Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4947

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
23-003535-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling inbraak school.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003535-17

datum uitspraak: 25 september 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-684127-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan [adres 2]) heeft weggenomen een smartboard en/of een Apple tv-kastje en/of een afstandsbediening van het smartboard, geheel of ten dele toebehorend aan [school], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat schoolgebouw heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer ruit(en) van/aan voornoemd schoolgebouw en/of door middel van inklimming via een raam van/aan voornoemd schoolgebouw;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een raam/ruit van een pand (gelegen aan [adres 2]) en/of een laptop-kar en/of een buffetkast, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [school] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

In de tenlastelegging staat dat verdachte op of omstreeks 22 oktober 2016 heeft ingebroken in [school] en cumulatief/alternatief dat hij in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 in die school goederen heeft vernield en beschadigd. Uit de aangifte en de wijze van ten laste leggen blijkt dat de vernieling onderdeel uitmaakt van de inbraak en heeft plaatsgevonden rond hetzelfde tijdstip als de inbraak. Evenals de rechtbank begrijpt het hof dat de opsteller van de tenlastelegging heeft willen ten laste leggen dat de inbraak, net als de vernieling, in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 heeft plaatsgevonden en leest de tenlastelegging in zoverre verbeterd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof ook deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, een andere straf en een andere kwalificatie komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De aangetroffen sporen zijn onvoldoende om te komen tot wettig en overtuigend bewijs. Evenmin kan gezegd worden dat verdachte geen redelijke verklaring heeft afgelegd die de aanwezigheid van zijn sporen daar verklaren.

Het hof overweegt als volgt.

Op zaterdag 22 oktober 2016 om 18.00 uur was het raam van [school] in Amsterdam nog in tact. Op maandag 24 oktober 2016 omstreeks 7.15 uur zag [betrokkene] dat in de school was ingebroken; gebleken is dat onder meer een smartboard was weggenomen. De forensische opsporing van de politie heeft op diezelfde dag onderzoek naar de inbraak gedaan. Geconstateerd werd dat er een opening zat van 74 centimeter breed en 174 centimeter hoog in een ruit van een klaslokaal en dat er glasscherven onder die ruit lagen. Op de ruit zaten twee bloedvlekken op verschillende hoogten, waarvan een op 185 centimeter hoogte (gerekend vanaf de grond). In het klaslokaal was braakschade aan een archiefkast. Voor deze kast lag een babyjasje op de vloer, met daarop een bloedvlek. De bloedvlekken zijn bemonsterd voor DNA-onderzoek. Uit het rapport van het NFI blijkt dat de DNA-profielen uit het bloedspoor op het babyjasje en uit het bloedspoor op de ruit op 185 centimeter hoogte matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Het DNA uit het bloedspoor dat op 260 cm hoogte op de ruit werd aangetroffen, is van de medeverdachte [medeverdachte].

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de dader(s) van de inbraak zich via het verbroken raam de toegang heeft/hebben verschaft tot het betreffende lokaal. Op dit raam zijn bloedsporen van de verdachte en de medeverdachte aangetroffen. In het lokaal is op een babyjasje (dat voor een beschadigde archiefkast lag) een bloedspoor van de verdachte aangetroffen. Het hof merkt de sporen aan als dadersporen, gelet op de plaats waar zij zijn aangetroffen. Deze zijn op zichzelf beschouwd redengevend voor het bewijs dat de verdachte en de medeverdachte de inbraak hebben gepleegd. In een dergelijke situatie mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verifieerbare, die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft voor het aantreffen van zijn DNA op de plaats van het misdrijf, hetgeen hij niet heeft gedaan. Hij heeft wel verklaard dat hij de medeverdachte kent uit Amsterdam-West.

De verdediging heeft onvoldoende concreet onderbouwd waarom de betreffende bloedsporen niet delict-gerelateerd zouden zijn. Bij gebreke van een voldoende geloofwaardige alternatieve verklaring voor het aantreffen van de bloedsporen, is bewezen dat deze door de verdachte zijn achtergelaten bij onderhavige, door hem gepleegde inbraak.

Medeplegen

Uit het forensisch onderzoek blijkt dat, behalve de aan de verdachte toe te schrijven sporen, er ook sporen van de medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen, te weten op de verbroken ruit en op een rooster aan de binnenzijde van de verbroken ruit. De plaats waar al deze sporen zijn aangetroffen, duiden op significante betrokkenheid van beide donoren van de sporen bij de inbraak. Dat daadwerkelijk sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking wordt nog bevestigd door het volgende. Bij de inbraak is onder meer een smartboard (beeldscherm) van 65 inch (165 cm) weggenomen. Dit smartboard moet via de opening in de ruit naar buiten zijn gebracht. Gelet op hoogte van die opening in de ruit (gemeten vanaf de grond) en de omvang van het scherm, alsmede gelet op het feit dat het smartboard vervolgens over een hek getild moest worden, is het welhaast ondenkbaar dat dit door één persoon is gedaan. Daarmee acht het hof ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schoolgebouw aan [adres 2] heeft weggenomen een smartboard, een Apple tv-kastje en een afstandsbediening van het smartboard, toebehorend aan [school], waarbij hij en zijn mededader zich de toegang tot dat schoolgebouw hebben verschaft door middel van braak op een ruit en door middel van inklimming via een raam van het schoolgebouw;

en

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand gelegen aan [adres 2] heeft vernield en een laptop-kar en een buffetkast heeft beschadigd, die aan [school] toebehoorden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

en

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het bewezen verklaarde levert tevens op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan inbraak in een school in vereniging en aan vernieling en beschadiging van een aantal goederen die aan die school toebehoren. Een inbraak is een ernstig feit dat schade en hinder bij de betrokkenen oplevert. Verdachte heeft door zijn handelen laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 september 2018 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte meeweegt in de strafmaat.

In beginsel is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof ziet echter in de omstandigheden van de verdachte, en dan met name het feit dat hij zijn school heeft afgerond en nu werk heeft, aanleiding om in diens voordeel af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Het hof zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, om de ingeslagen weg te bestendigen en, als stok achter de deur, de verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarmee kan, gezien het hiervoor overwogene, niet worden volstaan. Daarom zal tevens een taakstraf van aanmerkelijke duur worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 63, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 september 2018.