Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4620

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
23-00107717
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximum gevangenisstraf voor webcamafperser Aydin C.: 10 jaar en 243 dagen. 1. OM niet-ontvankelijk in vervolging klachtdelict art. 318 Sr bij niet tijdig indienen klacht door slachtoffer. 2. Art. 6 EVRM en beperking van recht verdediging op kennisneming resultaten politieonderzoek. 3. Toetsing door rechter van inzet softwarematig technisch hulpmiddel (keylogger) op basis Besluit technische hulpmiddelen strafvordering. 4. Verwerping alternatief scenario dat een ander de computers van de verdachte gebruikte. 5. Vaststelling van de omvang van netwerk van door de verdachte gebruikte accounts. 6. Aanranding minderjarige meisjes cfm art. 246 Sr via webcam door te dreigen compromitterend beeldmateriaal o.a. via Facebook te openbaren aan personen in hun directe omgeving. 7. Afdreiging (art. 318 Sr) en oplichting (art. 326 Sr) van mannen door te dreigen via webcam verkregen compromitterend beeldmateriaal o.a. via Facebook te openbaren aan personen in hun directe omgeving: causaal verband tussen oplichtingsmiddelen en afgifte geld. 8. Oplichting (ver)huurders woningen. 9. Overtreding Opiumwet (bezit DMT) m.b.t. niet onderzochte verdovende middelen uit zelfde partij. 10. Redelijke termijn art. 6 EVRM niet overschreden gelet op complexiteit en procesgang. 11. Vorderingen benadeelde partijen: a. gevoegde partij bij minderjarigheid in eerste aanleg en meerderjarigheid ten tijde van hoger beroep, b. vordering algemene materiële schade op grond van ‘Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel’, c. verplaatste schade ouders minderjarige kinderen, d. vaststelling immateriële schade. 12. Oplegging schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr) zonder corresponderende vordering als benadeelde partij. 13. Onttrekking aan het verkeer van gezamenlijkheid van voorwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0046
Computerrecht 2019/52 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001077-17

datum uitspraak: 14 december 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-995008-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 december 2017, 15 januari 2018, 5 november 2018, 8 november 2018, 9 november 2018,

13 november 2018, 15 november 2018, 16 november 2018, 19 november 2018 en 30 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, alsmede van hetgeen door en/of namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

2 Omvang van het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft beperkt hoger beroep ingesteld, te weten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor wat betreft het onder 63, 64, 65 en 66 telkens primair tenlastegelegde en tegen de vrijspraak van het onder die feiten telkens subsidiair tenlastegelegde.

Namens de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld.

3 Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5, 44, 48, 50 is tenlastegelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze feiten. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

4 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort samengevat, tenlastegelegd dat hij:

  • -

    een gewoonte heeft gemaakt van het vervaardigen, verwerven, verspreiden, openlijk tentoonstellen en/of in bezit hebben van kinderporno van 28 minderjarige meisjes;

  • -

    33 minderjarige meisjes1 heeft aangerand of verleid, of dat heeft geprobeerd;

  • -

    4 meerderjarige mannen heeft afgedreigd of opgelicht en één meerderjarige man heeft geprobeerd af te dreigen of op te lichten;

  • -

    computervredebreuk heeft gepleegd en een computerprogramma voorhanden heeft gehad om computervredebreuk te plegen;

  • -

    9 personen heeft opgelicht;

  • -

    documenten heeft vervalst en van die vervalste documenten gebruik heeft gemaakt;

  • -

    1.500 gram DMT aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De tekst van de tenlastelegging, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, is opgenomen in bijlage I.

5 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring en deels andere beslissingen op vorderingen van benadeelde partijen en ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen komt en andere overwegingen ten grondslag legt aan zijn beslissingen dan de rechtbank.

6 Inleiding

Hieronder schetst het hof onder (A) beknopt de aanloop tot het onderzoek Disclosure, de aanhouding van de verdachte en het beslag op een groot aantal gegevensdragers in de woning van de verdachte aan [park B] . Vervolgens worden onder (B) enkele overwegingen gewijd aan het gebruik van de Facebookrapporten bij de beoordeling van enkele ontkoppelingsverweren van de verdediging.

Het hof zal, net als de rechtbank, op verzoek van de slachtoffers die in de D-deeldossiers figureren hen niet bij hun naam noemen, maar hen telkens aanduiden als D, met daarop volgend het cijfer dat aan het desbetreffende deeldossier is gerelateerd.

(A) Op 17 september 2013 is het onderzoek Disclosure gestart naar aanleiding van twee rapporten van Facebook, die de Nederlandse politie op 13 mei 2013 en op 6 september 2013 had ontvangen,2 en de op hoofdlijnen daarmee overeenkomende informatie van de site Habbo Hotel.

Facebookrapporten

Volgens Facebook hield een onbekend persoon met minstens 86 onderling verbonden Facebook-accounts zich bezig met het verzamelen, produceren en verspreiden van afbeeldingen van kinderuitbuiting. Deze onbekende zou ook tientallen minderjarige meisjes chanteren, waarbij gebruik werd gemaakt van bedoelde afbeeldingen. Deze persoon zou tevens een aantal meerderjarige mannen chanteren. Hij legde beelden vast waarop deze mannen masturbeerden terwijl zij veronderstelden dat zij aan het webcammen waren met minderjarige jongens. Vervolgens eiste deze persoon dat geld zou worden betaald, omdat de opgenomen beelden anders zouden worden verspreid onder vrienden en familie van de desbetreffende man.

Habbo Hotel

De Nederlandse politie ontving in juli 2013 informatie van Habbo Hotel. Op die site had iemand die zich voordeed als een lesbienne geprobeerd een aantal minderjarige meisjes te verleiden tot webcamseks. Die persoon had een groot aantal Habbo-accounts aangemaakt. Habbo Hotel veronderstelde dat deze persoon vaak van IP-adres wisselde.

De door Facebook en Habbo Hotel beschreven werkwijze van de onbekende vertoonde op een aantal kenmerkende onderdelen overeenkomsten. Beide maakten in dit verband tevens melding van een gebruiker die zichzelf [naam 1] of [variant 1 naam 1] noemde.

Volgens Facebook werd gebruik gemaakt van valse identiteitsgegevens, afgeschermde IP-adressen, afgeschermde internetverbindingen en van een Nederlands IP-adres: [ip-adres A] .

Bij de registratie van één van de Facebook-accounts is een Nederlands mobiel telefoonnummer ( [telefoonnummer 1] ) opgegeven.

IP-adres [ip-adres A]

Het IP-adres [ip-adres A] bleek te horen bij een woning van [persoon A] op het [park A] . Dit IP-adres (hierna: [ip-adres A] ) was in de Nederlandse politiesystemen bekend uit een oplichtingszaak van 2011 in [plaats 1] met de naam ‘ [onderzoek] ’ (feit 69). In die zaak hebben diverse personen aangifte gedaan van oplichting, toen zij in januari 2011 de woning aan de [straat 1] in [plaats 1] wilden huren. Zij betaalden bedragen aan huur en een borgsom, maar konden uiteindelijk de gehuurde woning niet betreden. Ook door de eigenares van de woning is aangifte gedaan van oplichting. De oplichter maakte in de emailwisseling met haar gebruik van het [ip-adres A] . In het ‘ [onderzoek] ’ -onderzoek had de politie het ernstige vermoeden dat de verdachte degene achter de oplichtingen was. De verdachte is in januari 2011 in het trappenhuis van de [straat 1] aangetroffen door de politie en hij heeft bij de [plaats 1] politie eind december 2013 bekend dat hij de dader was.

Telefoonnummer [telefoonnummer 1]

Ook het door Facebook vermelde telefoonnummer [telefoonnummer 1] kwam voor in de Nederlandse politiesystemen. [persoon B] heeft verklaard dat [naam 2] in juni/juli 2011 heeft geprobeerd haar op te lichten bij het huren van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] (feit 70). [naam 2] had haar een huurovereenkomst toegezonden met zijn naam als verhuurder en zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] .3 De werkwijze van deze oplichter leek sterk op die van de oplichter in de [straat 1] in [plaats 1] . In beide zaken werd gebruik gemaakt van valse paspoortkopieën, waarop telkens dezelfde persoon op de pasfoto’s te zien was. Politieambtenaren hebben de verdachte op al deze foto’s herkend.

Skrill/Moneybookers

In oktober 2013 ontving de Nederlandse politie informatie uit Engeland van de online bank Skrill, voorheen genaamd Moneybookers. Bij deze bank kon een rekeninghouder een account aanmaken met een emailadres. In Engeland was onderzoek gedaan naar afgedwongen betalingen door volwassen mannen via deze bank.

Eén van de Skrill-accountnamen was te herleiden tot een slachtoffer van de hiervoor genoemde woningoplichtingen in [plaats 1] , te weten [persoon C] ( [onderzoek] [straat 1] in [plaats 1] ). Twee andere Skrill-accountnamen waren te herleiden tot [persoon B] en [persoon D] die belangstelling hadden getoond voor het huren van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , maar uiteindelijk niet met de zogenaamde verhuurder in zee waren gegaan. Bij het account van [persoon D] zijn het hiervoor genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het adres [straat 3] opgegeven. Met verstrekking van de personalia van de verdachte is op 7 januari 2011 eveneens een bankrekening bij Skrill geopend, waarbij een adres in België werd opgegeven.

In de woning van de verdachte heeft de politie van verschillende Skrill-accounts documenten en Mastercards (van toen nog Moneybookers geheten) aangetroffen op naam van slachtoffers van de (pogingen tot) woningoplichting, die aan de oplichter een kopie van hun paspoort hadden verstrekt.

In twee jaar tijd werd via Western Union meer dan 30.000 euro overgemaakt naar de verdachte en naar voornoemde Skrill-accounts. Een deel van dat geld was afkomstig van meerderjarige Engelse mannen. Het geld werd deels contant opgehaald na legitimatie met een paspoort op naam van de verdachte, dat na zijn aanhouding in zijn woning is aangetroffen. Op 1 december 2013 zijn camerabeelden gemaakt van de persoon die het geld opnam, op welke beelden politiemedewerkers de verdachte hebben herkend. De verdachte heeft voorafgaand aan deze geldopname telefonisch contact opgenomen met de desbetreffende vestiging van het GWK [plaats 2] en heeft daarbij zijn eigen naam genoemd.4

[straat 3] en [park B]

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Verder bleek daaruit dat de verdachte in augustus 2013 verbleef op vakantiepark [straat 3] en dat hij eind november 2013 zou verhuizen naar een ander park genaamd [park B] . Tijdens observaties is gebleken dat de verdachte daar een gesprek heeft gevoerd en met ingang van 26 november 2013 als enige de woning [park B] is gaan bewonen.

Internetgebruik [park B]

Vanaf 27 november 2013 werd geconstateerd dat de omvang van het internetgebruik door de gebruiker van het [ip-adres A] , behorend bij een woning die zich vlakbij [park B] bevond, opvallend toenam en dat andere sites werden bezocht dan vóór die datum.

Uit een IP-tap in combinatie met resultaten van een telefoontap bleek dat de verdachte op 9 december 2013 dit IP-adres gebruikte bij de bestelling van een maaltijd.5

Vanaf 27 november 2013 werd op dit IP-adres vaak VPN gebruikt.

Met machtiging van de rechter-commissaris is een technisch hulpmiddel (een zogenaamde keylogger) geplaatst op twee computers in de woning van de verdachte, [park B] , en zijn microfoons in die woning geplaatst om vertrouwelijke communicatie op te nemen. Dit vond plaats in de periode van 20 tot 23 december 2013, toen de verdachte in [plaats 1] vast zat in verband met de verdenking van betrokkenheid bij de genoemde [plaats 1] woningoplichtingen.

Ook is toen geïnventariseerd welke voor het onderzoek mogelijk relevante voorwerpen in de woning [park B] aanwezig waren, waaronder met name gegevensdragers en bescheiden, om deze na de aanhouding van de verdachte (op 13 januari 2014) in de onderhavige strafzaak te kunnen vergelijken met de dan aanwezige voorwerpen.

Aanhouding van de verdachte

De verdachte is op 13 januari 2014 in zijn woning [park B] aangehouden. Een groot aantal voorwerpen is inbeslaggenomen, onder meer een laptop, een desktop en een groot aantal harde schijven. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat op een aantal van deze gegevensdragers vele bestanden staan die in verband kunnen worden gebracht met de tenlastegelegde feiten.

(B) De advocaten-generaal hebben opgemerkt dat de uit de Facebookrapporten verkregen informatie is gebruikt als startinformatie van het Disclosure-onderzoek en dat zij niet het gebruik als bewijsmiddel van die rapporten beogen.

Het hof zal de informatie van Facebook slechts in beperkte mate voor het bewijs gebruiken, onder andere voor zover die informatie ziet op door de verdediging ingenomen stellingen die strekken ter motivering van de verweren dat de verdachte noch gekoppeld kan worden aan door Facebook genoemde relevant geachte IP-adressen noch aan het hiervoor vermelde telefoonnummer dat is gebruikt bij het aanmaken van een Facebook-account.

Verder acht het hof data afkomstig van Facebook op accountniveau, zoals over naamswijzigingen van een account of bij een account geregistreerde emailadressen, net als bijvoorbeeld data betreffende van een bepaald account verzonden berichten, bruikbaar voor het bewijs. De betrouwbaarheid van die data is niet gemotiveerd bestreden. Naar het oordeel van het hof staat de betrouwbaarheid van die data buiten twijfel. Aan de overige inhoud van de rapporten kleeft het bezwaar dat daarin conclusies worden getrokken waarvan de grondslag, bij gebreke van een toereikende nadere door Facebook verstrekte toelichting, niet getoetst kan worden. Dat bezwaar kleeft niet aan de zojuist genoemde data.

7 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De advocaten-generaal hebben betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de onder 63 tot en met 66 telkens primair tenlastegelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat het tenlastegelegde hier telkens een klachtdelict betreft en niet kan worden vastgesteld dat de klacht binnen de wettelijke termijn van drie maanden is gedaan. Uitzonderlijke omstandigheden die maken dat ondanks het overschrijden van de klachttermijn vervolging mogelijk is, doen zich niet voor, aldus de advocaten-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is tenlastegelegd onder 63 primair een poging tot afdreiging en onder 64 primair, 65 primair en 66 primair telkens een voltooide afdreiging, strafbaar gesteld in artikel 318, lid 1, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in verbinding met artikel 45 Sr wat de poging betreft. Na het verkrijgen van compromitterend beeldmateriaal zou de verdachte, door te dreigen dit materiaal te verspreiden, een viertal meerderjarige mannen hebben gedwongen, of hebben geprobeerd te dwingen, tot betalingen.

Artikel 318, lid 3, Sr houdt in dat dit misdrijf alleen wordt vervolgd op klacht van degene tegen wie het is gepleegd. Het afhankelijk stellen van de mogelijkheid tot vervolging van de wil van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd – een weinig voorkomende uitzondering in het Nederlandse strafrecht – steunt blijkens de wetsgeschiedenis op de mogelijkheid dat bij vervolging het bijzonder belang van het slachtoffer groter nadeel lijdt dan het openbaar belang. Dit bijzonder belang is hierin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid die de door het delict getroffene als pijnlijk ervaart, wordt vermeden.

De klacht moet op grond van artikel 66, lid 1, Sr worden ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Door het stellen van die termijn wordt – in de woorden van de memorie van toelichting bij het ontwerp-wetboek – voorkomen dat

"aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen [wordt] gegeven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken.

Daarenboven eischt het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden".

(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1891, p. 498)

Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de klachtgerechtigde bij een delict als het onderhavige zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. In zoverre is zijn macht te bepalen of de verdachte wordt vervolgd in tijd begrensd. Dat betekent dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit (vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242).

Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de termijn van drie maanden door de betrokken klachtgerechtigden (D36 t/m D39) in acht is genomen. Het behoeft geen betoog dat juist de tegenover hen geuite dreigementen en de angst voor ontdekking bij feiten als hier tenlastegelegd, meebrengen dat de slachtoffers daarvan ernstig geremd kunnen zijn in het benaderen van de opsporingsautoriteiten. De huidige regeling in voormelde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht heeft daarmee als ongerijmd gevolg dat naarmate de degene die zich schuldig maakt aan afdreiging er beter in slaagt door intimidatie en het zaaien van angst het slachtoffer te weerhouden van een stap naar de politie, hij daarmee kan bewerkstelligen dat hij voor dat strafbare feit niet vervolgd kan worden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft daarop in een uitspraak van 20 februari 2017 ook al gewezen (ECLI:NL:GHARL:2017:1450). Blijkens de concept-memorie van toelichting bij het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering heeft deze kwestie de aandacht van de wetgever. Daarin wordt voorgesteld de klachttermijn van drie maanden te laten vervallen.

Onder de huidige wettelijke regeling ziet het hof in de onderhavige zaak geen ruimte het openbaar ministerie ontvankelijk te oordelen in de vervolging van deze feiten. Het openbaar ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van de onder 63 primair, 64 primair, 65 primair en 66 primair tenlastegelegde feiten, zoals de advocaten-generaal ook zelf hebben gevorderd. Opmerking verdient dat dit niet in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de verwijten die de verdachte zijn gemaakt van zijn handelen tegenover deze personen, zoals telkens subsidiair onder 63 tot en met 66 tenlastegelegd.

8 Onderzoekswensen en artikel 6 EVRM

De verdediging heeft het hof bij pleidooi wederom verzocht de verzoeken die zij op de terechtzitting van 5 november 2018 heeft gedaan en die het hof op de terechtzitting van 8 november 2018 heeft afgewezen, in te willigen. Het gaat hierbij om verzoeken die betrekking hebben op de (tot op heden) geweigerde inzage in de forensische kopieën van alle gegevensdragers, inzage in alle opnamen/resultaten van de ingezette keylogger en inzage in de WE-logs en VPN-logs, nader onderzoek naar de “verdwijning” van de keylogger van een van de computers van de verdachte, nader onderzoek door een deskundige van het installatieproces van de keylogger, verstrekking van alle IP-taps, onderzoek (door een deskundige) van de Facebookrapporten en verstrekking van niet eerder vrijgegeven gedeelten van die rapporten, nader onderzoek (door een deskundige) van de OVC-opnamen, verstrekking van de Skype-gegevens van alle D’s, verstrekking van informatie over de Britse undercoveroperatie en nader onderzoek naar vormverzuimen voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar hetgeen zij op de terechtzitting van 5 november 2018 over artikel 6 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naar voren heeft gebracht, betoogd dat de verdachte naar zijn gevoel op geen enkel moment in de procedure voldoende mogelijkheid heeft gehad zijn verdediging goed voor te bereiden en vervolgens goed uit te bouwen. Hij meent dat zonder inzage in alle gegevens geen conclusie valt te trekken over de relevantie van de niet verstrekte gegevens. Naar het oordeel van de verdediging kan de weigering (inzage in) gegevens te verstrekken niet worden gebaseerd op de bescherming van de privacy van de slachtoffers en derden, nu de verdediging al beschikte over zeer veel privacygevoelige informatie omdat die zich in het dossier bevond en zij niets van die informatie heeft prijsgegeven of anderszins gebruikt.

De conclusie is, aldus de verdediging, dat de verdachte door het niet honoreren van zijn onderzoekswensen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn verdediging practical and effective voor te bereiden en te voeren, zodat artikel 6 EVRM is geschonden. Daaraan heeft de verdediging het verzoek verbonden die schending ongedaan te maken en alsnog het gevraagde onderzoek te gelasten.

De advocaten-generaal hebben hierop bij repliek als volgt gereageerd, mede onder verwijzing naar hetgeen zij hebben opgemerkt in hun ‘regiebrief’ van 22 november 2017 en in hun op schrift gestelde reactie van 5 november 2018 op de op die terechtzitting gedane onderzoekswensen van de verdediging.

Afwijzing van de onderzoekwensen van de verdediging brengt in deze zaak niet mee dat geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, mede in aanmerking genomen dat na het gereed komen van het eindproces-verbaal nog veel aanvullend onderzoek is verricht naar aanleiding van vragen en verzoeken van de verdediging. Daarnaast kunnen zwaarwegende opsporingsbelangen – zoals de noodzaak dat de werking en de wijze van plaatsing van de keylogger niet bekend wordt – en privacybelangen – die er onder meer toe strekken secundaire victimisatie van de slachtoffers te voorkomen – leiden tot afwijzing van onderzoekwensen zonder dat dit een schending van artikel 6 EVRM oplevert. De onderzoekswensen van de verdediging liggen ook thans voor afwijzing gereed.

Bij dupliek heeft de verdediging er, onder verwijzing naar het EHRM in zijn uitspraak van 31 maart 2009 (het hof begrijpt: 8 december 2009) (Janatuinen vs. Finland) nog op gewezen dat het weigeren van toegang tot bewijsmateriaal alleen is toegestaan als dat strikt noodzakelijk is en dat de moeilijkheden die de verdediging ondervindt als gevolg van die weigering moeten worden gecompenseerd, terwijl van enige compensatie in de onderhavige zaak geen sprake is.

Het hof stelt, zoals het ook op de terechtzitting van 8 november 2018 heeft overwogen in reactie op de onderzoekswensen van de verdediging, het volgende voorop.

Het gaat bij de beoordeling van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM om de procedure als geheel (de overall fairness of the trial). Aan artikel 6 EVRM valt geen ongeclausuleerd recht op kennisneming van, of beschikking over, álle resultaten van het opsporingsonderzoek te ontlenen noch behelst die bepaling aanspraak op het verrichten van elk door de verdediging wenselijk geacht onderzoek. Voorts mogen aan de motivering van onderzoekswensen eisen worden gesteld. Verzoeken om inzage of nader onderzoek die onvoldoende specifiek en concreet zijn of die elke relevantie missen voor beslissingen in deze zaak, komen in aanmerking voor afwijzing zonder dat daarmee geacht kan worden tekort te zijn gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces of aan het beginsel van equality of arms.

In de onderhavige zaak is, zoals ook door de advocaten-generaal is opgemerkt, in eerste aanleg veel nader onderzoek verricht naar aanleiding van verzoeken van de verdediging en zijn in aanvullende processen-verbaal veel vragen van de verdediging beantwoord, een en ander mede ten aanzien van de inzet van de keylogger. Het hof heeft ten aanzien van vele onderzoekswensen die in hoger beroep zijn geventileerd, geoordeeld dat die onvoldoende zijn onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen; specifieke aanvullende motiveringen zijn bij pleidooi of dupliek niet aangedragen. In de kern komen die verzoeken neer op fishing expeditions. De specifieke relevantie daarvan voor door het hof te nemen beslissingen is niet nader aangeduid; de motivering kenmerkt zich vooral door algemeenheden en speculaties. Op dergelijke verzoeken is de overweging van het EHRM dat het weigeren van toegang tot bewijsmateriaal alleen is toegestaan als dat strikt noodzakelijk is, naar het oordeel van het hof niet van toepassing. Opmerking verdient verder dat, zoals de rechtbank dat in eerste aanleg heeft gedaan, het hof de verdediging op diverse momenten in de procedure in hoger beroep veel ruimte heeft geboden verzoeken om nader onderzoek te doen en deze van een uitgebreide toelichting te voorzien. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid heeft het hof de verdediging daartoe ook nog in de gelegenheid gesteld op een moment waarop dat niet gebruikelijk is, te weten lang nadat naar aanleiding van de daartoe bestemde regiezitting (op 1 december 2017) reeds op verzoeken van de verdediging was beslist (op 15 januari 2018). Een aantal verzoeken is naar aanleiding van de regiezitting door het hof toegewezen. Waar het hof verzoeken van de verdediging heeft afgewezen is dat gebeurd op basis van – vanzelfsprekend – een grondige bestudering van het aangevoerde en heeft het hof zijn beslissingen gemotiveerd. Over de opstelling van de verdachte in dit verband heeft het hof enige observaties opgenomen in zijn motivering van de beslissingen (van 8 november 2018) op de verzoeken van de verdediging van 5 november 2018. In het licht van deze gang van zaken, de daarbij tussen de verdediging en de advocaten-generaal gewisselde argumenten en de door het hof voor zijn beslissingen gegeven motivering, is het hof van oordeel dat aan de verdediging geen bewijsmateriaal is onthouden dat – in de woorden van het EHRM – “contains such particulars which could enable the accused to exonerate himself or have his sentence reduced”.

Daar komt bij dat de verdachte de mogelijkheid heeft gehad zich te verdedigen, van welke mogelijkheid onder meer bij pleidooi en dupliek uitvoerig gebruik is gemaakt. Het feit dat de verdachte niet zelf het woord heeft gevoerd is zijn eigen keuze geweest, die niet aan het openbaar ministerie of het hof kan worden tegengeworpen. In zoverre heeft de verdachte zichzelf vrijwillig beperkt in zijn verdediging. Aan de raadslieden heeft het niet gelegen; zij hebben zich op adequate wijze gekweten van hun verplichting ter verdediging van de verdachte de nodige verweren te voeren.

Voor zover de resultaten van de keylogger en de OVC voor het bewijs zullen worden gebruikt, gaat het om bewijsmateriaal dat verre van decisive is: het is bewijsmateriaal dat ondersteuning biedt op een enkel detail waar de bewijsvoering als geheel in wezen gemakkelijk zonder kan. Ook overigens ziet het hof geen grond terug te komen van zijn beslissingen van 8 november 2018 en de daarvoor gegeven motivering, die als hier herhaald moet worden beschouwd. Van schending van artikel 6 EVRM is naar het oordeel van het hof geen sprake.

9 De inzet en resultaten van de keylogger

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de resultaten van het op de laptop en de desktopcomputer in de woning van de verdachte geïnstalleerde technisch hulpmiddel waarmee schermafbeeldingen en toetsaanslagen zijn vastgelegd (hierna ook aangeduid met de term ‘keylogger’) niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat: a. de keylogger onrechtmatig is ingezet, zodat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, en b. aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van de keylogger. Deze stellingen zijn door de verdediging als volgt toegelicht.

Ad a. De in dit geval gebruikte keylogger is een softwarematig technisch hulpmiddel, waaraan bij de installatie aanpassingen moeten worden gedaan. Die aanpassingen bestonden uit het na installatie op de computers in de woning van de verdachte aanvinken welke programma’s werden opgenomen, dat informatie moest worden verzonden en wat het tijdsinterval tussen de op te nemen screenshots was. Het feit dat aanpassingen bij de installatie nodig waren, blijkt ook uit de omstandigheid dat de keylogger aanvankelijk niet correct functioneerde en pas na hernieuwd installeren en instellen gegevens naar de politie verzond. Daarom is ten onrechte volstaan met keuring vooraf en had de keylogger op grond van artikel 19 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna ook: het Besluit) na afloop van de inzet daarvan gekeurd moeten worden. Dit geldt temeer nu de keylogger programma’s kon opnemen die niet onder de noemer vertrouwelijke communicatie vallen, zodat het van de instellingen na installatie afhangt of de keylogger correct functioneert en voldoet aan de wettelijke eisen. Daar komt bij dat het Besluit niet toestaat technische hulpmiddelen te gebruiken waarvan de broncode niet bekend is bij de autoriteiten. Betoogd is verder dat het beoordelingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4650) (betreffende het inmiddels vervallen Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden) niet ziet op softwarematige technische hulpmiddelen. Bij die hulpmiddelen heeft de rechter onder het nu geldende Besluit meer ruimte om te beoordelen of zij aan de wettelijke eisen voldoen, mede gezien de gewijzigde keuringsprocedure die nu geheel in handen is gelegd van de Keuringsdienst van het Korps landelijke politiediensten (thans: Landelijke Eenheid, dienst operationele samenwerking).

Ad b. Volgens de verdediging blijkt uit zes punten dat de keylogger niet goed heeft gefunctioneerd:

1. Er is sprake van discrepanties: teksten die zichtbaar zijn op de schermafbeeldingen kunnen in de vastgelegde toetsaanslagen niet worden teruggevonden. Het gebruik van de functie kopiëren-plakken biedt geen afdoende verklaring voor de geconstateerde verschillen. De omstandigheid dat de resultaten van de keylogger niet zijn aangetroffen op de gegevensdragers in de woning van de verdachte bevestigt dat de vastgelegde handelingen niet hebben plaatsgevonden door middel van de computers in zijn woning.

2. Onverklaard is gebleven hoe het kan dat na de aanhouding van de verdachte bleek dat de keylogger niet meer aanwezig was op de desktopcomputer.

3. Indien de verwijdering van de keylogger het gevolg is van een quickscan door een gedownload gratis antivirusprogramma, wekt dat twijfel aan de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de keylogger.

4. De resultaten van de keylogger komen niet overeen met de resultaten van de IP-tap. De keylogger heeft op 6 januari 2014 om 18:21 uur voor het laatst een bestand aangemaakt, terwijl door middel van de IP-tap is vastgelegd dat die dag van 18:24 uur tot 18:33 uur activiteiten plaatsvonden die de keylogger bij correct functioneren zou hebben moeten vastleggen. Waarom de keylogger al niet meer behoorlijk functioneerde voordat de virusscanner was geïnstalleerd, is niet opgehelderd.

5. Het feit dat de VPN-verbinding na plaatsing van de keylogger niet meer automatisch opstartte, vormt een aanwijzing dat de keylogger niet alleen werkte op de bij installatie voor opname ingestelde programma’s, maar ook daarbuiten invloed had op verbindingen en programma’s.

6. De keylogger heeft méér opgenomen dan alleen vertrouwelijke communicatie. Dit blijkt uit de schermafbeeldingen in het dossier op p. A01 904 en A01 2342, waarop een Windows-folder, Kladblok, WinRAR en een mediaplayer zijn te zien. Uit de verklaring van [teamleider] blijkt verder dat de keylogger bestanden kan creëren, verplaatsen, archiveren, versleutelen, kopiëren, versturen en vernietigen, en dat de originele resultaten worden vernietigd na verzending van een kopie via internet, zodat manipulatie mogelijk is.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben hier tegenover gesteld, kort gezegd, dat zij zich aansluiten bij de overwegingen van de rechtbank die inhouden dat keuring van de keylogger voorafgaand aan de inzet daarvan wel mogelijk en voldoende was en dat een keuring achteraf niet nodig was, zodat van een vormverzuim geen sprake is. Voorts houden die overwegingen in dat ook op de keylogger het beoordelingskader uit de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad toepasselijk is, met dien verstande dat de rechter kan toetsen of sprake is van geconstateerde onregelmatigheden bij de inzet die afbreuk kunnen doen aan de betrouwbaarheid daarvan. Ook ten aanzien van de zes door de verdediging gestelde onregelmatigheden hebben de advocaten-generaal zich aangesloten bij de beoordeling daarvan door de rechtbank. Die beoordeling komt erop neer dat de gestelde onregelmatigheden geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van de keylogger.

