Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4622

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
23-003498-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop, valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003498-17

datum uitspraak: 7 augustus 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-731086-15 tegen

[naam] ,

geboren te Amsterdam op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2012 te Amsterdam in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben vervalst, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen te weten:

- het formulier "aanvraag overname betalingsverplichtingen"

immers heeft verdachte en/of zijn mededader in strijd met de waarheid in dit formulier (onder meer) vermeld of doen vermelden dat hij:

- werkzaam zou zijn geweest voor [bedrijf 1] voor vijfenveertig uur per week verdeeld over vijf dagen en/of

- een salaris zou ontvangen van [bedrijf 1] ter hoogte van vijfentwintighonderd drieëntwintig euro en dertig cent bruto en/of

- tot 12 juni 2012 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1]

en/of

genoemd geschrift voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgave(n) zulks met het oogmerk dat geschrift (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door andere te doen gebruiken en/of heeft hij en/of zijn mededader toen en aldaar opzettelijk gebruik gemaakt van voornoemde valse en/of vervalste formulier zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen immers wilde verdachte met dit formulier een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen ontvangen als ware dit formulier echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij en/of zijn medeverdachte dit formulier verstrekte(n) en/of deed toekomen aan het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen te Amsterdam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Overwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het UWV feiten en omstandigheden opsomt en daaraan koppelt dat deze twijfel oproepen maar dat een dergelijke twijfel onvoldoende is voor een strafrechtelijke bewezenverklaring.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft het formulier ‘aanvraag overname betalingsverplichtingen’ op 25 juni 2012 ingevuld en ondertekend. Op het formulier heeft hij vermeld dat hij van 15 augustus 2011 tot 12 juni 2012 gedurende 45 uur per week werkte voor [bedrijf 2], dat hij een salaris van € 2.523,30 per vier weken (exclusief 13e maand en vakantiegeld) ontving en dat hij tot en met 26 februari 2012 loon heeft ontvangen. Vervolgens heeft hij dit formulier gebruikt door het in te sturen naar het UWV. Een dergelijk aanvraagformulier is een geschrift dat bestemd is om te dienen tot bewijs van enig feit, namelijk het vaststellen door het UWV van het recht op en de hoogte van de uitkering.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte het formulier bewust niet naar waarheid heeft ingevuld. Dit blijkt onder meer uit het feit dat hij heeft ingevuld dat hij tot 12 juni 2012 fulltime heeft gewerkt, terwijl hij bij de hoorzitting in de bezwaarschriftprocedure op 22 november 2012 (p. 54) heeft verklaard dat hij ‘vanaf december 2011 niet meer fulltime heeft gewerkt omdat er te weinig werk was’. Dit wordt ondersteund door de getuige [getuige] (p. 152 – 154), die verklaart dat de samenwerking tussen het bedrijf [bedrijf 3] en [bedrijf 2] is gestopt ongeveer eind december 2011 of januari 2012. Voorts blijkt uit onderzoek van het UWV dat er vanaf januari 2012 niet of nauwelijks werk was voor de vaste werknemers van [bedrijf 2] en dat de twee (vaste) klanten van [bedrijf 2] in de gestelde periode niet een zodanig werkaanbod hebben kunnen leveren dat de verdachte het gestelde aantal uren heeft kunnen werken. Reeds hierom is naar het oordeel van het hof het formulier door de verdachte valselijk opgemaakt en naar het UWV is gestuurd om met gebruikmaking van dit valse formulier een uitkering te kunnen krijgen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2012 te Amsterdam in elk geval in Nederland valselijk heeft opgemaakt, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen te weten:

- het formulier "aanvraag overname betalingsverplichtingen"

immers heeft verdachte in strijd met de waarheid in dit formulier (onder meer) vermeld of doen vermelden dat hij:

- werkzaam zou zijn geweest voor [bedrijf 1] voor vijfenveertig uur per week verdeeld over vijf dagen en

- een salaris zou ontvangen van [bedrijf 1] ter hoogte van vijfentwintighonderd drieëntwintig euro en dertig cent bruto en

- tot 12 juni 2012 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1]

en

genoemd geschrift voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven zulks met het oogmerk dat geschrift (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken en heeft hij toen en aldaar opzettelijk gebruik gemaakt van voornoemde valse formulier zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen immers wilde verdachte met dit formulier een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen ontvangen als ware dit formulier echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij dit formulier verstrekte en/of deed toekomen aan het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen te Amsterdam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van negentig (90) uren, te vervangen door vijfenveertig (45) dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld in 2012 en de verdachte reeds veel nadeel heeft ondervonden van deze zaak omdat hij een lange tijd geen VOG heeft kunnen krijgen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft fraude gepleegd om een uitkering te kunnen krijgen. Dit is een ernstig feit en het hof rekent dit de verdachte aan. Sociale voorzieningen zijn uitsluitend bestemd voor degenen die er recht op hebben en werkelijk daarvan afhankelijk zijn. In het verlengde daarvan moeten uitkeringsinstanties er op kunnen vertrouwen dat hun de juiste gegevens worden aangeleverd. Door zijn handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Indien de uitkeringsinstantie dit strafbare feit niet tijdig had opgemerkt was sprake geweest van een groot benadelingsbedrag.

Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het volgende. Voorop staat dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als daarna hoger beroep volgt geldt in beginsel ook dat binnen twee jaren eindarrest dient te worden gewezen.

De verdachte is op 26 juni 2013 als verdachte gehoord. Vanaf dat moment kon de verdachte verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld en is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn gaan lopen. De rechtbank heeft vervolgens op 21 september 2017 vonnis gewezen, ruim vier jaren later.

Het hof doet op 7 augustus 2018 uitspraak. Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden. De procedure in zijn geheel heeft ruim vijf jaren in beslag genomen. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar.

Alles afwegende vindt het hof in beginsel een onvoorwaardelijke taakstaf voor de duur van

120 (honderdtwintig) uren passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, de gehele strafprocedure in aanmerking genomen, zal het hof in plaats van de hiervoor genoemde in beginsel passende en geboden straf een taakstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 55 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. M.E. Hinskens - van Neck, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 augustus 2018.

mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.