Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4975

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
17/00226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Interpretatie belastbaar feit forensenbelasting. Belanghebbende (lees: zijn echtgenote) heeft in de loop van het jaar 2014 haar woonplaats verlegt naar de gemeente Bergen waar sinds het jaar 2012 een gemeubileerde woning wordt aangehouden. Gegeven de tekst van artikel 2, eerste lid, van de Verordening doet het belastbare feit zich naar het oordeel van het Hof reeds voor indien de natuurlijke persoon op meer dan 90 dagen in een belastingjaar voor zichzelf of zijn gezin een gemeubileerde woning in de gemeente beschikbaar houdt zonder gedurende die dagen in de gemeente hoofdverblijf te hebben. Het Hof volgt dan ook belanghebbende niet in zijn standpunt dat het belastbaar feit zich niet voordoet als over het hele kalenderjaar bezien de woonplaats (toch) in de gemeente ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00226

6 november 2018

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 13 maart 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/1160 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 december 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag opgelegd in de forensenbelasting ten bedrage van € 3.285 (hierna: de aanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 18 januari 2016, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

In haar uitspraak heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 april 2017 en aangevuld bij brief van 18 mei 2017.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. Belanghebbende is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen B. Verhagen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak (waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’) de navolgende feiten vastgesteld.

“1. Eiser is, samen met [naam] (hierna: de echtgenote), sinds 2012 eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2. Eiser en de echtgenote hebben drie kinderen.

3. De echtgenote en de kinderen staan sinds 22 juli 2014 ingeschreven in [plaats] . Eiser staat sinds november 2014 ingeschreven in [plaats] . Voor genoemde data waren eiser, de echtgenote en de kinderen woonachtig in Houston (Verenigde Staten), waar eiser werkzaam was.

4. De echtgenote en een van de kinderen verbleven van 17 december 2013 tot en met 3 januari 2014 in Nederland. Eiser en de andere twee kinderen verbleven van 20 december 2013 tot en met 3 januari 2014 in Nederland. De echtgenote en de kinderen verbleven van 12 april 2014 tot en met 24 april 2014 in Nederland. De echtgenote en de kinderen zijn sinds 14 juli 2014 woonachtig in Nederland. Eiser is sinds november 2014 woonachtig in Nederland.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

In het proces-verbaal van de zitting van het Hof is onder meer het volgende vermeld:

“Belanghebbende

- In het jaar 2006 ben ik voor mijn werk uitgezonden naar Zuidoost-Azië. Mijn echtgenote en de kinderen zijn toen met mij mee gegaan. Met ingang van het jaar 2006 hebben wij ons uitgeschreven in Nederland. In eerste instantie heb ik gewerkt in Maleisië, en daarna ben ik aansluitend uitgezonden naar Singapore. Na een aantal jaren in Zuidoost-Azië te hebben gewoond, was onze wens om weer terug te keren naar Nederland. De bedoeling was dat wij in 2012 zouden terugkeren naar Nederland. In dat jaar deed zich ook een unieke kans voor; wij konden een huis kopen in [plaats] , op een locatie waar wij altijd al wilden wonen. Het ging om de woning gelegen aan de [adres] . Deze woning hebben wij in maart 2012 gekocht. In het tweede kwartaal van 2012 is deze woning gerenoveerd. Onverwacht werd ik door mijn werkgever vanuit Zuidoost-Azië uitgezonden naar Houston. Dat was medio 2012. Weer ging het gezin met mij mee. In Houston kregen wij een huurwoning ter beschikking gesteld door mijn werkgever. Deze huurwoning stond op mijn naam. Mijn vrouw werkte niet in Houston. Al snel werd duidelijk dat mijn vrouw niet kon aarden in Houston. Eind 2013 hebben wij het besluit genomen om terug te keren naar Nederland. In december 2013 waren wij voor de kerstvakantie in Nederland. Vervolgens zijn wij op 4 januari 2014 teruggekeerd naar Houston. Daarna heeft mijn echtgenote met de kinderen in de maand april 2014 nog eens 13 dagen in de woning verbleven in [plaats] . Dit onder andere om scholen te zoeken voor de kinderen in Nederland. Daarna is zij samen met de kinderen weer teruggekeerd naar Houston. Tot en met de derde week van juni 2014 hebben mijn kinderen in Houston op school gezeten. Vervolgens is mijn echtgenote, samen met de kinderen, met ingang van 14 juli 2014 teruggekeerd vanuit Houston naar [plaats] en heeft zij de woning betrokken. De woning is overigens nooit door ons verhuurd geweest. Ik ben in november 2014 weer teruggekeerd naar Nederland.

