen in het AMC dat sprake was van een zorgwekkende gezinssituatie waarbij sprake zou kunnen zijn van PCF.

Sinds de uithuisplaatsing gaat het goed met [kind a] bij de pleegouders. Hij volgt een behandeling bij Lucertis, dramatherapie, en in overleg met zijn psychiater is hij begonnen met de afbouw van zijn medicatie. Hij klaagt bij de pleegouders niet over pijn in zijn benen, zijn rolstoel heeft hij niet meer gebruikt, hij is overdag zindelijk en ’s nachts ook een groot deel van de tijd.

[kind b]

5.11.

In mei 2014 is [kind b] door de GGZ gediagnosticeerd met een autistische stoornis. Hij gaat evenals [kind a] naar het speciaal basisonderwijs. Ook over [kind b] bestonden in 2015 grote zorgen omdat er discrepantie bestond tussen het (klacht)gedrag van [kind b] op school en het gedrag thuis. Volgens de moeder vertoonde [kind b] gedragsproblemen, zou hij een spraak- en taalontwikkelingsachterstand hebben en leiden aan slaap-apneu. Voor vermeende bekkendysfunctie is hij naar een fysiotherapeut geweest. Zijn school herkende de gedragsproblemen niet en zag de genoemde lichamelijke klachten niet bij hem terug. In 2017, voorafgaand aan de machtiging tot uithuisplaatsing, liet hij op school clownesk en grensoverschrijdend gedrag zien richting de leerkracht, waarbij hij niet meer luisterde, ging krijsen en op de grond liggen. Sinds de uithuisplaatsing heeft zijn juf bericht dat hij een vrolijke jongen is die makkelijk contact maakt met andere leerlingen en leerkrachten. Hij heeft behoefte aan structuur hoewel hij zich ook steeds makkelijker aanpast aan andere situaties. Hij heeft aanvankelijk bij de grootouders van vaders kant verbleven en daarna bij een stiefzus van de vader. Sinds kort verblijft hij in een crisispleeggezin, omdat hij vaak ruzie had met de dochter van de stiefzus van de vader. [kind b] laat nog steeds zorgelijke signalen zien, zo kan hij geniepig zijn en toonde hij weinig emoties op het moment dat hij overgeplaatst werd.

[kind c]

5.12.

Veilig Thuis en de GI hadden eveneens zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind c] . Zij groeide op in een gezinssituatie waarin [kind a] , [kind b] en de vader extra aandacht kregen, waardoor onduidelijk was in hoeverre zij zelf de aandacht kreeg die zij nodig had. Daarnaast heeft zij een periode gehad waarin zij rood zag rondom de schaamstreek, niet verschoond wilde worden en last had van aanhoudende urineweginfecties. De moeder heeft hierop gevraagd om een SOA-test, waarvan de uitslag negatief was. De moeder gaf aan niet uit te sluiten dat [kind c] en [kind a] seksueel misbruikt zijn.

Sinds de uithuisplaatsing was [kind c] aanvankelijk erg gesloten en vroeg zij veel aandacht. Inmiddels is ze vrolijk en gaat het goed op school.

Hulpverlening

5.13.

Het AMK, de GI en de revalidatiearts hadden voorts zorgen over het pedagogisch handelen van de ouders. De moeder had eind 2013 filmpjes gestuurd naar school ter illustratie van hetgeen gebeurde als [kind a] thuis kwam. Op een filmpje is te zien dat de moeder op [kind a] moppert, hem een zak vol braaksel toont en zegt: “Kijk eens wat je hebt gedaan”. [kind a] reageerde hier helemaal ontdaan op en de moeder was moeilijk hierop aan te spreken. Daarnaast waren de betrokken hulpverleners bezorgd omdat de ouders niet voldoende meewerkten aan de noodzakelijk geachte hulpverlening, waardoor geen zicht kon komen op de opvoedomgeving. De Praktijk heeft de ouders meerdere malen ambulante gezinsbegeleiding aangeboden, maar dit hebben de ouders afgewezen. De moeder vertoonde medisch shopgedrag en sloeg hulp af als dit niet strookte met haar inzichten of verwachtingen. Het AMK en de GI hebben gelet hierop geadviseerd [kind a] en de ouders te separeren, zodat zicht kon komen op het klachtpatroon, zijn gedrag en ontwikkeling en om na te kunnen gaan welke invloed de gezinsleden hadden op het ziektebeeld. Voorts diende in de thuissituatie zicht te komen op de interactie tussen de verschillende gezinsleden en de ziekmakende/bepalende factoren hierin.

