Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4946

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
23-000171-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen inbraak school, belediging en woninginbraak. Verklaring verdachte ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000171-18

datum uitspraak: 25 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741125-17 en 13-210328-16 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [locatie].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de peiode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (gelegen aan het [adres 2]) heeft weggenomen een smartboard en/of Apple tv kastje en/of afstandsbediening van het smartboard, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat schoolgebouw heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer ruit(en) van/aan voornoemd schoolgebouw en/of door middel van inklimming via een raam van/aan voornoemd schoolgebouw en/of (vervolgens) doormiddel van braak op of verbreking van een of meer slot(en) van een of meer kast(en) (in/van voornoemd schoolgebouw);

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een raam/ruit van een pand (gelegen aan het [adres 2]) en/ofeen laptop-kar en/of een buffetkast, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3:
hij op of omstreeks 1 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en) te weten, [naam 1] (brigadier van politie, Eenheid Amsterdam) en/of [naam 2] (hoofdagent van politie, Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: "klootzakken" en/of "mother fuckers rot op" en/of "jullie zijn kankerjoden, althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4:
(parketnummer 746093-16) hij op of omstreeks 24 september 2016 omstreeks 03.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan de [adres 3]), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, twee, althans een of meer telefoon(s) en/of een portemonnee (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of die weg te nemen telefoon(s) en/of portemonnee onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een ruit/raam van die woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van gevoerde verweren

ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde inbraak in een school

De raadsvrouw heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Buiten de aangetroffen bloedsporen en het dactyloscopische spoor is geen enkel bewijs in het dossier aanwezig dat de verdachte plaatst op of vlakbij de plaats delict. De verdachte is pas in een veel later stadium bij de politie in beeld gekomen vanwege de aangetroffen sporen. De alternatieve lezing van de verdachte is dat de sporen mogelijk op die plekken terecht zijn gekomen doordat hij zelf door het raam heeft gekeken en zich daarbij aan het rek aan de binnenkant van de ruit heeft vastgehouden.

Het hof overweegt als volgt.

Op zaterdag 22 oktober 2016 om 18.00 uur was het raam van het [slachtoffer 1] in Amsterdam nog in tact. Op maandag 24 oktober 2016 omstreeks 7.15 uur zag [getuige] dat in de school was ingebroken; gebleken is dat onder meer een smartboard was weggegenomen. De forensische opsporing van de politie heeft op diezelfde dag onderzoek naar de inbraak gedaan. Geconstateerd werd dat er een opening zat van 74 centimeter breed en 174 centimeter hoog in een ruit van een klaslokaal en dat er glasscherven onder die ruit lagen. Op de ruit zaten twee bloedvlekken op verschillende hoogten, waarvan een op 260 centimeter hoogte. Op het rooster aan de binnenzijde van de verbroken ruit is een vingerafdruk aangetroffen. In het klaslokaal was braakschade aan een archiefkast en voor deze kast lag een babyjasje op de vloer, met daarop een bloedvlek. De bloedvlekken zijn bemonsterd voor DNA-onderzoek. Uit het rapport van het NFI blijkt dat het verkregen afgeleide DNA-profiel uit het bloedspoor op de ruit op 260 centimeter hoogte matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Ook het dactyloscopisch spoor is van de verdachte. Het DNA uit de andere bloedsporen matcht met het DNA van de medeverdachte [medeverdachte].

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de dader(s) van de inbraak zich via het verbroken raam de toegang heeft/hebben verschaft tot het betreffende lokaal. Op dit raam zijn bloedsporen van de verdachte en de medeverdachte aangetroffen. Het hof merkt de sporen aan als dadersporen, gelet op de plaats waar zij zijn aangetroffen. Deze zijn op zichzelf beschouwd redengevend voor het bewijs dat de verdachte en de medeverdachte de inbraak hebben gepleegd. In een dergelijke situatie mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verifieerbare die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft voor het aantreffen van zijn DNA en zijn vingerafdruk op de plaats van het misdrijf.

De verdachte heeft een dergelijke verklaring niet gegeven. Hij heeft - nadat hij zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen - bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met zijn familie langs het gebouw liep en dat hij uit nieuwsgierigheid door het verbroken raam naar binnen heeft gekeken. Daartoe zou hij over het hek zijn geklommen dat om het [slachtoffer 1] stond en vervolgens op een takje - later verklaarde hij op de vensterbank - zijn gaan staan. Hij heeft de politie niet gebeld om de braak te melden omdat zijn familie haast had.

Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Allereerst is het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte, die eerder was veroordeeld voor vernieling en inbraak, over een toegangshek klimt en door een verbroken raam gaat kijken met het risico ter plaatse te worden aangehouden. Evenmin valt te verenigen met zijn verklaring enerzijds dat hij niet de politie kon informeren omdat zijn familie haast had en anderzijds hij vanwege zijn nieuwsgierigheid de familieleden heeft laten wachten door over een hek en op een vensterbank te klimmen en door het kapotte raam te kijken. Tot slot is van belang dat de verdachte zijn alternatieve scenario op geen enkele wijze heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door het doen horen van zijn familieleden die op het bewuste moment bij hem zouden zijn geweest.

Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook terzijde. Aldus is bewezen dat bedoeld bloed- en dactyloscopisch spoor door de verdachte zijn achtergelaten bij onderhavige, door hem gepleegde inbraak.

Medeplegen

Uit het forensisch onderzoek blijkt dat, behalve de aan de verdachte toe te schrijven sporen, er tevens een bloedspoor van de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen op de kapotte ruit en op een babyjasje dat voor de beschadigde kast lag. De plaats waar al deze sporen zijn aangetroffen, duiden op significante betrokkenheid van beide donoren van de sporen bij de inbraak. Dat daadwerkelijk sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking wordt nog bevestigd door het volgende. Bij de inbraak is onder meer een smartboard (beeldscherm) van 65 inch (165 cm) weggenomen. Dit smartboard moet via de opening in de ruit naar buiten zijn gebracht. Gelet op hoogte van die opening in de ruit (gemeten vanaf de grond) en de omvang van het scherm, alsmede gelet op het feit dat het smartboard vervolgens over een hek getild moest worden, is het welhaast ondenkbaar dat dit door één persoon is gedaan. Daarmee acht het hof ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde belediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het woord “kankerjoden” niet heeft gezegd, omdat hij dit soort woorden niet gebruikt. Hij heeft de andere ten laste gelegde uitingen erkend. Volgens de raadsvrouw waren de uitlatingen niet beledigend bedoeld, maar waren deze slechts een uiting van boosheid, omdat hij werd aangehouden voor zijn eigen woning en omdat hij hardhandig werd meegenomen, terwijl hij een gebroken been had.

Het hof heeft allereerst geen reden te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd, waar het de door de verdachte geuite woorden betreft. Bewezen is dan ook dat de verdachte onder meer heeft gezegd: “Jullie zijn kankerjoden”. Voorts is het hof van oordeel dat zijn uitingen naar objectieve maatstaven van beledigende aard zijn, in die zin dat daardoor de eer en/of goede naam van de geadresseerde persoon wordt aangetast. De verbalisanten hebben te kennen gegeven dat zij de uitingen van de verdachte ook hebben opgevat als een tegen hen gerichte belediging. Dat dit het gevolg zou zijn van zijn uitingen moet ook voor de verdachte volkomen duidelijk zijn geweest. Dat de verdachte pijn zou hebben gehad, doet aan het voorgaande niets af.

ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde woninginbraak

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van deze woninginbraak. Hij kwam ’s nachts rond 5 uur langs de woning, zag de kapotte ruit, hoorde een baby huilen en is de woning binnen gegaan om de aangevers te waarschuwen voor het kapotte raam en de huilende baby. Aldus heeft de verdachte slechts hulp verleend. Als de verdachte de inbraak daadwerkelijk zou hebben gepleegd en hij de iPhones en de portemonnee had weggenomen, is het zeer onwaarschijnlijk dat hij zijn contactgegevens en zijn paspoort zou hebben achtergelaten in de woning van aangevers om vervolgens een dag later terug te keren om te vragen hoe het met hen gaat en daarbij zijn paspoort terug te vragen. Daarnaast berusten veel gegevens enkel op de verklaring van aangever en zijn verklaring wordt niet door andere bewijsmiddelen ondersteund.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

De verklaring van de verdachte, dat hij de woning is binnengegaan omdat hij een kapot raam zag en daarachter een baby hoorde huilen, hij vervolgens heeft aangebeld, geklopt en heeft geroepen of er iemand was, maar niemand reageerde, is naar het oordeel van het hof volstrekt ongeloofwaardig.