De heffingsambtenaar

(…)

- De feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Ik kan mij dan ook vinden in de weergave die belanghebbende zojuist heeft gegeven. Dit betekent ook dat belanghebbende niet heeft bestreden dat de echtgenote en de kinderen vanaf 14 juli 2014 hun hoofdverblijf hadden in [plaats] . Daarvoor dus niet.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is voor het Hof in geschil of de onderhavige aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil in eerste aanleg het volgende overwogen en beslist:

“8. Op grond van artikel 223 van de Gemeentewet kan forensenbelasting worden geheven. Met de verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 201[4] (hierna: de Verordening) heeft de raad van de gemeente Bergen van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

9. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam “forensenbelasting” een directe belasting geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zichzelf of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

10. De vraag of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden zoals bepaald in artikel 223, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 2, tweede lid, van de Verordening. Alle van belang zijnde omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen. De inschrijving in de basisregistratie personen van de gemeente is een aanwijzing dat de persoon hoofdverblijf houdt in de gemeente, maar is niet doorslaggevend (vgl. Hoge Raad 9 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8536). Bepalend is waar het zwaartepunt van het persoonlijke leven van betrokkene(n) zich bevindt.

11. In beginsel rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de voorwaarden van het belastbare feit. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van 23 januari 2014 van het gerechtshof ʼs Hertogenbosch in (ECLI:NL:GHSHE:2014:135), echter van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat op eiser de bewijslast rust om aan de hand van feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat het hoofdverblijf in 2014 wel in de gemeente was.

12. Ter onderbouwing van zijn stelling voert eiser het volgende aan. Begin 2014 heeft eiser een verzoek ingediend bij zijn werkgever om Houston te kunnen verlaten, omdat de echtgenote naar Nederland wilde emigreren. Eiser en de echtgenote hebben er voor gekozen om de kinderen het nieuwe schooljaar, beginnend in augustus 2014, in [plaats] te laten beginnen. Al vroeg in 2014 is begonnen met het regelen van scholen voor de kinderen in [plaats] . In ieder geval vanaf medio juli 2014 hebben de echtgenote en kinderen hun hoofdverblijf in [plaats] . De echtgenote en de kinderen verbleven in 2014 feitelijk meer dagen in [plaats] (187) dan in Houston (178). Uit de bankafschriften blijkt dat gedurende de perioden genoemd in overweging 3 in [plaats] betalingen zijn verricht. Voorts behoort tot het dossier een brief van de bank van 5 februari 2016 waarin is verklaard dat eiser en de echtgenote sinds 1995 onafgebroken klant zijn. De centrale belangen zijn altijd in Nederland gebleven, waaronder de verzekeringen en de financiën. Daarnaast heeft het gehele gezin de Nederlandse nationaliteit, aldus eiser.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de echtgenote en de kinderen sinds 14 juli 2014 hoofdverblijf hebben in de gemeente Bergen. Vanaf 14 juli 2014 ligt het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de echtgenote en de kinderen in Nederland. De periode daaraan voorafgaand hadden eiser en het gezin hoofdverblijf in Houston. De woning heeft in die periode (1 januari 2014 – 14 juli 2014) gedurende meer dan 90 dagen voor gebruik aan eiser ter beschikking gestaan. Het belastbare feit heeft zich daarmee voorgedaan.

