Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:471

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
200.186.189/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 21 maart 2017. Deskundigenbericht nodig ten behoeve van de waardering. Nadere instructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.189/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/149215 / HA ZA 13-284

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 februari 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. A. Lof te Heerhugowaard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.A. Cerutti te Hoorn.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 21 maart 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Partijen hebben gelijktijdig een akte na tussenarrest genomen. Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

Het hof memoreert kort waar het in deze zaak over gaat. [appellant] en [geïntimeerde] zijn broers en hebben met gebruikmaking van de hun gezamenlijk in eigendom toebehorende bedrijfsmiddelen (gronden, machines, veestapel) voor gezamenlijke rekening een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Op enig moment zijn zij ieder - nog steeds met gebruikmaking van de gezamenlijke bezittingen en voor gezamenlijke rekening - een eigen bedrijfsonderdeel gaan exploiteren: [appellant] is doorgegaan met de melkveehouderij en [geïntimeerde] is een mestvergisterij begonnen. Bij schriftelijke overeenkomst van 15 oktober 2012 hebben zij afgesproken om per 1 januari 2013 het bedrijf te splitsen opdat ieder voor eigen rekening met het eigen bedrijfsonderdeel verder kon gaan. Zij hebben vervolgens opdracht verstrekt voor een taxatie van de gezamenlijke bezittingen per 1 januari 2013. Die opdracht heeft geresulteerd in een taxatierapport van 1 september 2014. Uit een advies van 21 oktober 2014 bleek echter dat bedoelde splitsing van het bedrijf vergunning-technisch niet mogelijk was. [appellant] en [geïntimeerde] hebben in deze procedure over en weer toedeling gevorderd van het hele bedrijf aan zichzelf. In het bestreden vonnis is het bedrijf in zijn geheel toegedeeld aan [geïntimeerde] onder de verplichting tot betaling aan [appellant] van een vergoeding wegens overbedeling. [appellant] heeft geappelleerd met de bedoeling alsnog het hele bedrijf toegedeeld te krijgen. Hangende het hoger beroep heeft hij op 26 februari 2016 de exploitatie van de melkveehouderij alsnog gestaakt en aan [geïntimeerde] overgelaten en bij notariële akte van 26 oktober 2016 heeft hij onder voorbehoud van alle rechten meegewerkt aan de overdracht van zijn aandeel in (de bezittingen van) het bedrijf aan [geïntimeerde].

2.2

In het tussenarrest is uitgegaan van 1 januari 2013 als datum van ontbinding van de maatschap en in beginsel van 26 oktober 2016 als peildatum voor de waardering, met dien verstande dat partijen uit praktisch oogpunt in overweging is gegeven om bij de waardering uit te gaan van 31 december 2016, de einddatum van de jaarrekening 2016. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol voor uitlating door partijen over (i) de peildatum voor de waardering (26 oktober 2016 of 31 december 2016); (ii) wat op datum ontbinding (1 januari 2013) precies tot het maatschapsvermogen behoorde en moet worden gewaardeerd, met de kanttekening dat daarbij ook de bedrijfsresultaten en andere vruchten (bijvoorbeeld de veelbesproken fosfaatrechten) van dat vermogen tot en met de peildatum voor de waardering moeten worden betrokken; (iii) het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n); en (iv) de aan deze(n) te stellen vragen.

2.3

De akte van [geïntimeerde] strekt tot betoog dat hij een met een hogere waardering corresponderende hogere uitkoopsom voor [appellant] wellicht niet kan en/of wil betalen. Daarom moet volgens hem de verdeling ongedaan gemaakt kunnen worden voor een gezamenlijke verkoop van het bedrijf aan een derde en een verdeling van de opbrengst bij helfte. Daartoe is volgens [geïntimeerde] in het slot van de akte van verdeling van 26 oktober 2016 bepaald:

De comparanten verklaarden terzake van deze verdeling en overname zich - mede in verband met het ingestelde hoger beroep - alle rechten voor te behouden.