Eind 2015 is, nadat de kinderen inmiddels onder toezicht waren gesteld, op verzoek van de GI Actiezorg gestart in het gezin omdat de moeder zich overbelast voelde. Zij boden ondersteunende begeleiding om de ouders te ontlasten en in het gezin te observeren hoe het met de kinderen ging in de interactie met de ouders. In maart 2016 is Actiezorg gestopt omdat de ouders geen klik voelden met de hulpverleners en van mening waren dat zij onvoldoende expertise hadden. Daarna is vanuit de GGZ het FACT-team ingezet. Begin 2017 is gebleken dat dit team niet verder zal gaan behandelen, maar dat een SOLK (somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten) behandeling zal worden ingezet en daarnaast hometraining vanuit het autisme-team.

In juni 2017 is de Omring gestart met ondersteuning in de gezinssituatie. De drie medewerkers die in het gezin werkzaam zijn geweest, hebben aangegeven zich zorgen te maken om de veiligheid van de kinderen gelet op het gedrag van de moeder. [kind a] werd klein gehouden en hierdoor geremd in zijn ontwikkeling, er was geen ruimte voor empathie richting de kinderen en er was sprake van een zeer autoritaire opvoeding.

De ouders

5.14.

De ouders zijn sinds maart 2017 uit elkaar. De moeder heeft een belast verleden, zij is onder meer seksueel misbruikt. Zij is op eigen verzoek in 2014 doorverwezen naar de GGZ omdat zij hoopte de diagnose PCF te kunnen weerleggen. Zij heeft te kampen met PTSS, waarvoor zij onder behandeling is bij de GGZ, die haar persoonlijkheidsontwikkeling heeft beïnvloed en als gevolg daarvan heeft zij een sterke behoefte aan autonomie en controle. Zij heeft moeite met vertrouwen in de ander, heeft geleerd problemen zelf op te lossen en niet op te geven. Ter zitting in hoger beroep heeft zij aangegeven dat sinds zij onder behandeling is voor PTSS, zij inziet dat zij heel erg gericht was op de (zorgen over de) kinderen. Zij wil graag dat het goed met ze gaat. Als gevolg hiervan heeft zij andere mensen tegen zich in het harnas gejaagd. Zij staat echter achter een SOLK-behandeling voor [kind a] . Als deze behandeling goed gaat, zijn verdere onderzoeken niet nodig, aldus de moeder.

5.15.

De vader was snel vermoeid en kon de moeder steeds minder bijstaan in de opvoeding. Hij had deels dezelfde klachten als [kind a] , waar geen medische verklaring voor gevonden kon worden. Voorts is hij onderzocht in het West-Fries Gasthuis omdat hij last had van zwarte tenen. Na uitvoerig onderzoek is daarvoor geen oorzaak gevonden. Daarnaast zou hij gediagnosticeerd zijn met een vorm van autisme, te kampen hebben met vermoeidheidsklachten, geheugenklachten, een lage verwerkingssnelheid hebben en last hebben van terugkerende pleuritis.

Na de echtscheiding en zijn vertrek uit de woning ervaart hij minder geheugenklachten en heeft hij meer energie. Zijn lichamelijke klachten zijn verminderd. Hij krijgt nog begeleiding van het RIBW maar zijn psychiatrisch verpleegkundige heeft bericht dat de begeleiding van het RIBW waarschijnlijk kan worden afgebouwd.

De vader maakte zich, zowel voor als na de echtscheiding, zorgen om de kinderen in de thuissituatie bij de moeder. Dit heeft hij aangekaart bij de GI. Sinds de kinderen uit huis zijn geplaatst, ziet hij vooruitgang bij hen.

Beoordeling hof

5.16.

Het hof overweegt ten aanzien van [kind a] als volgt.