14. De rechtbank is van oordeel dat eerst beoordeeld moet worden of sprake is van hoofdverblijf in de gemeente Bergen. Daarbij is bepalend waar het zwaartepunt van het persoonlijke leven van eiser en het gezin zich in het belastingjaar (gelijk aan het kalenderjaar) 2014 bevond. Alleen als in het belastingjaar 2014 geen sprake was van hoofdverblijf in de gemeente Bergen, komt de rechtbank vervolgens toe aan de vraag of de woning in dat belastingjaar voor meer dan 90 dagen door eiser voor zichzelf of voor zijn gezin beschikbaar is gehouden. De uitleg die verweerder lijkt voor te staan, namelijk dat het hoofdverblijf in verschillende perioden in hetzelfde belastingjaar op verschillende plaatsen vastgesteld kan worden, volgt de rechtbank dan ook niet. Dit leidt echter niet tot een gegrond beroep gelet op het navolgende.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser en het gezin op grond van de gestelde feiten en omstandigheden in het belastingjaar 2014 geen hoofdverblijf in de gemeente Bergen hadden. Eiser was gedurende bijna het gehele jaar werkzaam in Houston. De echtgenote en de kinderen waren daar tot 14 juli 2014 samen met eiser woonachtig. De twee oudste kinderen gingen in Houston naar school. Het zwaartepunt van het persoonlijke leven bevond zich tot 14 juli 2014 in Houston. Vanaf 14 juli 2014 verblijven de echtgenote en de kinderen in [plaats] , sinds medio augustus 2014 gaan de kinderen in (de omgeving van) [plaats] naar school en sinds november 2014 verblijft eiser eveneens in de gemeente Bergen.

16. Dat de echtgenote en de kinderen in 2014 volgens eiser feitelijk meer dagen in [plaats] aanwezig waren dan in Houston is niet doorslaggevend en doet aan het voorgaande oordeel niet af, omdat tijdens die kortere bezoeken aan [plaats] voor 14 juli 2014 het zwaartepunt van het leven van betrokkenen in Houston en niet in [plaats] lag. De door eiser overgelegde bankafschriften en de verklaring van de bank kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De financiële relatie van eiser met Nederland komt met name voort uit het feit dat hij voorafgaand aan zijn emigratie naar Houston in Nederland woonachtig was en werkte en dat de woning in Nederland ligt. In verband met de woning in Nederland heeft eiser in Nederland verzekeringen. Dat eiser een bankrekening in Nederland heeft en die bankrekening gedurende de periode van emigratie naar Houston heeft aangehouden, maakt niet dat eiser financieel met Nederland dusdanig verstrengeld is dat daardoor het hoofdverblijf in Nederland ligt. Het verblijf als gezin in Houston, waar eiser werkte en waar zijn kinderen naar school gingen, weegt zwaarder.

17. Eisers stelling dat sprake is van een dubbele woonplaats kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten of sprake is van een dubbele woonplaats is, gelet op alle feiten en omstandigheden, aannemelijk dat in 2014 eiser en het gezin hoofdverblijf in Houston hadden.

18. Nu eiser en het gezin in 2014 niet hun hoofdverblijf in de gemeente Bergen hadden, is vervolgens de vraag aan de orde of eiser op meer dan 90 dagen van het belastingjaar 2014 voor zichzelf of het gezin een gemeubileerde woning beschikbaar hield. Op grond van de feiten – de woning is niet verhuurd, de woning stond eiser en het gezin ter beschikking en de echtgenote en de kinderen hebben vanaf 14 juli 2014 in de woning gewoond – heeft eiser op meer dan 90 dagen van het belastingjaar de woning voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.”

Standpunt belanghebbende

4.1.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het hoofdverblijf van hem en zijn gezin in het kalenderjaar 2014 was gelegen in Houston. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het hoofdverblijf van het gezin in het kalenderjaar 2014 in [plaats] lag. Belanghebbende, die zelf eind 2014 van Houston is teruggekeerd naar Nederland, benadrukt dat voor het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag terecht is opgelegd, de omstandigheid dat zijn echtgenote (en het gezin) in het jaar 2014 het hoofdverblijf in [plaats] had, doorslaggevend is. Op grond van artikel 2 van de Verordening is zowel belanghebbende als zijn echtgenote namelijk potentieel als belastingplichtige voor de forensenbelasting aan te merken. De onderhavige aanslag had dan, aldus belanghebbende, net zo goed aan zijn echtgenote opgelegd kunnen worden. Dit betekent volgens belanghebbende dat, indien hetzij hijzelf dan wel zijn echtgenote in 2014 zijn/haar hoofdverblijf heeft gehad in de gemeente Bergen, niet is voldaan aan het in de Verordening omschreven belastbare feit.