Voor de beoordeling relevante feiten

Op 22 december 2013 is ter uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie als bedoeld in artikel 126l Sv op de laptop en de desktopcomputer in de woning van de verdachte een keylogger (genaamd [keylogger] ) geplaatst. Daarbij zijn ingesteld als op te nemen applicaties: Firefox, Chrome, Safari, Opera, Outlook, Thunderbird, Mail, Message, Skype Messenger, Chat, MSN, Remote, Internet, Maxthon en Eigenschappen voor Datum en Tijd.6 Daags na plaatsing bleek dat geen resultaten van de keylogger werden ontvangen door de politie.7 Op 3 januari 2014 werd de woning van de verdachte opnieuw betreden. Toen is vastgesteld dat de resultaten van de keylogger niet waren verzonden, maar nog wel aanwezig waren op de desbetreffende computer. Het resultaat is toen ter plekke veiliggesteld en de keylogger is verwijderd en opnieuw geplaatst op de die computer. De resultaten van de keylogger werden daarna wel ontvangen door de politie.8

Na de aanhouding van de verdachte op 13 januari 2014 bleek de keylogger niet meer aanwezig op de desktopcomputer9 op de plaats op de harde schijf waar deze verwacht mocht worden.10 Omdat de keylogger niet op afstand kon worden verwijderd, is dit alleen te verklaren door een handeling ter plaatse op de computer of door een autonoom werkend programma, zoals een virusscanner.11 Een antivirusprogramma verwijdert als bedreiging aangemerkte software van de oorspronkelijke bestandslocatie.12 Nader onderzoek wees uit dat op 6 januari 2014 met een op die dag op de desktopcomputer geïnstalleerd antivirusprogramma een virusscan is uitgevoerd, waarbij op de harde schijf ongewenste software is aangetroffen en verwijderd.13 In het logbestand van het antivirusprogramma is vermeld welk bestand is verwijderd. Deze bestandsnaam, bestandslocatie en aanduiding van de software bevatten informatie over de keylogger, zo is aanvullend geverbaliseerd.14

Voor de gebruikte keylogger heeft [teamleider] , teamleider Keuringsdienst, Politie Landelijke Eenheid, dienst operationele samenwerking, een conformiteitsverklaring afgegeven, op basis van een op 24 maart 2009 voltooide keuring.15 [teamleider] is op 1 oktober 2016 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

De Keuringsdienst is onafhankelijk. De Keuringsdienst zelf is sinds 2000/2001 ISO-gecertificeerd. In het kader daarvan krijgen we jaarlijks een externe audit. Als de politie ons een middel aanbiedt keuren wij het. Nadat het is gekeurd kan het door gecertificeerde opsporingsambtenaren worden ingezet. Wij zien nooit een concreet onderzoek. Ik ben zelf geen opsporingsambtenaar. Daar ben ik blij om want als Keuringsdienst willen wij onafhankelijk kunnen keuren. Ik heb rond het jaar 2000 de Keuringsdienst opgezet. In het begin deed TNO de OVC-keuringen. Wij deden dan een voorkeuring en TNO adviseerde de Minister of het hulpmiddel daadwerkelijk kon worden goedgekeurd. Het bleek dat de Keuringsdienst veel meer expertise had dan TNO. TNO had eigenlijk nooit opmerkingen over onze voorkeuringen. Toen in 2006 het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Besluit) werd aangepast (het hof begrijpt: in de plaats kwam van het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden) heeft TNO aan de Minister geadviseerd dat wij zelf een goedkeurende verklaring zouden mogen afgeven. Het gaat erom dat wordt aangetoond dat het hulpmiddel integer is. Als teamleider ben ik meewerkend voorman. Ik doe zelf ook keuringswerkzaamheden. Ik ben eindverantwoordelijke voor iedere keuring. Sinds 2008 of 2009 houd ik mij vooral bezig met de keuring van software ten behoeve van de opname van vertrouwelijke communicatie. Het hulpmiddel [keylogger] bestaat volledig uit software. Vóór 2009 hebben wij diverse malen eerder een softwarematig technisch hulpmiddel gekeurd. In 2008 is het Keuringsprotocol ook toegespitst op softwarematige hulpmiddelen. De procedure is in grote lijnen gelijk aan de procedure voor keuring van andere hulpmiddelen. Het is een kwestie van duwen en trekken om te kijken of het hulpmiddel rare dingen doet tijdens de keuring. We keuren aan de hand van de eisen die zijn verwoord in het Besluit. Bij de keuring van dit hulpmiddel is op geen enkele wijze afgeweken van de standaardprocedure. Ik heb zelf de technische keuring gedaan. Onze jurist denkt mee over de vraag welke mogelijke functionaliteiten vallen onder het begrip OVC, en welke niet. Ik wil een middel niet voor de hele bandbreedte goedkeuren als er voor OVC maar een paar delen gebruikt mogen worden. Ik geef mijn goedkeuring alleen op onderdelen die echt met OVC te maken hebben. Ik wil bijvoorbeeld niet dat de politie een hele PC kan doorzoeken op basis van mijn tool terwijl eigenlijk alleen OVC is toegestaan. Als een middel bijvoorbeeld tien functies heeft, zet ik in de interne handleiding dat alleen de functies 1, 5 en 6 voor OVC bedoeld zijn. Als de politie meer functies aanzet naar aanleiding van een bevel OVC, is dat onrechtmatig. Het hulpmiddel [keylogger] omvat een keylogger, het neemt muisklikken op en maakt screenshots. Meer kan dit hulpmiddel niet. Het is geen Remote Acces Trojan (RAT). Je kunt via dit hulpmiddel niet van buitenaf in de computer inbreken. Ik heb in een eerder rapport al aangegeven dat dit hulpmiddel op locatie geïnstalleerd, bediend en verwijderd moet worden. Het hulpmiddel is niet een hulpmiddel waarvoor het Besluit in een keuring achteraf voorziet. Het middel wordt niet aangepast bij installatie. Het is een vaststaand softwarepakket. Bij installatie moet worden aangevinkt welke programma’s wel en niet worden opgenomen. De keuring zelf is een kwestie van proefondervindelijk werken. Je geeft een bepaalde input en vergelijkt het resultaat daarmee. Je gaat allerlei variabelen veranderen en kijkt of een middel dan nog steeds goed werkt. Ik denk dat ik alles bij elkaar twee volle maanden ben bezig geweest met de keuring van dit middel. Het was steeds een kwestie van duwen, voelen, trekken, installeren, kijken wat voor gevolgen er optraden, eraf halen en nog eens installeren, alles wat je kunt bedenken. Ik heb steeds het eindresultaat vergeleken met de input en ik heb geen onvolkomenheden ontdekt. Bij het verzenden van de resultaten van het technisch hulpmiddel is sprake van een beveiligde verbinding. De resultaten worden versleuteld verzonden en volgens de Keuringsdienst is het daarmee veilig genoeg. Als iemand beweert dat de gegevens zijn gemanipuleerd kan dit onmiddellijk worden gecontroleerd door opnieuw de elektronische handtekening te berekenen. Als er ook maar één bit is veranderd, is de elektronische handtekening niet meer gelijk. Er kunnen wel afwijkingen zijn tussen de screenshots en de geregistreerde toetsaanslagen en muisaanslagen. Als een computer heel druk bezig is kan het zijn dat hij af en toe een letter laat vallen. Soms verwerkt de computer een toetsaanslag of muisklik niet. Het is echter uitgesloten dat de computer een toetsaanslag of muisklik erbij verzint. Afhankelijk van de drukte met de processorcapaciteit kan het hulpmiddel incidenteel iets missen, maar het zal nooit iets registreren dat niet is gebeurd. [Geconfronteerd met de gang van zaken in deze zaak, waaronder het aanvankelijk niet verzenden van resultaten door de keylogger, het constateren dat resultaten nog op de computer aanwezig waren en, later, het niet meer op de desktop aanwezig zijn van de keylogger, antwoordt [teamleider] :] Ik weet niet wat hier precies is gebeurd. Het is wel zo dat bij dit hulpmiddel de functie ‘informatie verzenden’ apart moet worden aangevinkt. Misschien is dat niet gebeurd. Misschien is het hulpmiddel tussentijds verwijderd. Het hulpmiddel werkt zo, dat opgenomen informatie op de computer wordt opgeslagen totdat die wordt verzonden. Zodra de informatie is verzonden, is die niet meer op de computer aanwezig. De gang van zaken zoals door u beschreven zegt niets over de integriteit van de opnames die zijn gemaakt.16

Voor de beoordeling relevant juridisch kader

Het meergenoemde, hier toepasselijke Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524) voorziet in artikel 18 in de mogelijkheid van de inzet van een gekeurd technisch hulpmiddel en behelst in hoofdstuk 5 bepalingen met betrekking tot de keuring. In artikel 19 is daarnaast voorzien in de mogelijkheid van de inzet van een ander – niet voorafgaand aan de inzet gekeurd – technisch hulpmiddel, waarover na afloop van de inzet een keuringsrapport moet worden vastgesteld. De Nota van toelichting bij dit Besluit houdt onder meer in:

“1. Algemeen (…)

Dit besluit vervangt het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden.

1.1.

Aanleiding

De aanleiding voor dit besluit is tweeërlei. In de eerste plaats zijn in de eindevaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden knelpunten gesignaleerd bij de uitvoering van het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken II 2004/05, 29940, nr. 1). (…) In de evaluatie werden als belangrijkste knelpunten bij de uitoefening van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden genoemd: de langdurige certificeringprocedure, de te strenge technische eisen die aan de apparatuur worden gesteld (…). In de evaluatie werd geconstateerd dat deze knelpunten afbreuk doen aan de doelmatigheid en de slagvaardigheid van de opsporing. In het licht van de evaluatie is het wenselijk de procedures die bovenmatig omslachtig en ingewikkeld zijn en daarmee hun doel voorbij schieten, aanzienlijk te vereenvoudigen en ook overigens te herzien. Daartoe dient dit nieuwe besluit dat een meer efficiënte en slagvaardige opsporing mogelijk maakt, terwijl het uitgangspunt van transparantie en controle niet wordt aangetast. (…)

1.2.

Reikwijdte

Dit besluit ziet alleen op technische hulpmiddelen die gegevens registreren. Dergelijke technische hulpmiddelen leveren immers (beeld- of geluids)materiaal op, waarvan de rechter en de verdediging kennis kunnen nemen en dat als bewijs kan dienen. De betrouwbaarheid van de door deze middelen vastgelegde waarnemingen dient onomstotelijk vast te staan. Dit betekent dat het besluit ziet op alle technische hulpmiddelen die worden ingezet ter uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (126l en 126s Sv). (…)

1.3.

Uitgangspunten en systematiek

Het besluit is gebaseerd op het uitgangspunt dat de gegevens die in het kader van de bijzondere opsporingsbevoegdheden met een technisch hulpmiddel worden vastgelegd, betrouwbaar, voor derden toetsbaar en niet manipuleerbaar dienen te zijn. Ook in de gevallen waar de inzet van een technisch hulpmiddel de directe waarneming van de opsporingsambtenaar geheel vervangt, dient de authenticiteit van het bewijsmateriaal boven alle twijfel te zijn verheven. De technische en procedurele eisen die het besluit stelt aan de inzet van technische hulpmiddelen dienen als waarborg voor de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen, die artikel 126ee van het Wetboek van Strafvordering vereist. De authenticiteit van de vastgelegde waarnemingen wordt allereerst gewaarborgd door de technische eisen die aan de technische hulpmiddelen worden gesteld. (…) Ter controle op de naleving van deze technische eisen stelt het besluit de eis dat slechts gekeurde technische hulpmiddelen mogen worden ingezet bij de uitoefening van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daartoe is de keuringsdienst van het Korps landelijke politiediensten belast met de keuring van technische hulpmiddelen en componenten. Om de kwaliteit en consistentie van de keuring te waarborgen dient de keuringsdienst een keuringsprotocol vast te leggen voor de keuring van de verschillende technische hulpmiddelen en componenten. Van de keuring wordt een rapport opgemaakt waarin wordt beschreven in hoeverre het technische hulpmiddel of de component voldoet aan de algemene en aanvullende technische eisen die het besluit stelt. Bij de keuring wordt aan het technische hulpmiddel of de component een uniek keuringsnummer toegekend. In het proces-verbaal van de inzet kan worden verwezen naar het keuringsnummer, waardoor de samenstelling van het technische hulpmiddel – ter bescherming van de tactische belangen van de opsporingsdiensten – kan worden afgeschermd. De betrouwbaarheid van het middel en de vastgelegde waarnemingen blijft echter buiten twijfel nu de rechter indien noodzakelijk de volledige gegevens kan opvragen. (…) Voorafgaand en na afloop aan de daadwerkelijke inzet controleert de opsporingsambtenaar of het technische hulpmiddel aan de gestelde eisen voldoet en correct functioneert. Indien onregelmatigheden worden geconstateerd wordt een proces-verbaal opgemaakt en naar de officier van justitie gezonden. De officier en de rechter kunnen op grond van het proces-verbaal beoordelen in hoeverre de geconstateerde onregelmatigheden afbreuk doen aan de authenticiteit en bewijskracht van de vastgelegde waarnemingen. (…)

1.4.

Wijzigingen

Naar aanleiding van de eindevaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is een aantal procedures in het besluit vereenvoudigd in vergelijking met het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden. Allereerst is de doorlooptijd van de keuringsprocedure door een tweetal wijzigingen sterk gereduceerd. De afgifte van een ministeriële verklaring van goedkeuring leidde tot een lange doorlooptijd van de keuringsprocedure. Nu in de praktijk er nooit reden is geweest om een goedkeuring te weigeren, geldt niet langer de eis dat de Minister van Justitie een verklaring van goedkeuring verleent. Door een functionaris van het Korps landelijke politiediensten voortaan te belasten met de vaststelling van een keuringsrapport wordt de doorlooptijd van de keuringsprocedure sterk verkort. (…)

2. Artikelen

Artikel 1. Definities

Onderdelen a, b en c

Onder een technisch hulpmiddel worden alleen de technische hulpmiddelen in de zin van artikel 126ee van het Wetboek van Strafvordering verstaan. Het betreft technische hulpmiddelen die worden ingezet ten behoeve van stelselmatige observatie met een technisch hulpmiddel, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie zonder medewerking van de betrokken aanbieder. Het besluit is gericht op technische hulpmiddelen die signalen registreren en op een gegevensdrager vastleggen. (…)

Zoals uit dit voorbeeld blijkt, beperkt het besluit zich niet tot de technische hulpmiddelen die beeldsignalen of geluidssignalen registreren. Er zijn ook andere soorten signalen denkbaar. In het kader van het opnemen van vertrouwelijke communicatie kan het signaal bijvoorbeeld bestaan uit de aanslag van een toets op het toetsenbord van een computer. (…)

Artikel 8. Controle technische hulpmiddelen

Teneinde te waarborgen dat het technische hulpmiddel voldoet aan de technische eisen ten aanzien van de integriteit en authenticiteit, moet voorafgaand aan en na afloop van de daadwerkelijke inzet een controle worden uitgevoerd. Dit betekent dat de ambtenaar die het technische hulpmiddel inzet, controleert of de datum en tijd correct zijn ingesteld en of het technische hulpmiddel geen defecten vertoont. (…) Voorafgaand aan en na afloop van de inzet wordt tevens gecontroleerd of het technische hulpmiddel voldoet aan de technische eisen die het besluit in de artikelen 10 tot en met 14 stelt. (…) Indien na beëindiging van de inzet geen veranderingen aan de apparatuur zijn geconstateerd, mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat het middel ook gedurende de inzet goed heeft gefunctioneerd. Indien er wel een technische afwijking, defect of verandering in de beveiliging of een andere onregelmatigheid wordt geconstateerd, dient de opsporingsambtenaar een proces-verbaal op te maken. Aangezien het niet correct functioneren van het technische hulpmiddel mogelijkerwijs gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, dient het proces-verbaal aan de officier van justitie te worden gezonden. (…)

Artikel 11. Gericht opnemen telecommunicatie (…)

Zonodig zullen er door een wijziging van het onderhavige besluit afwijkende of aanvullende eisen moeten worden gesteld indien de technologische (on)mogelijkheden van deze technische hulpmiddelen daartoe aanleiding geven. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat bij de opsporing gebruik moet kunnen worden gemaakt van nieuwe technologieën, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen die dit besluit beoogt te beschermen. (…)

Artikel 19. Inzet zonder keuringsrapport (…)

Bij technische hulpmiddelen die zich naar hun aard niet lenen voor keuring vooraf kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van softwareprogrammatuur als onderdeel van een technisch hulpmiddel. Deze softwareprogrammatuur dient in veel gevallen speciaal op maat te worden gemaakt voor de inzet in een specifiek geval. Bij de inzet van software zal het veelal noodzakelijk zijn om bij of tijdens de inzet aanpassingen te maken aan het technische hulpmiddel om het correct te kunnen laten functioneren. Een keuringsprocedure van het technische hulpmiddel als geheel, voorafgaand aan de inzet, zal in deze gevallen praktisch onmogelijk zijn en een effectieve inzet van dit technische hulpmiddel belemmeren. Zo mogelijk dienen de onderdelen van het technische hulpmiddel die zich wel lenen voor keuring vooraf, te worden gekeurd door de keuringsdienst”.

Na de inwerkingtreding van dit Besluit op 1 januari 2007 is het tot op heden niet gewijzigd op voor de beoordeling in de onderhavige zaak relevante punten. Wel is op 26 mei 2008 het door de Keuringsdienst gehanteerde ‘Keuringsprotocol t.b.v. Besluit Technische Hulpmiddelen Sv, Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), versie 2.0’ in gebruik genomen. Het bijbehorende revisieblad vermeldt in verband daarmee het volgende:

“Toegevoegd de keuring van “Software applicaties”. Deze versie betreft tekstuele wijzigingen ter verduidelijking. Deze hebben geen invloed op het keuringsresultaat. Technische hulpmiddelen welke zijn gekeurd onder Keuringsprotocol V1.0 zullen ook voldoen onder het Keuringsprotocol V2.0”.

Het al eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4650) is gewezen in een zaak waarin nog het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden van toepassing was. De Hoge Raad wees er in die zaak op dat dit Besluit blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe strekte waarborgen te creëren voor de betrouwbaarheid en herleidbaarheid van de gegevens die met de desbetreffende apparatuur zijn verkregen. Ook wees de Hoge Raad erop dat daartoe in dat besluit technische eisen zijn gesteld en is voorzien in een keuring, een door de Keuringsdienst op te maken keuringsrapport en een op basis daarvan door de Minister af te geven verklaring van goedkeuring. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat de rechter in die zaak, omdat voor de gebruikte apparatuur een verklaring van goedkeuring was afgegeven door de Minister op basis van een door de Keuringsdienst opgemaakt keuringsrapport, ervan uit had moeten gaan dat die apparatuur aan de wettelijke eisen voldeed. Wel kan de rechter toetsen of van die apparatuur een normaal gebruik is gemaakt, aldus de Hoge Raad.

Beoordeling door het hof

Naar het oordeel van het hof leent het voormelde door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader zich ook voor toepassing op de inzet van technische hulpmiddelen onder het nu geldende Besluit, nu dat geen voor de beoordeling wezenlijke wijzigingen heeft gebracht in de aard en strekking van de procedure van de keuring en de daarbij gestelde eisen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat ook het nu geldende Besluit blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe strekt waarborgen te creëren voor de betrouwbaarheid en herleidbaarheid van de gegevens die met technische hulpmiddelen zijn verkregen en dat ook onder het nu geldende Besluit technische eisen zijn gesteld en is voorzien in een keuring, een door de Keuringsdienst op te maken keuringsrapport en een op basis daarvan (door deze dienst) af te geven verklaring van goedkeuring. Dit brengt mee dat het hof, nu voor de ingezette keylogger door de Keuringsdienst voorafgaand aan de inzet daarvan een goedkeurende verklaring is afgegeven, ervan uit gaat dat deze keylogger aan de wettelijke eisen voldeed. Aanwijzingen die op het tegendeel wijzen, zijn geenszins aannemelijk geworden. De omstandigheid dat het in dit geval gaat om een geheel uit software bestaand technisch hulpmiddel, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De tekst van het Besluit noch de inhoud van de Nota van toelichting dwingt tot de conclusie dat softwarematige technische hulpmiddelen zich per definitie niet lenen voor keuring voorafgaand aan de inzet. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de Nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat oog bestond voor de mogelijkheid dat toekomstige technische ontwikkelingen zouden kunnen nopen tot aanpassing van het Besluit, en dat uitgangspunt moest zijn dat bij de opsporing gebruik moet kunnen worden gemaakt van nieuwe technologieën, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen die het Besluit beoogt te beschermen. Klaarblijkelijk is sinds de inwerkingtreding van het Besluit in de ontwikkelingen in de mogelijkheden die software biedt, geen aanleiding gezien tot aanpassing van het Besluit. Volstaan is met enige tekstuele aanpassingen in het Keuringsprotocol.

Het hof volgt de verdediging evenmin waar zij heeft betoogd dat sprake is van een technisch hulpmiddel waaraan na plaatsing op een computer zodanige aanpassingen moeten worden gedaan, dat een keuring voorafgaand aan de inzet niet mogelijk was. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, doet het hof niet twijfelen aan de juistheid van de conclusie van [teamleider] dat het niet gaat om een hulpmiddel waarvoor het Besluit in een keuring achteraf voorziet. Die conclusie neemt het hof over. De ingezette keylogger betreft een vaststaand softwarepakket, dat niet wordt aangepast bij plaatsing. De omstandigheid dat na plaatsing moest worden aangevinkt welke programma’s werden opgenomen, of resultaten moesten worden verzonden en met welke tijdsinterval screenshots werden gemaakt, brengt niet mee dat dit technisch hulpmiddel zich niet zou lenen voor keuring voorafgaand aan de inzet daarvan. De aard en werking van de keylogger zijn door het aanvinken van deze instellingen niet veranderd op een wijze die niet in de keuring vooraf kon worden betrokken.

Het feit dat de keylogger aanvankelijk geen resultaten verzond, beschouwt het hof niet als een valide argument om de stelling te schragen dat na plaatsing aanpassingen aan het technisch hulpmiddel nodig waren, die meebrengen dat het zich niet leende voor keuring voorafgaand aan de inzet. Dit geldt evenzeer voor het betoog dat de keylogger programma’s kon opnemen die niet onder vertrouwelijke communicatie vallen. Het feit dat een technisch hulpmiddel ook een dergelijke mogelijkheid biedt, behoeft op zichzelf niet in de weg te staan aan (de toereikendheid van) voorafgaande goedkeuring. Wel kan dit een rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik dat van een dergelijk technisch hulpmiddel is gemaakt.

Met haar stelling dat het Besluit in de weg staat aan het gebruik van technische hulpmiddelen waarvan de broncode niet bekend is bij de autoriteiten, stelt de verdediging een eis die het recht niet kent. Het hof verwerpt dus het verweer onder a. dat de keylogger onrechtmatig is ingezet.

Dit laat de toetsing onverlet of van de keylogger een normaal gebruik is gemaakt, waaronder het hof mede verstaat de vraag of bij de inzet aan de bruikbaarheid van de resultaten van de keylogger in de weg staande onregelmatigheden zijn opgetreden. In dat kader zal het hof ingaan op het verweer onder b.

In weerwil van het betoog van de verdediging met de daarin genoemde zes punten, geldt naar het oordeel van het hof voor elk van die punten dat zij op zichzelf noch in onderlinge samenhang beschouwd kunnen leiden tot de conclusie dat de resultaten van de keylogger wegens twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de omstandigheid dat de resultaten van de keylogger in ruime mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Puntsgewijs wordt nog het volgende opgemerkt.

Ad 1. Een groot deel van de teksten op de door de keylogger vastgelegde schermafbeeldingen is te herleiden tot door de keylogger vastgelegde toetsaanslagen. Naar aard en inhoud gaat het om een beperkt aantal discrepanties. De dienaangaande opgemaakte aanvullende processen-verbaal bieden voor een deel van deze discrepanties een verklaring. De resterende onverklaarde discrepanties zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard of omvang dat aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het technisch hulpmiddel moet worden getwijfeld. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op de verklaring van [teamleider] dat niet is uitgesloten dat het technisch hulpmiddel incidenteel iets mist, maar dat het nooit iets zal registreren wat niet is gebeurd. In dit verband merkt het hof nog op dat de verdediging de betrouwbaarheid van de door de keylogger geregistreerde schermafbeeldingen op zichzelf niet anders heeft betwist dan door te wijzen op discrepanties met de geregistreerde toetsaanslagen en de mededeling van de verdachte dat hij nooit sites bezocht die op de schermafbeeldingen zijn vastgelegd. Daardoor twijfelt het hof echter niet aan de betrouwbaarheid daarvan. De door de verdediging betrokken stelling dat inzage in alle resultaten van de keylogger nog meer discrepanties zou (kunnen) aantonen, maakt dat oordeel niet anders.

In het licht van hetgeen [teamleider] heeft verklaard over de werking van de keylogger, beschouwt het hof het niet-aantreffen van resultaten van de keylogger op de gegevensdragers in de woning van de verdachte, nadat de keylogger vanaf 3 januari 2014 naar behoren functioneerde, noch als een onregelmatigheid noch als een bevestiging dat deze resultaten niet zouden zijn gegenereerd gedurende handelingen op computers in de woning van de verdachte.

Ad 2., 3. en 4. Het hof acht op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat de gebruiker van de desktopcomputer in de woning van de verdachte op 6 januari 2014 handelingen heeft verricht die erop gericht waren eventueel daarop aanwezige ongewenste software, zoals de keylogger, te verwijderen, en dat op die dag de keylogger is verwijderd van de plaats op de harde schijf van de desktopcomputer waar deze door de politie geplaatst was. Het hof acht geenszins uitgesloten dat de gebruiker van de desktopcomputer er eerst zelf in is geslaagd de keylogger uit te schakelen, waarna (onderdelen van) de keylogger met behulp van een antivirusprogramma zijn verwijderd van voormelde plaats op de harde schijf. De verdachte, die heeft verklaard de eigenaar te zijn van de desbetreffende desktopcomputer en in wiens woning deze computer stond, heeft geen verklaring afgelegd die in een andere richting wijst, hoewel dat op zijn weg zou hebben gelegen. De onder 2. en 4. door de verdediging aangeroerde punten vinden in deze door het hof aannemelijk geachte gang van zaken een verklaring. Daargelaten wat er verder zij van het onder 3. genoemde punt, doet dat het hof niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van de keylogger.

Ad 5. Tegen de achtergrond van het vorenstaande ontbreken solide aanwijzingen voor de veronderstelling dat de keylogger zelfstandig zou interfereren met het al dan niet functioneren van de VPN-verbinding.

Ad 6. De omstandigheid dat op de door de keylogger vastgelegde schermafbeeldingen in een aantal gevallen (de verdediging heeft twee voorbeelden genoemd) niet alleen de op dat moment gebruikte programma’s waarmee vertrouwelijk kon worden gecommuniceerd zijn vastgelegd, maar tevens de op het moment van vastleggen openstaande, niet op vertrouwelijke communicatie betrekking hebbende programma’s, beschouwt het hof als een onvermijdelijke bijkomstigheid van het vastleggen van schermafbeeldingen. Dit rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat de keylogger niet op een normale manier is gebruikt of dat van een onregelmatigheid sprake is. Naar het oordeel van het hof biedt artikel 126l Sv een toereikende grondslag voor deze (toevallige) bijvangst. Het hof merkt daarbij op dat deze bepaling ook toestaat dat heimelijk een woning wordt betreden. Ook daarbij zullen in het algemeen waarnemingen worden gedaan door opsporingsambtenaren die buiten het begrip vertrouwelijke communicatie vallen.

10 Onregelmatigheden in het vooronderzoek

De verdediging heeft zich beklaagd over onregelmatigheden – door de verdachte zelf onrechtmatigheden genoemd – in het vooronderzoek. Daarnaast heeft de verdediging in het bijzonder geklaagd over een onregelmatigheid in het vooronderzoek in het Verenigd Koninkrijk. Hoewel aan de gestelde onregelmatigheden een verzoek tot strafvermindering (en niet bewijsuitsluiting) is gekoppeld, hangen die vermeende onregelmatigheden zo nauw samen met andere gevoerde verweren over artikel 6 EVRM, het bewijs en het gepresenteerde alternatieve scenario, dat het hof de bespreking van de verweren reeds hier opneemt.

De verdediging heeft de volgende onregelmatigheden geconstateerd:

  1. het eerder genoemde niet verkrijgen van veel gegevens ter staving van de stellingen van de verdediging;

  2. het ontbreken van voor de verdachte belangrijke OVC-opnamen en ruis in de OVC-opnamen;

  3. foute vertalingen en interpretaties van zogenaamde monologen (gesprekken in de woning);

  4. e niet-toevallige aanhouding op 20 december (het hof begrijpt: 2013) om vervolgens een keylogger en microfoon te kunnen installeren;

  5. de verhoren in het [onderzoek] -onderzoek aanwezigheid van een Disclosure-verbalisant; de onderzoeken [onderzoek] en Disclosure die door elkaar liepen;

  6. het binnentreden in de woning die door de verdachte werd gebruikt op 23 december 2013 en 7 januari 2014;

  7. tientallen incorrecte processen-verbaal waarin structureel vormverzuim werd bevestigd;

  8. de reeks aan BOB-bevoegdheden (observaties, etc.) die tegen de verdachte zijn ingezet.

Daarnaast heeft de verdediging onder het kopje “Onregelmatigheid vooronderzoek VK” de vraag opgeworpen of het verzoek van de Britse undercoveragent aan de verdachte een kinderpornografische afbeelding van D15 toe te sturen geen uitlokking oplevert. Verder heeft de verdediging het vermoeden geuit dat sprake is van onregelmatigheden in het vooronderzoek doordat het er alle schijn van heeft dat de Nederlandse en de Britse autoriteiten hebben samengewerkt, terwijl daarvan in het dossier op geen enkele wijze blijkt, wellicht omdat het Nederlandse Wetboek van Strafvordering niet voorziet in het infiltreren van een account op sociale media. Tevens is op basis van gestelde discrepanties tussen de resultaten van het Nederlandse en het Britse onderzoek naar de inhoud van de onder de verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers, het vermoeden geuit dat in het Nederlandse onderzoek veel fouten zijn gemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

De onder a) genoemde onregelmatigheid is in dit onderdeel van het pleidooi niet nader uitgewerkt, maar maakt wel deel uit van het betoog van de verdediging over artikel 6 EVRM. Het hof heeft dit onderdeel bij de bespreking van laatstgenoemd betoog in zijn beschouwingen betrokken.

De onder d) tot en met h) genoemde onregelmatigheden zijn niet nader onderbouwd. Het hof acht zich dan ook niet genoodzaakt hier nader op in te gaan en volstaat met de overweging dat hetgeen is aangevoerd grotendeels feitelijke grondslag mist en voor het overige niet valt in te zien in afwijking van welke regels zou zijn gehandeld.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over het optreden van de Britse autoriteiten berust louter op speculaties en vermoedens, zodat dat geen verdere bespreking behoeft.

Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover is beoogd strafvermindering te bepleiten op de voet van artikel 359a Sv, niet is voldaan aan de eisen die aan een dergelijk verweer gesteld moeten worden.

De verdediging heeft de onder b) en c) genoemde onregelmatigheden als volgt onderbouwd, daarbij voor een deel teruggrijpend op hetgeen bij de verzoeken om inzage en nader onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2018 is aangevoerd.

In totaal is tussen 23 december 2013 en 13 januari 2014 door middel van OVC-apparatuur ongeveer 500 uur aan materiaal opgenomen. Daarvan bestaat 49 uur uit ruis of statisch geluid. Die ruis camoufleert bezoeken aan de woning van andere personen, onder wie een kennis van [M] , en telefoongesprekken met [M] en partners.

De meest cruciale gesprekken heeft de verdachte gevoerd in het tijdsbestek vlak voor zijn aanhouding op 13 januari 2014 rond 22.00 uur, maar daarvan zijn geen opnamen want de OVC-apparatuur is om 18.44 uur gestopt met opnemen. Als in dat tijdsbestek wel opnamen waren gemaakt, dan had de verdachte kunnen staven dat de versleutelde gegevensdrager al sinds 24 december 2013 in de stereotoren (in de woning van de verdachte) lag en dat hij daarom niet de gebruiker kon zijn van het Skype-account door middel waarvan de Britse politie twee minuten vóór de aanhouding van de verdachte contact met hem zou hebben gehad. Ook door het ontbreken van OVC-opnamen tussen 28 december (hof: 2013) om 12.34 uur en 29 december (hof: 2013) om 08.41 uur, is ontlastend materiaal (opnamen van bezoeken van anderen en gesprekken) niet voorhanden.

Anders dan de politie wil doen geloven, is voormelde ruis niet veroorzaakt door een elektronisch apparaat in de woning van de verdachte. Die ruis is evenmin het gevolg van een stroomstoring of onderhoudswerkzaamheden door justitie (waardoor de opnamefunctie zou zijn uitgeschakeld).

Doordat ontlastende omstandigheden niet zijn vastgelegd, kunnen de wel opgenomen gesprekken uit hun context worden gehaald. Daar komt bij dat delen van de wel opgenomen OVC-gesprekken onjuist zijn geverbaliseerd of vertaald.

Dit alles heeft bij de verdachte bijgedragen aan het gevoel dat zaken zijn verhuld en dat de opnamen en de uitwerkingen daarvan niet bruikbaar zijn, waarmee zijn wantrouwen jegens politie en justitie is toegenomen.

Het hof heeft een deel van hetgeen de verdediging over de onregelmatigheden onder b) en c) heeft aangevoerd, in zijn overwegingen hierna over het gepresenteerde alternatieve scenario betrokken, zodat dit hier verder buiten beschouwing kan blijven.

Daarnaast constateert het hof dat op een gedeelte van de OVC-opnamen slechts ruis te horen is, dat tussen 28 december 2013 om 12.34 uur en 29 december 2013 om 08.41 uur geen OVC-opnamen zijn gemaakt en dat hetzelfde geldt voor de laatste uren vóór de aanhouding van de verdachte rond 22.00 uur op 13 januari 2014. De oorzaak van een en ander is, na door het hof op verzoek van de verdediging gelast nader onderzoek waarin mogelijke verklaringen zijn geopperd,17 niet met 100% zekerheid vast te stellen. Daar zullen hof en verdediging mee moeten leven. Manipulatie of anderszins kwalijk optreden van politie of justitie op dit is punt is echter geenszins aannemelijk geworden. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van onregelmatigheden, hoogstens van enige resterende onzekerheid over de verklaring voor de (opgenomen) ruis en het ontbreken van opnamen op 28 en 29 december 2013.

11 Alternatief scenario: ‘ [M] zat achter de computer(s)’

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs een alternatief scenario aangedragen en in dat verband het volgende aangevoerd.

De verdachte is niet de oorspronkelijke eigenaar van de gegevensdragers die in zijn woning zijn aangetroffen en hij is niet degene geweest die het toetsenbord bediende ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. Twee harde schijven (met beslagnummer OIO13.04.01.002 resp. OIO13.04.01.005 ) zijn namelijk van [M] , evenals de laptop en de versleutelde gegevensdrager. [M] had de verdachte verzocht de harde schijven te repareren en/of te verwisselen. Dat deed de verdachte ook voor anderen. De verdachte heeft de schuld op zich genomen voor door [M] gepleegde feiten. [M] is ook degene geweest die anderen heeft opgelicht.

Dit alternatieve scenario vindt op diverse manieren steun in het dossier:

1. De harde schijven van [M] zijn gevonden in een (verhuis)doos, dus niet aangekoppeld aan een computer; één harde schijf was zelfs kapot.

2. Een jeugdvriend van de verdachte heeft bevestigd dat de verdachte computers voor anderen repareerde.

3. De verdachte had geen toegang tot de hem belastende bestanden omdat deze zich sinds september 2012 – toen [M] hem verzocht zijn harde schrijven te repareren/verwisselen – op unallocated clusters bevonden en deze alleen met forensische methoden konden worden achterhaald. Dit klemt temeer nu informatie op die unallocated clusters in 2013 is gebruikt om een aantal D’s af te persen. Dat kon alleen degene doen die toegang had tot die informatie en dat was niet de verdachte.

4. De op de twee genoemde harde schijven van [M] aangetroffen bestandspaden verwijzen naar applicaties (bijvoorbeeld KMplayer) en foldernamen van wifinetwerken (zoals [Ziggo] ) die op geen enkele wijze aan de verdachte als gebruiker zijn te koppelen. Er is dan ook objectief gezien een duidelijke “disconnectie” tussen die twee harde schijven met belastende bestanden en alle andere gegevensdragers en computers in de woning van de verdachte.

5. Op de twee harde schijven van [M] zijn geen personalia van de verdachte aangetroffen, terwijl opsporingsdiensten in diverse landen daarnaar hebben gezocht en extensief forensisch onderzoek is gedaan.

Voorts heeft de verdachte – zoals is te horen op OVC-opnamen – in telefoongesprekken met anderen (onder wie een partner van [M] en een jeugdvriend van de verdachte) gesproken over de door [M] gepleegde oplichtingen en de Western Union-transacties, waarbij de verdachte het geld ophaalde. De 49 uur aan OVC-opnamen die achteraf slechts uit ruis bleken te bestaan, hadden de verdachte nog verder kunnen vrijpleiten omdat hij in die 49 uur gesprekken heeft gevoerd met [M] en zijn kennissen. Daar komt bij dat de verdachte aan zijn toenmalige raadsman in een brief (het hof begrijpt: van 4 februari 2014) heeft geschreven over bezoeken door kennissen van [M] en telefoongesprekken met [M] waarin zij hebben besproken dat [M] zijn laptop, gegevensdragers, telefoon e.d. moest komen ophalen. Ook is van belang dat OVC-opnamen van gesprekken van de verdachte verkeerd zijn weergegeven of vertaald.

