Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2018
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
23-004155-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het schreeuwen onder invloed van alcohol en wijzen met een mes op twee kinderen, heeft voor deze kinderen een bedreigende situatie als bedoeld in de tenlastelegging opgeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004155-17

datum uitspraak: 8 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-165746-17 tegen

[naam] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 augustus 2017 te Zandvoort, althans in Nederland, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen "I am going to stab you" (ik ga je neersteken), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) dreigend een mes in zijn hand heeft gehad en/of een mes heeft getoond en/of met een mes naar die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft gewezen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewezenverklaring hanteert.

Bewijsoverweging

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij niet de jongens heeft bedreigd, maar enkel heeft gedreigd de bal lek te steken met zijn mes.

De aangever [benadeelde 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte in het Engels tegen hem heeft geroepen dat hij hem zou neersteken en dat de verdachte tijdens het roepen een mes in zijn rechterhand had. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de verdachte hoorde roepen: ‘I’m gonna stab you’ en daarbij een mes in zijn handen had, terwijl hij in de richting van beide aangevers keek. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met een mes in zijn handen naar de twee aangevers wees. Voorts verklaarde [getuige 2] dat hij het er dreigend uitzag. Het hof ziet geen aanleiding aan deze verklaringen te twijfelen en acht dan ook bewezen dat de verdachte beide aangevers heeft bedreigd, zoals hieronder nader omschreven. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat ook in het geval de lezing van de verdachte wordt gevolgd, namelijk dat hij enkel heeft gezegd dat hij de bal lek zou steken, evengoed sprake is van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven aangezien het schreeuwen onder invloed van alcohol en wijzen met een mes naar twee kinderen, voor deze kinderen een bedreigende situatie als bedoeld in de tenlastelegging oplevert.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 augustus 2017 te Zandvoort [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen "I am going to stab you" (ik ga je neersteken), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en daarbij dreigend een mes in zijn hand heeft gehad en met dat mes naar die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gewezen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, en tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen mes.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan aanwijzingen van de reclassering.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep kenbaar gemaakt dat het opleggen van een straf onterecht is, aangezien hij degene is die wordt geterroriseerd door de buurt en hij enkel heeft gedreigd een bal kapot te steken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee kinderen, door met een mes naar deze kinderen te wijzen en naar hen de bewezenverklaarde woorden te schreeuwen. Door aldus te handelen heeft de verdachte bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij er niet blijk van heeft gegeven de laakbare gevolgen van zijn handelen in te zien.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met diens persoonlijke omstandigheden zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en in het bijzonder zijn fysieke gezondheid. Daarom acht het hof, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof beoogt daarmee enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds te voorkomen dat de verdachte nieuwe strafbare feiten pleegt.

In hetgeen is beschreven in het reclasseringsrapport van en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof aanleiding om aan de voorwaardelijke straf de na te melden bijzondere voorwaarden te verbinden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade overweegt het hof als volgt. Indien van fysiek letsel geen sprake is, dient te worden bezien of sprake is van aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). Een ‘enkel psychisch onbehagen’ of een zich gekwetst voelen is niet genoeg. Immateriële schadevergoeding komt enkel voor vergoeding in aanmerking indien de benadeelde voldoende concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade, in de zin van psychische schade, heeft geleden. Nader onderzoek tot het bepalen en vaststellen van eventuele schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 aan immateriële schade en € 221,60 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse schade, in de zin van psychische schade, heeft geleden. De behandelaar van de benadeelde is tot op heden niet genegen geweest een korte verklaring op te maken omtrent de klachten en de behandeling van de benadeelde. Nader onderzoek tot het bepalen en vaststellen van eventuele immateriële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De vordering tot vergoeding van de materiële schade is gebaseerd op de stelling dat de verdachte vanwege ernstige psychische klachten een week niet heeft kunnen werken. Gelet op het feit dat het hof onvoldoende is geïnformeerd over de psychische schade kan zonder nader onderzoek evenmin worden vastgesteld dat de benadeelde partij daardoor een week niet heeft kunnen werken. Bovendien is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet zonder meer duidelijk dat de benadeelde partij, die een parttime contract heeft, altijd 40 uur in de week werkt. Enige toelichting van de werkgever ontbreekt. Nader onderzoek tot het bepalen en vaststellen van materiële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

- zich zal melden bij GGZ Reclassering Palier te [adres 2] op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- een diagnostiek traject zal doorlopen bij forensisch polikliniek GGZ Palier of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Wanneer dit nodig blijkt zal betrokkene een voor hem geïndiceerde behandeling bij bovenstaande instelling volgen, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

Waarbij GGZ Reclassering Palier te Haarlem de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK mes.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. F.M.D. Aardema en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 oktober 2018.

mr. A.M. van Amsterdam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.