4.1.2.

Ter onderbouwing van het standpunt dat zijn echtgenote in 2014 in [de gemeente] haar hoofdverblijf had, heeft belanghebbende, onder meer, het volgende aangevoerd:

- Belanghebbende en zijn echtgenote bezitten sinds maart 2012 een koopwoning in [plaats] , terwijl in Houston slechts sprake was van een door de werkgever van belanghebbende geregelde huurwoning die alleen op zijn naam stond.

- Zijn echtgenote voelde zich van meet af aan niet thuis in Houston, reden waarom belanghebbende in het begin van het jaar 2014 met zijn werkgever is overeengekomen dat hij weer terug zou keren naar Nederland. Vanaf het begin van 2014 - belanghebbende en zijn gezin verbleven in de ‘kerstvakantie 2013’ ook in [plaats] - stond daarom alles in het teken van een terugkeer naar Nederland.

- Van 12 april 2014 tot en met 24 april 2014 verbleven de echtgenote en de kinderen in [plaats] om de terugkeer te organiseren. In die periode heeft zijn echtgenote, onder andere, gekeken naar scholen voor de kinderen.

- De financiële belangen van zijn echtgenote, en overigens ook van belanghebbende zelf, lagen van oudsher altijd al in Nederland en zijn nimmer verplaatst naar Houston.

- De echtgenote heeft, net als belanghebbende, de Nederlandse nationaliteit.

- Onder verwijzing naar het in het hogerberoepschrift opgenomen schema wijst belanghebbende er op dat zijn echtgenote (samen met de kinderen) in het kalenderjaar 2014 fysiek meer dagen heeft verbleven in [plaats] dan in Nederland. Belanghebbende legt vervolgens ook nog een verband met de ‘183- dagenregeling’ die in veel belastingverdragen is opgenomen. In dit geval heeft zijn echtgenote minder dan 183 dagen verbleven in de werkstaat (Houston, VS), waardoor Nederland gezien kan worden als het land waar ‘het centrum’ van de levensbelangen liggen. De ratio achter deze regeling toepassend op het onderhavige geval brengt dan met zich, aldus nog steeds belanghebbende, dat Bergen in 2014 kan worden aangemerkt als het hoofdverblijf van de echtgenote en het gezin.

4.1.3.

Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat voor zover het Hof zou oordelen dat het hoofdverblijf van zijn echtgenote in 2014 niet (alleen) in [de gemeente] lag, er dan sprake is van een dubbel hoofdverblijf in dat jaar; namelijk zowel in Houston als in [de gemeente] .
Ook in dat geval - er is mede sprake van een hoofdverblijf in [de gemeente] - wordt, aldus belanghebbende, niet voldaan aan het belastbare feit van artikel 2 van de Verordening. Voorts betoogt belanghebbende dat de rechtbank heeft verzuimd om met betrekking tot dit reeds in beroep ingenomen standpunt inhoudelijk een oordeel te vellen.

Standpunt heffingsambtenaar

4.2.1.

Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar het standpunt van belanghebbende bevestigd dat voor de vraag of het belastbare feit zich in 2014 heeft voorgedaan, in het onderhavige geval beslissend is waar zich het hoofdverblijf van de echtgenote in dat jaar bevond. Ook indien deze toets wordt aangelegd, doet het belastbare feit zich volgens de heffingsambtenaar voor. Dit aangezien de echtgenote eerst op 14 juli 2014 haar hoofdverblijf naar [de gemeente] heeft verplaatst, terwijl vóór die datum de woning in 2014 aan haar en het gezin voortdurend ter beschikking heeft gestaan zonder dat in die periode - 1 januari 2014 tot 14 juli 2014 – sprake was van hoofdverblijf in [de gemeente] . Gelet op de tekst van artikel 2 van de Verordening doet het belastbare feit zich volgens de heffingsambtenaar reeds op deze grond voor.
De heffingsambtenaar kan zich dan ook niet vinden in het toetsingskader dat de rechtbank heeft gehanteerd in rechtsoverweging 14 van haar uitspraak.
De heffingsambtenaar heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2605 en een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1590.

4.2.2.