De omstandigheid dat [M] niet is geïdentificeerd, zoals de rechtbank in haar verwerping van het alternatieve scenario heeft overwogen, kan niet aan de verdachte worden tegengeworpen. Politie en openbaar ministerie hadden onderzoek moeten verrichten om [M] te vinden. Onderzoek op internet toont al aan dat aan de naam [M] concrete personen zijn te verbinden, maar daar is geen nader onderzoek naar gedaan. [M] leeft zo anoniem mogelijk vanwege zijn criminele activiteiten; daarom is de kans aanwezig dat [M] een alias is. De verdachte weet wel dat [M] sinds 13 januari 2014 in Turkije verblijft. Dat wijst er volgens de verdachte op dat [M] iets te verbergen heeft. [M] heeft wel in 2014 contact opgenomen met de toenmalige raadsman van de verdachte om inlichtingen te verstrekken en om de verdachte eraan te herinneren dat hij, [M] , een zware jongen is met een “lange arm” die gemakkelijk de familie en vrienden van de verdachte kan bereiken.

Evenmin kan aan de verdachte worden tegengeworpen dat de verdediging het alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, nu de verdediging de toegang tot de forensische kopieën van alle gegevensdragers – waarmee de aannemelijkheid van het alternatieve scenario verder was te onderbouwen – is onthouden.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding op 20 december 2013 diverse verklaringen over [M] afgelegd, die het volgende inhouden.

De verklaring van de verdachte van 21 december 2013: 18

Ik heb in 2010 of 2011 een bedrag geleend van 6.000 euro bij een loan shark. Zijn naam is [M] en hij heeft een zilvergrijze Mercedes. Toen mijn termijn van terugbetalen bijna om was, heb ik tegen [M] gezegd dat ik maar 1.500 euro kon terugbetalen. Ik zou [M] 8.000 euro moeten betalen (6.000 plus 2.000 rente) binnen vier maanden. Omdat ik niet kon betalen, kwam [M] met een idee. Ik zou mij voordoen als verhuurder van een woning en zou dan die woning verhuren. [M] had een kopie van mijn paspoort gemaakt maar dan met een vervalste naam erop. Ik had de eigenaar van de woning via Marktplaats gevonden. [M] had mij geadviseerd op Marktplaats naar een woning te zoeken.

De verklaring van de verdachte van 23 december 2013 (afgelegd buiten het kader van een verhoor): 19

De advertenties en het emailverkeer (in het kader van de oplichting van potentiële woninghuurders) zijn geregeld door [M] . [M] deed namelijk het “virtuele” gedeelte van de oplichting en de verdachte deed de afspraken en de bezichtigingen. De volledige naam van [M] is [M] en hij moet ergens in [plaats 1] wonen. [M] is ongeveer 32 jaar, hij heeft een gezet postuur en altijd gel in het haar. Hij hoort bij de Grijze Wolven en is een zware jongen. Daarom wil de verdachte eigenlijk niet over hem verklaren; hij is bang voor eventuele gevolgen. Het geld dat afkomstig is van de oplichtingen heeft de verdachte aan [M] afgedragen.

De verklaring van de verdachte van 14 januari 2014: 20

Ik probeer zo anoniem mogelijk te leven, mensen hoeven mij niet te kennen, anoniem is het beste leven. In 2010 kreeg ik financiële problemen, sindsdien wil ik anoniem blijven, ik kwam in contact met de Grijze Wolven, ik had 6.000 van ze geleend, ik moest 8.000 euro terugbetalen. Dat is de Turkse maffia, die breken je botten en zo. Sindsdien ben ik anoniem. Ze werken overal, bij de politie, kadaster alles, daarom sta ik nergens ingeschreven. Ik was ze geld schuldig. Ik wist eerst niet dat het een Grijze Wolf was, je leent een bepaald bedrag, je moet je paspoort geven, dan moet je binnen zoveel tijd met 20% rente terug betalen. Als ze me vinden loopt het niet goed af met mij, ik heb niet kunnen afbetalen. Het is bekend dat hij mensen half dood heeft laten slaan door Polen of zo.

Het was eerst 1.700 euro. [M] heeft mij gedwongen mensen op te lichten door hun een woning te verhuren. Het geld, zo’n 6.000 euro, heb ik aan [M] gegeven en toen was ik weg. Het waren onschuldige gasten die die woning huurden. Ik dacht na 6.000: ik ben nu weg. Ik ging toen terug naar een plek waarvan ik wist dat de Grijze Wolven niks te zeggen hadden, dat ik gewoon zwart werk kon doen waar ik van kon leven. Ik nam die beslissing begin 2011.

Een brief van de verdachte aan de rechter-commissaris van 17 april 2015:

Ik heb de schuld (voor de oplichtingen) op me genomen, anders kreeg ik nog grotere problemen met [M] . [M] heeft alles gedaan (advertenties, emails, telefoonnummers, contracten, documenten, het geld). Toen ik vrijkwam (het hof begrijpt: op 23 december 2013) heb ik [M] gebeld. Hij zou mij alle schuld voor de slachtoffers (6.600 euro) betalen plus 1.000 euro voor elke dag dat ik had vastgezeten. Ik zou ook mijn paspoort terugkrijgen; hij had mijn paspoort in verband met mijn schuld.

De verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 23 april 2015:

[M] kwam langs en heeft emailaccounts, telefoonnummers en een ID gebruikt die aan mij worden toegerekend maar in wezen van hem waren. Ik heb de schuld op mij genomen omdat ik anders grote problemen zou krijgen via hem. U vraagt mij de hele gang van zaken met betrekking tot die oplichtingen chronologisch weer te geven vanaf het moment dat ik erbij betrokken raakte. Dat wil ik niet. [M] is geen lichte jongen en ik ben bang dat hij mijn familie in de problemen brengt. Ik zal op een later moment nader verklaren.

Van [M] had ik thuis één of twee harde schijven liggen, los van de versleutelde harde schijf.

Ik had van [M] een Motorola-telefoon gekregen voor een één-op-één-contact.

In de gehele periode vanaf 2011 tot mijn aanhouding kwam [M] af en toe bij mij. Gedurende mijn eerste verblijf aan [straat 3] is hij een week in mijn bungalow geweest, terwijl ik er niet was. Tijdens de oplichtingszaak in [plaats 1] verstuurde hij bij mij thuis emails in het kader van die oplichting vanuit zijn laptop, die bij mij is aangetroffen. De slachtoffers waren mensen die werkten voor wietkwekers. Hun identiteit werd gebruikt om de woningen te huren. Ze mochten op één etage gratis wonen. Op de andere etage zou dan de wietkwekerij worden ingericht. De wietkwekers hadden geld geleend bij [M] en wilden dat niet teruggeven. [M] wilde ze op deze manier terugpakken en geld van ze afpakken. Ik heb € 10.000 van [M] gekregen om de slachtoffers van de oplichtingszaak te compenseren; verder was het schadevergoeding voor de dagen dat ik had vastgezeten.

De verdachte heeft met betrekking tot de persoon van [M] niet meer informatie gegeven dan dat hij destijds 32 jaar was, een gezet postuur en altijd gel in zijn haar had, in een zilvergrijskleurige Mercedes reed, ergens in [plaats 1] woonde, een zware crimineel en een loan shark was en tot de Grijze Wolven hoorde. De verdachte heeft in het vooronderzoek geen verdere informatie over [M] gegeven die dienstig zou kunnen zijn geweest aan diens identificatie en daarmee aan een onderzoek naar diens betrokkenheid bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Tijdens de berechting in eerste aanleg heeft de verdachte op geen enkele vraag antwoord willen geven. Ook in hoger beroep heeft hij geen enkele vraag willen beantwoorden. Daardoor heeft het hof geen concreter beeld gekregen van de persoon van [M] .

Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte niet consistent over [M] en diens wijze van opereren heeft verklaard. Eerst heeft de verdachte gesuggereerd dat hij geen last meer had van de Grijze Wolven sinds hij begin 2011 was weggegaan uit [plaats 1] en anoniem was gaan leven. Later verklaarde hij dat hij ook nadien nog bezoek had gehad van [M] . Aanvankelijk waren de slachtoffers van de oplichting volgens de verdachte “onschuldige gasten”. Later verklaarde de verdachte dat zij werkzaam waren voor wietkwekers. Eerst omschreef de verdachte de oplichtingen als een “idee” van [M] die hem “adviseerde”. In een latere verklaring zei de verdachte dat hij door [M] was “gedwongen” aan de oplichting mee te werken.

Het is voorts onopgehelderd gebleven hoe het feit dat de verdachte bang was voor [M] – in zijn ogen een Grijze Wolf en een zware crimineel – zich verhoudt tot de omstandigheid dat de verdachte op kennelijk vrijwillige basis [M] liet langskomen en zelfs een periode liet verblijven in zijn woning. Ook is niet duidelijk wat loan shark [M] zou hebben doen besluiten het door hem ontvangen geld van de opgelichte slachtoffers terug te geven aan de verdachte en hem zelfs financieel te compenseren voor de drie dagen die hij in verband met de oplichtingszaak had vastgezeten, terwijl de verdachte nog een groot bedrag aan [M] verschuldigd zou zijn. De mogelijkheid dat [M] als spijtoptant berouw zou hebben gekregen van zijn daden – zo die mogelijkheid al enige geloofwaardigheid zou verdienen – is door de verdachte niet naar voren gebracht.

De door de verdachte genoemde toezegging van [M] dat deze de verdachte na diens detentie in verband met de oplichtingszaak (van 20 t/m 23 december 2013) diens paspoort zou terggeven, valt niet te rijmen met het feit dat de politie gedurende die detentie in de woning van de verdachte dat paspoort heeft aangetroffen.21 En de stelling van de verdachte over de Motorola-telefoon die hij van [M] zou hebben gekregen voor één-op-één-contact met [M] bleek na onderzoek door de politie onjuist te zijn: het geheugen van de telefoon bevatte (sms-)berichten aan uiteenlopende personen die bovendien geen enkel verband houden met hetgeen de verdachte over [M] heeft verklaard.22

De verdediging heeft voor het bewijs van het bestaan van [M] nog gewezen op een aantal afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken in de woning van de verdachte (met onder anderen bekenden van [M] ) over [M] . Maar nog afgezien van de omstandigheid dat die – door het hof beluisterde gesprekken – veeleer wijzen op eenzijdige monologen dan op conversaties met een gesprekspartner, zijn het louter uitlatingen van de verdachte zelf die steun zouden moeten bieden aan de juistheid van zijn verhaal over [M] . Ook als het zou kloppen dat sommige gesprekken niet volledig juist zijn weergegeven of vertaald en de door de verdediging aangedragen weergave wel de juiste is, dan nog heeft te gelden dat de desbetreffende uitlatingen van de verdachte geen enkele steun vinden in andere feiten of omstandigheden. Ook de stellingen van de verdachte in zijn brief van 4 februari 2014 aan zijn toenmalige raadsman over bezoeken door kennissen van [M] en telefoongesprekken met [M] – welke bezoeken en gesprekken onder meer zouden hebben plaatsgevonden gedurende de 49 uur die de OVC-apparatuur alleen als ruis heeft geregistreerd – zijn van één bron afkomstig: de verdachte zelf. Het zijn, kortom, beweringen van alleen de verdachte die geen enkel begin van aannemelijkheid opleveren van enige betrokkenheid van [M] bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de stelling dat [M] de eigenaar is van de bedoelde gegevensdragers als zeer onaannemelijk terzijde wordt geschoven. Het hof gaat niet mee met het standpunt van de verdediging dat politie en openbaar ministerie nader onderzoek hadden moeten verrichten om [M] te vinden. Uitgaande van de stelling dat onderzoek op internet zou aantonen dat aan de naam [M] concrete personen zijn te verbinden, had het juist op de weg van de verdediging gelegen nader aan te duiden welke van die concrete personen degene was over wie de verdachte steeds sprak. En indien het zo is, zoals eveneens is betoogd, dat [M] mogelijk een alias is, valt niet in te zien hoe politie en openbaar ministerie zonder nadere informatie over [M] onderzoek naar hem hadden kunnen instellen.

Voor de suggestie dat de verdediging het alternatieve scenario aannemelijker had kunnen maken als zij toegang had gekregen tot de forensische kopieën van alle gegevensdragers, is evenmin een adequate, nadere onderbouwing gegeven.

Hetgeen de verdediging nog heeft aangevoerd als bevestiging (van het betoog over [M] ) in het dossier op vijf punten kan aan het voorgaande niet afdoen, waarbij het hof nog het volgende in aanmerking neemt.

1. De gestelde omstandigheid dat harde schrijven – die volgens de verdachte van [M] waren – na de aanhouding van de verdachte zijn gevonden in een (verhuis)doos, dus niet aangekoppeld aan een computer, betekent niet dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van die harde schijven, nog daargelaten dat de politie één van die schijven juist in die periode aangekoppeld heeft aangetroffen.

2. De verklaring van een jeugdvriend van de verdachte dat deze computers voor anderen repareerde, zegt niets over het bestaan van [M] , laat staan over zijn betrokkenheid bij enig aan de verdachte tenlastegelegd feit.

3. De stelling dat de verdachte geen toegang had tot de hem belastende bestanden omdat deze zich sinds september 2012 op unallocated clusters bevonden, deze alleen met forensische methoden (en dus niet door de verdachte) konden worden achterhaald en de informatie op die unallocated clusters in 2013 is gebruikt om een aantal D’s af te persen, mist feitelijke grondslag, nu ook op andere gegevensdragers en op andere plaatsen dan de unallocated clusters belastende bestanden zijn gevonden, hetgeen erop wijst dat de verdachte de bestanden elders heeft opgeslagen, nog daargelaten de juistheid van zijn stelling dat bestanden op unallocated clusters alleen met forensische methoden achterhaald zouden kunnen worden.

4. Enige “disconnectie” tussen de twee zogenaamd aan [M] toebehorende harde schijven en alle andere gegevensdragers en computers in de woning van de verdachte is niet aannemelijk geworden.

5. De omstandigheid dat op de twee aan [M] toegeschreven harde schijven geen personalia van de verdachte zouden zijn aangetroffen, impliceert niet dat de verdachte niet de gebruiker van die schijven is geweest.

12a. Heeft de verdachte de accounts gebruikt?

Inleiding

De aan de verdachte tenlastegelegde zedenmisdrijven zijn via internet gepleegd. De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdachte de persoon is achter de accounts die daarvoor werden gebruikt. De verschillende accounts lijken door één persoon te zijn gebruikt en lijken bij elkaar te horen, wanneer het ene account verwijst naar het andere account. Daarmee lijken die accounts een netwerk te vormen. In onderdeel 12b van dit arrest gaat het hof daarop nader in. Op verschillende plaatsen kan ook een verband gelegd worden tussen de online accounts en de fysieke, echte wereld. Daar kan ook gekeken worden naar de persoon achter die accounts.

Skrill-account ‘ [e-mail persoon C] ’

Eén van de situaties waar een verband bestaat tussen de echte wereld en het netwerk van accounts is de oplichting van huurders van de woning in de [straat 1] in [plaats 1] in januari 2011. De verdachte heeft bij de politie bekend dat hij daar mensen heeft opgelicht.

Op 13 januari 2011 hebben verbalisanten de verdachte in het trapportaal op dat adres aangetroffen. De verdachte heeft zich toen gelegitimeerd met een paspoort op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [plaats 2] .

[persoon C] was één van de slachtoffers van die oplichting. Zij had een kopie van haar paspoort verstrekt aan [naam 3] , waarvan de verdachte heeft erkend dat hij deze naam toen heeft gebruikt. Op 25 januari 2011 werd op naam van dit slachtoffer een internetbankaccount bij Skrill aangemaakt, zonder dat zij daarvan wist. Daarvoor werd het emailadres [e-mail persoon C] gebruikt. Het account werd geregistreerd op het adres [park B] . De verdachte verklaarde in april 2015 bij de rechter-commissaris dat hij daar tot maart 2011 heeft verbleven.

Op 21 december 2013 trof de politie in de woning van de verdachte documenten aan van Moneybookers, later Skrill geheten. Eén van die documenten was de pincodebrief van 2 maart 2011 die hoorde bij het account op naam van [persoon C] . De daarbij behorende Mastercard lag ook in de woning. De gebruiker van het Skrill-account [e-mail persoon C] identificeerde zich bij de aanvraag onder meer met een kopie van een bankafschrift van ING. Dit bankafschrift was een Photoshop-bestand dat werd aangetroffen op de harde Maxtor schijf OI013.02.02.002 in de woning van de verdachte. Het Photoshop-bestand was een bewerking van een bankafschrift op naam van de verdachte. Het rekeningnummer op de beide afschriften was hetzelfde. Ook bevatten beide afschriften een bijschrijving van 150 euro, waarbij de afzender ( [naam 4] ) en de omschrijving (betaling herstellen computer) identiek was. Uit deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien volgt dat de verdachte de gebruiker was van het Skrill-account [e-mail persoon C] .

Andere Skrill-accounts

Het Skrill-account [e-mail persoon C] staat niet op zichzelf. De verdachte heeft onder zijn eigen naam op 7 januari 2011 het Skrill-account [e-mail naam 5] geregistreerd. Op 2 november 2011 is met deze naam een Skrill-account met het emailadres [e-mail naam 6] geregistreerd vanaf het IP-adres [ip-adres B] , behorend bij het adres [straat 3] 101.23 De verdachte verbleef toen onder de naam [naam 7] op [straat 3] 209, op ongeveer 60 meter afstand van [straat 3] 101.

In het najaar van 2011 maakte het Skrill-account [e-mail persoon C] , net als de Skrill-accounts [e-mail naam 5] , [e-mail naam 6] en [e-mail persoon D] gebruik van genoemd IP-adres [ip-adres B] .24 Met dit IP-adres is ingelogd op het Skrill-account van [naam 6] in de periode van 3 november 2011 tot en met 2 maart 2012. Op het adres [straat 3] 209 stonden de Skrill-accounts [e-mail persoon D] en [e-mail persoon B] geregistreerd.25

[persoon D] en [persoon B] zijn personen die beiden een kopie van hun paspoort hadden verstrekt aan de zogenaamde verhuurder van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , omdat zij deze wilden huren. Zij hebben verklaard dat zij geen Skrill-account hadden en dat zij niet wisten dat een account op hun naam was aangemaakt. Een groot deel van de geldbedragen die werden ontvangen op het account [e-mail persoon B] , werd contant opgenomen bij een pinautomaat in [plaats 3] met behulp van een Mastercard uit de woning van de verdachte.26 De Skrill-accounts [e-mail persoon C] , [e-mail naam 5] , [e-mail persoon D] , [e-mail persoon B] en [e-mail naam 6] zijn ook met elkaar verbonden doordat onderling geld werd overgeboekt.

Dit een en ander voert tot de slotsom dat deze Skrill-accounts in gebruik waren bij slechts één persoon en dat was de verdachte.

Betalingen van D35, 37, 38 en 39 via Skrill en Western Union

De meerderjarige mannen die naar aanleiding van de chantage/oplichting geld hebben betaald, deden dit onder meer via Skrill. Zo maakte D39 geldbedragen over naar de Skrill-accounts [e-mail naam 6] en [variant 1 e-mail naam 6] . [variant 1 e-mail naam 6] maakte net als [e-mail naam 6] geld over naar [e-mail persoon C] . D39 ontving van ‘ [naam 8] ’ de opdracht contact op te nemen met ‘ [naam 6] ’ via het emailadres [variant 1 e-mail naam 6] . Deze berichten van Windows Live Messenger-account ‘ [naam 8] ’ werden aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 die in de woning van de verdachte in beslag werd genomen. Bij latere betalingen moest D39 geld overmaken via Western Union. De naam van de ontvanger die D39 moest opgeven was [verdachte] . Het geld werd opgehaald door iemand die zich legitimeerde met het paspoort van de verdachte op naam van [verdachte] . Dat paspoort trof de politie na de aanhouding van de verdachte in zijn woning aan. Een extra aanwijzing dat de verdachte degene is die de Western Union-betalingen in ontvangst nam, volgt uit een betaling door D35. Ook hij moest via Western Union geld betalen aan een rekening op naam van [verdachte] . In een opgenomen telefoongesprek van 1 december 2013 noemt [verdachte] zijn naam in een gesprek met een medewerker van het GWK en hij vraagt of hij die dag een Western Union-transactie kan komen ophalen.27 Daarnaast herkenden medewerkers van de politie de verdachte op de camerabeelden van die transactie op 1 december 2013 van het GWK aan [adres] in [plaats 2] .28 Bij die transactie werd voor de legitimatie ook gebruik gemaakt van het paspoort van de verdachte.

Hieruit volgt dat de verdachte de geldbedragen ontving die D39 in het kader van de chantage/oplichting via Skrill en Western Union betaalde. Deze betalingen staan in nauw verband met de betalingen van D35 en D37 via Western Union. De bedragen die D37 en D38 via Skrill overmaakten, kwamen steeds terecht bij Skrill-accounts van de verdachte. Dat betekent dat de verdachte dus eveneens de geldbedragen van D35, D37 en D38 ontving. De verdachte is ook de persoon achter andere accounts die met die chantage/oplichting zijn verbonden, te weten [variant 1 e-mail naam 6] , [e-mail naam 9] , [e-mail naam 10] , [e-mail naam 11] , [e-mail naam 12] , Windows Live Messenger-account ‘ [naam 8] ’ en de Facebook-accounts [naam 13] en [naam 6] .

De keylogger

De politie installeerde, zoals hiervoor al aan de orde kwam, op onder andere de desktopcomputer in de woning van de verdachte een keylogger. De verdachte verklaarde in april 2015 bij de rechter-commissaris dat hij in principe de enige gebruiker was van de desktopcomputer.29 De keylogger registreerde dat de gebruiker van die computer was ingelogd op het Yahoo-account ‘ [naam 9] ’.30 ‘ [naam 14] ’ gaf op 6 oktober 2013 via dit emailadres aan D35 de opdracht via Western Union geld aan [verdachte] over te maken. De keylogger registreerde ook het gebruik van het emailadres [e-mail naam 7] . [naam 7] is de naam die de verdachte gebruikte om zijn woning op het park [straat 3] te huren.31 De verdachte was derhalve de gebruiker van de desktopcomputer en hij verrichtte de handelingen die door de keylogger zijn vastgelegd. Hieruit volgt dat de verdachte de persoon is achter [e-mail naam 9] en degene die zich uitgaf voor ‘ [naam 14] ’.

Skype account ‘ [variant 2 naam 1] ’

De keylogger registreerde ook het gebruik van het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’. Geregistreerd werd dat ‘ [variant 2 naam 1] ’ op 23 december 2013 een seksueel getinte chat voerde met een meisje. [naam 1] vroeg in die chat een sexy camsessie op te zetten. Het meisje verrichtte seksuele handelingen bij zichzelf. Ook had ‘ [variant 2 naam 1] ’ contact met een Skype-account van D15 op momenten dat een Britse undercoveragent daarvan gebruik maakte. Dat contact vond plaats op 10 januari 2014, tussen 16.09 uur en 16.25 uur (Engelse tijd), en op 13 januari 2014, tussen 20.48 uur en 20.58 uur (Engelse tijd). Op beide tijdstippen was de verdachte in zijn woning aanwezig.

Op 10 januari 2014 is de communicatie in de woning gedurende bijna drie uur opgenomen. In de periode waarin de chat tussen de undercoveragent en ‘ [variant 2 naam 1] ’ plaatsvond, zijn toetsaanslagen te horen. Ook zijn af en toe geluiden van de verdachte te horen die worden beschreven als gemompel en gevloek. Uit het proces-verbaal van de opname kan op geen enkele manier worden afgeleid dat behalve de verdachte nog een andere persoon in de woning aanwezig was en de verdachte heeft daarover ook niet verklaard. Daarom neemt het hof aan dat de verdachte toen alleen in de woning was.

Op 13 januari 2014 is de woning van de verdachte vanaf 18.00 uur (Nederlandse tijd) door de politie geobserveerd. De observatie duurde tot aan het moment dat de politie de woning van de verdachte binnenviel en de verdachte om 22.00 uur (Nederlandse tijd) aanhield. Tussen 18.00 uur en 22.00 uur zag het observatieteam geen personen aankomen of weggaan bij de woning van de verdachte. De verdachte was de enige persoon in de woning ten tijde van de aanhouding en hij was dus ook tijdens de chat op 13 januari 2014 (die tot twee minuten voor zijn aanhouding voortduurde) alleen in de woning.

Het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’ staat ook in verband met andere onderzoeksgegevens. Zo werd op de laptop in de woning van de verdachte een verwijzing naar dit account aangetroffen. Ook gaven de Hotmail-accounts ‘ [variant 3 naam 1] ’ en ‘ [variant 4 naam 1] ’ aan dat andere gebruikers hen op Skype konden toevoegen via het account ‘ [variant 2 naam 1] ’.32 De contactenlijsten van deze Hotmail-accounts zijn aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 . Het Facebook-account ‘ [variant 5 naam 1] ’ zond in mei 2013 als statusbericht dat zij een nieuw Skype‑account had: [variant 2 naam 1] . Eerder noemde [variant 5 naam 1] [e-mail variant 4 naam 1] als haar/zijn MSN-account.33 [variant 5 naam 1] gaf ook door dat contact opgenomen moest worden met [naam 6] via het emailadres [e-mail naam 6] . Dat was het emailadres dat hoorde bij het Skrill-account waarnaar D38 en D39 geld moesten overmaken.

Hieruit volgt dat de verdachte de gebruiker was van het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’, het Facebook-account [variant 5 naam 1] en de Hotmail-accounts ‘ [variant 3 naam 1] ’ en ‘ [variant 4 naam 1] ’. De verankering op verschillende gegevensdragers laat zien dat die bij elkaar horen en één gebruiker hebben: de verdachte. De koppeling met [e-mail naam 6] laat ook zien dat de [naam 1] -aliassen (typerend voor het chanteren van jonge meisjes) en de [naam 6] -aliassen (typerend voor het chanteren/oplichten van mannen) bij elkaar hoorden en door de verdachte gebruikt werden.

Virtuele webcams

Uit de registraties van de keylogger blijkt dat de dader gebruik maakte van een virtuele webcam. Op verschillende gegevensdragers die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, vond de politie programma’s voor een virtuele webcam. Zo werd het programma ‘Manycam’ aangetroffen op de laptop, de desktop en de Hitachi harde schijf. Op de laptop en de desktop was als installatiedatum van dat programma vermeld 27 november 2013, een dag na de verhuizing van de verdachte naar [park B] . Daarnaast werd op de Hitachi harde schijf, de Western Digital harde schijf en de laptop het programma ‘WebcamMax’ aangetroffen. Als installatiedatum daarvan op de laptop is eveneens vermeld 27 november 2013. Daarnaast werden op een andere harde schijf, merk Maxtor, installatieprogramma’s aangetroffen voor zowel Manycam als Webcammax.34 Het gebruik van een virtuele webcam door de dader bleek uit de registraties van de keylogger. Ook bleek dit uit een opname die werd aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 .

Daarnaast zijn eveneens op verschillende gegevensdragers afbeeldingen, films en/of thumbnails van pornoactrice [L] aangetroffen. Foto’s van haar werden gebruikt als profielfoto voor verschillende [naam 1] -varianten en de video’s werden blijkens de verklaringen van een groot aantal D’s aan hen vertoond en gepresenteerd alsof deze films rechtstreeks waren gemaakt met de webcam van de afzender. Het hof leidt uit de beschrijving van die persoon door de D’s en de aanwezigheid van de virtuele webcams op de gegevensdragers van de verdachte af, dat de [L] -films hiermee zijn vertoond.

Op de laptop zijn drie thumbnails aangetroffen met een afbeelding van [L] , waarbij bij twee afbeeldingen is vermeld: last written op 30 november 2013 en bij de derde afbeelding: last written op 16 december 2013. Twee van deze drie afbeeldingen komen overeen met foto’s van dezelfde vrouw die zijn aangetroffen op de door het NFI herstelde Hitachi harde schijf. Op deze harde schijf zijn toegankelijke bestanden (in totaal 37 video’s) van die actrice aangetroffen, waarmee verwijderde bestanden van de Western Digital harde schijf corresponderen.

Hiermee is tevens vastgesteld dat de verdachte ook sinds zijn verhuizing naar [park B] kon beschikken over virtuele webcamprogramma’s, waarmee hij zich via de webcam in bewegende beelden kon voordoen als [L] /‘ [naam 1] ’.

Het op verschillende gegevensdragers aantreffen van dezelfde virtuele webcamsoftware, mede in verband met dezelfde laatste installatiedatum, alsmede het op verschillende gegevensdragers aantreffen van [L] -bestanden, ondersteunen de conclusie dat die gegevensdragers één gebruiker hebben gehad en dat die gegevensdragers onder meer werden gebruikt voor het chanteren van jonge meisjes en mannen met behulp van een virtuele webcam.

De verdachte is de gebruiker van de accounts en de gegevensdragers

Het voorgaande laat zien dat verschillende belastende gedragingen en verschillende gegevensdragers met belastende informatie met elkaar en met de verdachte verbonden zijn. Zonder uitputtend te zijn: hij is de begunstigde van door gechanteerde/opgelichte mannen via Western Union en Skrill overgeboekt geld, stond op camerabeelden bij een Western Union-transactie, lichtte huurders van de [straat 1] en de [straat 2] in [plaats 1] op, de harde schijven, de documenten van Moneybookers/Skrill lagen in zijn woning en de keylogger op de desktopcomputer van de verdachte registreerde een seksueel getinte chat met een jonge vrouw.

Voor zover de verdachte over deze omstandigheden iets heeft verklaard, kwam dat erop neer dat niet hij, maar [M] de dader was. Zoals hiervoor gemotiveerd is uiteengezet, verwerpt het hof, met de rechtbank en het openbaar ministerie, die lezing. Ook verder zijn er geen omstandigheden die erop wijzen dat de verdachte niet de persoon achter het netwerk van accounts was. Bij de verdere beoordeling van de feiten wordt er dan ook van uitgegaan dat de verdachte de persoon achter het netwerk van accounts was.

12b. Handvatten om de omvang van het netwerk van accounts vast te stellen

Inleiding

Bij de beantwoording van de vraag welke accounts onderdeel uitmaakten van het netwerk van de verdachte wordt ervan uitgegaan dat hij de enige gebruiker is geweest van de harde schijven in zijn woning en de in deze zaak aan hem te koppelen accounts. Op zichzelf hoeft het niet zo te zijn dat de harde schijf of een account slechts door één persoon wordt gebruikt, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat naast de verdachte ook anderen hiervan gebruik hebben gemaakt. In het bijzonder bevat het dossier geen aanwijzingen dat een ander (een deel van) de belastende berichten verstuurde of deze op de harde schijven zette. Van een verdachte mag in zo’n situatie worden verwacht dat hij een concrete inhoudelijke verklaring geeft als hij slechts een deel van de berichten zou hebben verstuurd. De verdachte heeft zo’n verklaring niet gegeven. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan zijn verklaring over [M] in elk geval niet als zodanig worden opgevat.

Voor het beantwoorden van de vraag welke accounts onderdeel uitmaakten van het netwerk van de verdachte, maakt het ook niet uit waar de informatie, die hij aan een account koppelde, op een harde schijf is aangetroffen. De omstandigheid dat een verwijzing in bijvoorbeeld de unallocated clusters of een pagefile.sys-bestand is aangetroffen, laat zien dat die verwijzing op enig moment direct raadpleegbaar op die harde schijf aanwezig is geweest. Op dat moment is dan ook een verband aanwezig tussen de verdachte en dat account. Het verwijderen van die verwijzing maakt niet dat het verband daarna niet meer aanwezig is.

Datzelfde geldt wanneer een harde schijf in januari 2014 stuk was. Verbanden met accounts die daarop zijn aangetroffen, zijn op enig moment voor de gebruiker van de harde schijf, de verdachte dus, beschikbaar geweest. Het stuk gaan van de harde schijf maakt niet dat het verband daarmee is verdwenen.

Algemene opmerkingen over de wijzen waarop het hof verbanden tussen accounts en de verdachte legt 35

A. Als een account is aangetroffen op één van de gegevensdragers in de woning van de verdachte, dan wordt daaruit afgeleid dat de verdachte de gebruiker is geweest van dat account. Als voorbeeld wordt gewezen op een Skype-bericht36 dat is aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 . Het Skype-account ‘ [naam 15] ’ verstuurde dit bericht aan een Skype-account van D9. Hieruit wordt dan afgeleid dat de verdachte de gebruiker was van het Skype-account ‘ [naam 15] ’. Naar dit Skype-account is tevens verwezen door een groot aantal andere Facebook-accountnamen, zoals ‘ [naam 16] ’, ‘ [naam 17] ’, ‘ [naam 18] ’, ‘ [naam 19] ’, ‘ [naam 6] ’, ‘ [variant 2 naam 6] ’, ‘ [naam 20] ’, ‘[verkorte naam D31]’ en ‘ [naam 21] ’.37

B. Het hof legt ook verbanden op andere manieren.

1. Als vanaf een Facebook-account in een bericht werd geschreven dat de ontvanger een Skype- of MSN-account moest toevoegen, wordt daaruit afgeleid dat die accounts bij elkaar hoorden. Als voorbeeld wordt gewezen op een Facebook-bericht dat ‘ [naam 20] ’ verstuurde. In dit bericht werd onder meer gezegd ‘add skype [naam 15] or msn [e-mail naam 22] ’. Omdat hiervoor al is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Skype-account ‘ [naam 15] ’, kan door dit bericht worden vastgesteld dat hij ook de gebruiker was van het Facebook-account ‘ [naam 20] ’ en van het emailadres [e-mail naam 22] .38 Naar het in het dossier veel voorkomende account van [e-mail variant 1 naam 19]39 werd verwezen door onder meer de Facebook-accounts op naam van ‘ [variant 2 naam 19] ’, ‘ [naam 19] ’ en ‘ [variant 3 naam 19] ’.

2. Als een Facebook- of Skype-account een emailadres registreerde, neemt het hof aan dat het emailadres en het account door dezelfde persoon werden gebruikt. Als voorbeeld wordt gewezen op het Facebook-account ‘ [variant 6 naam 1] ’.40 Bij dit Facebook-account is als emailadres geregistreerd [e-mail variant 3 naam 1] . Omdat de contactenlijst van [e-mail variant 3 naam 1] aanwezig was op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte, wordt vastgesteld dat de verdachte niet alleen de gebruiker was van [e-mail variant 3 naam 1] , maar ook van het Facebook-account ‘ [variant 6 naam 1] ’.