Buurtbewoners hebben verklaard dat zij tussen 5.05 uur en 5.10 uur glasgerinkel hebben gehoord. Kort daarna hebben de bewoners de verdachte in hun slaapkamer aangetroffen met de baby in zijn armen en ontdekten zij dat hun iPhones en een portemonnee van een dressoir waren verdwenen. Zij deden om 5.26 uur melding van de inbraak. Reeds het korte tijdsbestek tussen het waargenomen glasgerinkel en de constatering dat de portemonnee en de iPhones waren weggenomen, wijst erop dat het de verdachte moet zijn geweest die de ruit heeft verbroken en deze goederen heeft weggenomen. Deze conclusie vindt bevestiging in de omstandigheden dat de aangever via ‘Find My iPhone’ kort na de inbraak naar de Kostverlorenkade werd geleid, waar hij verdachte aantrof en dat de gestolen iPhones een dag later in de buurt van die plek zijn aangetroffen. De verdediging heeft onvoldoende naar voren gebracht om aan deze verklaringen van de aangever te twijfelen, temeer omdat de verdachte heeft erkend dat hij op de door aangever genoemde plaats bij een brandende brommer stond, hem nog heeft gesproken en is weggerend in de richting waar de iPhones een dag later zijn aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schoolgebouw aan het [adres 2] heeft weggenomen een smartboard, een Apple tv kastje en een afstandsbediening van het smartboard, toebehorend aan het [slachtoffer 1], waarbij hij en zijn mededader zich de toegang tot dat schoolgebouw hebben verschaft door middel van braak van een ruit en door middel van inklimming via een raam van het schoolgebouw;

en

hij in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand gelegen aan het [adres 2] heeft vernield en een laptop-kar en een buffetkast heeft beschadigd, die aan het [slachtoffer 1] toebehoorden;

3:
hij op 1 januari 2017 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [naam 1] (brigadier van politie, Eenheid Amsterdam) en [naam 2] (hoofdagent van politie, Eenheid Amsterdam), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hun de woorden toe te voegen: "klootzakken", "mother fuckers rot op" en "jullie zijn kankerjoden;

4:
hij op 24 september 2016 gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres 3],twee telefoons en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], waarbij hij zich de toegang tot die woning heeft verschaft door middel van braak van een ruit van die woning.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

en

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Tevens levert het onder 1 tweede cumulatief ten laste gelegde op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een inbraak in een school en

aan vernieling en beschadiging van goederen die aan die school toebehoren. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan inbraak in een woning tijdens de nachtelijke uren. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de slachtoffers en geen respect getoond voor andermans eigendommen. Hij heeft met zijn handelwijze blijk gegeven puur uit eigen gewin te hebben gehandeld, zonder daarbij rekening te houden met de overlast die hij bij de slachtoffers heeft veroorzaakt. Evenals de rechtbank rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij bij de inbraak in de woning de baby van aangevers uit zijn bedje heeft gehaald, hiermee door het huis is gaan lopen en dat de ontwakende moeder de onbekende zo in haar slaapkamer aantrof. De verdachte heeft niet alleen aan de eigendommen van aangevers gezeten, maar ook aan hun kind. De verdachte heeft geen moment stil gestaan bij de gevolgen en de gevoelens van angst en wanhoop die dit voor de ouders zou kunnen meebrengen, terwijl een en ander plaatsvond in een woning, bij uitstek de plek waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten. De verdachte heeft zich grof en brutaal uitgelaten tegenover verbalisanten die hun werk deden. De verdachte heeft de verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening belemmerd en hun gezag aangetast.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 september 2018 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in het nadeel van de verdachte meeweegt in de strafmaat.

Het hof acht alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden passend en geboden. Met een andere straf zoals door de verdediging is bepleit, kan, gelet op het voorgaande, niet worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55, 57, 63, 266, 267, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 november 2016 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 november 2016, parketnummer 13-210328-16, te weten van een geldboete van € 250 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 september 2018.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000171-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 25 september 2018.

Tegenwoordig zijn:

mr. H.M.J. Quaedvlieg, raadsheer,

mr. M. Boelens, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.H.A. Paapen, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.