Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4625

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
23-000267-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens hennepteelt en diefstal elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000267-18

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-173772-17 tegen:

[naam] ,

geboren te Amsterdam op [geboortedatum],

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 augustus 2015 tot en met 19 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een

pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 144 hennepplanten en of -delen, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 augustus 2015 tot en met 19 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 19 augustus 2015 tot en met 19 december 2015 te Amsterdam, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] ongeveer 144 hennepplanten;

2:
hij in de periode van 19 augustus 2015 tot en met 19 december 2015 te Amsterdam, met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen energie, toebehorende aan [bedrijf]

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1

en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door

60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een geheel voorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het lastig is voor de verdachte een taakstraf uit te voeren, aangezien hij vanwege zijn slechte knieën veel werkzaamheden

niet kan verrichten en hij een zware periode tegemoet gaat, omdat hij protheses in zijn gebit krijgt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Opiumwet door in een door hem gehuurde ruimte hennep te telen, waarbij sprake is geweest van één eerdere oogst en de uiteindelijk in beslag genomen tweede kweek. Gelet op het aantal hennepplanten dat is aangetroffen, moet deze hennep bestemd zijn geweest voor de handel en daarmee de verdere verspreiding. Deze handel bezwaart de samenleving door de criminaliteit die daardoor wordt gegeneerd of bestendigd. Voorts is ten behoeve

van deze hennepkwekerij door een illegale stroomaansluiting buiten de elektriciteitsmeter elektriciteit afgetapt. Dit brengt niet alleen schade voor de leverancier van de elektriciteit mee, maar ook kunnen hierdoor brandgevaarlijke situaties voor personen en goederen ontstaan. De verdachte is uit louter winstbejag daaraan voorbijgegaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juli 2018 is hij eerder ter zake van hennepteelt onherroepelijk veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van het feiten, en het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens (betrokkenheid bij) hennepteelt, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met - zoals door de raadsvrouw bepleit - een geheel voorwaardelijke straf.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op het aantal hennepplanten dat

is aangetroffen - een en ander tegen de achtergrond van de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) -, de omstandigheid dat illegaal elektriciteit is afgetapt, de omstandigheid dat de verdachte middels maandelijkse aflossingen aan de leverancier van de elektriciteit de door hem veroorzaakte schade vergoedt en de gehuurde ruimte weer in nette staat is opgeleverd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze overigens ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. P. Greve en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 augustus 2018.