Bij het Facebook-account ‘ [naam 23] ’ is het emailadres ‘ [e-mail variant 7 naam 1] ’ geregistreerd.41

Een aantal Facebook-accounts heeft dezelfde Facebook user ID, zoals ‘ [variant 8 naam 1] / [variant 5 naam 1] ’42 en ‘ [naam 19] / [naam 16] ’.43 Bovendien gebruikten de accounts ‘ [variant 10 naam 1] ’ en ‘ [variant 5 naam 1] ’ een aantal dezelfde Skype-accountnamen, zoals ‘ [variant 2 naam 1] ’, ‘ [variant 11 naam 1] , [variant 12 naam 1] en [variant 13 naam 1] ’.44

3. Het dossier bevat een groot aantal accounts met een variant van de naam ‘ [naam 6] ’45, bijvoorbeeld het emailadres ‘ [variant 1 e-mail naam 6] ’ en varianten van de naam ‘ [naam 6] ’ met een verschillend aantal ‘s’-en op het eind. Op 27 augustus 2012 is op de naam ‘ [naam 6] ’ het Skrill-account ‘ [variant 1 e-mail naam 6] ’ aangemaakt, waardoor een direct verband tussen beide namen wordt aangetoond.46 Op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 is inhoudelijke informatie aangetroffen die is opgeslagen door het programma Skype. Als Skype-account behorend bij deze Skype-installatie is onder meer vermeld ‘ [variant 3 naam 1] ’, waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit een account van de verdachte was. In die Skype-map hebben submappen gestaan, waarvan ‘ [variant 1 naam 6] ’ er één was. Op een gegevensdrager van de verdachte kan dus eveneens een verband worden vastgesteld tussen ‘ [variant 3 naam 1] ’ en de namen ‘ [variant 1 naam 6] ’/’ [naam 6] (ss)’.

Het hof gaat ervan uit dat de verdachte de gebruiker was van al die aliassen, ook als dat op basis van de hiervoor beschreven methoden nog niet was vastgesteld. Daarvoor is van belang dat vastgesteld is dat de verdachte de gebruiker was van verschillende accounts waarvan de naam een variant is op de naam ‘ [naam 6] ’. De ‘ [naam 6] ’-accounts maakten allen gebruik van een soortgelijke werkwijze. Ook blijkt uit het dossier dat de gebruiker van ‘ [naam 6] ’-aliassen zelf varianten op deze naam afwisselde.47

4. De naam ‘ [naam 8] ’ komt voor als naam van een minderjarige jongen in de chats met D39. ‘ [naam 6] ’ presenteerde zich als de vader van deze 14-jarige jongen, die naakt voor de webcam tijdens visueel contact met D39 zou hebben gemasturbeerd. D39 moest aan het Skrill-account op naam van ‘ [naam 6] ’ betalen. Deze chats zijn aangetroffen op een bij de verdachte inbeslaggenomen gegevensdrager; de Western Digital harde schijf.48

De naam ‘ [naam 8] ’ komt eveneens voor in een op diezelfde gegevensdrager aangetroffen film, waarin het verloop van een aantal chatcontacten te zien is. De film is ter zitting van het hof getoond. Het hof heeft waargenomen dat degene die zichzelf voordoet als ‘ [naam 8] ’ op 21 juli 2012 chat met een volwassen man; tijdens dit contact via de webcam masturbeerde die man. In de film is verder te zien dat ‘ [naam 8] ’ aan die man via Manycam een masturbatiefilm van een jongeman vertoont.49

5. Een andere invalshoek voor het verbinden van accountnamen aan de verdachte is de opsomming in het dossier van naamswijzigingen die diverse accountnamen in de loop van de tijd hebben ondergaan. Bijvoorbeeld: ‘ [variant 4 naam 19] ’ was een nieuwe accountnaam voor ‘ [naam 6] ’, daarna heette deze ‘ [variant 3 naam 6] ’; de oude naam van ‘ [naam 19] ’ was ‘ [naam 24] ’50. Het Facebook ID van ‘ [variant 8 naam 1] ’ werd achtereenvolgens ‘ [variant 14 naam 1] ’; ‘ [variant 5 naam 1] ’ en tenslotte ‘ [variant 2 naam 1] ’. 5152

6. Het hof leidt tenslotte onderlinge verbanden af tussen accountnamen die op grond van het voorgaande aan de verdachte worden gelieerd en contacten met slachtoffers.53

Bijvoorbeeld: ‘ [naam 1] ’-varianten hadden contact met D1, D2, D3, D4, D6, D7, D8; ‘ [variant 5 naam 1] ’ met D4, D7, D10, D21 en D27; ‘ [naam 23] ’ met D4, D7, D10, D16 en D21; ‘ [naam 6] ’-varianten met D11, D12, D23, D28, D30, D38 en D39 en ‘ [naam 15] ’ met D9,54 D25, D27, D31, D33 en D34.

Te weinig voor een koppeling

Via de hiervoor beschreven methoden wordt een zeer groot deel van de in dit dossier voorkomende accounts met elkaar verbonden, maar dat geldt niet voor alle relevante accounts, zoals de accountnamen ‘ [naam 25] ’ die contact had met D29 en ‘ [naam 26] ’ die contact had met D32.

De vraag is dan of andere omstandigheden die uit het dossier blijken, voldoende zijn om te bewijzen dat de verdachte de gebruiker was van die accounts, bijvoorbeeld als vastgesteld kan worden dat een specifiek slachtoffer met meer accounts contact had. De vaststelling dat één of meer van die accounts van de verdachte was/waren, wil nog niet zeggen dat om die reden de andere accounts waarmee het slachtoffer contact had, eveneens van de verdachte waren.

Hierbij is ook van belang dat aannemelijk is dat de verdachte niet de enige was die zich met dergelijke feiten bezighield. Het via internet chanteren/oplichten van jonge meisjes of mannen is op zichzelf onvoldoende specifiek om uit die gedragingen, al dan niet door middel van schakelbewijs, het gebruik van die accounts door verdachte vast te stellen.

Als het dossier nog meer aanvullende omstandigheden bevat die in de richting van de verdachte wijzen, kan wel worden vastgesteld dat hij de gebruiker was van die accounts.

In die gevallen zal het hof hierna een aanvullende motivering op deeldossierniveau geven.

13 Ontkoppelingsmethoden van de verdediging

Op basis van de hiervoor beschreven methode is een netwerk van accounts met elkaar verbonden. Daarbij is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van dit netwerk van accounts. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet te koppelen is aan de tenlastegelegde feiten en dat zijn alternatieve lezing hout snijdt. Hiertoe heeft zij gewezen op vijf methoden om aan te tonen dat een verband tussen de aangetroffen data/onderzoeksgegevens en de verdachte ontbreekt. Hierna zal het hof ingaan op de gestelde methoden om te onderzoeken of toch geen verband aanwezig is tussen verschillende accounts onderling of tussen accounts en de verdachte.

1. IP-adressen

De verdediging heeft aan de hand van de IP-adressen uit [plaats 2] die in het Facebookrapport zijn genoemd, betoogd dat de verdachte in de desbetreffende periode niet de gebruiker kan zijn geweest van deze IP-adressen.

Het hof stelt voorop dat de door Facebook vermelde [plaats 2] IP-adressen niet de enige IP-adressen zijn die in 2011 voor relevante contacten (zouden) zijn gebruikt.55

a. De verdediging heeft onder meer gesteld dat de verdachte tot 20 februari 2011 in België heeft gewoond. Deze stelling snijdt geen hout. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 23 april 2015 verklaard dat hij tot maart 2011 op park [straat 3] heeft gewoond. De argumenten van de verdediging die deze verklaring proberen te ontkrachten gaan niet op. De verdachte heeft deze verklaring ondertekend en overigens is er geen aanleiding te veronderstellen dat dit proces-verbaal in strijd met de waarheid is opgemaakt. Bovendien is op grond van het dossier niet eenduidig vast te stellen dat de verdachte gedurende die jaren in België heeft gewoond. Op 3 juli 2009 is hij weliswaar formeel naar België geëmigreerd en stond hij vanaf 20 augustus 2009 ingeschreven op het adres [adres 4] . Uit ING-bankafschriften volgt echter dat de verdachte voor dat adres in de maanden juli tot en met augustus 2009 maandelijks 490 euro huur ontving van zowel [persoon E] als van [persoon F] .56 Dit vormt een aanwijzing dat de verdachte die woning in [plaats 4] onderverhuurde.

b. De in het Facebookrapport vermelde accounts die vanaf [plaats 2] IP-adressen zijn benaderd waren voor de verdachte bereikbaar, ook toen hij in [plaats 3] Uit het dossier blijkt, mede op grond van de eigen verklaring van de verdachte, dat hij als vervoermiddel een fiets gebruikte.57 [plaats 2] was vanaf de plaatsen waar de verdachte heeft verbleven in de parken [straat 3] en [park B] met de fiets bereikbaar.58 Het dossier reikt ook voldoende andere verbanden tussen de verdachte en [plaats 2] aan. De verdachte heeft op een groot aantal data in [plaats 2] geldbedragen opgenomen die afkomstig waren van meerderjarige mannen, aan enkelen van wie uitdrukkelijk is opgedragen geld over te maken op naam van [verdachte] . Tenslotte heeft de verdachte in zijn verhoor op 22 december 2013 op de vraag in welke regio hij actief was, geantwoord: “[plaats 2] en [provincie] en omstreken. Dat is mijn plek. Daar kom ik vandaan”.59

c. De omstandigheid dat de verdachte niet in [plaats 2] woonde, sluit dus geenszins uit dat hij gebruik heeft gemaakt van [plaats 2] IP-adressen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte gebruik maakte van IP-adressen van anderen en er zijn sterke aanwijzingen dat hij gebruik maakte van methoden om een door hem gebruikt IP-adres af te schermen.60

d. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de gebruiker is geweest van alle IP-adressen die Facebook noemt, maar dat betekent niet dat de verdachte die IP-adressen dus niet gebruikt heeft. Op basis van het hetgeen hiervoor is overwogen, is bepaald niet uitgesloten dat de verdachte van die IP-adressen gebruik gemaakt heeft.

e. De verdediging heeft verder naar voren gebracht dat in het Facebookrapport IP-adres [ip-adres A] (hiervoor al aangeduid als [ip-adres A] ) in beeld komt in relatie tot minstens drie accounts. De eigenaar van het park [park B] heeft verklaard dat het eerste contact met de verdachte “ergens eind 2011 is geweest” en ook overigens wijst volgens de verdediging niets in het dossier op een eerder verblijf van de verdachte op dit park.

Deze stellingen van de verdediging gaan evenmin op. De omstandigheid dat de parkeigenaar zich als eerste contact met de verdachte eind 2011 herinnert, sluit niet uit dat de verdachte eerder daar of in de omgeving heeft verbleven. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zich ook bij de (bungalow)parken met verschillende personalia presenteerde en niet uitgesloten is dat dit destijds ook is gebeurd. Bovendien is voor het gebruik van het [ip-adres A] behorend bij de heer [persoon A] die woonde op het [park A] niet per se vereist dat de verdachte zich toen op het park [park B] bevond. Hij kan ook in de directe omgeving zijn geweest. De bij de verdachte inbeslaggenomen wifi-richtantenne gaf hem de mogelijkheid een wifi-signaal op afstand te gebruiken.

In de oplichtingszaak betreffende de woning [straat 1] in [plaats 1] heeft de eigenares verklaard dat zij deze op 31 december 2010 met ingang van 1 januari 2011 had verhuurd aan ene [naam 27] . Als diens emailadres was [e-mail naam 27] opgegeven, waarbij gebruik is gemaakt van het [ip-adres A] . Zoals hierna zal worden uiteengezet, blijkt uit de bewijsmiddelen dat het de verdachte was die zich toen in [plaats 1] als [naam 27] heeft voorgedaan.

Overigens bevat het dossier aanwijzingen dat de verdachte verschillende malen een vakantiewoning op [park B] en [straat 3] heeft gehuurd, waarbij hij meermalen van het ene park naar het andere verhuisde. Uit een opgenomen telefoongesprek blijkt dat de verdachte, toen hij op 26 november 2013 naar [park B] verhuisde, zei dat hij zich daar thuis voelde omdat hij er al jaren had gewoond.61 Zijn vriend [persoon E] heeft bevestigd in zijn verklaring dat de verdachte een jaar of twee tot vier op [park B] heeft gewoond en dat hij heen en weer ging.62

f. Twee van de Facebook-accounts die de verdediging met deze ontkoppelingsmethode wilde ontkoppelen zijn ‘ [variant 5 naam 1] ’ en ‘ [naam 23] ’. Eerder is al besproken dat deze accounts op verschillende manieren zijn gelieerd aan andere relevante accounts. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de enkele constatering dat niet daadwerkelijk is vastgesteld dat de verdachte ook van de andere in het Facebookrapport genoemde [plaats 2] IP-adressen gebruik maakte onvoldoende om de accounts ‘ [variant 5 naam 1] ’ en ‘ [naam 23] ’ en alle daaraan door de verdediging verbonden accounts te “ontkoppelen”.

2. Telefoonnummer Facebookrapport ( [telefoonnummer 1] )

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is volgens Facebook op 26 juli 2011 gebruikt om een voor deze zaak relevant Facebook-useraccount aan te maken. Dit telefoonnummer kan volgens de verdediging evenmin in verband worden gebracht met de verdachte. De verdediging heeft opgemerkt dat dit nummer mogelijk is gebruikt door de gebruiker van de hiervoor bedoelde [plaats 2] IP-adressen. Het hof verwijst voor dit laatste standpunt naar voormelde verwerping van die stelling van de verdediging.

De verdediging heeft terecht opgemerkt dat bij het aanmaken van bedoeld Facebook-useraccount geen naam is vermeld. Dat genoemd telefoonnummer is gebruikt bij het aanmaken van een door Facebook relevant geacht useraccount is echter geen op zichzelf staand feit. Het telefoonnummer komt ook voor in de oplichtingszaak inzake de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , waarvan de verdediging heeft gesteld dat niet de verdachte maar [M] de dader was. Hiervoor heeft het hof reeds gemotiveerd geconstateerd dat het de gestelde betrokkenheid van [M] volstrekt onaannemelijk acht. Ook los van genoemd telefoonnummer blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen duidelijk dat de verdachte de oplichting met betrekking tot de woning aan de [straat 2] wel heeft gepleegd. Hij heeft bekend dat hij begin 2011 op soortgelijke wijze aspirant-huurders van de [straat 1] in [plaats 1] heeft opgelicht met het gebruik van diverse aliassen, vermeld in vervalste kopieën van paspoorten, waarop telkens een pasfoto van de verdachte was aangebracht. Bij de (ver)huur van het huis aan de [straat 2] zijn ook paspoort-kopieën overgelegd met dezelfde pasfoto, waarop de verdachte door de politie is herkend. Eén daarvan stond op naam van [naam 2] . Volgens [persoon B] , die de woning had bezichtigd, heeft [naam 2] zich toen voorgedaan als verhuurder en heeft hij als zijn telefoonnummer vermeld [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer is dus wel aan de verdachte te koppelen omdat de dader van die oplichting, de verdachte, het heeft gebruikt. Ook is dit telefoonnummer door de verdachte gebruikt bij het openen van Skrill-accounts.

3. Laatste contact tussen dader en slachtoffer

De verdediging heeft gesteld dat het er in het geheel van mogelijk te koppelen accounts om gaat of kan worden vastgesteld dat het de verdachte was die het toetsenbord bediende en dus of hij degene was achter de accounts. De verdediging gaat hierbij uit van de datum waarop slachtoffers voor het laatst contact hadden met de dader. Zij heeft betoogd dat indien over de desbetreffende periode geen gegevens beschikbaar zijn op een harde schijf van de verdachte, het desbetreffende account niet aan de verdachte te koppelen valt. Deze stelling gaat ook op voor reeds verwijderde informatie, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring niet nodig is dat ál het bewijs specifiek is te vinden op bij de verdachte aangetroffen gegevensdragers. In een groot aantal gevallen is op de gegevensdragers van de D’s informatie aangetroffen die direct verwijst naar contacten met een ander account van de verdachte in bedoelde periode of onder dezelfde accountnaam tijdens eerdere contacten met de desbetreffende D.

De verdediging heeft in het bijzonder opgemerkt dat het laatste contact met D1 rond 8 maart 2013 is geweest, waarbij de dader heeft gezegd dat zij het Skype-account ‘ [variant 11 naam 1] ’ moest toevoegen. De verdediging heeft gesteld dat in de bij de verdachte aangetroffen gegevensdragers geen spoor is aangetroffen van het gebruik van dit Skype-account en dat de verdachte dus niet aan dit account kan worden gekoppeld.

Het hof stelt vast dat de verdachte ook bij het ontbreken van een verwijzing naar/op één van zijn gegevensdragers wel degelijk in relatie kan worden gebracht met dit Skype-account. ‘ [variant 15 naam 1] ’ maakte in het contact met D1 gebruik van het Skype-account ‘ [variant 11 naam 1] ’. Uit onderzoek is gebleken dat dit Skype-account gekoppeld was aan het emailadres [e-mail variant 3 naam 1] . ‘ [variant 15 naam 1] ’ heeft aan D1 als MSN-adres opgegeven [e-mail variant 4 naam 1] . Uit onderzoek is tevens gebleken dat ‘ [variant 15 naam 1] ’ gebruik maakte van een Netlog-account ‘ [variant 4 naam 1] ’ en ook dat bij een Facebook-account op naam van ‘ [variant 5 naam 1] ’ als emailadres was opgegeven [e-mail variant 11 naam 1] .63

Op deze wijze is het Skype-account ‘ [variant 11 naam 1] ’ gekoppeld aan zowel ‘ [variant 3 naam 1] ’ als ‘ [variant 4 naam 1] ’ en ‘ [variant 5 naam 1] ’. Deze accountnamen zijn vele malen aangetroffen op gegevensdragers van de verdachte.64 Het verweer gaat dus niet op.

Tot slot wordt hier opgemerkt dat, indien de verdachte op basis van eerdere contacten van een bepaald account aan dat account gekoppeld kan worden, van hem een verklaring mag worden verwacht waarom de latere berichten van dat contact niet op zijn conto geschreven kunnen worden. Hiervoor is al vastgesteld dat de verdachte daar niet over heeft verklaard.

Het hof verwijst voor dit onderdeel eveneens naar de hierna te bespreken 5e methode.

4. Veranderingen in gebruik van de gegevensdragers

De verdediging gaat ervan uit dat de verdachte niet degene was die de belastende data op de Western Digital harde schijf en de Hitachi harde schijf heeft gezet. Deze harde schijven zouden volgens de verdediging eerder door [M] zijn gebruikt en hij zou verantwoordelijk zijn voor de belastende inhoud op die harde schijven. De verdachte beschikte pas sinds eind september 2012 over deze gegevensdragers en daarop is sindsdien geen nieuwe belastende informatie terecht gekomen. De verdediging heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat bijvoorbeeld de Skype-naam ‘ [naam 15] ’ en het emailadres ‘ [e-mail variant 1 naam 19] ’ om deze reden niet aan de verdachte kunnen worden gekoppeld.

Het hof overweegt als volgt.

a. Het hof heeft in zijn overwegingen over het netwerk van de accounts waarover de verdachte beschikte reeds opgemerkt waarom ‘ [naam 15] ’ en [e-mail variant 1 naam 19] aan andere accounts van de verdachte kunnen worden gekoppeld. De verdediging gaat er kennelijk van uit dat op de overige bij de verdachte inbeslaggenomen harde schijven geen belastend materiaal is aangetroffen. Dat is onjuist.

b. Ook op andere gegevensdragers is belastend materiaal aangetroffen bijvoorbeeld:

- Op de harde schijf van de laptop OI013.03.02.001.001 zijn treffers zonder context aangetroffen met de naam van D2 en haar Facebook-ID, evenals een shower-dildo-video van D9 en een Pagefile.sys-bestand betreffende [variant 2 naam 19] (in de unallocated clusters).65

  • -

    Op de laptop OI013.03.001.001 is de Skype-accountnaam die D6 heeft herkend als de hare aangetroffen.

  • -

    Op de Hitachi harde schijf OI013.04.01.002 is een video [L] .flv aangetroffen, waarvan afbeeldingen overeenkomen met twee foto’s op de laptop van D6, evenals Skype-chats tussen D9 en ‘ [naam 28] ’ en een accesible schermafdruk van Blog.tv van een videochat van D32 waarop een ontblote borst zichtbaar is.

Op die schijf zijn ook aangetroffen: drie video’s van D31 en vier foto’s van D32.

  • -

    Op de harde schijf van de laptop OI013.03.002.001.001 is het emailadres van D8 aangetroffen, evenals een Nederlandstalige chat met D8 en een bestandspad ‘Admins documents/D8.txt’ zonder inhoud.

  • -

    Op de 1e harde schijf van de desktop OI013.03.02.001.001 is het emailadres van D5 aangetroffen en chats met D5.

  • -

    Op de schijf OI013.02.02.002 zijn berichten aangetroffen van [e-mail naam 29] aan het emailadres dat D24 als het hare heeft herkend en 118 berichten betreffende D26 met afbeeldingen.

c. Daarnaast heeft het hof reeds vastgesteld dat verschillende gegevensdragers afbeeldingen, video’s of thumbnails van de pornoactrice [L] bevatten, van wie ‘ [naam 1] ’-varianten een foto als profielfoto gebruikten op diverse accounts.

d. Tenslotte wordt verwezen naar de vaststelling dat op een aantal andere gegevensdragers software is aangetroffen voor het instellen van een virtuele webcam.

De verdediging heeft op dit onderdeel nog aangevoerd dat op de Western Digital harde schijf een pagefile.sys-bestand is aangetroffen, dat verwijst naar bestanden op een andere gegevensdrager, maar dat bij de verdachte geen schijf is aangetroffen waaruit van een dergelijke verwijzing blijkt.

Het hof vermag tegen het licht van hetgeen hiervoor onder A. is opgemerkt, niet in te zien waarom dit gegeven op zichzelf tot de slotsom zou moeten leiden dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van bedoelde harde schijven. Dit geldt temeer omdat ook voor deze ontkoppelingsmethode cruciaal is dat vastgesteld kan worden dat de harde schijven eerder door een ander dan de verdachte (naar zijn zeggen: [M] ) zijn gebruikt. Hiervoor is echter al uitgelegd dat het hof er, evenals de rechtbank en de advocaten-generaal, van uitgaat dat een dergelijke [M] niet is betrokken bij de aan de verdachte verweten feiten.

5. De versleutelde gegevensdrager

Volgens de verdediging kan het ontbreken van belastende bestanden niet verklaard worden door te verwijzen naar de versleutelde gegevensdrager, een harde schijf met beslagnummer OI013.02.03.001 met een gedeelte dat met Truecrypt-software is versleuteld (hierna ook: de Truecrypt-schijf).

De verdediging heeft erop gewezen dat deze schijf na aanhouding van de verdachte verpakt in een stereotoren is aangetroffen en dat aannemelijk is dat de verdachte deze daar op 24 december 2013 in heeft gelegd, evenals het daar aangetroffen bedrag van 10.000 euro en het paspoort van de verdachte. De verdediging heeft voorts gesteld dat in het dossier geen bevestiging gevonden kan worden voor de suggestie dat deze harde schijf zou zijn gebruikt voor een Skype-chat slechts enkele minuten voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte op 13 januari 2014. Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat is uitgezocht dat deze met Truecrypt versleutelde schijf voor het laatst op 23 december 2013 aan de desktop gekoppeld was en op 19 december 2013 aan de laptop. Dit alles is volgens de verdediging ontlastend voor de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

De stelling van de verdachte dat hij de verpakte Truecrypt-schijf met het geld en zijn paspoort op 24 december 2013 in de stereotoren heeft gedaan, vindt geen bevestiging in objectieve bewijsmiddelen in het dossier. De enkele mededelingen van de zijde van de verdachte (die mede zijn gebaseerd op de audio-opnamen van de OVC-microfoon) zijn daarvoor volstrekt ontoereikend. Als iemand in zijn woning tegen zichzelf of een ander zegt dat iets heeft plaatsgevonden, volgt daaruit niet dat die persoon toen de waarheid sprak. De verdachte heeft ook hierover geen uitleg gegeven.

Bovendien hangt deze stelling samen met één van de lezingen van de verdachte dat hij deze harde schijf, het geld en zijn paspoort op verzoek van [M] heeft aangenomen en vervolgens heeft verstopt. Enige betrokkenheid van [M] vindt, zoals al vaak gememoreerd, geen enkele bevestiging in het dossier.

Deze versie is ook anderszins onaannemelijk, omdat de politie op 20 december 2013 heeft geconstateerd dat de Truecrypt-schijf via een IDE-aansluiting daadwerkelijk was gekoppeld aan de desktopcomputer, zodat de verdachte deze schijf moet hebben gebruikt.

De stellingen van de verdediging met betrekking tot de tijdstippen waarop de Truecrypt-schijf voor het laatst gekoppeld was aan de computers van de verdachte zijn feitelijk onjuist. Zo is bijvoorbeeld door de politie vastgesteld dat het tijdstip waarop de Truecrypt-schijf gekoppeld was aan de laptop van de verdachte, 19 december 2013 08:05:14 uur, het moment van aankoppelen weergeeft en niet het moment van het ontkoppelen zoals de verdediging heeft gesteld.66

Tenslotte overweegt het hof nog het volgende. In de stellingen van de verdediging ligt besloten dat alle gegevens en gegevensdragers die de verdachte heeft gebruikt ook allemaal tijdens de doorzoeking (moeten) zijn aangetroffen en in beslag (moeten) zijn genomen. Dit staat zonder toelichting van de verdachte op dit onderdeel, die eveneens ontbreekt, geenszins vast. Uit recent onderzoek is verder naar voren gekomen dat de verdachte vlak vóór zijn aanhouding handelingen heeft verricht om sporen te wissen van, of gegevens ontoegankelijk te maken op, zijn desktopcomputer. Deze handelingen kunnen worden afgeleid uit dit onderzoek naar gegevens op de harde schijven van de verdachte:67

  1. Het programma WinRar is vlak vóór de aanhouding van de verdachte (op 13 januari 2014 om 22:00 uur) gebruikt en wel rond 21.46 uur. Met dit programma kunnen bestanden worden ingepakt en optioneel met een wachtwoord worden versleuteld. Op de tweede harde schijf van de desktop zijn versleutelde RAR-bestanden aangetroffen. Het NFI heeft tevergeefs geprobeerd deze te ontsleutelen, zodat de inhoud ervan onbekend is gebleven.

  2. Op de eerste harde schijf van de desktop heeft kennelijk aan Skype gerelateerde bestandsactiviteit plaatsgevonden. Op basis van hetgeen de politie kon vaststellen, heeft dit die avond tussen 21.47 en 21.56 uur plaatsgevonden. Dit zijn aanwijzingen dat het programma Skype toen is gebruikt of geïnstalleerd.

  3. Er zijn aanwijzingen gevonden dat het programma Shredder die avond is gebruikt omstreeks 21.59.04 uur. Met dit programma kunnen bestanden volledig overschreven worden, zodat deze niet meer teruggehaald kunnen worden. De verbalisant kon niet vaststellen of en welke bestanden hiermee mogelijk zijn verwijderd.

  4. De desktopcomputer is rond 21.59.04 uur opnieuw opgestart, waardoor alle sporen van eerder computergebruik die in het werkgeheugen waren opgeslagen zijn gewist. De daarna gemaakte geheugendump bevatte geen informatie over voorafgaande gebruikersactiviteit.68

Hieruit volgt dat het ontbreken van belastende bestanden niet verklaard behoeft te worden door te verwijzen naar de Truecrypt-schijf, zodat ook dit argument van de verdediging wordt verworpen.

Slotsom

Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen moet worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de in zijn woning aangetroffen gegevensdragers en dat hij de gebruiker was van een groot netwerk van accounts. De ontkoppelingsmethoden van de verdediging kunnen de accounts niet van het netwerk losmaken. Het door het hof reeds vastgestelde netwerk van accounts die steeds naar de verdachte zijn te herleiden, blijft dan ook in stand.

14 Aanvullende bewijsoverwegingen op deeldossierniveau

De feiten waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken zijn in hoger beroep niet meer aan de orde, met uitzondering van de subsidiair tenlastegelegde feiten onder 63 tot en met 66. Een groot deel van de tenlastegelegde feiten kan worden bewezen op basis van de bewijsmiddelen en de algemene overwegingen die hiervoor uiteengezet zijn.

In een aantal gevallen volstaan deze algemene overwegingen niet. Op het bewijs in die deeldossiers wordt hieronder nader ingegaan.

Als het hof in één deeldossier concludeert dat de verdachte de gebruiker was van een specifiek account, gaat het hof er, zoals hiervoor al is overwogen, van uit dat de verdachte de enige gebruiker was van dat account. Daarmee staat dan ook vast dat de berichten van dat account in een ander deeldossier eveneens van hem afkomstig zijn.

De verdediging heeft per D een groot aantal onderwerpen aan de orde gesteld die hiervoor al zijn besproken, bijvoorbeeld bij de ontkoppelingen. Het hof zal per D deze verweren die besloten liggen in de zaaksoverstijgende verweren en die hiervoor reeds zijn verworpen hieronder niet opnieuw op het niveau van het betreffende zaaksdossier behandelen.

14a. Minderjarige D’s

D1 (feiten 1 en 2)

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het vervaardigen van kinderpornografie, omdat niet kan worden vastgesteld hoe de afbeeldingen zijn gemaakt. Ook het bezit van kinderpornografie kan niet worden bewezen en evenmin de poging tot aanranding, aldus de verdediging.

Het hof acht beide feiten bewezen.69 D1 heeft gechat met ‘ [variant 16 naam 1] ’ en ‘ [variant 5 naam 1] ’, allebei aliassen van de verdachte. ‘ [variant 5 naam 1] ’ stuurde D1 op 7 maart 2013 een kinderpornografische afbeelding en dreigde deze door te sturen naar vrienden en familie van D1.70 Uit het informatief gesprek met de moeder van D1 volgt dat die afbeelding is gemaakt tijdens een eerdere chat die D1 had met ‘ [variant 16 naam 1] ’, twee of drie jaar vóór juli 2013.71 Ook ‘ [naam 30] ’ bedreigde D1 en stuurde haar op 5 december 2012 een afbeelding.72 ‘ [naam 23] ’, één van de accountnamen van de verdachte, noemde ook de Skypenaam die gebruikt moest worden: [naam 31] ’.73 Deze Skypenaam is aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte. Daar zijn bovendien chatgesprekken aangetroffen van [naam 1] met D1 in de periode van mei en juni 2012 en een bladwijzer naar het Facebook-account van D1.74

D2 (feiten 3 en 4)

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3, het verspreiden van kinderporno, omdat uit het dossier lijkt te kunnen worden afgeleid dat D2 naaktfoto’s van zichzelf heeft gemaakt en verspreid.

Wat er zij van de stelling van de verdediging, het gaat erom of (ook) de verdachte kinderpornografische foto’s van D2 heeft verspreid. Het hof acht dit feit bewezen. Uit de verklaring van D2 volgt dat ‘ [naam 1] ’ tijdens een chat met D2 haar heeft opgedragen voor de webcam haar borsten en vagina te betasten en dat ‘ [naam 1] ’ heeft gedreigd naaktfoto’s te verspreiden aan familieleden en vrienden van D2. 75 Op 28 en 29 juni 2013 en op 18 juli 2013 heeft de alias van de verdachte ‘ [variant 6 naam 1] / [e-mail variant 3 naam 1] ’ afbeeldingen van D2 gestuurd aan diverse familieleden van D2.76 Deze afbeeldingen zijn beschreven;77 het hof is van oordeel dat deze van kinderpornografische aard zijn.

In het dossier van D2 zijn, evenals bij D36, berichten aangetroffen van ‘ [e-mail naam 32] ’ waarin personen uit de directe omgeving worden gewaarschuwd voor het gedrag van die D op internet en worden geconfronteerd met een compromitterende afbeelding van D2 (de schooldirecteur) onderscheidenlijk D36 (onder meer de politie en de werkgever van D36). Nu ten aanzien van D2 is vastgesteld dat de accounts van de verdachte ‘ [variant 6 naam 1] / [e-mail variant 3 naam 1] ’ afbeeldingen van D2 heeft verspreid, acht het hof het voldoende vaststaan dat [e-mail naam 32] , die in haar berichten hierop voortborduurt en afbeeldingen meestuurt, eveneens een account is van de verdachte.

D3 (feit 6)

De verdediging heeft betoogd dat ook vrijspraak moet volgen van feit 6, omdat de chats met D3 plaatsvonden in de periode april-mei 2013 met het account ‘ [variant 17 naam 1] ’ terwijl van dit account geen spoor is gevonden op de gegevensdragers die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen.

Het hof acht feit 6 (primair) wel bewezen. Op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 stonden onder meer een MSN-chat van ‘ [naam 1] ’ met D3 van 14 januari 201278 en bladwijzers met gegevens van personen uit de omgeving van D3.79 De moeder van D3 heeft daarvan namen van familieleden herkend.80 Het Skype-account ‘ [variant 17 naam 1] ’ is bovendien wel degelijk te verbinden aan de verdachte. De als alias van de verdachte reeds genoemde ‘ [variant 5 naam 1] ’ heeft D3 in januari 2013 het nieuwe Skype-adres ‘ [variant 13 naam 1] ’ meegedeeld, in februari 2013 als nieuw Skype-adres ‘ [variant 11 naam 1] ’ en tenslotte op 27 april 2013 tegen D3 gezegd dat zij ‘ [variant 17 naam 1] ’ als Skype-adres moest toevoegen.81 Op deze wijze zijn al deze ‘ [naam 1] ’-varianten te verbinden met de verdachte, dus ook de door de verdediging betwiste accountnaam.

D4 (feiten 7 en 8)

De verdediging heeft eveneens vrijspraak van deze feiten bepleit, mede omdat de tenlastegelegde afbeelding niet op een gegevensdrager van de verdachte is aangetroffen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit de bewijsmiddelen82 blijkt het volgende. Bij een Facebook-chat tussen ‘ [variant 6 naam 1] ’ en D4 bleek door ‘ [variant 5 naam 1] ’ op 11 april 2013 een afbeelding van D4 te zijn bijgevoegd.

Zoals uit de algemene overwegingen van het hof volgt, werden deze verwante accounts door de verdachte gebruikt. Hieruit volgt dat bewezen kan worden dat de verdachte de afbeelding in bezit heeft gehad. Uit de beschrijving door een verbalisant volgt dat een meisje op de foto is afgebeeld, erotisch poserend, waarbij een naakte borst zichtbaar in beeld is gebracht. D4 is geboren in 1999 en deze afbeelding is aan te merken als kinderpornografisch.

