Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4694

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
200.232.800/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Overeenkomst tot stand gekomen tussen gemeente en burger met betrekking tot de plaats waar een stoep zal worden aangelegd? Is daarover een bindende toezegging gedaan? Had de gemeente de burger op de hoogte moeten brengen van de plannen tot aanleg van de stoep aan de andere zijde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.232.800/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/255701/HA ZA 17-150

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 december 2018

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. W. Doornink te Hoorn,

tegen

GEMEENTE [gemeente],

zetelend te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 25 januari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 november 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen hem als eiser en de gemeente als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] op de rol geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding. De gemeente heeft daarna een memorie van antwoord ingediend. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij luiden als volgt.

2.1

[appellant] woont aan de [adres] . De woning van [appellant] is gelegen op de hoek van de [naam straat ] en de [naam wijk I] .

2.2

Achter de woning van [appellant] is de nieuwbouwwijk ‘ [naam wijk II] ’ gebouwd, waarin ongeveer 100 woningen staan. De ontsluiting van deze wijk vindt plaats via de [naam wijk I] . Deze weg sluit vervolgens aan op de [naam straat ] . Tot juli 2016 lag naast deze (bouw)weg geen trottoir.

2.3

Bij brief van 14 februari 2003 heeft [appellant] het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: B&W) gevraagd of hij een perceel gemeentegrond naast zijn woning kon aankopen. In diezelfde brief heeft [appellant] B&W verzocht het trottoir aan de westkant van [naam wijk I] te plaatsen, zodat zijn privacy zo min mogelijk zou worden aangetast. De westkant van [naam wijk I] is voor [appellant] de overkant van de straat.

2.4

Bij brief van 3 april 2003 heeft het college op het verzoek ten aanzien van het trottoir als volgt gereageerd:

Wij merken hierover op, dat wij uitwerkingsplannen hebben gemaakt voor de ontsluiting van [naam wijk I] op de [naam straat ] . Daaruit blijkt dat wij de voetgangersontsluiting via de westzijde van het plan willen aanleggen. Daarmee komen wij volledig tegemoet aan uw verzoek.

2.5

Op 24 oktober 2011 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” vastgesteld, waarin de voormalige bestemmingsplannen [naam wijk I] I en II zijn opgenomen. Op 18 september 2013 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden. De gronden waarop de ontsluitingsweg (inclusief trottoir) van de wijk [naam wijk II] is gesitueerd, hebben de bestemming “Verkeer”. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om aan de westkant of de oostkant van de [naam wijk I] een trottoir aan te leggen.

2.6

[appellant] heeft geen zienswijze ingebracht tegen het ontwerp-bestemmingsplan en ook geen beroep ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.

2.7

In juni 2016 is gestart met de definitieve bestrating in het nieuwbouwplan ‘ [naam wijk II] ’, waaronder de aanleg van een trottoir aan de oostzijde van de [naam wijk I] , dus aan de kant van de woning van [appellant] .

2.8

[appellant] heeft vervolgens contact opgenomen met de gemeente en zijn bezwaren geuit. De gemeente heeft de werkzaamheden aan het trottoir voor een periode van drie weken stilgelegd, maar daarna besloten de werkzaamheden alsnog volledig af te ronden.

2.9

Nadien hebben partijen nog enkele malen over en weer gecorrespondeerd over het trottoir, waarbij [appellant] de gemeente een aantal sommaties heeft gestuurd tot verwijdering van het trottoir. De gemeente heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3 Beoordeling

3.1

Bij de inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd dat de gemeente wordt bevolen binnen dertig dagen na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van het trottoir aan de oostzijde van de [naam wijk I] voor zover dat grenst aan de woning van [appellant] en dat trottoir verwijderd te houden, met veroordeling van de gemeente in de gedingkosten. Aan deze vordering legt [appellant] ten grondslag dat tussen hem en de gemeente op of rond 3 april 2003 een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij de gemeente zich heeft verbonden geen trottoir aan de oostzijde van de [naam wijk I] aan te leggen. Subsidiair heeft [appellant] aangevoerd dat de gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zich niet te houden aan haar toezegging als vervat in de brief van 3 april 2003. Daarnaast stelt [appellant] dat de gemeente ook onzorgvuldig heeft gehandeld doordat zij ondanks haar bekendheid met de bezwaren van [appellant] geen overleg met hem heeft gepleegd en hem niet op de hoogte heeft gebracht van de wijziging van het bestemmingsplan. [appellant] stelt dat hij als gevolg van een en ander materiële en immateriële schade lijdt.