Uit het hierboven onder 5.8, 5.9 en 5.10 overwogene, blijkt dat de artsen en behandelaars van [kind a] tot de conclusie zijn gekomen dat de moeder de klachten en beperkingen van [kind a] anders duidde en anders wilde benaderen dan de artsen en behandelaars zelf. Sinds de uithuisplaatsing van [kind a] , ten tijde van de zitting in hoger beroep ruim drie maanden geleden, is onder meer gebleken dat [kind a] geen rolstoel meer nodig heeft, hij geen last heeft van pijn in zijn benen, overdag geen en ’s nachts nog amper een luierbroekje hoeft te dragen en dat zijn medicatie kan worden afgebouwd. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder ook erkend dat zij erg gericht was op de problemen van de kinderen. Daarbij was zij overbelast. Voorts is voldoende komen vast te staan dat de moeder de nadruk legde op wat [kind a] allemaal niet kon doen, waardoor zij hem klein heeft gehouden. Alhoewel het gedrag van de moeder thans niet met zekerheid als PCF valt te kwalificeren, staat voor het hof wel vast dat de interactie tussen de moeder en [kind a] een verstorende invloed op de ontwikkeling van [kind a] heeft gehad, nu hij niet de kans heeft gekregen de vaardigheden die hij wel had, verder te oefenen en uit te breiden. [kind b] en [kind c] groeiden op in een gezinssysteem waarbinnen de moeder overbelast was, die zelf psychiatrische problematiek heeft en die zich overmatig richtte op alle (deels veronderstelde) gezondheidsproblemen van met name [kind a] . De vader heeft binnen dit systeem de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging niet van de moeder kunnen overnemen en bleek zich steeds meer afzijdig te op te stellen. Daarbij is gebleken dat [kind b] (eveneens) een kwetsbaar kind is: hij is gediagnosticeerd met een autistische stoornis. Ook ten aanzien van hem heeft een discrepantie bestaan tussen door de moeder en door zijn school ervaren klachten. Gelet op de overbelasting van de moeder, lopen ook [kind b] en [kind c] het risico dat hun ontwikkeling stagneert, zolang de moeder niet aan de slag gaat met haar eigen problematiek. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder ter zitting in hoger beroep weliswaar te kennen heeft gegeven dat zij inziet dat zij erg gericht was op de problemen van met name [kind a] , maar (nog) niet expliciet kan (h)erkennen dat zij daarmee de ontwikkeling van de kinderen heeft belemmerd. De moeder dient hiervoor verdere therapie en hulp te krijgen en accepteren en op een goede wijze gediagnosticeerd te worden. Het hof acht derhalve de uithuisplaatsing van [kind a] , [kind b] en [kind c] ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding en acht deze uithuisplaatsing ook thans nog noodzakelijk.

5.17.

De moeder is op dit moment onder behandeling voor PTSS en zij ziet in dat zij heel erg gefocust was op haar zorgen over de (gezondheid van de) kinderen en met name over [kind a] . Zij lijkt een begin van inzicht te krijgen in welke belemmeringen en gedrag van haar zijde een uithuisplaatsing noodzakelijk hebben gemaakt. Gezien deze ontwikkeling acht het hof het van belang dat grondig wordt onderzocht hoe op termijn een thuisplaatsing van de kinderen mogelijk kan worden gemaakt. Daarbij acht het hof niet uitgesloten dat een thuisplaatsing van [kind c] en [kind b] eerder aan de orde is dan een thuisplaatsing van [kind a] . Naar het oordeel van het hof is de GI de aangewezen instantie om hierbij de regie te nemen, omdat de GI de ondertoezichtstelling uitvoert. Het is aangewezen dat de GI in dat kader, naast het voeren van intensief overleg met de GGZ en/of het netwerk van het gezin, de volgende onderzoeken laat verrichten:

- een persoonlijkheidsonderzoek van de moeder, om te bezien of zij in staat is mee te werken aan wat de GI van haar verlangt;

- een onderzoek naar de interactie tussen de moeder en de kinderen, waarbij de moeder kan leren hoe zij adequaat op de kinderen kan reageren en wat haar rol ten opzichte van de kinderen inhoudt;

- een onderzoek naar de rol die de vader in de toekomst voor de opvoeding en verzorging van de kinderen kan betekenen;

- een onderzoek naar alle drie de kinderen om te bezien welke hulp zij nodig hebben om zich vanuit de thuissituatie bij de moeder verder te ontwikkelen.

Het hof acht het onvermijdelijk dat de rest van de duur van de uithuisplaatsing wordt benut om deze onderzoeken te laten verrichten.

5.18.

Het beroep van de moeder op het bepaalde in artikel 8 EVRM wordt verworpen, nu het hiervoor overwogene voldoende grond biedt voor een beperking van het in dat artikel genoemde recht ter bescherming van de gezondheid van het kind als bedoeld in lid 2 van het artikel. Het hof is voorts van oordeel dat de belangen van de kinderen, gelet op het hiervoor overwogene, een afwijking van het in artikel 9 IVRK neergelegde beginsel rechtvaardigen. Tot slot overweegt het hof dat de moeder voldoende toegang heeft gekregen tot de informatie waarop het verzoek tot het treffen van de maatregel tot uithuisplaatsing is gebaseerd, en is haar voldoende mogelijkheid geboden om argumenten in te brengen.

5.19.

De moeder heeft ten slotte verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten naar haar mogelijkheden om de kinderen zelf op te voeden, in de zin van artikel 810a lid 2 Rv. Het hof overweegt dat een dergelijk verzoek toewijsbaar is in het geval het onderzoek mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. Nu de GI nog de onderzoeken als hiervoor onder 5.17 zal moeten verrichten, is er geen aanleiding daarnaast een afzonderlijk onderzoek te laten verrichten. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

5.20.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. M.C. Schenkeveld en

mr. J. Kok, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier en is op 13 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.