Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4636

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
23-004283-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging, met aanpassing van de bewijsvoering, met uitzondering van de straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004283-17

datum uitspraak: 15 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-181909-17 tegen

[naam 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd, voor zover dat ziet op de bedreiging van de “collega’s van [slachtoffer]”. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen die in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen omtrent de in beslag genomen voorwerpen - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de door de politierechter gebezigde bewijsvoering zal aanpassen op na te melden wijze.

Aanpassing bewijsvoering

De door de politierechter in de aantekening van het mondeling vonnis opgenomen bewijsmiddelen worden als volgt aangepast:

  • -

    het onder III (pagina 3, proces-verbaal verhoor verdachte [naam 2]) opgenomen bewijsmiddel wordt terzijde gesteld;

  • -

    in het onder I opgenomen bewijsmiddel wordt de zinsnede “Ik, [slachtoffer], hoofdagent van politie, was vanmorgen omstreeks 06:45 uur, in uniform gekleed, aan de [adres 2].” vervangen door: “Ik, [slachtoffer], hoofdagent van politie, was op 2 september 2017 omstreeks 06:45 uur, in uniform gekleed, aan de [adres 2].”;

- in het onder II opgenomen bewijsmiddel wordt vóór de woorden “TER PLAATSE” ingevoegd:

“Op zaterdag 2 september 2017 ben ik naar het adres [adres 2] gereden”.

Oplegging van straf en maatregelen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter een imitatiepistool, twee imitatiegeweren, een doos, patronen, munitie en een lichtkegel onttrokken aan het verkeer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd en dat genoemde voorwerpen, met uitzondering van de lichtkegel, worden onttrokken aan het verkeer.

De verdachte heeft het hof verzocht om hem geen straf op te leggen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij als gevolg van het incident van 2 september 2017 erg veel is verloren, namelijk dat hij zijn baan is kwijt geraakt, moeite heeft met het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag en in verband met zijn financiële situatie noodgedwongen zijn huis in de verkoop heeft moeten zetten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Bij wijze van grap hebben de verdachte en/of zijn vrienden met een jas van de Koninklijke Marechaussee, die de verdachte had meegenomen van zijn (vorige) werkomgeving, in de nacht van 1 op 2 september 2017 op straat een zogenaamde alcoholcontrole uitgevoerd. Na een melding door een buurtbewoner is de (echte) politie ter plaatse gekomen en heeft een politieambtenaar door het raam van de woning van de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zien liggen. Toen de politie aan de verdachte kenbaar maakte in de woning een onderzoek te willen instellen, heeft hij zich jegens de politie recalcitrant gedragen en niet voldaan aan hetgeen zij hem vroegen, hetgeen is uitgemond in een grootschalig politieoptreden. De verdachte heeft daarop – onder meer – uit het raam van de woning tegen de aanwezige opsporingsambtenaren beledigende en bedreigende teksten geroepen, waaronder “De eerste die binnenkomt schiet ik door zijn kop”. Eén van de betrokken politieambtenaren heeft zich daardoor dermate bedreigd gevoeld dat hij heeft besloten daarvan aangifte te doen. Met zijn handelwijze heeft de verdachte bij dit slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht en bovendien een gebrek aan respect voor een vertegenwoordiger van het openbaar gezag aan de dag gelegd.

Voorts heeft de verdachte een exacte kopie van een pistool, imitaties van twee geweren en echte munitie voorhanden gehad. Ook met imitatiewapens kan de veiligheid van personen in gevaar worden gebracht, aangezien deze in de praktijk blijken te worden ingezet om criminele activiteiten te plegen en deze van een afstand niet of nauwelijks van echte wapens te onderscheiden zijn.

Het hof acht de feiten zodanig ernstig dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, anders dan de verdachte heeft bepleit. Gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en de bijzondere omstandigheden waaronder de feiten in dit geval zijn begaan, is het hof van oordeel dat de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel gerechtvaardigd is.

In strafmatigende zin weegt het hof echter mee dat aannemelijk is dat hetgeen zich in de bewuste nacht heeft afgespeeld, verstrekkende gevolgen voor de verdachte heeft gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn deze gevolgen ernstiger gebleken dan ten tijde van de procedure bij de politierechter. De verdachte heeft immers, nadat hij zijn werk in de GGZ al was kwijtgeraakt en zijn activiteiten als voetbaltrainer had moeten staken, nu ook zijn woning te koop moeten zetten aangezien hij uit zijn uitkering te weinig inkomsten ontvangt om deze te kunnen bekostigen. Daarom zal het hof een gedeelte van de taakstraf die normaliter passend zou zijn geweest, in voorwaardelijke vorm opleggen. Het voorwaardelijke gedeelte strekt er tevens toe de verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen gezamenlijkheid van goederen, te weten (imitatiepistool) Hammerli FX (goednummer 796541), een bewaardoos (goednummer 796546) en een (naar het hof aanneemt: instructie)boekje voor de Hammerli (goednummer 796542) vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu hetzij met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 ten laste gelegde is begaan, hetzij deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten zijn aangetroffen en zij in hun gezamenlijkheid kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom zal met betrekking tot deze voorwerpen de onttrekking aan het verkeer worden bevolen. Dit laatste geldt ook voor de 6 patronen (goednummer 796542), een bakje met luchtdrukkogels (goednummer 796543) en twee imitaties van machinegeweren (goednummers 796556 en 796558), omdat het onder 2 onderscheidenlijk 3 bewezenverklaarde met betrekking tot die voorwerpen is begaan. Tot slot zullen 11 patroonhouders (goednummer 796542) aan het verkeer worden onttrokken, omdat ook deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Overige beslissingen omtrent het beslag

Met betrekking tot een onder de verdachte in beslaggenomen holster (goednummer 796540) zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte als de beslagene.

Uit de verklaring van de verdachte is gebleken dat hij de in beslag genomen lichtkegel (goednummer 796544), die het hof anders dan de politierechter niet voor onttrekking aan het verkeer vatbaar acht, heeft meegenomen toen hij deze bij een bezoek aan een festival zag hangen aan een verkeersbord. De lichtkegel behoort de verdachte dus niet toe. Nu thans niet kan worden vastgesteld aan wie de lichtkegel wél toebehoort, zal het hof de bewaring ervan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de onder 1 ten laste gelegde bedreiging van de “collega’s van [slachtoffer]”.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een imitatiepistool (goednummer 796541), een bewaardoos (goednummer 796546), een boekje (goednummer 796542), 6 patronen (goednummer 796542), een bakje met luchtdrukkogels (goednummer 796543) en twee imitatiegeweren (goednummers 796556 en 796558).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een holster (goednummer 796540).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een lichtkegel (goednummer 796544).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. C.N. Dalebout en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 november 2018.

mr. C. de Beer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.