De overige in de pleitnota door de verdediging beschreven verweren zijn reeds gevoerd ter toelichting op de eerder verworpen verzoeken. Het hof verwijst naar de processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof van 15 januari 2018 en 8 november 2019 voor de verwerping van deze verweren.83

D5 (feit 10)

De verweren van de verdediging op dit onderdeel zijn alle reeds besproken in het algemene deel, zodat daarop hier niet wordt ingegaan.

Gezien de inhoud van de teksten van ‘ [variant 2 naam 19] ’/’ [e-mail variant 1 naam 19] ’ in de chatgespreken met D5 op 6 januari 2012 in samenhang met andere chats van ‘ [naam 23] ’ en ‘ [e-mail variant 4 naam 6] ’ met hetzelfde slachtoffer84 vat het hof de woorden ‘reageer op me en reageer snel’ evenals de rechtbank op als een opdracht aan D5 om een chatgesprek aan te gaan met als doel haar voor een webcam een seksuele gedraging te laten verrichten, onder meer door het aannemen van een seksuele pose.

D6 (feit 11)

De verdediging heeft gesteld dat geen verband kan worden vastgesteld tussen de verdachte en D6, omdat onduidelijk blijft op welke gegevensdragers aanknopingspunten naar contacten tussen beiden zijn aangetroffen.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat er wel degelijke aanknopingspunten zijn.

Uit bewijsmiddel D6.3 volgt dat op de Western Digital harde schijf van de verdachte met beslagnummer OI013.04.01.005 seksueel getinte chatgesprekken tussen [naam 1] en D6 op 1 december 2011 zijn aangetroffen.

Daarnaast heeft D6 verklaard dat zij de gebruiker was van een Skype-account en een emailadres die in een pagefil.sys-bestand op gegevensdrager OI013.03.01.001.001 zijn aangetroffen.85

De accountnaam ‘ [variant 4 naam 1] ’ is ook aangetroffen bij onderzoek aan de laptop van D6.86

De stelling van de verdediging dat D6 uiteindelijk heeft erkend dat zij het seksueel getinte filmpje op haar computer heeft verspreid, strookt niet met de inhoud van haar verklaring waarvan een deel is opgenomen in bewijsmiddel D6.2.

D7 (feit 12)

De verdediging heeft ook hier vrijspraak bepleit en in dat verband gesteld dat aannemelijk is dat niet D7 maar haar vader alle chats, dan wel de meeste chats, heeft gevoerd met de dader.

Het hof verwerpt deze stelling. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de vader van D7 verklaard dat het uitgesloten is dat door zijn toedoen een foto van ‘ [naam 1] ’ op zijn laptop is terechtgekomen en bovendien dat flarden van chats van zijn dochter op de laptop van zijn vrouw zijn aangetroffen.87 D7 wilde aanvankelijk niet verklaren over de inhoud van de chats met ‘ [naam 1] ’88, maar uiteindelijk heeft zij de inhoud daarvan beschreven,89 die ook wat betreft de verrichte seksuele handelingen en het daarbij gebruikte voorwerp overeenkomen met de inhoud van de chats tussen ‘ [naam 1] ’ en D9 op 5 en 10 december 2011. Deze chats zijn aangetroffen op de harde schijf OI013.04.01.005 van de verdachte. 90

D8 (feit 13)

De verdediging heeft hier vrijspraak bepleit omdat op een gegevensdrager in de woning van de verdachte weliswaar een bestandspad is aangetroffen met mogelijk een verwijzing naar een afkorting van de naam van D8, maar dat dit slechts een verwijzing betreft en dat de inhoud van het bestand onbekend is.

Het hof deelt de opvatting van de verdediging niet.

D8 heeft in haar verklaring haar MSN-naam genoemd,91 die overeenkomt met de in het bedoelde bestandspad vermelde naam, die is aangetroffen op de laptop van de verdachte ( OI013.03.02.001.001 ).92 Het hof beziet dit gegeven in samenhang met het op de harde schijf OI013.04.01.005 aangetroffen emailadres van D893 en een chatconversatie met datzelfde meisje.94 Daarnaast zijn op de harde schijf OI013.04.01.005 chats aangetroffen tussen ‘ [naam 1] ’ en D8 in de periode van 17 juni 2012 tot en met 13 juli 2012. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in de chats van 17 en 18 juni 2012 expliciet aan de orde komt op welke manier ‘ [naam 1] ’ aan D8 voorschrijft welke seksuele handelingen zij voor de webcam bij zichzelf moet verrichten, in welke volgorde en hoe zij dit moet doen, ondanks het feit dat D8 zegt dat ze nog maar 14 jaar is.95

D9 (feit 15)

Primair
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat D9 door de dwang van de verdachte daadwerkelijk is overgegaan tot het plegen van ontuchtige handelingen, zodat de verdachte van het hem onder 15 primair tenlastegelegde feit (het voltooide misdrijf van artikel 246 Sr) zal worden vrijgesproken.

Subsidiair

Uit het dossier volgt dat aliassen van de verdachte geprobeerd hebben D9 te dwingen seksuele handelingen bij zichzelf te laten verrichten. Daarom is de poging tot aanranding bewezen. Zo heeft ‘ [variant 2 naam 19] / [e-mail variant 1 naam 19] // [naam 15] ’ op 30 januari 2012 aan D9 geschreven dat zij ‘shows’ moest doen, omdat anders haar familie haar sexy stuff zou krijgen. Op 31 januari 2012 heeft ‘ [variant 2 naam 19] ’ twee video's als bijlagen bij zijn bericht aan D9 gevoegd en gedreigd deze te zullen verspreiden naar haar vrienden, familie, de plaatselijke autoriteiten en vijf met name genoemde pornosites.96 Op OI013.04.01.005 zijn chats van deze bestanden met D9 aangetroffen,97 evenals een bladwijzermap met een groot aantal namen.98 Bovendien is op de laptop van de verdachte OI013.03.02.001.001 een tekst aangetroffen waarin wordt gezegd dat de afzender een shower dildo video met D9 heeft en van plan is deze naar de politie en haar school te sturen.99

D10 (feiten 16 en 17)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de gebruiker is van het Facebook-account ‘ [naam 30] ’. De door deze afzender genoemde Skypenaam ‘ [naam 31] ’ is ook vermeld als contact van D1 en is aangetroffen op de harde schijf van de verdachte OI013.04.01.005 .100Op 6 december 2012 is vanaf dat account een afbeelding van D10 met een seksuele strekking verspreid naar vele personen. Het hof gaat er ook van uit dat de verdachte de gebruiker was van het Facebook-account ‘ [naam 33] ’, een nepaccount met een variatie op de naam van D10. De oorspronkelijke naam van dit Facebook-account was ‘ [naam 34] .101 Op 5 december 2012 had ‘ [naam 30] ’ vanaf 22.31 uur een chatgesprek met D10 en binnen een half uur na diens laatste bericht verstuurde ‘ [naam 33] ’ vanaf 23.43 uur berichten met eenzelfde strekking aan D10. ‘ [naam 33] ’ zegt in die chat op dat moment een naaktfoto van D10 als profielfoto in te stellen. Op 6 december 2012 is vanaf het account ‘ [naam 33] ’ een door de Engelse politie als indecent picture aangeduide afbeelding van D10 verspreid aan een aantal van haar contacten.102

Afbeeldingen

Uit het deeldossier van D10 blijkt dat zowel ‘ [naam 30] ’ als ‘ [naam 33] ’ via Facebook een afbeelding van D10 met een seksuele strekking heeft verspreid. Het hof gaat ervan uit dat dit de twee afbeeldingen van D10 zijn die als kinderpornografisch zijn te beschouwen103, omdat er geen andere afbeeldingen van D10 in het dossier voorkomen.

Twee andere afbeeldingen, die als niet kinderpornografisch zijn beoordeeld, zijn kennelijk de afbeeldingen van een andere vrouw die D10 via Facebook aan ‘ [naam 30] ’ had verzonden. D10 heeft immers verklaard dat zij een foto van een andere vrouw had verknipt en dat ‘ [naam 30] ’ daarmee geen genoegen nam.

D11 (feiten 18 en 19)

Betoogd wordt onder meer dat de verdachte niet als gebruiker kan worden aangemerkt van het Facebook-account op naam van [variant 5 naam 19] , waarmee D11 is benaderd.

In de overwegingen van het hof omtrent de omvang van het netwerk van accounts waarvan de verdachte de gebruiker was, is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de Facebook-accounts op naam van ‘ [naam 6] ’, ‘ [variant 3 naam 6] ’, ‘ [naam 19] ’ en ‘ [variant 5 naam 1] ’. Uit de inhoud en de volgorde van de via Facebook door ‘ [naam 6] ’ en ‘ [variant 5 naam 19] ’ aan D11 verzonden berichten volgt dat beide accounts door de verdachte zijn gebruikt. Een sterke aanwijzing daarvoor is ook dat uit de door Facebook verstrekte gegevens blijkt dat bij het Facebook-account op naam van ‘ [variant 5 naam 19] ’ is opgegeven onder ‘alternate emails provided’ het emailadres “ [e-mail variant 5 naam 6] ”, terwijl de verdachte meermalen van dergelijke yahoo-adressen met een variërend aantal s-en gebruik heeft gemaakt, en als ‘date of birth’ is opgegeven “ [geboortedatum] ”, hetgeen ook het geval is bij andere aan de verdachte toegeschreven Facebook-accounts, waaronder die op naam van ‘ [naam 6] ’.

D13 (feit 22)

Anders dan de advocaten-generaal hebben betoogd, merkt het hof de foto van D13, opgenomen in de toonmap als afbeelding 3, niet als kinderpornografisch aan. Zij is daarop te zien liggend onder een dekbed met ontblote hals, zonder dat evident is dat deze foto deel uitmaakt van een serie foto’s van kinderpornografische aard. De afbeelding van D13 met een hond tussen haar benen die haar geslachtsdeel likt, moet naar het oordeel van het hof wel worden gekwalificeerd als kinderpornografisch.

‘ [variant 6 naam 1] ’ verstuurde op 9 mei 2013 berichten aan D13: “we used to play on cam”, “add me on skype: [variant 18 naam 1] ” en “lets do again”. In het licht van hetgeen daaraan tussen ‘ [naam 1] ’ en D13 is voorafgegaan moeten deze berichten aldus worden opgevat dat daarmee opdracht wordt gegeven geheel of gedeeltelijk ontkleed voor de webcam te verschijnen en vervolgens één of meer ontuchtige handelingen te verrichten. ‘ [variant 6 naam 1] ’ heeft op 27 juli 2013 aan D13 laten weten dat zij Skypenaam ‘ [variant 18 naam 1] ’ moest toevoegen omdat anders haar foto’s ‘with dog licking pussy’ naar haar ouders, familie en vrienden zou gaan. In datzelfde bericht zegt ‘ [variant 1 naam 1] ’ “If you play with me 10 times I will delete the pictures”.

Tenslotte heeft D13 ook verklaard dat ‘ [naam 1] ’ haar heeft gezegd ze ‘het naar familie en vrienden van D13 zou sturen indien zij niet meer foto’s zou doen’.

D15 (feit 25)

Namens de verdachte is aangevoerd dat de toetsaanslagen en het gevloek die op de OVC-opnamen zijn te horen op het moment waarop de Britse undercover-agente via het account van D15 contact had met ‘ [naam 1] ’, verband hielden ‘met lange brieven die de verdachte aan het typen was namens jeugdvriend V02’. Hoewel niet geheel kan worden uitgesloten dat de verdachte omstreeks dit tijdstip ook brieven heeft getypt, bevestigt het aangevoerde dat de verdachte achter de computer zat op het moment waarop ‘ [naam 1] ’ contact zocht met D15. Verder staat het aangevoerde er geenszins aan in de weg om, zoals het hof doet, aan te nemen dat de verdachte degene was achter deze ‘ [naam 1] ’ en dus degene die op dat moment (ook) communiceerde met de Britse undercoveragent.

D16 (feiten 26 en 27 primair)

De verdediging heeft erop gewezen dat (op p. D16-122 en verder) emailberichten afkomstig van het adres [e-mail naam 32] zijn opgenomen, terwijl de politie (op p. D16-130) zegt dat dit emailadres niet bestaat. In het licht van de vanaf dit emailadres verstuurde berichten die zich in het dossier bevinden, is evident dat dit emailadres wel bestaat of in elk geval heeft bestaan. Het hof verstaat de mededeling van de Britse verbalisant (op p. D16-130) dan ook aldus, dat hij op grond van uitgevoerde checks heeft geconstateerd dat [naam 32] in de vorm zoals voorgewend in de emails niet bestaat.

D17 (feiten 28 en 29)

De als kinderpornografisch te duiden afbeelding van D17 is via Facebook naar D17 gestuurd met gebruikmaking van de Facebook-accounts op naam van ‘ [naam 35] ’ op 11 juni 2013 en op naam van ‘ [naam 36] ’ op 15 juni 2013. Vanaf dit laatste account is dezelfde afbeelding verzonden aan de vriend van D17. ‘ [naam 35] ’ en ‘ [naam 36] ’ hebben aan D17 en haar vriend als Skypenamen onderscheidenlijk ‘ [naam 37] ’ en ‘ [variant 2 naam 1] ’ doorgegeven. Ook ‘ [variant 15 naam 1] ’ heeft D17 benaderd. Hiermee wordt een verband gelegd tussen deze Skypenaam en de bekende ‘ [variant 15 naam 1] ’ accountnaam van de verdachte. Voor ‘ [variant 2 naam 1] ’ is dit verband in het algemene deel van dit arrest al toegelicht.

Vanaf beide accountsnamen en [naam 1] zijn daarnaast in dezelfde periode berichten met een soortgelijke strekking verzonden aan D16. Het hof neemt op grond van één en ander aan dat ‘ [naam 35] ’ en ‘ [naam 36] ’ aliassen zijn van de verdachte. Daaruit volgt dat het de verdachte is geweest die de afbeelding van D17 in bezit heeft gehad en heeft verspreid.

De opmerking van ‘ [naam 36] ’ “add [naam 1] to skype” moet, gezien de verdere inhoud van de chatconversatie tussen D17 en ‘ [variant 15 naam 1] ’ die bij D17 bleef aandringen haar bovenkleding uit te doen, zo worden opgevat dat de verdachte D17 opdraagt geheel of gedeeltelijk ontkleed voor de webcam te verschijnen en vervolgens een of meer ontuchtige handelingen te verrichten.

D19 (feiten 32 en 33)

Uit het dossier blijkt dat D19 is gechanteerd door iemand die zich [naam 38] noemde. Daarnaast is vanaf een vals Facebook-account met een verbastering van de naam van D19 tweemaal een kinderpornografische afbeelding verstuurd aan personen uit de sociale omgeving van D19. Volgens de verdediging is er geen verband tussen deze accounts en de verdachte en moet hij van de feiten 32 en 33 worden vrijgesproken.

Het hof is het eens met de verdediging dat er geen directe link is tussen de verdachte en de Facebook-accounts op naam van [naam 38] en het account met de verbastering van de naam van D19. De feiten 32 en 33 kunnen echter wel bewezen worden verklaard op grond van de navolgende feiten en omstandigheden.

D19 heeft in juli 2012 via Skype gechat met ‘ [variant 1 naam 8] ’ en ‘ [variant 2 naam 8] ’. Een deel van die chats was seksueel getint. Deze chats zijn aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte deze chats met D19 heeft gevoerd. Dat hij in 2012 seksueel getint contact via internet met haar heeft gehad, staat dus vast.

In een groot deel van de zaaksdossiers waarvan het hof de feiten bewezen acht, kan geconstateerd worden dat de verdachte contact opnam met de slachtoffers met – globaal gezegd – tussenpozen van een half jaar tot een jaar. In elke fase werden meestal verschillende namen gebruikt.104

D19 heeft een half jaar na het contact met de ‘ [naam 8] ’-varianten contact gehad met het Facebook-account met daarin de verbastering van haar naam en – nadat dit account was geblokkeerd – een dag daarna met het Facebook-account op naam van ‘ [naam 38] ’. Degene achter het Facebook-account met de verbastering van de naam van D19 wilde op 18 december 2012 dat zij hem op Skype als ‘ [variant 1 naam 38] ’ toevoegde en ‘ [naam 38] ’ schreef haar een dag later “When you give your Skype I will delete this Facebook”. Naar het oordeel van het hof refereert ‘ [naam 38] ’ hiermee aan het Facebook-account op naam van de verbastering van de naam van D19. Overigens had [naam 38] als emailadres ‘ [e-mail variant 1 naam 38] ’, hetgeen door de gelijkenis een verband veronderstelt met Skype-naam ‘ [variant 1 naam 38] ’.

Tussen 27 december 2012 en 4 januari 2013 benaderde een Facebook-account met een anders verbasterde naam van D19 bekenden van D19. D19 moest ook van de gebruiker van dit account contact opnemen via de Skypenaam ‘ [variant 2 naam 38] ’. Ook werd twee maal een kinderpornografische afbeelding van D19 meegestuurd. Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat ‘ [naam 38] ’ en de twee accounts met verbasteringen van de naam van D19 drie aliassen zijn van dezelfde persoon.

Deze aliassen hebben onder meer een aantal shows van D19 geëist,105 waarmee zij kon voorkomen dat haar naaktfoto’s zouden worden verspreid aan vrienden, familie en leraren.106

In een groot aantal bewijsmiddelen van de andere slachtoffers komen soortgelijke opdrachten/dreigementen voor, evenals een waarschuwing – nadat het slachtoffer niet meewerkte – van een zogenaamde welzijnsorganisatie aan politie, familieleden of de school107 dat het slachtoffer zichzelf blootgeeft op internet (hetgeen het hof als een zeer specifiek onderdeel van de modus operandi van de verdachte beschouwt) en het aanduiden van het slachtoffer als pet (huisdier). Van een aantal slachtoffers zijn bovendien, net als van D19, nep-Facebook-accounts gemaakt met een profielfoto van hun deels naakte lichaam.108 Overigens volgt ook nog uit het dossier dat de verdachte bekend was met 4chan, waarop compromitterend materiaal van D19 te vinden was.109

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang, bezien, komt het hof tot de slotsom dat de verdachte ook de man achter het toetsenbord bij het gebruik van de hiervoor bedoelde accounts is geweest.

D20 (feit 35)

D20 ontving dreigberichten van onder meer de Facebook-accounts ‘ [variant 5 naam 19] ’, ‘ [naam 17] ’ en ‘ [naam 39] ’ en van ‘ [variant 2 naam 19] ’ via het emailadres ‘ [e-mail variant 1 naam 19] .’ Van de eerste twee genoemde Facebook-accounts en van het emailadres kan op basis van de algemene methode worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van die accounts was. Het Facebook-account ‘ [naam 39] ’ zei tegen D20 dat ze contact moest opnemen met ‘ [variant 6 naam 6] ’. Vastgesteld kan worden dat de verdachte de gebruiker was van het emailadres [e-mail variant 4 naam 6] (dus met dubbel ‘c’). Deze emailadressen vertonen zeer grote gelijkenissen. Uit de overwegingen in het algemene deel volgt dat de verdachte zichzelf bediende van een aantal varianten op bepaalde namen door één of meer dezelfde letters aan de oorspronkelijke naam toe te voegen, bijvoorbeeld het aantal ‘s’-en van ‘ [naam 6] ’. Daarmee neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte ook de gebruiker was van het Facebook-account ‘ [naam 39] ’. Tenslotte wordt opgemerkt dat D21 eveneens werd benaderd door een aantal accountnamen die ook D20 hebben benaderd,110 en dat ‘ [e-mail variant 6 naam 19] ’ ook in dit dossier voorkomt, zoals in vele andere contacten met andere slachtoffers.111

D22 (feit 39)

De verdediging heeft betwist dat het account ‘ [naam 17] ’ aan de verdachte te relateren is.

Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van het account ‘ [naam 17] ’/’ [naam 15] ’ was. De opmerking van ‘ [naam 17] ’ “add me on skype …”, moet, gezien de inhoud van chats tussen de verdachte en andere slachtoffers in deze zaak, zo worden opgevat dat daarmee opdracht wordt gegeven de webcam in te schakelen en vervolgens via het Skype-contact ontkleed voor de webcam te verschijnen en één of meer ontuchtige handelingen te verrichten. Op 22 januari 2012 heeft ‘ [naam 17] ’ D22 opgedragen: “skype [naam 15] / [e-mail variant 1 naam 16]” op MSN toe te voegen en op die dag heeft dit account ook aan D22 laten weten de masturbatievideo in de bijlage aan diverse personen te zullen sturen en heeft hij deze tenslotte ook verspreid. Op dezelfde dag heeft ‘ [naam 17] ’ eveneens een bericht aan D21 gestuurd met de inhoud “add me on skype [naam 15] ” of [e-mail variant 1 naam 16] .com” omdat anders het aangehechte bestand met daarbij gevoegd een screenshot van D21 zou worden verspreid. Dit illustreert de context en de dreiging die uitging van ‘add me on skype’ en de gevolgen voor het desbetreffende meisje als niet aan die eis werd voldaan.

D23 (feiten 40 en 41)

De gebruiker van het Facebook-account ‘ [naam 40] ’ heeft berichten verstuurd aan een tante van D23 met een aantal internetlinks met vier afbeeldingen van D23 met een seksuele strekking.112 Op de Western Digital harde schijf van de verdachte met beslagnummer OI013.04.01.005 komt een groot aantal bladwijzers voor die verwijzen naar social media-accounts van D23 en vermoedelijke familieleden en vrienden van D23.113 ‘ [naam 40] ’ verstuurde berichten naar een aantal van de in die bladwijzers vermelde accounts. In die berichten verwijst zij naar een internetlink die in dezelfde map met bladwijzers is opgeslagen.

Ook kan worden vastgesteld dat D23 in contact is gekomen met [e-mail variant 3 naam 6] , een gebruikersnaam van de verdachte.114 Uit genoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien volgt dat de verdachte de gebruiker was van het Facebook-account ‘ [naam 40] ’.115

Het hof acht bewezen dat de verdachte aan D23 heeft gedreigd één of meer naaktfoto’s van haar te zullen verspreiden, gezien het op Tumblr.com aangetroffen bericht aan D23:”I already saved your twitter followers and following. You are fucking your life up well. 5 shows on skype and this ends or your life will be fucked up. Email me at [e-mail variant 3 naam 6] ”116in samenhang met de verklaring van D23 dat de dader haar had laten weten: “Ik weet wie je moeder is en ik ga deze video naar haar sturen tenzij je vijf video’s op Skype voor me doet”.

D24 (feit 42)

Op de schijf van de verdachte OI013.03.02.001.001 zijn chatberichten aangetroffen die gewisseld zijn tussen ‘ [naam 19] ’/‘ [e-mail naam 29] ’ en D24. ‘ [e-mail naam 29] ’ droeg D24 voortdurend op hem Master te noemen, hij noemt haar zijn sexy pet en zegt in welke standjes zij sexy foto’s moet maken. Met het aantreffen van deze chats op deze harde schijf van de verdachte is er een duidelijk verband met hem.

In de laptop van D24 zijn 126 foto’s en 11 video’s met seksueel getinte afbeeldingen van haar aangetroffen.117 De foto’s maken deel uit van serie 1 en de video’s van serie 2. De foto’s zijn als serie beschreven maar niet afzonderlijk. In dit zaaksdossier is één foto te koppelen aan de verdachte. Dit is de foto die op 7 oktober 2013 vanaf het emailadres van ‘ [naam 19] ’ ‘ [e-mail naam 29] ’ aan D24 is gestuurd.118 Deze foto is ondergebracht in de toonmap van D24 en het hof heeft deze gezien. Het hof heeft geconstateerd dat het om een kinderpornografische afbeelding gaat. Voor zover uit het dossier niet op te maken is om welke foto van serie 1 het precies gaat, is bij de bewezenverklaring van dit feit aangesloten bij de beschrijving van de hele serie.119

D26 (feiten 46 en 47)

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van deze feiten op de grond dat het kinderpornografische materiaal niet bij hem is aangetroffen en de verzenders van de links naar afbeeldingen, ‘ [naam 41] ’ en ‘ [naam 36] ’, niet aan de verdachte zijn te koppelen.

Het hof acht deze feiten wel bewezen, omdat diverse concrete verbanden zijn te leggen tussen de chats en de verdachte. Bij Facebook-account ‘ [naam 41] ’ is ‘ [e-mail naam 42] ’ als emailadres geregistreerd. Met deze naam is op 10 juli 2013 een familielid van D26 benaderd. In dat bericht doet ‘ [naam 41] ’ zichzelf voor als een medewerker van een kinderbeschermingsgroep.120

Met datzelfde emailadres is nog geen twee weken daarvoor (op 29 juni 2013) ook een familielid van D2 benaderd.121 Bij die email is een afbeelding van haar meegestuurd. Op dezelfde dag, 29 juni 2013, heeft ‘ [variant 6 naam 1] ’ aan een familielid van D2 een afbeelding met dezelfde naam verzonden.122 Bij Facebook-account ‘ [variant 6 naam 1] ’ zijn twee emailadressen geregistreerd [e-mail naam 43] en [e-mail variant 3 naam 1] ), die zijn teruggevonden op de Western Digital harde schijf van de verdachte met beslagnummer OI013.04.01.005 .

De Facebooknaam ‘ [naam 36] ’ is ook aan de verdachte te koppelen. Deze noemt in een chat met D17 als Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’. Hiervoor is al vastgesteld dat dit eveneens een alias is van de verdachte.123

Tenslotte is ook via emailadres ‘ [e-mail naam 29] ’/’ [naam 19] ’ gechat met D26,124 welk emailadres op de harde schijf OI013.02.02.002 van de verdachte is gevonden.

Gezien deze feiten, in onderling verband en samenhang bezien, vindt het hof voldoende verankering in het dossier om de bovengenoemde accounts met de verdachte verbonden te achten.

D27 (feit 49)

De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak: D27 zegt dat zij [naam 19] heeft gezien en zij heeft hem omschreven als een man met een donker uiterlijk. Aan haar is een foto van de verdachte getoond, maar zij heeft hem niet herkend. Daarnaast is D27 rond en na 13 januari 2014 benaderd door een Skypegebruiker genaamd ‘ [naam 42] ’. De verdachte zat toen al vast. Dus is in dit dossier geen verband met de verdachte vast te stellen, aldus de verdediging.

In zijn algemene overwegingen heeft het hof, verwijzend naar de bewijsmiddelen, al uitvoerig stilgestaan bij het feit dat de verdachte op zijn computers software had geïnstalleerd waarmee een virtuele webcam kon worden ingeschakeld. De omstandigheid dat D27 de verdachte niet van een foto heeft herkend, zegt dus op zichzelf niet zoveel. Het hof wil wel aannemen dat de verdachte niet te vereenzelvigen is met genoemde ‘ [naam 42] ’; mogelijk is D27 door een ander benaderd toen de verdachte al was aangehouden in deze zaak.

Het hof acht het feit echter wel bewezen. Uit de bewijsmiddelen, waaronder een zeer groot aantal opgeslagen bookmarks van D27 op een harde schijf van de verdachte, valt af te leiden dat het de verdachte is geweest die met de aan hem toe te rekenen accounts ‘ [variant 7 naam 6] / [e-mail variant 4 naam 6] ’, ‘ [naam 15] ’ en ‘ [naam 19] ’ contacten heeft gehad met D27 waarin haar werd opgedragen de in de tenlastelegging vermelde ontuchtige handelingen te verrichten.

D28 (feit 51)

De verdediging heeft ook van dit feit vrijspraak bepleit en heeft aangevoerd dat er geen relatie is tussen de verdachte en account [verkorte naam D28] of ‘ [e-mail naam 44] ’.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gebruik maakte van de Facebook-accounts ‘ [naam 6] ’ en ‘ [variant 5 naam 19] ’. Het hof gaat ervan uit dat ook de berichten die van het nep-account [verkorte naam D28] en het emailadres ‘ [e-mail naam 44] ’ zijn verstuurd afkomstig zijn van de verdachte, gelet op de strekking van deze berichten en de samenhang met berichten aan D28 van ‘ [variant 5 naam 19] ’, ‘ [naam 6] ’ en ‘ [naam 21] ’. Deze berichten hebben een opeenvolgend karakter en beschrijven het verloop van het plaatsen van beelden van D28 op pornosites.

Op 7 oktober 2011, kort na het aanmaken van het eerste bookmarkbestand betreffende D28 op OI013.04.01.005 , heeft ‘ [naam 6] ’ aan D28 laten weten ‘dat het nu op 14 sites staat’, hetgeen in de chronologie kan worden aangemerkt als de ‘eerste ronde’. ‘ [naam 6] ’ heeft haar op 12 oktober 2011 laten weten dat ze moet genieten van de tweede ronde van gestuurde foto’s. ‘ [naam 21] ’ verwijst op diezelfde datum naar een op een Facebook-account geposte video van D28 met een vriendin.

Het bericht van account [verkorte naam D28] aan D28 op 8 januari 2012 over de ‘derde en vierde ronde’ lijkt dan ook een verwijzing naar de stand van zaken die in de eerdere berichten aan D28 kenbaar is gemaakt.125

Het account [verkorte naam D28] verstuurde tevens berichten naar Facebook-accounts van mensen uit de sociale omgeving van D28. In die berichten wordt verwezen naar een opname van een naaktshow op internet. De bladwijzers op de Western Digital harde schijf van de verdachte met beslagnummer OI013.04.01.005 verwijzen naar de personen die via hun Facebook-accounts die berichten ontvingen. Ook is een bladwijzer aangetroffen met de link naar de met name genoemde school van D28. Account [verkorte naam D28] en ‘ [e-mail naam 44] ’ verwezen in hun berichten naar die school. Ook de datum waarop account [verkorte naam D28] dit bericht aan D28 verzond, kan in verband worden gebracht met de eveneens in januari 2012 aangemaakte bookmarks die op genoemde harde schijf van de verdachte zijn aangetroffen.126

Tenslotte overweegt het hof dat uit het dossier niet eenduidig valt af te leiden wat de politie heeft genoteerd met betrekking tot de leeftijd van D28 ten tijde van feit 51. Uit het dossier blijkt dat D28 is geboren op [geboortedatum] ; daarmee is dit onderdeel van de tenlastelegging ook te bewijzen.

D29 (feit 52)

De verdediging heeft gesteld dat geen koppeling gemaakt kan worden tussen dit profiel en de verdachte hetgeen tot vrijspraak moet leiden.

Het hof volgt de verdediging hierin niet.

De naam van D29 komt voor in de bookmarks van de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte. Op 16 augustus 2011 was het eerste dreigbericht van ‘ [naam 26] ’ aan D29. De eerste serie bookmarks zijn op de voormelde harde schijf van de verdachte opgeslagen op 18 augustus 2011. Op diezelfde datum zijn berichten van ‘ [naam 26] ’ aan D29 gezonden over plaatsing op de site “motherless” en met een dreiging dat D29 vijf shows moest geven. Op 20 augustus 2011 zijn opnieuw 24 contacten aangemaakt in de bladwijzers en ‘ [naam 26] ’ heeft op diezelfde dag berichten gestuurd aan relaties van D29 waarin wordt gewezen op sites met de video van D29.127 Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigt de conclusie dat de berichten van ‘ [naam 26] ’ zozeer verweven zijn met de handelingen die af te leiden zijn uit de gegevens op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte, dat ook deze accountnaam, die niet voorkomt in dossiers van andere slachtoffers, als een alias van de verdachte moet worden aangemerkt.

D31 feiten 55 en 56

De verdediging heeft haar conclusie tot vrijspraak, naast de algemene en reeds verworpen stellingen, geadstrueerd met de stelling dat D31 seksueel geladen contacten heeft gehad met [naam 43] en dat deze persoon op geen enkele wijze te koppelen valt aan de verdachte. Deze stelling van de verdediging is in zoverre juist dat geen aan de verdachte te koppelen Stickam-account – via Stickam vonden de contacten plaats tussen D31 en [naam 43] – is aangetroffen. In het licht van de beschrijving van de handelingen die D31 voor [naam 43] voor de webcam heeft verricht en de vergelijking daarvan met de beschrijving van het materiaal dat is aangetroffen op de bij de verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers, neemt het hof wel als vaststaand aan dat de verdachte de beschikking had over het door ‘ [naam 43] ’ vastgelegde materiaal. Het hof zal hem vrijspreken van het vervaardigen van dit materiaal, omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte niet zelf heeft vervaardigd, maar op een andere wijze in bezit heeft gekregen.

Uit de in bewijsmiddel D31.1 opgetekende verklaring van D31, in samenhang beschouwd met de tot het bewijs gebruikte Facebook-berichten (en de overige Facebook-berichten in het dossier van het account [verkorte naam D31] aan de ouders van D31) leidt het hof af dat via door de verdachte gebruikte Facebook-accounts [verkorte naam D31] en [naam 20] begin 2012 contact is opgenomen met D31 en met diverse personen in de directe sociale omgeving van D31, waarbij links zijn gestuurd naar (zo begrijpt het hof: door ‘ [naam 43] ’ vervaardigde) video's van D31 die op pornosites waren geplaatst. De profielfoto van het account [verkorte naam D31] betrof een afbeelding van D31 vanaf het middel waarbij alleen een huidkleurige BH werd gedragen: volgens D31 een stilstaand beeld uit de video die zij in 2008/2009 naar [naam 43] had gestuurd. Het bericht van [verkorte naam D31] van 15 februari 2012 is gericht geweest aan D31, zo begrijpt het hof uit de verwijzing door [verkorte naam D31] naar de profielfoto van dit account (een compromitterende foto van D31), die iedereen te zien zal krijgen als D31 niet luistert. In dit contact is aan D31 opgedragen hem op Skype toe te voegen als [naam 15] , een account van de verdachte. Verder is vermeld: “I have prepared it all”. Het hof beziet dit bericht van de verdachte aan D31 in samenhang met de op een harde schijf 04.01.002128 aangetroffen vijf video’s van D31, waarvan uit de beschrijving valt af te leiden dat deze kinderpornografisch van aard zijn. In dezelfde periode is met het door de verdachte gebruikte account op naam van [naam 20] gedreigd de video's en afbeeldingen van D31 te sturen naar haar vrienden en leraren van school indien D31 hem niet meer video's zou sturen.

D32 feit 57

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het bezit en verspreiden van een kinderpornografische afbeelding van D32: op de gegevensdragers van de verdachte is geen spoor aangetroffen van het facebookprofiel ‘ [naam 25] ’ of het daarbij behorende emailadres [e-mail naam 25] . ‘ [naam 25] ’ kan niet worden verbonden aan de accounts van de verdachte.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat genoemde Facebook-accountnaam niet voorkomt in andere D-dossiers. Het emailadres [variant 1 e-mail naam 25] komt overigens wel voor in het dossier van D34.