Voor het geval wordt geoordeeld dat de rechtbank in onderdeel 14 het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, stelt de heffingsambtenaar subsidiair dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de echtgenote en het gezin in het kalenderjaar 2014 in Houston lag. Ook bij lezing van artikel 2 van de Verordening in de door de rechtbank voorgestane zin heeft het belastbare feit zich dan, aldus de heffingsambtenaar, in 2014 voorgedaan.

Oordeel Hof

4.3.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank in onderdeel 14 van haar uitspraak niet het juiste toetsingskader gehanteerd. Artikel 2, eerste lid, van de Verordening luidt (in overeenstemming met artikel 223, eerste lid, Gemeentewet) als volgt:

“1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

Gegeven de tekst van artikel 2, eerste lid, van de Verordening doet het belastbare feit zich naar het oordeel van het Hof voor indien de natuurlijke persoon op meer dan 90 dagen in een belastingjaar voor zichzelf of zijn gezin een gemeubileerde woning in de gemeente beschikbaar houdt zonder gedurende die dagen in de gemeente hoofdverblijf te hebben.

4.3.2.

Aangezien uit de verklaring van belanghebbende ter zitting van het Hof volgt dat hij en zijn echtgenote bij aanvang van het jaar 2014 niet in Nederland ( [plaats] ) woonden en zijn betoog erop neerkomt dat deze situatie in de loop van 2014 is gewijzigd, onderschrijft het Hof het oordeel van de rechtbank (in onderdeel 11 van haar uitspraak) dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat op belanghebbende de bewijslast rust om aan de hand van feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat het hoofdverblijf in 2014 in de gemeente [de gemeente] was gelegen.

4.3.3.

De tekst van artikel 2 van de Verordening is gebaseerd op artikel 223, eerste lid, Gemeentewet. Voor zover in de wetsgeschiedenis over de betekenis van de tekst van artikel 223 Gemeentewet al aanwijzingen zijn te vinden, wijzen die naar oordeel van het Hof niet in een andere richting dan de onder 4.3.1 vermelde (grammaticale) interpretatie. Het Hof wijst in dat verband op de Memorie van toelichting (hierna: Mvt) bij het Ontwerp van wet tot wijziging van enkele artikelen van de Gemeentewet betreffende de plaatselijke belastingen (Kamerstukken II 1926/27, nr. 410). In het voorgestelde artikel 255 van dat ontwerp was voor het eerst een bepaling opgenomen die wat inhoud en bewoordingen betreft sterke gelijkenis vertoont met het huidige artikel 223, eerste lid, Gemeentewet:

“Er kan eene directe belasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan 90 malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde in een krankzinnigengesticht of ziekenhuis, of er op meer dan 90 dagen van dat jaar voor zich of hun gezin eene gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

4.3.4.

Het ontwerp uit 1926 is weliswaar nooit tot wet verheven, maar het daarin opgenomen artikel 255 is met een kleine wijziging door middel van amendement bij een ander wetsvoorstel in 1929 in de Gemeentewet opgenomen (Kamerstukken II 1928/29, nr. 182, ondernr. 25). Het ontwerp 1926 en latere amendement beoogden een wijziging aan te brengen in de belastingplicht van de zogenoemde woonforens die tot dan was geregeld in artikel 244a, sub 4e Gemeentewet. In de Mvt bij het ontwerp van 1926 is daarover het volgende opgemerkt:

“Voorts is het wenschelijk, de in het tegenwoordig artikel 244a, sub 4e, voorkomende uitdrukking: „tijdens het belastingjaar" te doen vervallen. Volgens de letter der bestaande regeling is iemand geen woonforens, indien hij tijdens het belastingjaar binnen de forensaal-gemeente hoofdverblijf heeft, ook al valt het tijdvak van zijn hoofdverblijf niet samen met het tijdvak, waarin de positieve factoren van den belastingplicht zich voordoen. Het is daarom nimmer mogelijk geweest de wet naar haar letter toe te passen en de jurisprudentie heeft herhaaldelijk moeten zoeken naar middelen om eene toepassing mogelijk te maken, die met de bedoeling der wet overeenstemde. Nochtans is langs dien weg een geheel bevredigende oplossing niet mogelijk gebleken. Door de voorgestelde wijziging zal deze moeilijkheid uit den weg worden geruimd.”