2.4

[appellant] heeft zich over dit betoog nog niet kunnen uitlaten. Naar het oordeel van het hof ligt het in de rede dat eerst het deskundigenbericht wordt afgewacht, waarna [geïntimeerde] desgewenst dit betoog opnieuw zal kunnen voeren en [appellant] alsdan daarop zal kunnen reageren.

2.5

[geïntimeerde] heeft verder in zijn akte erop gewezen dat hij vanaf 26 februari 2016 het gehele bedrijf alleen voor eigen rekening heeft geëxploiteerd. Naar zijn stelling is daarom in de akte van verdeling bepaald:

“Tijdstip feitelijke levering, baten en lasten, risico van het onder h genoemde registergoed Artikel 3

Zoals gesteld in artikel IV bestaat tussen partijen geen overeenstemming over de peildatum. Hierover kan in hoger beroep anders worden beslist. Niettemin hebben partijen er - ongeacht de uitkomst van het hoger beroep - overeenstemming over dat - vanaf zevenentwintig februari tweeduizend zestien de onderneming voor rekening van de comparant sub 2 [naar het hof begrijpt: [geïntimeerde]] wordt gedragen en dat hij het risico daarvan draagt.”

2.6

[appellant] heeft zich over dit betoog evenmin kunnen uitlaten. Niet is echter in geschil dat [geïntimeerde] vanaf 26 februari 2016 beide bedrijfsonderdelen alleen heeft geëxploiteerd. In het licht daarvan ligt het in de rede dat de resultaten daarvan alleen voor zijn rekening en risico worden gebracht, met dien verstande dat hij daartegenover een redelijke vergoeding verschuldigd is geworden aan [appellant] voor het gebruik van diens aandeel in de gezamenlijke bezittingen tot 26 oktober 2016. Dit zou betekenen dat in elk geval wat betreft de bij de waardering te betrekken bedrijfsresultaten moet worden uitgegaan van tussentijdse jaarrekeningen per 26 februari 2016, of, uit praktisch-economisch oogpunt, van de jaarrekeningen over 2015.

2.7

Met in achtneming van het voorgaande overweegt het hof verder naar aanleiding van het tussenarrest als volgt.

Ad (i)

2.8

[appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest bepleit dat van 31 december 2016 als peildatum voor de waardering wordt uitgegaan en dat indien [geïntimeerde] wordt gevolgd in diens standpunt dat het 26 oktober 2016 moet zijn, hij met de extra kosten van de tussentijdse jaarrekeningen moet worden belast.

2.9

Met inachtneming van hetgeen in rov. 2.6 is overwogen, stelt het hof voor dat de deskundige(n) wordt gevraagd om te waarderen per 26 oktober 2016, met dien verstande dat daarbij wat betreft de resultaten van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen van een waardering tot en met 26 februari 2016 moet worden uitgegaan en dat de aanvullende vraag wordt gesteld waarop het gebruik door [geïntimeerde] in het tijdvak 26 februari 2016 – 26 oktober 2016 (in welk tijdvak ‘de onderneming alleen voor rekening van [geïntimeerde] is gedreven) van het aandeel van [appellant] in de gezamenlijke bezittingen moet worden gewaardeerd.

Ad (ii)

2.10

[appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest voor de omvang van het te waarderen vermogen verwezen naar het taxatierapport van 1 september 2014, met de kanttekening dat niet alle tot het maatschapsvermogen behorende activa bij de taxatie per 1 januari 2013 zijn meegenomen, [geïntimeerde] heeft zich in zijn akte over dit punt niet uitgelaten. Het hof stelt daarom voor dat de deskundige(n) wordt gevraagd om voor de bij de waardering te betrekken bezittingen uit te gaan van genoemd taxatierapport en om overigens uit te gaan van hetgeen partijen in aanvulling daarop hebben aangevoerd. Voor zover partijen daarbij twisten over wat onderwerp van de waardering moet zijn, zal het hof daarop na het deskundigenbericht een beslissing geven.