Dan dient te worden beoordeeld of op een andere manier kan worden vastgesteld dat de verdachte de bewuste webcamafbeelding van D32 in zijn bezit heeft gehad en of heeft verspreid.

Deze afbeelding is accessible op de harde schijf OI013.04.01.002 aangetroffen, met als file datum 2 mei 2011. Hoewel ‘ [naam 25] ’ niet rechtstreeks met de verdachte in verband kan worden gebracht, in dit dus indirect wel het geval. Hiermee staat vast dat de verdachte deze afbeelding in zijn bezit heeft gehad.

De verdediging heeft verder nog gesteld dat op de afbeelding een schermafdruk van een Apple computer zichtbaar is, waarover de verdachte nooit heeft beschikt, en teksten in de Noorse taal die de verdachte niet beheerst, zodat hij de afbeelding evenmin heeft verspreid.

Bij de bespreking van deze afbeelding is vermeld en dat een webadres van Blogtv is geopend en dat een Blog TV-videochat te zien is van een minderjarig meisje. Deze gegevens bevestigen dat het aanvankelijk niet de verdachte is geweest die de afbeelding heeft verspreid.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat ‘ [naam 25] ’ op 28 augustus 2011 aan 15 personen een afbeelding van D32, met de tekst: “They sent me this picture of D32 flashing her tit on BlogTV or something. Do you know her? That is just nasty she did that.”

Uit de informatie van Facebook kan niet opgemaakt worden om welke afbeelding het ging. De hiervoor bedoelde onder de verdachte aangetroffen afbeelding is aan D32 getoond. Zij verklaarde dat zij één van die afbeeldingen (blijkens het proces-verbaal kennelijk afbeelding 1, zoals vermeld in de tenlastelegging van feit 57) dezelfde afbeelding is die vanaf het account van ‘ [naam 25] ’ is verzonden.129 Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte deze afbeelding heeft verspreid.

D33 feit 58 en 59

De verdediging acht aannemelijk dat D33 foto’s van zichzelf vervaardigde en verspreidde.

Een naaktfoto van D33 is beschreven. Daarop is haar linkerhand te zien waarin is geschreven: Hey/soc/9/12/11, wat volgens de verdediging een verwijzing is naar de sectie soc van de site 4chan.org/soc.

Dit betoog wordt verworpen. Nep-account ‘ [naam 18] ’ heeft op 28 februari 2012 aan D33 en vier anderen via een internetlink naar de website van postimage.org een naaktfoto van D33 verspreid. Dit is dus niet de door de verdediging genoemde site. De afzender heeft gedreigd deze te publiceren op beroemde pornosites, tenzij D33 vijf camshows zou geven, dan zou dit materiaal verdwijnen. ‘ [naam 18] ’ heeft aan D33 meegedeeld dat D33 haar kon toevoegen onder de skypenaam ‘ [naam 15] ’. Hiervoor is reeds uiteengezet dat dit een alias is van verdachte.130 Bewezen is dus dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot aanranding van D33.

D34 feit 60

De verdediging stelt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bezit van een kinderpornografische afbeelding van D34. Het hof heeft de meeste verweren op dit onderdeel al eerder besproken. Rest nog het verweer dat van het account ‘ [naam 45] ’, die D34 heeft benaderd via het emailadres ‘ [variant 1 e-mail naam 25] ’ geen sporen op gegevensdragers van de verdachte zijn aangetroffen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde afbeeldingen van D34 in zijn bezit heeft gehad, omdat op zijn Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 een groot aantal afbeeldingen en een aantal films van D34 zijn aangetroffen. Het hof merkt deze afbeeldingen op grond van de beschrijvingen door de verbalisant als kinderpornografisch aan.131 Op dezelfde harde schijf is een chat aangetroffen tussen ‘ [naam 48] ’ met skypenaam ‘ [naam 15] ’ en D34, waarin wordt aangekondigd dat de kinderporno gepost zal worden op 17 beroemde pornosites als D34 geen vijf shows opvoert.132 De verdachte is de gebruiker van deze beide accountnamen, zoals al meermalen is vastgesteld. Tenslotte zijn op die harde schijf ruim 200 verwijzingen in de bookmarks aangemaakt.

Het account ‘ [variant 1 e-mail naam 25] ’ is in dit D-dossier van ondergeschikt belang. Overigens bestaat – als gezegd – wel een verband met een ander dossier, D32, die is benaderd door ‘ [e-mail naam 25] ’.

14b. Meerderjarige mannen

D35 (feit 62)

Uit de omstandigheid dat de verdachte, die de gebruiker was van het emailadres [e-mail naam 9] dat bij de afdreiging van D35 is gebruikt, de beschikking had over het compromitterende beeldmateriaal van D35 – met welk materiaal D35, naar het hof aanneemt via dit emailadres is geconfronteerd – leidt het hof af dat de verdachte ook degene is die dit materiaal heeft vervaardigd en daartoe de valse hoedanigheid van een minderjarige jongen heeft aangenomen.

D36 tot en met D39 (feiten 63, 64, 65, 66)

Aan de verdachte is onder 63 subsidiair, 64 subsidiair, 65 subsidiair en 66 subsidiair tenlastegelegd de (poging tot) oplichting van vier meerderjarige mannen. De rechtbank heeft de verdachte hiervan vrijgesproken, naar de kern genomen om de reden dat niet de tenlastegelegde oplichtingshandelingen het middel vormden waarmee deze mannen zijn bewogen tot de afgifte van geld (of geprobeerd is hen daartoe te bewegen), maar de dreiging compromitterende beelden/chats openbaar te maken.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben gemotiveerd gevorderd dat deze feiten bewezen worden verklaard. In reactie op het oordeel van de rechtbank hebben zij erop gewezen dat de verdachte zich, door gebruik te maken van verschillende valse hoedanigheden, in een machtspositie manoeuvreerde waarin hij de betrokkenen kon (proberen te) bewegen tot de afgifte van geld. Daarmee is volgens de advocaten-generaal voldaan aan het voor een bewezenverklaring vereiste causaal verband, nu daarvoor toereikend is dat de betrokkenen mede onder invloed van de gebezigde, in de tenlastelegging omschreven, oplichtingsmiddelen tot de afgifte van geld zijn overgegaan of dat de verdachte daarmee heeft geprobeerd hen zo ver te krijgen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van deze feiten. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. De omstandigheid dat de verdachte geld zou hebben opgehaald dat afkomstig is van een of meer van deze mannen, betekent niet dat hij daarmee is te linken aan de oplichting, aldus de verdediging. Ook is erop gewezen dat een deel van het bewijs ontleend zou moeten worden aan de gegevensdrager met beslagnummer OI013.04.01.005 , terwijl die niet van de verdachte was.

Beoordeling door het hof

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte tegenover elk van de vier meerderjarige mannen waarop de tenlastelegging ziet (i) een valse hoedanigheid heeft aangenomen door zich op internet voor te doen als een minderjarige jongen en (ii) hen in die hoedanigheid te verleiden tot het verrichten van seksuele handelingen (masturberen) voor de webcam, waarbij (iii) de verdachte de daaraan voorafgegane (chat)conversatie(s) en de beelden van deze seksuele handelingen heeft vastgelegd, waarna hij (iv) een andere valse hoedanigheid heeft aangenomen door zich voor te doen als een (van de) ouder(s) van de hiervoor bedoelde minderjarige jongen die (v) eiste dat geld zou worden betaald ten behoeve van een goed doel, aan welke eis D37, D38 en D39 gehoor hebben gegeven. D36 heeft daaraan niet toegegeven, waarna de verdachte met het van hem vervaardigde compromitterende materiaal de werkgever van D36 en de politie heeft benaderd.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus uitvoering gegeven aan een klaarblijkelijk vooraf gemaakt plan waarvan het aannemen van verschillende valse hoedanigheden een cruciaal onderdeel vormde. Het ging daarbij om een specifieke, ernstige vorm van bedrieglijk handelen waarmee de verdachte bij D36, D37, D38 en D39 een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wilde roepen om daarvan misbruik te kunnen maken. In die opzet is de verdachte geslaagd. Zijn handelen heeft ertoe geleid dat bij D36, D37, D38 en D39 een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, wat betreft diens naam en diens hoedanigheid. De verdachte heeft daarvan ook daadwerkelijk misbruik gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan als vaststaand worden aangenomen dat D37, D38 en D39 mede onder invloed van de door de verdachte gebruikte oplichtingmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken zijn overgegaan tot de afgifte van geldbedragen. Ook staat voldoende vast dat de verdachte heeft getracht D36 mede onder invloed van de door de verdachte gebruikte oplichtingmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken, tot de afgifte van geld te bewegen (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889). Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de onder (i) tot en met (v) genoemde handelingen wezenlijke onderdelen vormden van een en hetzelfde misdadige plan zonder welke het niet zou zijn gekomen tot de afgifte van enig geldbedrag of de poging tot afgifte daarvan.

Het feit dat niet elk van de meerderjarige mannen, naar het hof begrijpt uit schaamte of uit angst voor de mogelijke (strafrechtelijke) consequenties, in detail heeft verklaard over de wijze waarop het compromitterende materiaal van hen is verkregen, staat niet in de weg aan de vaststelling van voormelde gang van zaken, nu uit de bewijsmiddelen in onderling verband beschouwd een in hoge mate consistent beeld oprijst van deze handelwijze van de verdachte.

Reactie op het betoog van de verdediging

Anders dan de verdediging gaat het hof ervan uit dat de verdachte degene is geweest die achter het toetsenbord heeft gezeten toen de bookmarks, emails, chats en ander materiaal dat is aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 tot stand is gekomen. De stelling dat de verdachte alleen het door D37, D38 en D39 afgegeven geld zou hebben opgehaald, mist daarmee feitelijke grondslag. Voor zover in het verweer met betrekking tot deze feiten een rol is toegedicht aan [M] , stuit dat af dat op de eerdere overwegingen van het hof betreffende [M] . Voor zover opnieuw is gewezen op de ontkoppelingen 3 en 4, stuit ook dat deel van het betoog af op de hiervoor opgenomen overwegingen dienaangaande.

Wat betreft de emailwisseling tussen [e-mail naam 46] (welk adres is gebruikt door iemand die zich [voornaam verdachte] noemt) en [e-mail naam 9] , waarop de verdediging in het verweer ten aanzien van D35 heeft gewezen, geldt dat het hof deze beschouwt als een poging van de verdachte een dwaalspoor uit te zetten voor het geval D35 zich met de gegevens van de verdachte tot de politie zou wenden en deze bij hem zou aankloppen. Zoals is vastgesteld, was de verdachte de gebruiker van het emailadres [e-mail naam 9] , dat in de lezing van de verdediging contact zou hebben gezocht met de verdachte op emailadres [e-mail naam 46] om geld te doen overmaken ten behoeve van een kinderwelzijnsorganisatie waarvoor de verdachte zulk goed werk zou verrichten. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte zich heeft gerealiseerd dat hij zich met het oog op mogelijk (strafrechtelijk) onderzoek naar zijn handelwijze kwetsbaar maakte door zijn eigen naam te gebruiken en het geld dat via de Western Union-transacties binnenkwam met behulp van zijn eigen paspoort zelf op te halen. Onder verwijzing naar deze emails zou de verdachte hebben kunnen betogen (en heeft hij bij monde van zijn raadslieden ook betoogd), dat hij geen idee had dat het geld door misdrijven was verkregen. Het hof gaat in dat betoog dus niet mee. De conclusie dat het gaat om een door de verdachte opgezet dwaalspoor, wordt ook hierdoor gedragen dat het hof geen begin van aannemelijkheid ziet voor de stelling dat de verdachte een rol speelt bij enige kinderwelzijnsorganisatie.

De stelling dat de online-chanteerder en de ophaler van het geld twee verschillende personen zouden zijn, acht het hof niet aannemelijk en dat wordt niet anders door hetgeen D35 en D39 daarover hebben verklaard; de verdachte heeft hen immers in dit opzicht een rad voor ogen willen draaien.

Het gegeven dat in de door Skrill verstrekte gegevens de codes van de apparaten (devices) waarmee werd ingelogd op de Skrill-accounts niet zouden zijn gelinkt aan de computers of andere gegevensdragers die zijn aangetroffen bij de verdachte, zoals de verdediging in het verweer ten aanzien van D37 heeft opgemerkt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat onderzoek heeft uitgewezen dat de verdachte zich van computer-technische mogelijkheden bediende (onder meer door het gebruik van VPN) om herkenning van zijn identiteit en die van zijn apparaten te bemoeilijken.

Uit welke opmerking op p. D39 141 de verdediging afleidt dat de jongen met wie D39 contact had ‘terugzwaaide’, is niet voldoende duidelijk aangegeven. Nu dit het hof bij kennisneming van de genoemde dossierpagina noch bij nauwgezette bestudering van de verklaring van D39 duidelijk is geworden, faalt dit onderdeel van het verweer bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot D36

De werkwijze ten aanzien van D36 en de precieze tekst van aan hem gestuurde berichten komen zeer sterk overeen met de werkwijze en de teksten die de verdachte heeft gebezigd bij het afdreigen en oplichten van andere meerderjarige mannen in dezelfde periode. Sommige aan D36 gestuurde teksten komen één op één overeen met aan D38 en D39 gestuurde teksten. Daar komt bij dat de werkgever van D36 en de Britse politie – toen bleek dat D36 geen geld ging overmaken – met compromitterend materiaal en een klacht over zijn handelen zijn benaderd via het emailadres [e-mail naam 32] . Via dit adres presenteerde de schrijver zich als een betrokken vrijwilliger van een organisatie die zich bezig hield met het opsporen van online seksueel kindermisbruik. Ook de directeur van de school van D2 is benaderd via het emailadres [e-mail naam 32] .com. In de nadere bewijsoverweging over het handelen van de verdachte ten aanzien van D2 is al toegelicht dat en waarom het hof oordeelt dat dit emailadres een account is van de verdachte.

Opmerkelijk en ook redengevend acht het hof verder dat in de berichten van laatstvermeld emailadres de werkwijze van de verdachte ten aanzien van de minderjarige meisjes in detail is beschreven. Dat, zo kan ten overvloede worden opgemerkt, het emailadres waarmee D36 is benaderd, te weten [variant 1 e-mail naam 9] overeenkomsten vertoont met het direct aan de verdachte te koppelen [e-mail naam 9] is in het licht van al de voormelde overeenkomsten naar de indruk van het hof ook geen toevalligheid.

14c. Computervredebreuk

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 67 en 68 op de grond dat de verdachte zich vanwege “geen koppeling 1: de IP-discrepanties” niet schuldig heeft gemaakt aan die feiten.

Nu het hof de verdediging niet volgt in het ontbreken van die koppeling en het hof overigens voldoende wettig en overtuigend bewijs ziet voor de feiten 67 en 68, zal het hof deze bewezen verklaren.

14d. Oplichtingen

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de hem onder 69 en 70 tenlastegelegde oplichtingen op grond van het volgende.

[M] is degene geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichtingen en hij heeft daarbij gegevens van de verdachte gebruikt. De slachtoffers van de oplichtingen hebben uiteenlopende beschrijvingen gegeven van de lengte, de huidskleur, de haarkleur en het accent van de dader en ook hebben zij verschillende telefoonnummers van de dader gegeven, hetgeen duidt op betrokkenheid van minstens twee personen (het hof begrijpt: naast de verdachte in ieder geval ook [M]). Verder is de verdachte niet te koppelen aan een van die telefoonnummers, te weten telefoonnummer [telefoonnummer 1] , en heeft hij bij de verhuur van de desbetreffende woningen weliswaar de bezichtigingen voor zijn rekening genomen, maar wist hij niet dat de potentiële huurders werden opgelicht. Op de gegevensdragers in de woning van de verdachte is geen spoor gevonden van de oplichtingszaken.

Het hof overweegt als volgt

Het hof heeft het alternatieve scenario inzake [M] al eerder als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven.

Hetgeen resteert aan bewijsverweren ten aanzien van de tenlastegelegde oplichtingen ziet op de beschrijvingen van de dader door de slachtoffers, de verschillende telefoonnummers die de dader aan hen zou hebben gegeven – waaronder nummer [telefoonnummer 1] – en het ontbreken van sporen van de oplichtingszaken op gegevensdragers in de woning van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat de verdachte de oplichtingen inzake de [straat 1] te [plaats 1] grotendeels heeft bekend. Verder is het irrelevant dat niet aan alle slachtoffers hetzelfde telefoonnummer is opgegeven, terwijl het telefoonnummer [telefoonnummer 1] wel degelijk aan de verdachte verbonden is, nu dit nummer is opgegeven bij de registratie op 21 september 2011 van het Skrill-account op naam van [persoon D] , waarbij [straat 3] als adres is opgegeven, op welk adres de verdachte toen woonde.

De beschrijvingen van de dader door de slachtoffers zijn naar het oordeel van het hof niet dermate uiteenlopend dat deze duiden op betrokkenheid bij de oplichtingen van meer personen dan alleen de verdachte, terwijl daarvoor in het dossier ook verder geen aanwijzing te vinden is. Bovendien hebben alle slachtoffers van de dader een kopie van diens paspoort per email toegezonden gekregen en elk daarvan bevatte een foto van de verdachte.

Het is irrelevant of op de gegevensdragers sporen van de oplichtingszaken zijn aangetroffen, nog daargelaten dat zich in de woning van de verdachte bescheiden bevonden met betrekking tot een van de slachtoffers van de woningoplichtingen inzake de [straat 1] te [plaats 1] – [persoon C] – op wier naam buiten haar medeweten later een Skrill-account is geopend, waarvoor de verdachte geen (aannemelijke) verklaring heeft gegeven.

Het hof verwerpt dan ook de verweren.

Aanvullende bewijsoverweging

Het zich voordoen als een ander en verhullen van zijn ware identiteit bij het aangaan van de huurovereenkomsten met [persoon G] en [persoon H] vormden de eerste fase van de uitvoering van een kennelijk vooraf door de verdachte gemaakt plan. Hierbij was het voor de verdachte belangrijk te voorkomen dat hij traceerbaar zou zijn. De volgende fasen van dat plan omvatten immers het (onbevoegd) geveinsd (onder)verhuren van de woningen aan (andere) huurders. Uit dit handelen overeenkomstig zijn kennelijke plan, dat meebracht dat spoedig rondom de woningen problemen zouden ontstaan met de opgelichte huurders, vloeit ook voort dat de verdachte niet als echte/werkelijke huurder de huurovereenkomsten met voornoemde [persoon G] en [persoon H] heeft gesloten, omdat hij toen in feite reeds de hoedanigheid van beoogd oplichter van potentiële onderhuurders had en dus nimmer van plan is geweest zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te gaan vervullen.

14e. DMT

Het hof is van oordeel dat de zakken met bruin poeder die de forensisch deskundige niet verder heeft onderzocht ook DMT bevatten, gelet op het samenstel van aangetroffen goederen, de overeenkomende verpakkingswijze, de uiterlijke verschijningsvorm en het gegeven dat steekproefsgewijs onderzoek is gedaan naar de zakken met bruin poeder, waaruit telkens volgde dat dit DMT bevatte.

15 Aanranding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen van de met betrekking tot de minderjarige D’s in veel gevallen (primair) tenlastegelegde aanranding. Daartoe is aangevoerd, kort gezegd, dat aan het bewezen verklaren van ‘dwingen’ en kwalificeren als ‘aanranding’, zoals bedoeld in artikel 246 Sr, zonder dat sprake is geweest van lichamelijk contact, hoge eisen worden gesteld en dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is. De daarvoor vereiste onvermijdbaarheid van de feitelijkheid of dreiging waardoor de betreffende D’s zouden zijn gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen is, aldus de verdediging, in een situatie waarin slechts op afstand contact is tussen de dader en het slachtoffer lastig voor te stellen. Ergens zal uit moeten blijken dat het slachtoffer naar redelijke verwachting niets anders kon doen dan meewerken. Hiervoor is enige vorm van verzet van de kant van het slachtoffer nodig of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart, zoals de onvrijheid die wordt veroorzaakt door een bedreigende sfeer. De verdediging heeft hierbij onderkend dat in de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:39) bevestiging kan worden gezien dat een feitencomplex als het onderhavige aanranding kan opleveren, maar ziet een relevant verschil in de omstandigheid dat in die zaak bij het hof geen verweer is gevoerd op dit punt. In dat kader heeft de verdediging opgeworpen dat het in de hier besproken gevallen in wezen om sextortion, seksuele afpersing, gaat, welk nieuw fenomeen betrokken wordt bij de modernisering van de zedenwetgeving. Onder vergelijking met het Tweede Tongzoenarrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ2653) is verder aangevoerd dat hier naar algemeen, normaal spraakgebruik geen sprake is van aanranding of poging tot aanranding.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben in hun requisitoir geconcludeerd dat kwalificatie als aanranding moet volgen. Bij repliek hebben zij het door de verdediging aangevoerde omtrent het normale spraakgebruik gemotiveerd bestreden en gesteld dat de vergelijking met het Tweede Tongzoenarrest mank gaat, omdat voor die situatie een ander, de zedelijkheid beschermend, strafrechtelijk kader beschikbaar is. Verder hebben de advocaten-generaal erop gewezen dat uit het dossier duidelijk naar voren komt hoe de verdachte jonge meisjes in zijn macht kreeg en dat weinig zo effectief is om jonge meisjes te bewegen iets te doen wat ze niet willen dan hen blootstellen aan de dreiging: ‘zo meteen liggen jouw naaktfoto’s bij jouw familie, vrienden en school’.

Beoordeling door het hof

Bewezen verklaard is in de door de verdediging bedoelde gevallen steeds, kort gezegd, het door bedreiging met een feitelijkheid (proberen te) dwingen tot het bij zichzelf plegen van ontuchtige handelingen. Het ontuchtige karakter van de bewezenverklaarde handelingen is niet bestreden. Het gaat de verdediging dus in wezen om de dwang. Het hof neemt bij de beoordeling daarvan, in navolging van de rechtspraak van de Hoge Raad, tot uitgangspunt dat van door bedreiging met een feitelijkheid dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen, als bedoeld in artikel 246 Sr, slechts sprake kan zijn indien de verdachte door de bedreiging met die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen haar wil heeft gepleegd. Dat betekent dat uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen volgen dat de verdachte opzettelijk voor het slachtoffer een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan, dat zij zich daardoor gedwongen heeft gevoeld tot het plegen van de seksuele handelingen. Dat van onvrijwillig gepleegde ontuchtige handelingen in deze vorm sprake is geweest, komt naar het oordeel van het hof in de bewijsmiddelen met een pijnlijke helderheid naar voren. De vraag hoe in het normale spraakgebruik feiten als deze worden aangeduid, ontbeert relevantie. Dat geldt ook voor de verwijzing naar het Tweede Tongzoen-arrest, nu de kwestie waar het in die zaak om ging (te weten dat de kwalificatie van een tongzoen als ‘verkrachting’ niet langer passend werd geacht) van een geheel andere orde is en een wezenlijk andere context kende. De verweren van de verdediging worden daarom verworpen.

16 Bewezenverklaring

Het hof acht de feiten bewezen zoals die in de bewezenverklaring zijn vermeld. De bewezenverklaring is opgenomen in bijlage II.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage III.

17 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op,

feit 1:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

feit 21:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben;

feiten 3, 16, 40, 46, 55, 57 en 58 telkens:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

feiten 18, 28, 32, 36 en 38 telkens:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en in bezit hebben;

feiten 7, 9, 34 en 42 telkens:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben;

feiten 14 en 60 telkens:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd;

feit 23:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, openlijk tentoonstellen en in bezit hebben;

feiten 26 en 53 telkens:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, openlijk tentoonstellen en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

feit 30:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

terwijl van het verspreiden en in bezit hebben in voormelde feiten een gewoonte wordt gemaakt;

feiten 17 primair, 39 primair, 41 primair en 59 primair telkens:

poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feiten 2 primair, 4 primair, 6 primair, 10 primair, 15 subsidiair, 19 primair, 22 primair, 24 primair, 27 primair, 29 primair, 33 primair, 35 primair, 37 primair, 51 primair, 52 primair, 54 primair, 56 primair en 61 primair telkens:

poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feiten 43 primair en 45 telkens:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feiten 20 primair, 25 primair, 31 primair, 47 primair en 49 primair telkens:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feiten 8, 11 en 13 telkens:

door misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen;

feit 12:

door misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd;

feit 62 primair:

afdreiging;

feit 63 subsidiair:

poging tot oplichting;

feit 64 subsidiair, 65 subsidiair, 66 subsidiair telkens:

oplichting;

feit 67:

computervredebreuk, meermalen gepleegd;

feit 68:

met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk ontworpen is tot het plegen van zodanig misdrijf voorhanden hebben, meermalen gepleegd;

feiten 69 en 70 telkens:

oplichting, meermalen gepleegd;

feit 71:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

feit 72:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

18 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

19 Op te leggen gevangenisstraf

Algemene overwegingen

De verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan zedenmisdrijven via internet. Hij heeft zich in chat- en Skype-contacten voorgedaan als tiener en heeft vele jonge meisjes – van wie sommigen pas negen jaar waren toen hun contact met de verdachte aanving – ingepalmd. Hij deed zich voor als een zeer betrokken vriendin die meeleefde met de onzekerheden van de slachtoffers en gaf hun adviezen. Door misbruik te maken van hun vertrouwen heeft hij in een aantal gevallen de jonge meisjes bewogen voor de webcam allerlei seksuele handelingen bij zichzelf te verrichten. Sommige meisjes waren tevoren niet eens bekend met bepaalde handelingen die zij van de verdachte moesten verrichten. Daarna, soms lange tijd nadien, legde hij opnieuw contact met de meisjes en eiste hij nieuwe ‘shows’ voor de webcam. Andere meisjes hadden door toedoen van zichzelf of anderen teweeggebracht dat seksuele handelingen van hen digitaal waren vastgelegd. Daarna werden zij op even dwingende wijze benaderd door de verdachte.

Om te bewerkstelligen dat de meisjes op zijn eisen in gingen, dreigde de verdachte aan hun familieleden, vrienden en andere mensen in hun omgeving het opgenomen beeldmateriaal van de seksuele handelingen toe te sturen en/of de beelden op pornosites te plaatsen. De verdachte heeft die dreigementen in een aantal gevallen ook waargemaakt. Dat geldt ook voor de meisjes van wie al seksuele afbeeldingen op internet circuleerden.

Bij dit alles ging de verdachte geraffineerd te werk door gebruik te maken van zeer veel verschillende accounts op diverse sociale media en door nep-accounts aan te maken, bijvoorbeeld op Facebook, ook met een accountnaam die leek op de naam van het desbetreffende meisje en in een aantal gevallen met een naaktfoto als profielfoto. Hij zette ook een virtuele webcam in, met onder meer films van een Amerikaanse pornoactrice, waardoor de slachtoffers de indruk hadden dat zij te maken hadden met een jong meisje dat het, net als zij, spannend vond te experimenteren met seksuele handelingen. Het behoeft geen betoog dat het voor deze meisjes een enorme schok moet zijn geweest te ontdekken dat zij te maken hadden gehad met een volwassen man in plaats van een tienermeisje. Zijn misbruik van meisjes op een kwetsbare leeftijd die pas aan het begin stonden van – of nog moesten beginnen aan – hun seksuele ontwikkeling moet dan ook als ernstig ontwrichtend worden beschouwd. Nog schadelijker is het geweest dat de verdachte foto’s en video’s van de seksuele handelingen van meisjes heeft geplaatst op pornowebsites en heeft verspreid onder hun familieleden, vrienden, leraren en schoolgenoten.

De nietsontziende aard van het handelen van de verdachte vindt bevestiging in de – ook door de rechtbank benadrukte – hardvochtige aard van zijn commentaren op smeekbeden van meisjes te stoppen met zijn vragen om meer ‘shows’ en met zijn dreigementen afbeeldingen en video’s van hen openbaar te maken. Reacties van zijn kant als “all hell breaks loose for u .. no other deal possible … I can totally annihilate ur life” en “I will drive u to kill urself bitch. I go that far” waren niet ongewoon. Toen een van de slachtoffers aankondigde mogelijk zelfmoord te zullen plegen, antwoordde de verdachte: “Ur choice” met een lachende emoticon als toevoeging.

De slachtoffers hebben door het handelen van de verdachte zwaar te lijden gehad en velen ondervinden nog steeds ernstige psychische gevolgen van hetgeen hij hun heeft aangedaan, in het bijzonder de slachtoffers van wie de verdachte seksuele afbeeldingen en/of video’s heeft verspreid.

Uit de schriftelijke verklaringen van een aantal slachtoffers komt naar voren dat zij last hebben van grote angst, verdriet, boosheid, pijn, paniek en stress. Velen voelen zich vernederd, verlaagd en te kijk gezet en willen het liefst ontkennen wat hen is overkomen. Tegelijkertijd geven zij ook zichzelf de schuld omdat ze vinden dat ze “stom” en “zwak” zijn geweest. Zij hebben te kampen met gevoelens van schaamte en zelfhaat. Zij voelen zich nergens meer veilig en vertrouwen niemand meer, ook hun naasten niet. Velen hebben aan zelfmoord gedacht; een aantal meisjes heeft daartoe zelfs een poging ondernomen. De verdachte heeft zijn slachtoffers beroofd van wat voor hen onbezorgde jeugdjaren hadden moeten zijn, waarin zij zich in vrijheid konden ontwikkelen. De slachtoffers en de mensen in hun omgeving krijgen deze jaren nooit meer terug. De verdachte heeft met zijn handelen ongekende schade aangericht in de jonge levens van zijn slachtoffers, een schade die op persoonlijk, maar ook op professioneel vlak – door haperende school- en studieprestaties – doorwerkt in hun verdere leven.

Het hof is van oordeel dat deze feiten op zichzelf al zonder meer de maximum gevangenisstraf (die in het onderhavige geval, gelet op de ten tijde van de gepleegde feiten geldende wettelijke bepalingen, is beperkt tot 10 jaar en 243 dagen) rechtvaardigen.

Het is echter niet bij deze strafbare feiten gebleven. De verdachte heeft ook meerderjarige mannen slachtoffer gemaakt van zijn meedogenloze optreden door zich tegenover hen voor te doen als puberjongen, hen te bewegen tot seksuele handelingen voor de webcam en hen vervolgens in de geveinsde hoedanigheid van (een van) de ouder(s) van die puberjongen, te dreigen met het verspreiden van de opnamen daarvan als zij (hem) geen geld betaalden. Uit angst dat hun seksuele webcamgedrag openbaar zou worden, zijn de meesten overgegaan tot betaling van de gevraagde bedragen. Bij een slachtoffer dat niet betaalde, heeft de verdachte alsnog de opnamen verspreid, met desastreuze gevolgen voor het slachtoffer. De betaling door de slachtoffers vond plaats via Skrill-accounts, waarvan de verdachte de meeste op naam van anderen had geopend.

Daarnaast heeft de verdachte diverse personen opgelicht door middel van de zogenaamde (ver)huur van twee woningen. De persoonsgegevens van een van deze slachtoffers en van twee personen die op het laatste moment niet met hem in zee zijn gegaan, alsmede door de verdachte vervaardigde valse documenten op hun naam, heeft hij gebruikt om Skrill-accounts te openen. Ook heeft de verdachte de wifi-verbinding van een in zijn nabijheid wonende persoon gehackt om via deze verbinding gebruik te maken van internet. In het bijzonder deze computervredebreuk en het gebruik van valse geschriften zijn dienstig geweest aan het anoniem opereren door de verdachte waardoor hij gedurende langere tijd onder de radar kon blijven. Ook heeft de verdachte de Opiumwet overtreden.

De persoon van de verdachte

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 oktober 2018 is hij in 2012 twee keer veroordeeld in België. Een van die veroordelingen betreft valsheid in geschrift, het gebruik van valse documenten en fraude, hetgeen de verdachte op onder meer één jaar gevangenisstraf is komen te staan. Volgens informatie van de advocaten-generaal staat tegen deze uitspraak nog een rechtsmiddel open, zodat die nog niet onherroepelijk is.

Over de persoon van de verdachte is verder niet veel bekend. De door hem zelf verschafte informatie over zijn verleden is niet bevestigd door andere, onafhankelijke bronnen. Wat vooral opvalt, is zijn behoefte aan anonimiteit, zoals onder meer is gebleken uit het feit dat hij meermalen onder valse naam een woning heeft gehuurd en hij, voor zover bekend, amper sociale contacten onderhield. Die behoefte aan anonimiteit sluit aan bij zijn wijze van opereren ten aanzien van zijn slachtoffers om “onder de radar” en daardoor onontdekt te blijven.

De reclassering (rapport van 16 januari van 2014 van het Leger des Heils) heeft geen beeld gekregen van de belevingswereld van de verdachte. Psychiater [psychiater] , verbonden aan het NIFP, heeft in het kader van een trajectconsult (van 14 april 2014) naar zijn zeggen onvoldoende inzicht gekregen in de persoonlijkheid van de verdachte en heeft geadviseerd hem te laten onderzoeken door een psycholoog. Dit onderzoek is opgedragen aan psycholoog [psycholoog] , die in zijn rapport van 22 augustus 2014 heeft opgemerkt dat de verdachte geen toestemming gaf met referenten te spreken, niet wilde meewerken aan het onderzoek van [psycholoog] en alleen op de zitting een toelichting wilde geven over de reden van zijn weigering. [psycholoog] had geen aanwijzingen dat de weigering van de verdachte tot medewerking aan het onderzoek voortkwam uit psychiatrische problematiek maar hij kon, bij gebreke van enig onderzoek, het bestaan van persoonlijkheidspathologie niet uitsluiten.

De verdachte is vervolgens ter observatie geplaatst in het Pieter Baan Centrum (PBC), hetgeen heeft geresulteerd in een rapport van 28 januari 2015 van psychiater [psychiater 2] en psycholoog [psycholoog 2] . De observatie in het PBC is voortijdig beëindigd omdat de verdachte volhard heeft in zijn weigering mee te werken aan enig onderzoek en van referenten geen informatie is verkregen. [psycholoog 2] heeft bij de verdachte geen aanwijzingen gezien voor psychische/psychiatrische aandoeningen, zoals hallucinaties, ernstige depressieve fenomenen, waanstoornis, parafilie, autistiforme stoornis, al kon geen daarvan worden uitgesloten vanwege het feit dat geen deugdelijk onderzoek had kunnen plaatsvinden. Aldus kon evenmin worden onderzocht of aan de tenlastegelegde feiten mogelijk een antisociaal motief of een seksuele stoornis ten grondslag lag.