3.2

De gemeente heeft de vordering van [appellant] weersproken. De rechtbank heeft bij tussenvonnis een descente en comparitie gelast. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente jegens [appellant] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en ook niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering van [appellant] is op die gronden afgewezen.

3.3

Tegen voormelde beslissing en de gronden waarop die berust komt [appellant] in hoger beroep op met zes grieven.

3.4

Met grief 1 bestrijdt [appellant] de overweging van de rechtbank dat de brief van 3 april 2003 van B&W niet een uit een overeenkomst voortvloeiende rechtens afdwingbare verplichting bevat, maar slechts een mededeling van B&W dat de uitwerkingsplannen op dat moment voorzagen in de aanleg van een trottoir aan de westzijde van de [naam wijk I] . Volgens [appellant] is dat oordeel van de rechtbank onjuist, omdat zijn brief van 14 februari 2003 een expliciet verzoek bevat, waarmee door B&W bij de brief van 3 april 2003 onvoorwaardelijk is ingestemd. Deze gang van zaken is gelijk te stellen aan die van een aanbod en de aanvaarding daarvan. De instemming van B&W is ook niet beperkt tot de geldigheidsduur van het uitwerkingsplan, aldus [appellant] .

3.5

De onder 2.4 geciteerde uitlating in de brief van 3 april 2003 van B&W is een reactie op een brief van [appellant] van 14 februari 2003, waarboven als onderwerp is vermeld “aankoop stukje Gemeentegrond”. De eerste drie alinea’s van deze brief handelen over de wens van [appellant] tot aankoop van een stukje grond ten westen van zijn perceel, waarna het inhoudelijke deel van de brief afsluit met een alinea van één zin luidend: “Tenslotte verzoeken wij u bij deze om het trottoir aan de westkant te plaatsen, zodat onze privacy zo min mogelijk wordt aangetast”. Ook de brief van B&W van 3 april 2003 gaat hoofdzakelijk over de verkoop van het stukje grond, die ook als onderwerp bovenaan de brief is vermeld. In de laatste alinea van de brief van B&W volgt dan, na een weergave van het door [appellant] gedane verzoek, de meergenoemde uitlating. De kwestie van het trottoir is aldus in beide brieven gepresenteerd als een betrekkelijk ondergeschikte bijkomstigheid. De meergenoemde passage vangt aan met de woorden; “Wij merken hierover op”, welke woorden niet duiden op de wens van B&W zich te binden aan de beschrijving van de inhoud van de gemaakte uitwerkingsplannen die daarop volgt. De woorden “Daarmee komen wij volledig tegemoet” zijn weliswaar niet gelukkig gekozen, maar dat neemt niet weg dat voor de lezer duidelijk moet zijn geweest dat B&W slechts de inhoud schetsten van de op dat moment gemaakte plannen (die overeenkwam met de wensen van [appellant] ) en niet een belofte voor de (verre) toekomst beoogden te doen. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Grief 1 faalt.

3.6

De rechtbank heeft met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering van [appellant] , te weten schending van een toezegging, overwogen dat de brief van 3 april 2003 ook geen concrete, ondubbelzinnige toezegging bevat waaraan [appellant] de rechtens te honoreren verwachting mocht ontlenen dat langs zijn perceel op dat moment en in de toekomst, na het verstrijken van de geldigheidsduur van het uitwerkingsplan, geen trottoir zou worden aangelegd. [appellant] meent dat dat wel het geval is en voert in het kader van grief 2 aan dat in de brief is vermeld dat de gemeente volledig tegemoetkomt aan zijn verzoek, zonder dat een voorbehoud is gemaakt voor de situatie dat de geldigheidsduur van de uitwerkingsplannen zou zijn verstreken. Het nieuwe bestemmingsplan maakt situering van het trottoir aan de oostzijde ook mogelijk en de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan is voor de beoordeling van het geschil dan ook niet relevant, aldus [appellant] .