Ad (iii)

2.11

[appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest het standpunt betrokken dat in elk geval twee deskundigen worden benoemd van verschillende disciplines, te weten een agrarisch makelaar en een accountant met specifieke branchekennis. Daarbij heeft hij namen genoemd van zijns inziens uit beide disciplines voor benoeming in aanmerking komende personen.

2.12

[geïntimeerde] heeft in zijn akte bepleit dat drie deskundigen worden benoemd die ieder voor zich specifiek deskundig zijn op het gebied van respectievelijk (i) agrarische taxaties; (ii) mestvergisterijen; en (iii) fosfaatrechten. Hij heeft daarbij geen namen genoemd van zijn inziens voor benoeming in aanmerking komende personen.

2.13

Het hof heeft met inachtneming van ieders wensen ing. [argrarisch makelaar], agrarisch makelaar, verbonden aan De Dijken Agrarische Makelaardij B.V., en [registeraccountant], registeraccountant, verbonden aan ABAB Accountants B.V., benaderd die ieder voor zich hebben verklaard dat zij vrij staan ten opzichte van beide partijen en waarvan het hof is gebleken dat zij gezamenlijk de deskundigheid bezitten om de in deze zaak voorliggende vragen te beantwoorden. Het hof stelt dan ook voor dat deze beide personen als deskundige worden benoemd. Partijen zullen zich daaromtrent bij akte mogen uitlaten.

Ad (iv)

2.14

[appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest in aanvulling op het voorgaande specifiek voor de vraagstelling bepleit dat bij de waardering moet worden uitgegaan, kort samengevat:

- van de waarde in het economisch verkeer met voortzetting van de onderneming;

- van beide bedrijfsonderdelen;

- waar het de mestvergisterij aangaat: van de toekomstige verdiencapaciteit en toekomstige kasstromen;

- van de aanwezigheid van beide bedrijfswoningen.

2.15

[geïntimeerde] heeft zich in zijn akte niet specifiek over de vraagstelling uitgelaten.

2.16

Het hof acht de door [appellant] voorgestelde uitgangspunten passend, met uitzondering van het uitgangspunt dat ziet op de vergisterij. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien wat dat uitgangspunt kan bijdragen aan een juiste beslissing van de zaak.

2.17

Gelet op het voorgaande stelt het hof voor om de deskundigen de navolgende vragen voor te leggen:

I) wat is per 26 oktober 2016 - bij een voortzetting van de onderneming en met inachtneming van beide bedrijfswoningen - de waarde in het economisch verkeer van de aan partijen gezamenlijk toebehorende bedrijfsmiddelen, waarbij het gaat om de bedrijfsmiddelen die onderwerp zijn van het taxatierapport van 1 september 2014 en die overigens als zodanig door partijen aan u zijn opgegeven (zoals fosfaatrechten);

II) op welk bedrag moet met inachtneming van de door elk van partijen ter beschikking te stellen jaarrekeningen per saldo het totaal aan bedrijfsresultaten van de melkveehouderij en de mestvergisterij worden gewaardeerd over het tijdvak 1 januari 2013 – 26 februari 2016;

III) wat is de waarde in het economisch verkeer van het gebruiksrecht van de helft van de onverdeelde bedrijfsmiddelen in het tijdvak 26 februari 2016 – 26 oktober 2016?

2.18

De zaak zal worden verwezen naar de rol opdat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de in rov. 2.13 voorgestelde deskundigen en de in rov. 2.17 voorgestelde vraagstelling, waarna het hof daarover bij tussenarrest zal beslissen.

2.19

De betaling van het aan de deskundigen te betalen voorschot zal ten laste van beide partijen worden gebracht, elk voor de helft.

2.20

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol voor akte eerst aan de zijde van [appellant] en naar de rol van vier weken daarna voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] met het in rov. 2.18 vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, M.P. van Achterberg en W.A.H. Melissen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.