Psychiater [psychiater 2] heeft in zijn gesprekken met de verdachte een toename van afstandelijkheid ervaren. De verdachte gaf volgens hem blijk van een grote mate van controle over zijn verbale en emotionele uitingen; inzicht in zijn beleving en zijn kijk op zichzelf en de wereld ontbrak nagenoeg volledig. [psychiater 2] zag geen psychopathische oorsprong in de weigering van de verdachte mee te werken aan het onderzoek. Er waren bij de verdachte geen aanwijzingen voor psychopathologie of (ernstige) persoonlijkheidsproblematiek.

De verdachte heeft aldus belet dat de rechtbank en het hof enig zicht hebben gekregen op de zijn persoonlijkheid. Weliswaar heeft de verdachte met regelmaat te kennen gegeven over diverse kwesties te zullen gaan verklaren, maar die belofte heeft hij nooit ingelost. Tegen [psycholoog] heeft hij gezegd op de zitting toelichting te willen geven over de reden van zijn weigering mee te werken aan het onderzoek, en na kennisneming van het rapport van het PBC heeft hij opgemerkt op een aantal punten en onjuistheden later te willen reageren, maar dat heeft hij niet gedaan. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij op vragen van de rechtbank steeds gezegd pas inhoudelijk te zullen reageren bij gelegenheid van het laatste woord, maar toen dat moment was aangebroken, heeft hij er wederom het zwijgen toe gedaan. Bij de berechting in hoger beroep heeft hij aanvankelijk het hof via zijn raadsman laten weten wel een verklaring te zullen gaan afleggen, maar ook die toezegging heeft hij niet gestand gedaan.

Aan de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat sommige bekenden van de verdachte zich in positieve en lovende bewoordingen over hem hebben uitgelaten, valt geen relevante betekenis toe te kennen, in aanmerking genomen dat de verdachte zeer wel in staat is gebleken zijn criminele inslag voor hen verborgen te houden. En anders dan door de verdediging betoogd, beschouwt het hof het in het PBC-rapport beschreven gedrag van de verdachte gedurende zijn observatie in het PBC niet als “positieve bevindingen” van het karakter van de verdachte noch kan het hof zich vinden in de conclusie dat die “positieve bevindingen” het PBC hebben doen besluiten de observatie voortijdig te doen beëindigen. Die bevindingen moeten immers worden beschouwd in samenhang met de volhardende weigering van de verdachte mee te werken aan het onderzoek en zij duiden er geenszins op dat de verdachte geen gevaar zou zijn voor de samenleving.

Het is het goed recht van een verdachte geen mededelingen te doen over zijn persoonlijke omstandigheden, maar dat brengt in een geval als het onderhavige mee dat die omstandigheden op geen enkele wijze in strafverminderende zin kunnen meewegen. Voorts duiden de ernst en omvang van de door de verdachte begane feiten en de wijze waarop hij daarbij te werk is gegaan op een dader met een zeer lacunaire gewetensfunctie. Naar het oordeel van het hof is de verdachte iemand bij wie meer dan “een steekje los” is en heeft hij behandeling nodig, maar bij gebreke van nadere informatie is het hof niet in staat vast te stellen welke stoornis bij de verdachte zou zijn te constateren, laat staan dat het hof tot het oordeel kan komen dat de feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Dit brengt tevens mee dat oplegging van TBS niet tot de mogelijkheden behoort. Een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met een verplichte behandeling als bijzondere voorwaarde komt evenmin in aanmerking.

De advocaten-generaal hebben nog gevorderd de verdachte opnieuw in het PBC te laten observeren in het geval het hof aanleiding zou zien de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan te houden of bij tussenarrest het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.

De verdediging heeft zich verzet tegen toewijzing van deze vordering.

Nu de door de advocaten-generaal aan de vordering gestelde voorwaarde – aanhouding van de behandeling of heropening van het onderzoek ter terechtzitting – niet is vervuld, behoeft de vordering geen bespreking. Het hof ziet ook ambtshalve geen grond voor een tweede observatie van de verdachte in het PBC.

Overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft betoogd dat in de onderhavige zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof volgt de verdediging niet in dit betoog.

De verdachte is op 13 januari 2014 aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld. Tot op heden verkeert hij in voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 16 maart 2017, waarna de verdachte op 29 maart 2017 hoger beroep heeft ingesteld (en het openbaar ministerie op 28 maart 2017). Het hof doet heden, op 14 december 2018, uitspraak.

In zaken van voorlopig gehechte verdachten geldt als uitgangspunt dat in eerste aanleg uitspraak moet worden gedaan binnen 16 maanden nadat de op de redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en in hoger beroep binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld.

In deze zaak is de in eerste aanleg op de redelijkheid te beoordelen termijn naar het oordeel van het hof aangevangen op 13 januari 2014. De rechtbank heeft drie jaar en ruim twee maanden later vonnis gewezen. Het hof wijst arrest binnen één jaar en 8½ maand na het instellen van het hoger beroep. De rechtbank en het hof hebben derhalve geen van beide uitspraak gedaan binnen de hiervoor genoemde termijn van 16 maanden.

Niettemin is het hof van oordeel dat het recht van de verdachte op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn niet is geschonden. De onderhavige zaak is complex van aard en betreft een zeer omvangrijk dossier, waarbij opsporingsinstanties van diverse landen zijn betrokken. Na de aanhouding van de verdachte heeft onder meer op verzoek van de verdediging nog veel aanvullend onderzoek plaatsgevonden, onder andere in het buitenland. Ook in hoger beroep is nader onderzoek verricht op verzoek van de verdediging, zij het op minder grote schaal dan in eerste aanleg. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft tevens vertraging opgelopen doordat de verdachte in die fase van de procedure een andere raadsman in de arm heeft genomen, een omstandigheid die niet aan de justitiële autoriteiten valt tegen te werpen.

Al met al is het hof van oordeel dat de duur van de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep is gerechtvaardigd door de hiervoor genoemde factoren, zodat artikel 6 EVRM niet is geschonden en strafvermindering niet in beeld komt.

Onregelmatigheden in het voorbereidend onderzoek

De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat de vormverzuimen en onregelmatigheden in het vooronderzoek, mede met het oog op het bewaken van de integriteit van de opsporing, moeten leiden tot strafvermindering.

Nu het hof, zoals eerder is overwogen, van oordeel is dat geen vormverzuimen of onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, mist het betoog van de verdediging feitelijke grondslag en wordt het dan ook verworpen.

Slotsom

Zoals hiervoor overwogen acht het hof, reeds vanwege de aard en omvang van de door de verdachte jegens de minderjarige slachtoffers gepleegde strafbare feiten en de gevolgen die deze hebben gehad voor de slachtoffers, oplegging van de maximumstraf (gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en 243 dagen) passend en geboden. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven geen enkele aanleiding tot matiging van die straf, evenmin als de langere tijd die met de berechting van deze zaak in eerste aanleg en hoger beroep gemoeid is geweest.

De verdediging heeft in het kader van de toepasselijke “bandbreedte” van de strafmaat nog een uitgebreid overzicht gegeven van uitspraken van diverse rechtbanken en hoven waarin lagere straffen zijn opgelegd dan in deze zaak gevorderd. Deze uitspraken zijn echter hetzij voor wat betreft de aard van de feiten hetzij de aantallen slachtoffers onvergelijkbaar met de onderhavige zaak en brengen het hof dan ook niet tot een voor de verdachte gunstiger oordeel.

20 Vorderingen van de benadeelde partijen

In deze strafzaak hebben zich 26 benadeelde partijen, al dan niet via een advocaat, met vorderingen tot schadevergoeding gevoegd. Die opgevoerde schadeposten betreffen materiële en (in de meeste gevallen) immateriële schade.

Het hof laat aan de beoordeling van de afzonderlijke vorderingen enige algemene beschouwingen voorafgaan. Deze hebben betrekking op de vorderingen die door de D’s of hun wettelijke vertegenwoordigers zijn ingediend. Zij zien niet op de vorderingen van [persoon C] en [persoon I] .

Positie benadeelde partijen in hoger beroep

De advocaten [mr. S.] en [mr. K.] hebben namens een aantal D’s en namens de ouders van andere (minderjarige) D’s in eerste aanleg vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Een aantal van de destijds minderjarige D’s was ten tijde van de berechting in hoger beroep meerderjarig. Dit gaf [mr. S.] en [mr. K.] aanleiding in hun toelichting op de vorderingen in hoger beroep op te merken dat in die gevallen had te gelden dat de vorderingen moesten worden geacht namens de (inmiddels meerderjarige) slachtoffers zelf te zijn ingediend. Bij hun repliek zijn de advocaten van dat standpunt teruggekomen en hebben zij te kennen gegeven dat ook in die gevallen dat de slachtoffers meerderjarig waren geworden het nog steeds de ouders zijn die (in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers) in hoger beroep als benadeelde partijen optreden, op de grond dat de desbetreffende slachtoffers zelf niet voor het eerst in hoger beroep een vordering kunnen indienen.

De advocaten-generaal hebben bij repliek betoogd dat de minderjarige slachtoffers die ten tijde van de berechting in hoger beroep meerderjarig waren zelf de advocaten hadden gemachtigd voor hen in hoger beroep op te treden. Het hof heeft uit de verdere toelichting in de repliek van de advocaten-generaal niet kunnen afleiden dat naar hun mening de inmiddels meerderjarige slachtoffers nu geacht moeten worden zelf als benadeelde partij op te treden.

Het hof gaat er, gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 421 lid 1 Sv, van uit dat daar waar in eerste aanleg de ouders van de destijds minderjarige slachtoffers zich als benadeelde partij hebben gevoegd, zij ook in hoger beroep (en niet de slachtoffers zelf) als benadeelde partij optreden.

Materiële schade in het algemeen

De benadeelde partijen die in deze zaak zijn bijgestaan/vertegenwoordigd door [mr. S.] en [mr. K.] hebben elk voor zich € 200 (en in het geval van D17 een bedrag van € 500) gevorderd als vergoeding van algemene materiële schade die is gebaseerd op de “Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel” (het hof begrijpt: van oktober 2011 van de Raad voor de Rechtspraak). Het gaat daarbij volgens de advocaten om kosten die voortvloeien uit het doen van aangifte en het zorgen voor de bereddering na het misdrijf, zoals tijdsbesteding, gederfde inkomsten en reis- en telefoonkosten (dit alles onder andere voor bezoeken aan de politie en aan hulpverleners). De vorderingen zijn op dit punt alle schattenderwijs bepaald op € 200 (€ 500 in het geval van D17); de vorderingen zijn op dit punt niet in specifieke onderdelen uitgesplitst of onderbouwd met stukken. Ten aanzien van die schatting hebben de advocaten gewezen op pagina 20 van voornoemde Aanbevelingen, waarin is opgemerkt dat de rechter bij de begroting van de schade niet is gebonden aan de normale (civiele) regels van stelplicht en bewijslast en dat het ontbreken van bewijsstukken voor de vaststelling van de omvang van de schade niet in de weg te staat aan schatting van de schade door de rechter.

[mr. S.] en [mr. K.] hebben voorts opgemerkt dat de materiële kosten worden gevorderd door de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen, zodat het niet gaat om kosten die de ouders “pro se” hebben gemaakt. In dat verband hebben zij gewezen op uitspraken waarin door ouders (van minderjarige slachtoffers) opgenomen vakantiedagen en gemaakte reiskosten zijn beschouwd als rechtstreekse schade in de zin van (thans) artikel 51f lid 1 Sr. Hun conclusie is dat de vorderingen voor wat betreft de materiële schade van € 200 (resp. € 500) kunnen worden toegewezen, op de grond dat de schade is geleden door het minderjarige kind, ook al zijn het de ouders geweest die de kosten hebben gemaakt.

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de vorderingen ten aanzien van de als algemene materiële schade opgevoerde post (van € 200 resp. € 500) ten onrechte niet heeft toegewezen. Zij hebben betoogd dat het ontbreken van bonnen of specificaties de benadeelde partijen – die verkeerden in een staat van ontreddering en stress ten gevolge van de gepleegde feiten – niet mag worden tegengeworpen, nu het gaat om redelijk te achten kosten. Ook de advocaten-generaal hebben gewezen op de “Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel”, in het bijzonder op hetgeen daarin op pagina 24 is opgemerkt:

“Kosten die voortvloeien uit het doen van aangifte en het zorgen voor de bereddering na een misdrijf, zoals tijdsbesteding, gederfde inkomsten en reiskosten, komen binnen redelijke grenzen in aanmerking voor vergoeding als door het delict veroorzaakte vermogensschade.

Het gaat hier om schade die in een zodanig verband staat met het gepleegde delict dat zij aan de dader, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van het delict kan worden toegerekend (art. 6:98 BW, causaal verband). De kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang ervan moet redelijk zijn (dubbele redelijkheidstoets).

De hier bedoelde schade kan worden begrepen onder art. 6:96 lid 2, a en b, BW: als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking (a) redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht en (b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”.

Voorts hebben de advocaten-generaal betoogd dat de omstandigheid dat het bij de gevorderde vergoeding van materiële schade (gedeeltelijk) kan gaan om zogeheten verplaatste schade niet aan toewijzing in de weg staat. Zij hebben ter staving van dat standpunt gewezen op twee conclusies van advocaten-generaal bij de Hoge Raad van 10 oktober 2017 respectievelijk 17 april 2018 over vergoeding van verplaatste schade, welke conclusie de Hoge Raad zou hebben gevolgd (het hof begrijpt: bij uitspraken van 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3027 respectievelijk 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:956).

Subsidiair hebben de advocaten-generaal gevorderd de gevraagde bedragen op grond van art. 592a Sv toe te wijzen.

De verdediging heeft – onder verwijzing naar de uitspraken van dit hof en de Hoge Raad in de zogenoemde Amsterdamse zedenzaak – betoogd dat de benadeelde partijen in hun vorderingen tot vergoeding van de algemene materiële schade niet-ontvankelijk zijn op de grond dat de behandeling van die vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengt. De verdediging heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vorderingen (lijken te) zien op schade die de ouders – en niet de slachtoffers zelf – hebben geleden. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vorderingen voor wat betreft de algemene materiële schade moeten worden afgewezen nu deze op geen enkele wijze zijn onderbouwd, maar is volstaan met de vermelding van forfaitaire bedragen, zodat niet is vast te stellen of de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en qua aard en omvang ook redelijk zijn. Zonder enige onderbouwing kan de schade niet worden geschat en kan de verdachte de vorderingen niet (gemotiveerd) betwisten, aldus de verdediging. Daaraan is toegevoegd dat alleen het slachtoffer zelf dergelijke schadevergoeding kan vorderen, maar niet de ouders.

Het hof overweegt als volgt.

Onbetwist is dat de vorderingen voor zover die zien op de algemene materiële schade van € 200 (€ 500 in het geval van D17) niet zijn gespecificeerd of nader onderbouwd met stukken.

Anders dan [mr. S.] en [mr. K.] hebben betoogd, gelden voor de toewijsbaarheid van de vordering de civielrechtelijke regels van stelplicht en bewijslastverdeling (HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755). Weliswaar is de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar dat neemt niet weg dat de benadeelde partij (voldoende) aanknopingspunten voor die schatting zal moeten aandragen en dat bij gebreke daarvan de verdachte niet in staat is verweer te voeren tegen de vordering. Het is mede op die grond dat de verdediging zich terecht heeft verzet tegen toewijzing van de vorderingen. Het alsnog de benadeelde partijen in de gelegenheid stellen hieromtrent nadere gegevens aan te dragen, betekent een onevenredige belasting van het strafgeding. Dit brengt mee dat het hof de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Vergoeding van de algemene materiële kosten op de voet van artikel 592a Sv, zoals subsidiair is gevorderd door de advocaten-generaal, is evenmin een begaanbare weg. De in die bepaling bedoelde kosten betreft de kosten die in het kader van de voegingsprocedure zijn gemaakt, zoals kosten van rechtsbijstand en reis-, verblijfs- en verletkosten in het kader van het bijwonen van de terechtzitting. Niet is aangevoerd (door of namens de benadeelde partijen) dat de algemene materiële schade betrekking heeft op die in artikel 592a Sv bedoelde kosten en het hof ziet ook anderszins geen aanknopingspunten die tot dat oordeel kunnen leiden.

Specifieke materiële schade

Ten aanzien van D4, D9, D13, D17, D19, D30 en D37 hebben de benadeelde partijen specifieke kostenposten aan materiële schade opgevoerd.

Bij D4 en D13 treden hun ouders op als de benadeelde partijen en het hof gaat ervan uit dat de ouders degenen zijn die de gestelde kosten (schoolgeld, schoolboekengeld en de aanschaf van een nieuwe laptop voor D4; de kosten van studievertraging voor D13) voor hun rekening hebben genomen. In hun gevallen heeft te gelden dat de materiële kosten die de ouders hebben gemaakt, ook indien het gaat om verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 Burgerlijk Wetboek (BW), naar huidig recht niet in een strafrechtelijke procedure voor vergoeding aan de ouders in aanmerking komen, nu de ouders in zoverre niet behoren tot de voeginggerechtigden (HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668). In laatstgenoemd arrest, gewezen in de al genoemde Amsterdamse zedenzaak, heeft de Hoge Raad in het bijzonder onderscheid gemaakt tussen door het minderjarige slachtoffer zelf geleden, rechtstreekse schade enerzijds en verplaatste schade en schade van de ouder(s) anderzijds, waarbij – zo begrijpt het hof de uitspraak van de Hoge Raad – voor vergoeding van verplaatste schade en schade van de ouders in het strafproces geen plaats is in een geval als het onderhavige. De door de advocaten-generaal genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen niet tot een ander oordeel leiden. In beide arresten heeft de Hoge Raad het desbetreffende cassatiemiddel afgedaan op de voet van artikel 81 RO. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat de Hoge Raad zich kon vinden in de standpunten van de advocaten-generaal bij de Hoge Raad over de verplaatste schade. Ten overvloede merkt het hof op dat de wet van 11 april 2018 (Stb. 2018, 132) weliswaar voorziet in de mogelijkheid tot vergoeding van verplaatste schade in het strafproces, maar deze wet is nog niet in werking getreden en is reeds om die reden – nog afgezien van het overgangsrecht – niet toepasselijk in de onderhavige zaak.

In het geval de slachtoffers zelf als benadeelde partij optreden (D9, D17, D19, D30 en D37) gaat het hof ervan uit zij zelf de gestelde kosten voor hun rekening hebben genomen. Het hof zal per afzonderlijke vordering bezien of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Immateriële schade in het algemeen

De benadeelde partijen die zijn bijgestaan door [mr. S.] of [mr. K.] hebben vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarbij de advocaten aan de hand van de veronderstelde ernst van de gevolgen voor de slachtoffers een indeling in vijf categorieën hebben gemaakt, variërend van

€ 1.500 tot € 10.000:

- categorie I: aansporen/aandringen om iets te doen, daarbij zichzelf betasten en/of penetreren:

€ 1.500;

  • -

    categorie II: afbeeldingen/video’s maken en/of verspreiden: € 1.750;

  • -

    categorie III: dwingen om iets te doen, daarbij zichzelf betasten en/of penetreren, met bedreiging: € 2.500;

  • -

    categorie IV: categorie III plus verspreiding: € 4.000;

  • -

    categorie V: gevallen die wat betreft duur van de handelingen, de aard van de handelingen en de ernst van de gevolgen niet in voornoemde categorieën vallen: € 5.000 tot € 10.000.

[mr. S.] en [mr. K.] hebben betoogd dat alle slachtoffers die zij bijstaan immateriële schade hebben geleden door in het bijzonder het seksuele misbruik dat zij hebben ondergaan en door het verspreiden van seksueel getinte afbeeldingen van hen via internet. Deze schade bestaat, zo hebben zij aangevoerd, uit gevoelens van schuld, schaamte, vernedering, frustratie, woede, hulpeloosheid en machteloosheid. Ook voelden de slachtoffers zich gegijzeld en in angst gehouden door de verdachte en is hun vertrouwen in het (veilig) gebruik van internet geschonden. Een en ander heeft geleid tot doorkruising (bij de minderjarige slachtoffers) van hun normale seksuele ontwikkeling en psychische klachten die noopten tot het ondergaan van therapie. Sommige slachtoffers zijn nog niet in staat zich onder behandeling te stellen. De gevorderde vergoeding van de immateriële schade is, aldus [mr. S.] en [mr. K.] , gebaseerd op feiten van algemene bekendheid, in een aantal gevallen (ook) op de verklaring van een therapeut en – voor wat betreft de onderverdeling in categorieën – een vergelijking met de normering in de uitspraak van dit hof in de Amsterdamse zedenzaak. Voor het overige is gewezen op de schade die elk slachtoffer afzonderlijk heeft geleden.

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht de vorderingen ten aanzien van de immateriële schade heeft toegewezen, gelet op de grote impact die het handelen van de verdachte op de psyche van de slachtoffers heeft gehad, welk handelen heeft geresulteerd in gevoelens van schaamte, afkeer van zichzelf, groot verdriet, stress, zelfmoordgedachten en handelingen als automutilatie.

De verdediging heeft het volgende betoogd. De advocaten van de benadeelde partijen hebben een indeling in categorieën gemaakt, zonder dat de immateriële schade op enigerlei wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld door verwijzing naar vergelijkbare zaken, de Smartengeldgids of de omstandigheden van de individuele slachtoffers. De vorderingen liggen dan ook in zoverre voor afwijzing gereed. Daarbij verdient opmerking dat de rechter in vergelijkbare – bij pleidooi genoemde – gevallen veel lagere bedragen heeft toegekend en de door de rechtbank in deze zaak toegekende bedragen disproportioneel hoog zijn. Het strafgeding leent zich niet voor een nader processueel debat over de hoogte van de vorderingen, zodat deze niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht de vergoeding voor de immateriële schade te matigen tot € 1.000, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag.

Het hof overweegt als volgt.

Op de vaststelling van de immateriële schade van de minderjarigen is (net als bij de materiële schade) het civiele recht van toepassing. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien:

a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had dergelijke schade toe te brengen, of

b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Niet aannemelijk is geworden noch door of namens de benadeelde partijen aangevoerd, dat bij een of meer van de slachtoffers sprake is van – rechtstreeks door de strafbare feiten veroorzaakt – lichamelijk letsel.

In die gevallen dat de verdachte kinderpornografische (webcam)afbeeldingen (foto’s en/of video’s) van slachtoffers – veelal jonge meisjes – onder derden heeft verspreid, behoeft het geen betoog dat de slachtoffers daardoor in hun eer of goede naam zijn aangetast. Daarnaast heeft de verdachte er ten aanzien van sommige slachtoffers – door zijn reactie op hun smeekbeden foto’s of video’s van hen niet (verder) te verspreiden – blijk van gegeven het oogmerk te hebben psychische schade toe te brengen aan die slachtoffers. Het hof memoreert hier de in de strafmotivering al genoemde uitlatingen van de verdachte: “all hell breaks loose for u .. no other deal possible … I can totally annihilate ur life” en “I will drive u to kill urself bitch. I go that far”.

Deze uitlatingen duiden erop dat de verdachte zich zeer wel bewust was van de ontwrichtende gevolgen van het (dreigen met het) verspreiden van kinderpornografische afbeeldingen voor het persoonlijke leven van de slachtoffers en hun functioneren. Het hof gaat er dan ook van uit de verdachte het oogmerk had immateriële schade toe te brengen aan alle slachtoffers die hij heeft gedreigd met het verspreiden van kinderpornografische afbeeldingen en/of van wie hij daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen heeft verspreid.

Voor wat betreft de situatie dat de slachtoffers “op andere wijze” in hun persoon zijn aangetast, overweegt het hof dat daarvoor in gevallen als de onderhavige niet is vereist dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Wel zal in beginsel moeten vaststaan dat de benadeelde geestelijk letsel van min of meer ernstige aard heeft opgelopen, waarvoor meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen ontoereikend is. Door of namens de benadeelde zullen in de regel voldoende concrete gegevens moeten zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische beschadiging is ontstaan. Dit neemt niet weg dat bij de vaststelling van de eventuele psychische schade ook overwegingen van meer algemene aard kunnen worden betrokken. Naar het oordeel van het hof is niet voor discussie vatbaar dat het zonder uitdrukkelijke toestemming van een slachtoffer maken of bezitten van digitale afbeeldingen van seksuele handelingen van het slachtoffer een enorme psychische impact heeft, onder meer vanwege de inbreuk op de seksuele integriteit van de slachtoffers, schaamtegevoelens ten opzichte van degenen die die afbeeldingen onder ogen kunnen krijgen en de angst dat die afbeeldingen in de toekomst (opnieuw) te zien zullen zijn op internet. Dit geldt in nog sterkere mate voor de slachtoffers van wie kinderpornografische afbeeldingen onder derden zijn verspreid of daarmee is gedreigd teneinde het slachtoffer te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam.

Aan deze overwegingen van meer algemene aard dienen naar het oordeel van het hof bij de beoordeling van de afzonderlijke vorderingen voor wat betreft de immateriële schade een zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

De verdediging heeft zich verzet tegen een indeling in categorieën van schadegevallen, zoals [mr. S.] en [mr. K.] hebben voorgesteld, op de grond dat de immateriële schade niet op enigerlei wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld door verwijzing naar vergelijkbare zaken, de Smartengeldgids of de omstandigheden van de individuele slachtoffers. Ten aanzien van de omstandigheden van de individuele slachtoffers overweegt het hof dat van verreweg de meeste slachtoffers een schriftelijke slachtofferverklaring en/of andere informatie voorhanden is. De Smartengeldgids kan weliswaar handvaten bieden bij het bepalen van de (hoogte van de) schadevergoeding, maar is geenszins bindend en de benadeelde partij is ook niet genoodzaakt daarnaar te verwijzen ter onderbouwing van de vordering. Ten aanzien van de “vergelijkbare gevallen” merkt het hof op dat de onderhavige zaak van zo bijzondere aard is dat vergelijkingen met andere – door de verdediging aangedragen – zaken mank gaan. Voorts belet geen rechtsregel in een zaak als de onderhavige gebruik te maken van een indeling in categorieën, zoals het hof ook in de Amsterdamse zedenzaak heeft gedaan. Leidend daarbij zijn de aard en de ernst van de gepleegde feiten. Door het bezitten van kinderpornografische afbeeldingen (artikel 240b Sr) is inbreuk gemaakt op het recht op het privéleven van het kind dat wordt beschermd in artikel 8 lid 1 van het EVRM. Dit klemt temeer bij de afbeeldingen die zijn verspreid onder derden; niet valt uit te sluiten dat sommige beelden langdurig zullen blijven bestaan op internet. Daarnaast is het dwingen van minderjarige meisjes tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam onder dreiging met verspreiding van eerder van hen gemaakte kinderpornografische afbeeldingen (artikel 246 Sr) te beschouwen als een ernstige inbreuk op hun persoonlijke en seksuele integriteit. In iets mindere mate geldt dit voor het bewegen van die meisjes tot dergelijke ontuchtige handelingen (artikel 248a Sr).

Een en ander brengt het hof tot de volgende categorieën:

  1. het bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 248a Sr): € 1.500;

  2. het pogen te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen onder dreiging met verspreiding van een of meer kinderpornografische afbeeldingen (artikel 246 jo 45 Sr): € 4.000;

  3. het verspreiden van een of meer kinderpornografische afbeeldingen (art. 240b): € 4.000;

  4. het dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen onder dreiging met verspreiding van een of meer kinderpornografische afbeeldingen (artikel 246 Sr): € 6.000;

  5. het (pogen te) dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen onder dreiging met verspreiding van een of meer kinderpornografische afbeeldingen (artikel 246 (jo 45) Sr) én het verspreiden van een of meer van dergelijke afbeeldingen (artikel 240b Sr): € 7.500.

Het hof merkt hierbij op dat dit de basisbedragen zijn die voor toewijzing in aanmerking komen als immateriële schade is geleden door de benadeelde partijen als gevolg van het in deze categorieën omschreven handelen van de verdachte. Van deze basisbedragen wijkt het hof af in die gevallen waarin de vordering in samenhang met de daaraan ten grondslag gelegde specifieke, persoonlijke feiten en omstandigheden van het slachtoffer daartoe aanleiding geven. Ten overvloede merkt het hof op dat, indien de desbetreffende vordering tot vergoeding van immateriële schade lager is dan het bedrag van de bijbehorende categorie, toewijzing van de vordering beperkt zal zijn tot het gevorderde, lagere bedrag.

Wettelijke rente

De benadeelden partijen hebben allen naast vergoeding van de geleden schade wettelijke rente gevorderd. Bij toewijzing van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode van de feiten waaruit die schade in het bijzonder is voortgevloeid (bij de minderjarige meisjes de misdrijven van 246 en 248a Sr). Bij toewijzing van vergoeding van materiële schade zal het hof de – al dan niet op een schatting gebaseerde – aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de dag dat deze schade is geleden. Indien enig aanknopingspunt voor de vaststelling van laatstgenoemde aanvangsdatum ontbreekt, zal het hof die bepalen op de datum van (indiening van) de desbetreffende vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

In de gevallen dat het hof de vordering tot schadevergoeding toewijst, zal het telkens ook de maatregel van artikel 36f Sr opleggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, met bevel tot toepassing van vervangende hechtenis indien de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting. Nu het totaal van het aantal dagen vervangende hechtenis op grond van artikel 60a Sr juncto artikel 24c Sr niet hoger mag zijn dan 365 dagen, zal het hof de vervangende hechtenis per (gedeeltelijk) toegewezen vordering beperken tot 14 dagen.

Vordering van de ouders van D2 (feiten 3 en 4)

De ouders van D2 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 6.450. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.250. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 6.250

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D2 als gevolg van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 6.250. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D2 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van haar te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen van D2 heeft verspreid. Hierdoor heeft D2 intense angsten ondervonden en heeft zij zelfmoord overwogen. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van de ouder van D3 (feit 6)

De ouder van D3 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 5.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 5.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D3 als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie b) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 5.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D3 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van haar te plaatsen op pornosites. D3 voelde zich daardoor erg bedreigd, schaamtevol en overal onveilig, had te kampen met zelfmoordgedachten en zag zich genoodzaakt Nederland te verlaten en bij haar vader in het buitenland te gaan wonen. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij dit slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard. In de bijzondere ernst en ingrijpendheid van de gevolgen van het handelen van de verdachte voor D3 ziet het hof aanleiding af te wijken van het basisbedrag in categorie b en het gevorderde integraal toe te wijzen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en de vordering conclusie van de advocaten-generaal.

Vordering van de ouders van D4 (feiten 7 en 8)

De ouders van D4 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.388. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.749. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) schoolgeld 2015/2016 € 235

c) schoolboekengeld 2015/2016 € 204

d) aanschaf nieuwe laptop € 249

e) immateriële schade € 1.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de algemene materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen).

Ten aanzien van de posten onder b) en c) heeft de verdediging betoogd dat het causale verband tussen die kostenposten en het bewezenverklaarde met betrekking tot D4 geen gegeven is en dat de vaststelling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding is, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, hetgeen tot afwijzing daarvan moet leiden. De aanschaf van een nieuwe laptop is naar het oordeel van de verdediging bij gebreke van causaal verband geen schade die voortvloeit uit het bewezenverklaarde, zodat de vordering ook op dit onderdeel voor afwijzing gereed ligt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. K.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat de inbeslaggenomen laptop uiteindelijk is teruggegeven, maar dat men die uit angst voor “digitale besmetting” niet meer durfde te gebruiken en heeft weggegooid, zodat de aanschaf van een nieuwe laptop in causaal verband staat met de aan de verdachte verweten feiten.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b), c) en d) Zoals het hof hiervoor heeft overwogen (zie onder het kopje Specifieke materiële schade) zijn de ouders ten aanzien van deze kostenposten niet te beschouwen als voeginggerechtigden, zodat zij in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Voor het geval zij wel voegingsgerechtigden zouden zijn, heeft het volgende te gelden.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de verklaring van de docente van D4 over de mate waarin zij kans had gemaakt haar opleiding binnen één jaar af te ronden in plaats van de gebruikelijke twee jaar en dat zij voldeed aan de eisen voor dat traject, onvoldoende is voor de vaststelling van het vereiste causale verband tussen de kosten onder b) en c) en de bewezenverklaarde feiten, zodat de vordering (ook) om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor zover de vordering ziet op de onder d) genoemde kosten, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vordering door de verdediging op dit punt en in aanmerking genomen dat de waarde van de oorspronkelijke laptop niet is onderbouwd.

ad e) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D4 als gevolg van het onder 7 en 8 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie a) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, van € 1.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D4 heeft bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam en hij haar een kinderpornografische afbeelding van zichzelf heeft gestuurd.

Vordering van de ouders van D6 (feit 11)

De ouders van D6 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 1.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D6 als gevolg van het onder 11 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie a) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D6 heeft bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waardoor zij depressieve klachten kreeg en in therapie is gegaan. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van D7 (feit 12)

D7 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 1.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D7 als gevolg van het onder 12 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie a) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 1.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D7 heeft bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam. Mede gelet op de slachtofferverklaring die D7 ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van D9 (feiten 14 en 15)

D9 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 11.870. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.670. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) reis- en verblijfskosten € 420,48

c) kosten voor therapie € 1.249,82

d) immateriële schade € 10.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen).

Ten aanzien van de overige kostenposten heeft de verdediging het volgende betoogd. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering voor wat betreft de gevorderde reis- en verblijfskosten nu dit proceskosten zijn en geen schade. Voor de vaststelling van de kosten van therapie is nader onderzoek nodig, waarvoor het strafgeding zich niet leent, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkverklaring in althans afwijzing van de vordering in zoverre. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. S.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat vaststaat dat D9 therapie heeft ondergaan en dat daaraan kosten waren verbonden.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) De reis- en verblijfskosten zien blijkens de gegeven toelichting op het bijwonen van de terechtzitting in eerste aanleg in mei 2016. Dit betreft derhalve kosten als bedoeld in artikel 592a Sv, zodat deze niet als schade zijn aan te merken en terzake dus evenmin de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr kan worden opgelegd. D9 is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering. Wel zal het hof de verdachte op de voet van artikel 592a Sv verwijzen in deze kosten.

ad c) Naar het oordeel van het hof kan als voldoende vaststaand worden aangenomen dat de door de psycholoog beschreven therapie (zeven consulten en een vier uur durend onderzoek) € 1.249,82 heeft gekost, zodat de vordering in zoverre voor vergoeding in aanmerking komt.

ad d) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D9 als gevolg van het onder 14 en 15 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie b) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 10.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D9 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeldingen van haar te verspreiden en hij dergelijke afbeeldingen aan haar zelf heeft gestuurd. Hierdoor kreeg D9 te kampen met angst en depressie, is zij in therapie is gegaan en is zij overmatig alcohol gaan drinken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij in 2017 opnieuw in therapie is gegaan en dat zij thans iets minder instabiel en zelfdestructief is dan voorheen. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast. In de bijzondere ernst en ingrijpendheid van de gevolgen van het handelen van de verdachte voor D9, ziet het hof aanleiding af te wijken van het basisbedrag in categorie b.