3.7

Van een overheidstoezegging kan worden gesproken als door de overheid in concrete bewoordingen een bepaalde handelwijze in het vooruitzicht is gesteld. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. Zoals hiervoor naar aanleiding van grief 1 al werd overwogen was de uitlating van de gemeente niet meer dan een min of meer terloopse beschrijving van de inhoud van de plannen op dat moment. Door het gebruik van de term “uitwerkingsplannen” is bovendien een koppeling gelegd met het op dat moment geldende bestemmingsplan “ [naam wijk II] ”. Aan de bewoordingen van de passage - gelezen in samenhang met de overige inhoud van de brief van 14 februari 2003 - kan [appellant] niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben ontleend dat de voor hem gunstige situatie ongewijzigd zou voortduren. De positie van [appellant] verschilt in zoverre niet van die van een andere ingezetene van een gemeente die kan worden geconfronteerd met planologische maatregelen die leiden tot wijziging van zijn omgeving. Daarbij is mede van belang dat op basis van de in februari 2003 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening bestemmingsplannen een geldigheidsduur hadden van, in beginsel, tien jaar en dat een dergelijk bestemmingsplan na afloop van deze termijn door de gemeenteraad diende te worden herzien. [appellant] had ermee rekening moeten houden dat de gemeenteraad de planologische bestemming op enig moment na 14 februari 2003 en na het verstrijken van de geldigheidsduur van het oude bestemmingsplan “ [naam wijk II] ” zou kunnen wijzigen. Ook grief 2 is dus tevergeefs voorgesteld. Hetzelfde geldt voor grief 3, waarmee [appellant] betoogt dat hij wel degelijk, anders dan de rechtbank heeft overwogen, erop heeft mogen vertrouwen dat de aanleg van het trottoir aan de westzijde van de [naam wijk I] zou worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. De uitlating van B&W geeft, zoals gezegd, geen grond voor dat vertrouwen, nog daargelaten dat [appellant] geacht moet worden te weten dat de vaststelling van een bestemmingsplan een bevoegdheid is van de gemeenteraad en niet van B&W.

3.8

Daarmee komt het hof toe aan grief 4, de stelling van [appellant] dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem niet op de hoogte te stellen van de wijziging in het nieuwe bestemmingsplan, die de mogelijkheid opende het trottoir ook aan de oostzijde te leggen, en bovendien geen voorafgaand overleg met hem te voeren over de feitelijke aanleg van het trottoir. Een en ander is volgens [appellant] het gevolg van het feit dat de brief van 3 april 2003 bij de gemeente in het ongerede is geraakt.

3.9

Ook deze grief heeft geen succes. Hiervoor is geoordeeld dat de gemeente zich in 2003 niet heeft verbonden aan een bepaalde handelwijze in de (verre) toekomst en onder de gelding van een nieuw bestemmingsplan. [appellant] heeft als ingezetene van de gemeente voorafgaand aan de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”door de gemeenteraad kennis kunnen nemen van de openbare kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp voor dat bestemmingsplan en van de tweede openbare kennisgeving van de vaststelling van dat bestemmingsplan door de gemeenteraad op 24 oktober 2011, zoals [appellant] ook kennis had kunnen nemen van zowel het ontwerp-bestemmingsplan als het vastgestelde plan met de daarin opgenomen verkeersbestemming van de gronden naast zijn woning. De gemeente hoefde [appellant] daarvoor niet te waarschuwen. Evenmin was de gemeente gehouden in 2016 met [appellant] te overleggen alvorens te starten met de aanleg van het trottoir. Zij had zich immers voor de situatie die zich toen voordeed, niet aan een bepaalde gedragslijn verbonden. Het was aan [appellant] zijn eigen belangen in het oog te houden.

3.10

In het kader van de onder 3.9 gemaakte afweging komt tevens gewicht toe aan de omstandigheid dat, zoals de rechtbank heeft overwogen en met grief 5 onvoldoende gemotiveerd wordt bestreden, voor het aanleggen van het trottoir aan de oostzijde goede redenen van bereikbaarheid en verkeersveiligheid bestonden. Verder is bij die afweging nog van belang dat, zoals evenzeer onvoldoende gemotiveerd met grief 6 wordt bestreden, de inbreuk die op de privacy van [appellant] wordt gemaakt door het gebruik van het trottoir aan de oostzijde, slechts beperkt is. Hetgeen [appellant] heeft ingebracht tegen de bevindingen van de rechtbank bij gelegenheid van de descente, overtuigt het hof niet. Dat de woning van [appellant] door de aanleg van het trottoir merkbaar in waarde is gedaald, zoals hij stelt, blijkt niet uit het door [appellant] overgelegde rapport van makelaar-taxateur Schuit, omdat daarin de waardedaling eenvoudig is gesteld op de kostprijs van de aanleg van een tuinmuur (€ 20.000,=), zonder dat is beargumenteerd dat potentiële kopers daadwerkelijk dat bedrag minder voor de woning zouden overhebben.

3.11

De slotsom is dat alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 726,= aan verschotten en € 1.074,= voor salaris en op € 157,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en E.A. Minderhoud en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.