Het genoemde amendement bevatte de volgende toelichting:

“De bedoeling van het amendement is, den gemeenten de bevoegdheid te geven tot het heffen van eene woonforensenbelasting in den geest van het ontwerp 1926-1927, 410. Slechts is in het nieuwe art. 255 het belastingjaar gelijk gemaakt met het kalenderjaar. (…).”

4.3.5.

Uit de hier geciteerde passage uit de Mvt volgt dat de redactie van het bestaande artikel 244, sub 4e, problematisch was voor het vaststellen van de belastingplicht ingeval binnen het belastingjaar sprake was hoofdverblijf en dat verblijf in de tijd niet samenviel met een periode in datzelfde jaar waarin de “positieve factoren” voor belastingplicht zich voordoen. Om onder meer aan die problematiek het hoofd te bieden, werd het nieuwe artikel 255 voorgesteld.

4.3.6.

De bepaling zoals deze luidde in het wetsvoorstel werd opgenomen in artikel 288 Gemeentewet, zoals dat gold van 1929 tot 1970. Van 1970 tot 1995 was de forensenbelasting gebaseerd op artikel 275 Gemeentewet. Deze bepaling week slechts in geringe mate af van voormeld artikel 288. Met ingang van 1 januari 1995 is de bevoegdheid een forensenbelasting te heffen opgenomen in artikel 223 Gemeentewet. Het eerste lid van deze bepaling luidt – voor zover hier relevant – sindsdien:

“1. Er kan een belasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, (…) er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

4.3.7.

De hiervoor vermelde wetsgeschiedenis bevat naar ’s Hofs oordeel geen aanwijzingen die leiden tot een andere interpretatie dan de onder 4.3.1 weergegeven grammaticale interpretatie van artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

4.4.1.

Met inachtneming van hetgeen in 4.3.1 en 4.3.2 omtrent het toetsingskader is overwogen, komt het Hof in de onderhavige zaak tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen zijn de navolgende feiten en omstandigheden niet in geschil. Belanghebbende heeft tezamen met zijn echtgenote op 8 maart 2012 de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) in eigendom verkregen.
Op dat moment woonden - in verband met zijn werk - belanghebbende met zijn echtgenote en de kinderen reeds vanaf 2006 in Zuidoost-Azië. Belanghebbende is per juli 2012 door zijn werkgever uitgezonden naar Houston en heeft vanaf dat moment samen met zijn echtgenote en het gezin in een huurwoning aldaar verbleven. Omdat de echtgenote niet kon aarden in Houston, hebben belanghebbende en zijn echtgenote in (de loop van) 2013 de beslissing genomen om weer terug te keren naar Nederland.
In januari 2014 - in het kader van de kerstvakantie - verbleef de echtgenote (tezamen met belanghebbende en de kinderen) 3 dagen in de woning. Daarna heeft de echtgenote in de maand april (2014) nog eens 13 dagen in de woning verbleven, dit onder andere om scholen te zoeken voor de kinderen. Hierna zijn de echtgenote en de kinderen weer teruggekeerd naar Houston, waar de kinderen het schoolseizoen - dat duurde tot eind juni 2014 - hebben afgemaakt. Vervolgens is de echtgenote, tezamen met de kinderen, met ingang van 14 juli 2014 vanuit Houston naar [plaats] teruggekeerd en heeft zij de woning, die door belanghebbende en zijn echtgenote nimmer verhuurd is geweest, betrokken. Belanghebbende heeft zich in november 2014 bij het gezin gevoegd.

4.4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende – voor zover al door hem gesteld – niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn echtgenote en de kinderen vóór 14 juli 2014 hun hoofdverblijf in Bergen hadden en evenmin dat gedurende die periode sprake was van een dubbel hoofdverblijf (Houston/ [plaats] . Nu tussen partijen niet in geschil is dat de woning aan de echtgenote/belanghebbende en het gezin van 1 januari 2014 tot en met 13 juli 2014 en dus meer dan 90 dagen, ter beschikking heeft gestaan, heeft het belastbare feit zich reeds op deze grond voorgedaan.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is, zodat de uitspraak van de rechtbank - met verbetering van de gronden - dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 6 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.