Vordering van D10 (feiten 16 en 17)

D10 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 4.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D10 als gevolg van het onder 16 en 17 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie f) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D10 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D10 te verspreiden en ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen heeft verspreid. Hierdoor is de relatie van D10 met haar ouders en oudere broers ernstig verstoord geraakt en schaamde zij zich zo erg dat voor haar gevoel haar leven voorbij was. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D12 (feit 20)

D12 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 7.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 7.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D12 als gevolg van het onder 20 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie d) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 7.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D12 heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam en daarbij heeft gedreigd een kinderpornografische afbeelding van haar te verspreiden. De hierdoor bij D12 veroorzaakte depressieve, angstige en paranoïde gevoelens leidden tot automutilatie, pesterijen op school en een zelfmoordpoging, die een ziekenhuisopname noodzakelijk maakte. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard. In de bijzondere ernst en ingrijpendheid van de gevolgen van het handelen van de verdachte voor D12 ziet het hof aanleiding af te wijken van het basisbedrag in categorie b en het gevorderde integraal toe te wijzen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en de vordering van de advocaten-generaal.

Vordering van D13 (feiten 21 en 22)

De ouder van D13 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 21.100. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) kosten studievertraging € 13.400

c) immateriële schade € 7.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Behandeling van vordering met betrekking tot de kosten van studievertraging is volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat het vereiste causale verband geen gegeven is en daarvoor nader onderzoek nodig is; dit moet in zoverre leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. S.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat in haar visie het causale verband (het hof begrijpt: tussen het bewezenverklaarde en de studievertraging) voldoende gegeven is.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Zoals het hof hiervoor heeft overwogen (zie onder het kopje Immateriële schade in het algemeen) zijn de ouders ten aanzien van deze kostenposten niet te beschouwen als voeginggerechtigden, zodat zij in zoverre niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

ad c) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D13 als gevolg van het onder 21 en 22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie b) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 7.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D13 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D13 te verspreiden en hij haar zelf zo’n afbeelding heeft gestuurd. Die handelingen hebben bij D13 geleid tot hechtingsproblematiek, pesterijen op school, behandeling en opname in een therapeutisch verzorgingstehuis. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast. In de bijzondere ernst en ingrijpendheid van de gevolgen van het handelen van de verdachte voor D13 ziet het hof aanleiding af te wijken van het basisbedrag in categorie b en het gevorderde integraal toe te wijzen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en de vordering van de advocaten-generaal.

Vordering van D14 (feiten 23 en 24)

De ouders van D14 hebben zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 4.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D14 als gevolg van het onder 23 en 24 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie f) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D14 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd seksueel getinte afbeeldingen van D13 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk zo’n afbeelding van D14 heeft verspreid. Dit veroorzaakte bij D14 wantrouwen in anderen, inclusief haar familie, gevoelens van angst, walging over zichzelf en de noodzaak tot begeleiding door Barnardo’s (het hof begrijpt: een Britse organisatie voor kinderen met problemen). Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D15 (feit 25)

De ouders van D15 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 5.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 5.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D15 als gevolg van het onder 25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie d) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 5.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D15 heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D15 te verspreiden. Dit veroorzaakte bij D15 verlies van vertrouwen in anderen, beperkingen in haar sociale leven, zich onbegrepen voelen door haar ouders en spijbelen. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van D16 (feiten 26 en 27)

D16 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.450. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.250. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 3.250

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D16 als gevolg van het onder 26 en 27 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 3.250. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D16 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D16 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen heeft verspreid. Die handelingen hebben bij D16 geleid tot behandeling/begeleiding door de Britse Children’s Services. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van D17 (feiten 28 en 29)

D17 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.368,62. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.868,62. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 500

b) aanschaf nieuwe laptop € 618,62

c) immateriële schade € 3.250

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen) en heeft benadrukt dat de (hoogte van de) vordering niet nader is onderbouwd. De aanschaf van een nieuwe laptop is volgens de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd, hetgeen moet leiden tot afwijzing van de vordering op dit punt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vordering door de verdediging op dit punt en in aanmerking genomen dat de waarde van de oorspronkelijke laptop niet is onderbouwd, komt de vordering op dit onderdeel niet voor toewijzing in aanmerking.

ad c) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D17 als gevolg van het onder 28 en 29 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie b) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 3.250. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D17 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D17 te verspreiden. D17 heeft dit ervaren als een afschuwelijke en weerzinwekkende situatie die haar humeurig, angstig en bezorgd maakte en waarover ze met niemand kon praten, waardoor ze in een sociaal isolement kwam te verkeren en is verwezen voor begeleiding/behandeling door “Children’s Social Care”. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D19 (feiten 32 en 33)

D19 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 7.807,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.607,65. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) kosten verslag therapeut € 107,65

c) immateriële schade € 7.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de kostenpost onder b) heeft de verdediging betoogd dat niet vaststaat dat de therapie rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde, hetgeen moet leiden tot afwijzing van de vordering op dit punt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. K.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat D19 door een arts en door een “mental health specialist” is gezien, dat zij die hulp heeft gehad tot 25 februari 2015 en dat zij daarna op een wachtlijst voor cognitieve gedragstherapie is geplaatst.

Het hof overweegt als volgt

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Deze kostenpost ziet op de vaststelling van de immateriële schade, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komt.

ad c) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D19 als gevolg van het onder 32 en 33 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 7.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D19 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D19 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen heeft verspreid. D19 heeft hierdoor te kampen gekregen met ernstige verslechtering van haar geestelijke gezondheid met onder andere paniekaanvallen, depressie, paranoia, automutilatie, suïcidale neigingen (en een suïcidepoging) en jarenlange therapie tot gevolg. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D22 (feiten 38 en 39)

De ouders van D22 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 5.200 (subsidiair € 3.700). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000. In hoger beroep heeft voeging tot een bedrag van € 4.200 (subsidiair € 2.700) plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 4.000 dan wel € 2.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D22 als gevolg van het onder 38 en 39 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D22 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D22 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk zo’n afbeelding heeft verspreid. Op grond hiervan neemt het hof aan dat D22 door het handelen van de verdachte in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D23 (feiten 40 en 41)

D23 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 5.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 5.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D23 als gevolg van het onder 40 en 41 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 5.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd D23 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij (impliciet) heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D23 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen heeft verspreid. D23 heeft hierdoor te kampen gekregen met gevoelens van extreme angst en depressiviteit, zelfhaat en zelfmoordgedachten waardoor het nodig was dat zij herhaaldelijk in therapie ging. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast

Vordering van D24 (feiten 42 en 43)

De ouders van D24 hebben zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 10.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 10.000

[mr. K.] heeft in de hoogte van de vordering onder b) de omstandigheid betrokken dat D24 een extra kwetsbaar slachtoffer betreft omdat zij in het verleden door haar vader is misbruikt en om die reden de vader en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn.

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen, mede op de grond dat het causale verband tussen de bij D24 geconstateerde stoornissen en het bewezenverklaarde niet valt vast te stellen omdat D24 in het verleden door haar vader is misbruikt.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D24 als gevolg van het onder 42 en 43 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie d) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 6.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D24 heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D24 te verspreiden. D24 heeft hierdoor te kampen gekregen met ernstige schuld- en schaamtegevoelens, verlies van vertrouwen in anderen en is zij doorverwezen naar therapie. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard. De omstandigheid dat D24 eerder door haar vader is misbruikt, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Overigens bevat het dossier onvoldoende gegevens voor enige juridische relevante vaststelling over dat misbruik, zoals is vereist naar de maatstaven van het civiele recht, zodat het hof geen hoofdelijke aansprakelijkheid zal aannemen en de vordering ten aanzien van immateriële schade zal afwijzen voor zover die het bedrag van € 6.000 te boven gaat.

Vordering van D25 (feit 45)

D25 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 2.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D25 als gevolg van het onder 45 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie d) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 2.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D25 heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D25 te verspreiden. D25 heeft hierdoor te kampen gekregen met grote angsten, gevoelens van schaamte en nachtmerries, welke gevolgen haar lange tijd ernstig hebben beperkt in haar gewone functioneren en sociale contacten. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van D29 (feit 52)

D29 heeft zich, door tussenkomst van [mr. K.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 7.700. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 7.500

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. K.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat D29 volgens haar therapeut klachten heeft die passen bij een slachtoffer van seksueel misbruik en dat de verdachte twee keer, met een tussenliggende periode van twee jaar, een video van D29 heeft gestuurd naar derden.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D29 als gevolg van het onder 52 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie b) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 7.500. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte geprobeerd heeft D29 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van D29 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk zo’n afbeelding van D29 heeft verspreid. D29 heeft hierdoor te kampen gekregen met gevoelens van schaamte, angst en wantrouwen en moeite met het aangaan van relaties, als gevolg waarvan zij stoornissen heeft ontwikkeld en langdurige therapie moest ondergaan. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast. In de bijzondere ernst en ingrijpendheid van de gevolgen van het handelen van de verdachte voor D29, ziet het hof aanleiding af te wijken van het basisbedrag in categorie b en een bedrag van € 7.500 toe te wijzen.

Vordering van D30 (feiten 53 en 54)

D30 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.950. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.750. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) therapie € 750

c) immateriële schade € 4.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen).

Ten aanzien van de kostenpost onder b) heeft de verdediging betoogd dat deze niet is onderbouwd met een factuur of ander bewijsstuk dat D30 in therapie is geweest en dat de vordering op dit onderdeel in wezen een forfaitair bedrag behelst, terwijl het bovendien mogelijk is dat een verzekering de kosten van de eventuele therapie dekt. Een en ander moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering op dit punt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

[mr. S.] heeft bij repliek nog aangevoerd dat de gevorderde kosten voor therapie zijn gebaseerd op een schatting en dat het hof bevoegd is materiële schade schattenderwijs vast te stellen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Op grond van het hierna onder c) overwogene staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat D30 therapie heeft ondergaan en dat de kosten daarvan op € 750 kunnen worden bepaald.

ad c) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D30 als gevolg van het onder 53 en 54 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte geprobeerd heeft D30 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd seksueel getinte afbeeldingen van D30 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen van D30 heeft verspreid. D30 heeft hierdoor te kampen gekregen met een ernstige depressie en suïcidale gedachten, waardoor opname in een psychiatrische instelling nodig was. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D31 (feiten 55 en 56)

D31 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 4.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D31 als gevolg van het onder 55 en 56 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte geprobeerd heeft D31 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd seksueel getinte afbeeldingen van D31 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen van D31 heeft verspreid. D31 heeft hierdoor te kampen gekregen met gevoelens van schaamte en angst en met obsessief-compulsief gedrag. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D32 (feit 57)

D32 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.950. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.750. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 1.750

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D32 als gevolg van het onder 57 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie c) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 1.750. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte een seksueel getinte afbeelding van D32 heeft verspreid. D32 kreeg hierdoor te kampen met gevoelens van angst, paranoia en eenzaamheid, provocerende berichten van veel personen die haar afbeelding op internet hadden gezien, verlies van vriendschappen, pesterijen, gedwongen verandering van school en het onvermogen nieuwe vrienden te maken. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D33 (feiten 58 en 59)

D33 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.200. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) immateriële schade € 4.000

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D33 als gevolg van het onder 58 en 59 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (dat valt in categorie e) rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van (minst genomen) € 4.000. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte geprobeerd heeft D33 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam, waarbij hij heeft gedreigd seksueel getinte afbeeldingen van D33 te verspreiden en hij ook daadwerkelijk dergelijke afbeeldingen van D33 heeft verspreid. D33 voelde zich hierdoor vernederd en te kijk gezet, zij voelde zich zeer angstig en vertrouwde steeds minder mensen, als gevolg waarvan zij therapie nodig had. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard en dat zij in haar eer en goede naam is aangetast.

Vordering van D37 (feit 64)

D37 heeft zich, door tussenkomst van [mr. S.] , in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 11.422,14. Hij is bij het vonnis waarvan beroep in die vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte van het op D37 betrekking hebbende feit is vrijgesproken. In hoger beroep heeft voeging tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering plaatsgevonden. Deze betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) algemene materiële kosten € 200

b) betalingen aan de verdachte € 10.322,14

c) immateriële schade € 900

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade verwezen naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt (zie hierboven onder het kopje Materiële schade in het algemeen). Ten aanzien van de kostenpost onder b) heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht maximaal € 500, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, toe te kennen.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) Zoals hierboven is overwogen, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de algemene materiële kosten.

ad b) Nu vaststaat dat D37 is opgelicht door de verdachte, waarbij D37 aan hem aanzienlijke bedragen heeft betaald en de verdediging de vordering op dit onderdeel niet heeft betwist, kan de vordering in zoverre worden toegewezen.

ad c) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat D33 als gevolg van het onder 64 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een, naar billijkheid bepaald, bedrag van € 900. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte D37 heeft bewogen tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag door zich eerst voor te doen als een minderjarige jongen en zo met D37 seksueel getinte communicatie aan te gaan en daarna zich voor te doen als de ouder van die jongen en te dreigen compromitterend materiaal van D37 te openbaren. D37 kreeg hierdoor te kampen met angstgevoelens en zelfmoordgedachten. Op grond hiervan neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte bij het slachtoffer heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard.

Vordering van [persoon C] (feit 69)

[persoon C] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.403,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat deze in hoger beroep wederom aan de orde is (de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd). De vordering betreft de volgende kostenposten (en de wettelijke rente):

a. a) betaalde huur en borg € 1.340

b) reiskosten i.v.m. tekenen huurovereenkomst € 27,66

c) reiskosten i.v.m. bezoek slachtofferhulp € 11,14

d) telefoonkosten € 25

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

ad a) en b) Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 69 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

ad c) De gevorderde reiskosten zijn geen rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51 f lid 1 Sr, zodat de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk is in de vordering. He hof zal de verdachte wel verwijzen in deze kosten op de voet van artikel 592a Sv.

ad d) Nu de vordering op dit onderdeel niet is betwist, zal deze worden toegewezen.

Vordering van [persoon I] (feit 70)

[persoon I] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 1.902. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat deze in hoger beroep wederom aan de orde is (de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd). De vordering betreft de volgende kostenpost (en de wettelijke rente):

a. a) betaalde borg en huur € 1.902

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 70 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

De beslissingen op de vorderingen zijn opgenomen in bijlage IV.

21 Schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot D28

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof ten behoeve van D28 de schadevergoedingsmaatregel oplegt op de grond dat uit het door D28 ingevulde formulier en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat zij als benadeelde partij een vordering had willen indienen. Voor de hoogte van het door de verdachte te betalen bedrag (aan vergoeding voor immateriële schade) hebben de advocaten-generaal aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde categorieën van [mr. S.] en [mr. K.] , hetgeen bij D28 neerkomt op een bedrag van € 4.000.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet aan het openbaar ministerie is zonder uitdrukkelijke toestemming van een benadeelde – welke toestemming bij D28 ontbreekt – een vordering in te dienen. Nu D28 mogelijk om haar moverende redenen heeft afgezien van het indienen van een vordering en onderzoek hiernaar is vereist, hetgeen niet past in het onderhavige strafgeding, moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het voor de verdediging onmogelijk is verweer te voeren tegen deze vordering zij omdat niet beschikt over enig schriftelijk stuk van D28, zoals de schriftelijke slachtofferverklaring en het door de advocaten-generaal genoemde formulier, zodat de vordering reeds om die reden moet worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer van de verdediging berust kennelijk op de veronderstelling dat het openbaar ministerie namens D28 als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Die veronderstelling is onjuist. De advocaten hebben slechts gevorderd dat het hof ter zake van door D28 geleden schade de schadevergoedingsmaatregel oplegt.

Het hof neemt aan, op grond van een door D28 in haar eigen land ingevuld formulier, dat D28 wel een vordering tot schadevergoeding had willen indienen. De reden waarom het indienen van die vordering achterwege is gebleven, is voor het hof niet relevant bij gebreke van enige aanwijzing voor de veronderstelling dat D28 geen prijs stelt op enige schadevergoeding van de verdachte.

Ook het ontbreken van de schriftelijke slachtofferverklaring van D28 in het dossier van de verdediging – welke verklaring zich overigens wel in het dossier van het hof bevindt – staat niet in de weg aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot D28. Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd D28 te dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen, waarbij hij heeft gedreigd kinderpornografische afbeeldingen van haar te verspreiden. Gelet op hetgeen het hof (bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen) in het algemeen heeft overwogen over de aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 onder b BW door gedragingen als die van de verdachte en over het oogmerk van de verdachte immateriële schade toe te brengen, neemt het hof aan dat het handelen van de verdachte (dat valt in de hiervoor genoemde categorie b) bij D28 heeft geleid tot geestelijk letsel van min of meer ernstige aard. Het hof bepaalt het schadebedrag naar billijkheid op € 4.000.

22 Beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn geld en een groot aantal goederen in beslag genomen, vermeld op de in eerste aanleg door de officieren van justitie als bijlage bij het requisitoir overgelegde beslaglijst. Ten aanzien van een deel van deze goederen is nog geen last tot teruggave gegeven, zodat het hof daarover op de voet van artikel 353 Sv een beslissing zal nemen. Op het inbeslaggenomen geld rust conservatoir beslag, zodat het hof daarover geen beslissing zal nemen.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben zich verenigd met de beslissingen die de rechtbank heeft genomen, met uitzondering van de beslissingen strekkende tot verbeurdverklaring van de all-in-one printer, de webcam, de usb-microfoon en de papierversnipperaar, vermeld op de beslaglijst onder de onderscheidenlijke door de rechtbank daaraan gegeven nummers 1, 4, 24 en 48. Ten aanzien van deze goederen hebben de advocaten-generaal zich (primair) op het standpunt gesteld dat deze onttrokken aan het verkeer moeten worden verklaard. Datzelfde hebben zij betoogd ten aanzien van de goederen vermeld onder de nummers 33, 38, 39, 40 en 41, waarvan de rechtbank de teruggave aan de verdachte heeft gelast.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht alle inbeslaggenomen goederen terug te geven aan de verdachte. Daarbij is erop gewezen dat het openbaar ministerie voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg zelf heeft voorgesteld een aantal gegevensdragers terug te geven aan de verdachte. Verder is gesteld dat de motivering van de vorderingen tot verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer onbegrijpelijk zijn. Meer in het bijzonder heeft de verdediging nog het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de all-in-one printer: in het geheugen van de printer is niets aangetroffen wat is te linken aan deze zaak.

Ten aanzien van de usb-microfoon: de verdachte gebruikte deze voor muziekopnames, terwijl stemvervorming met alle microfoons kan worden gerealiseerd.

Ten aanzien van de desktopcomputer: de aangetroffen software voor een virtuele webcam op de eerste harde schijf van de computer is gratis en kan legaal worden gedownload; de op de tweede harde schijf aangetroffen versleutelde RAR-bestanden met muziek hebben niets met de aanklachten te maken. Verder is aangevoerd dat de verdachte de computer na zijn vrijlating nodig zal hebben om zijn leven op gang te krijgen.

Beoordeling door het hof

De goederen waarvan de rechtbank de teruggave aan de verdachte heeft gelast, betreffen verschillende pasfoto’s van de verdachte, drie in een vuilniszak aangetroffen tissues en twee niet nader omschreven gezichtsmaskers.133

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat zich tegen teruggave van deze goederen aan de verdachte geen belang van strafvordering verzet. Het argument van de advocaten-generaal dat de maskers geschikt zijn om onherkenbaarheid te verkrijgen, hetgeen onderdeel is van de modus operandi van de verdachte, acht het hof niet overtuigend, nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat de verdachte deze of andere maskers op enig moment heeft gebruikt in relatie tot enig strafbaar handelen. Het argument van de advocaten-generaal dat de tissues bruikbaar zijn voor eventuele contra-expertise, nu het DNA van de verdachte daaruit reeds is verwerkt, beschouwt het hof niet als redengevend voor de onttrekking aan het verkeer van deze tissues.

Ten aanzien van het paspoort op naam van de verdachte, waarvan de geldigheidsduur inmiddels is verlopen, bepaalt het hof dat dit wordt teruggegeven aan de uitgevende instantie.

Ten aanzien van de overige op de beslaglijst vermelde goederen, waaronder computers, gegevensdragers, een all-in-one printer, telefoons, webcam, wifi-richtantenne, microfoon, papierversnipperaar en diverse met de bewezenverklaarde feiten in verband staande bescheiden zal het hof bepalen dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Op grond van de inhoud van het dossier en de daaruit blijkende werkwijze van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte deze als gezamenlijkheid van voorwerpen aan te merken goederen heeft gebruikt bij het plegen van die feiten. Hij heeft deze gezamenlijkheid van voorwerpen dus aangewend tot een misdadig doel en redelijkerwijs is te verwachten dat deze bij teruggave door hem opnieuw op een dergelijke wijze zullen kunnen worden gebruikt. Daarom is deze gezamenlijkheid van voorwerpen naar het oordeel van het hof van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dat de usb-microfoon en de desktopcomputer ook gebruikt kunnen worden op een niet met de wet of het algemeen belang strijdige wijze, doet aan het vorenstaande niet af. Wat betreft de all-in-one printer zij hier in reactie op het betoog van de verdediging opgemerkt dat deze in de woonkamer is aangetroffen met op de glasplaat kopieën van een legitimatiebewijs op naam van [naam 7] en in de printer een brief van Moneybookers met daarop de naam [persoon B] .134 Bij die stand van zaken hoeft, gelet op het bewezenverklaarde, niet ook nog in het geheugen van de printer iets te zijn aangetroffen dat duidelijk maakt dat de verdachte van deze printer gebruik heeft gemaakt om zijn misdadige doel te verwezenlijken.

De beslissingen over de inbeslaggenomen voorwerpen zijn opgenomen in Bijlage V.

23 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 138ab (oud), 139d (oud), 225, 240b, 246, 248a, 318 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

24 BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5, 44, 48 en 50 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de feiten

63 primair, 64 primair, 65 primair en 66 primair.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 15 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 6 primair, 7, 8, 9, 10 primair, 11, 12, 13, 14, 15 subsidiair, 16, 17 primair, 18, 19 primair, 20 primair, 21, 22 primair, 23, 24 primair, 25 primair, 26, 27 primair, 28, 29 primair, 30, 31 primair, 32, 33 primair, 34, 35 primair, 36, 37 primair, 38, 39 primair, 40, 41 primair, 42, 43 primair, 45 primair, 46, 47 primair, 49 primair, 51 primair, 52 primair, 53, 54 primair, 55, 56 primair, 57, 58, 59 primair, 60, 61 primair, 62 primair, 63 subsidiair, 64 subsidiair, 65 subsidiair, 66 subsidiair, 67, 68, 69, 70, 71 en 72 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren en 243 (tweehonderdendrieënveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Benadeelde partijen

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen tot de bedragen als genoemd in de aan dit arrest gehechte bijlage IV.

Wijst de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade voor het overige af.

Wijst de vordering van D17 tot vergoeding van materiële schade voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen ten aanzien van geleden algemene materiële schade.

Vermeerdert de toegewezen vorderingen met de wettelijke rente vanaf de datum zoals in voormelde bijlage vermeld tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de D9 gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 420,48.

Veroordeelt de verdachte in de door de [persoon C] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 11,14.

Legt aan de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen, zoals vermeld in de als bijlage IV aan dit arrest gehechte lijst.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer D28, ter zake van het onder 51 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) bestaande uit immateriële schade.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt, dat hechtenis zal worden toegepast van 14 dagen per toegewezen vordering, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde verplichtingen tot betaling, daarmee de andere is vervallen.

Beslag

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in bijlage V genoemde voorwerpen met volgnummers

1. tot en met 7, 9 tot en met 32, 34 tot en met 37, 42 tot en met 48.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in bijlage V genoemde voorwerpen met de volgnummers 33, 38 tot en met 41.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het in bijlage V genoemde voorwerp met volgnummer 8.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.M. van Woensel en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van

mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 december 2018.

1 Een van de meisjes, D25, was 18 jaar en dus meerderjarig ten tijde van het tenlastegelegde. Haar meerderjarigheid zal in het vervolg van het arrest niet meer als zodanig worden benoemd.

2 p. A1-71.

3 BM B3.42.

4 p. B02 27 Tapgesprekgegevens van 1 december 2013 12:10 uur “Goedemiddag met het GWK [plaats 2] ” “Ik ben [verdachte] , kan ik vandaag een Western Union transactie komen ophalen? Dan kom ik straks langs”.

5 p. B02 166.

6 Proces-verbaal, p. A01 1169-1180.

7 Proces-verbaal, p. A01 1200-1201.

8 Proces-verbaal, p. A01 1169-1180 en proces-verbaal, p. A01 1200-1201.

9 Proces-verbaal, p. A01 1169-1180 en proces-verbaal, p. A01 1509.

10 Proces-verbaal, p. A01 1517.

11 Proces-verbaal, p. A01 1200-1201.

12 Proces-verbaal, p. A01 2376-2377.

13 Proces-verbaal, p. A01 1452-1453.

14 Proces-verbaal, p. A01 2376-2377.

15 Conformiteitsverklaring, p. A01 1181, Keuringsrapport OVC, p. A01 1493.

16 Proces-verbaal, los bijgevoegd in ordner RC-verhoren.

17 Een proces-verbaal van 28 maart 2018, p. A01 2825-2826.

18 p. B03 184-186.

19 p. A01 2431.

20 p. A01 688-702.

21 A01-419-424 proces-verbaal van 28 maart 2014. De woning van de verdachte, [park B] , werd onder leiding van de rechter-commissaris mr. Jobsis doorzocht zonder dat de bewoner aanwezig was op 21 december 2013 en 22 december 2013. De doorzoeking werd gesloten op 23 december 2013. Op 21 december 2013 werd het volgende aangetroffen: (..) in slaapkamer 2 onder het matras: een paspoort voorzien van nummer [nummer] op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats 2] , geldig van 2 juli 2009 tot 2 juli 2014 (p A01 322).

22 p. D9 469-471.

23 Een proces-verbaal van 6 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) (p. C01 128). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisant(en), zakelijk weergegeven: In het onderzoek is de beheerder van [straat 3] gehoord. Zij verklaarde dat [straat 3] 209 en [straat 3] 162 verhuurd zijn geweest aan een persoon die opgaf te zijn [naam 7] . Een proces-verbaal van 10 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) (p. C01 147). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisant(en), zakelijk weergegeven: Om in contact te komen met D9 is in januari 2012 onder meer IP-adres [ip-adres B] gebruikt. Dit IP-adres stond in januari 2012 geregistreerd op het adres [straat 3] 101 ten name van [persoon J] . Deze bungalow ligt op ongeveer 60 meter van bungalow 209 waar jij hebt verbleven van 27 februari 2011 tot 17 maart 2012. Volgens de eigenaar zat er geen internetaansluiting in die bungalow.

24 BM Algemeen 2.

25 Een proces-verbaal van 18 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) (p. B04 40-84). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisant(en), zakelijk weergegeven: -Onderzoek Skrill-account [persoon B] . Naam: [persoon B] , postadres [straat 3] , registratiedatum: 27 september 2011 Om dit account te openen is een polis van zorgverzekeraar VGZ Aangeleverd met dezelfde gegevens. -Onderzoek Skrill-account [persoon D] . Naam: [persoon D] , postadres [straat 3] , registratiedatum: 21 september 2011. Om dit account te openen is een polis van zorgverzekeraar VGZ aangeleverd met dezelfde gegevens.

26 BM D35.4, 35.6, 37.2, 37.3, 37.4, 37.5, 38.3, 38.4, 39.2, 39.6, 39.7 en 39.8.

27 p. B02 27 Tapgesprekgegevens van 1 december 2013 12:10 uur “Goedemiddag met het GWK [plaats 2] ” “Ik ben [verdachte] , kan ik vandaag een Western Union-transactie komen ophalen? Dan kom ik straks langs”.

28 BM 35.6.

29 BM Algemeen 1.

30 BM Algemeen 11.

31 BM Algemeen 2.

32 BM Algemeen 9.

33 BM Algemeen 9.

34 BM Algemeen 13 en 14.

35 BM Algemeen 7 tot en met 20.

36 p. D9 640.

37 BM Algemeen 8.

38 BM D31-161 chat [naam 20] is [naam 15] is [e-mail naam 22] .

39 BM Algemeen 16 en 17.

40 BM Algemeen 7.

41 BM Algemeen 9. en D11-122 – D11-142.

42 User [X] .

43 User ID [Y] .

44 BM Algemeen 8.

45 BM Algemeen 7 tot en met 10.

46 BM D39.

47 BM D11.2.

48 BM Algemeen 7.

49 BM Algemeen 13.

50 Zie D23.

51 Zie D15.

52 BM Algemeen 14 en 15.

53 BM Algemeen 10.

54 Zie BM D9.

55 p. A01 55.

56 p. A01 1038-1040.

57 p. C01 50 Een proces-verbaal van 14 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven: “Ik heb geen auto, alleen een fiets”.

58 Uit het algemeen toegankelijke Google maps blijkt dat deze afstanden met de fiets tussen 45 minuten en een uur worden afgelegd.

59 p. B03 88. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

60 p. D09 13. Zie ook (het bewijs van) de feiten 67 en 68.

61 BM Algemeen 3.

62 Een proces-verbaal van 18 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) (p. A01 2850). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisant(en), zakelijk weergegeven: Verbalisanten: “hoe vaak bent u op [park B] geweest?” [persoon E] : “ik ben daar een stuk of tien keer geweest. [voornaam verdachte] heeft daar een jaar of 2,3 of 4 gewoond”.

63 BM Algemeen 9.

64 OI013.04.01.005 chats met D1, D3, D4, D05 ,D6, D7, D8, D12, D15, D16, D18, D21, contactlijsten [variant 3 naam 1] en 4.

65 Het hof verwijst hierbij telkens naar de bewijsmiddelen die bij de desbetreffende D-dossiers zijn vermeld.

66 BM Algemeen 6a.

67 BM Algemeen 6a. tot en met 6c.

68 BM Algemeen 6c.

69 Zie telkens per D de Bewijsmiddelen hof (hierna: BM) per D: bijvoorbeeld BM D1.1 tot en met D1.12.

70 BM D1.3.

71 BM D1.1.

72 BM D1.10.

73 BM D1.11.

74 BM D1.12 en D1.13.

75 BM D2.1.

76 BM D2.3 en D2.4.

77 BM D2.5 en D2.6.

78 BM D3.2.

79 BM D3.5/ bijlage bij het pvb.

80 BM D3.5.

81 BM D3.4.

82 BM D4.1 tot en met D4.4.

83 Dit geldt voor alle verweren van de verdediging die reeds door het hof waren verworpen op genoemde data.

84 BM D5.1 tot en met D5.3.

85 Informatief gesprek met D6 op 2 juni 2014. D6 dossier Bijlage 8, p. D8 76-77. Aantreffen bestanden op de laptop van de verdachte: D5 dossier, Bijlage 5 p D6 53-54.

86 BM D6.5.

87 Proces-verbaal van verhoor van de vader van D7 op 20 november 2014 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

88 BM D7.1: de verklaring van D7 en het proces-verbaal van verhoor van D7 bij de rechter-commissaris op 20 november 2014, waar zij (op p. D7 135) antwoordt dat zij de verhoren bij de politie moeilijk vond, met name om alles op te biechten. Zij heeft daar 5 à 6 uur gezeten omdat ze niets wilde zeggen. Voorafgaand aan het verhoor bij de rechter-commissaris heeft D7 weer gehuild.

89 BM D7.1.

90 BM D7.2.

91 BM D8.1.

92 BM D8.3.

93 BM D8.4.

94 BM D8.2.

95 BM D8.2.

96 BM D9.1.

97 BM D9.2.

98 BM D9.10

99 BM D9.4 en D9.5.

100 Zie ook hiervoor: BM D1.11.

101 D10.3.

102 D10.2.

103 D10.4.

104 Zie bij voorbeeld D1, D2 en D4.

105 Van bijvoorbeeld D21, D23, D29, D30 en D34 werden ook ‘shows’ voor de webcam verlangd.

106 D1, D2, D21, D30, D35, D38.

107 Zie p. D19 5 en de bewijsvoering in de zaken betreffende D2, D16 en D36.

108 Zie bijvoorbeeld D3, D9, D10, D31.

109 Zie p. D16 417.

110 [variant 3 naam 19] , [variant 2 naam 19] , [e-mail variant 1 naam 16] .

111 Zie algemene overwegingen en bewijsmiddel Algemeen 9 en 17 en bijvoorbeeld D2, D5, D9, D11, D18, D20, D23, D25.

112 BM D23.4.

113 BM D23.7.

114 BM D23.6.

115 BM D23.1 tot en met D23.8.

116 BM 23.6.

117 BM D24.6.

118 BM D24.3 en D24.5.

119 BM D24.6.

120 BM D26.3.

121 BM D2.2. Op 29 juni 2013: een email van [e-mail naam 42] van [naam 47] , die de moeder van D2 benaderde namens groep ouders wier kinderen slachtoffer waren van internetpedofielen.

122 BM D2.4 Op 29 juni 2013 heeft [variant 19 naam 1] aan een 12 jarig neefje van D2 op Facebook gevraagd haar toe te voegen op Facebook. Zo niet: dan zouden naaktfoto’s van D2 worden verspreid. Naaktfoto’s D2 zijn meegezonden. Op 18 juli 2013 zijn via Facebook vier verschillende foto’s van D2 verzonden naar haar ouders, zus en een tante.

123 Het account ‘ [naam 36] ’ heeft naast D26 contact gehad met D16 en D17.

124 BM D26.4.

125 BM D28.4.

126 BM D28.6 en 28.5.

127 BM D29.1 tot en met D29.3.

128 BM 31.4.

129 BM D32.1

130 Zie ook: BM Algemeen 9.

131 BM D34.3

132 BM D34.1

133 Proces-verbaal, p. A02 0020.

134 Proces-verbaal, p. A01 421.