Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:462

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
001421-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

art. 591a Sv - sepot - onschuldpresumptie : De rechtbank heeft het verzoek van appellante afgewezen en daartoe mede gemotiveerd dat in casu geen sprake is van een zaak die, indien tot (verdere) vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel. Het hof is van oordeel dat deze motivering niet in lijn is met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot de onschuldpresumptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 001421-17 (591a Sv HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 15-163379-15

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 28 augustus 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[appellante],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. R.P.M. Kocken, [adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 393,25 ter zake van de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer.

Het verzoekschrift strekt voorts tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek.

2 Procesverloop

Het hoger beroep is op 5 september 2017 ingesteld door verzoekster (hierna: appellante).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 22 december 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier volgt dat in en rond de woning van verdachte rond de 95 hennepplanten zijn aangetroffen. Appellante heeft verklaard dat zij wist dat haar zoon in en rond de woning hennep kweekte. De hennep zou voor eigen gebruik zijn van haar zoon en voor haar zelf, als medicinale hennep.

De strafzaak tegen verdachte is geseponeerd.

De rechtbank heeft het verzoek van appellante afgewezen en daartoe mede gemotiveerd dat in casu geen sprake is van een zaak die, indien tot (verdere) vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel.

Het hof is van oordeel dat deze motivering niet in lijn is met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot de onschuldpresumptie en zal de beschikking daarom vernietigen.

Anders dan appellante, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak. Appellante wist immers dat in en rond haar woning hennep werd gekweekt en heeft dit zo gelaten. Appellante heeft ook moeten begrijpen dat bij ontdekking van de kwekerij een opsporingsonderzoek zou plaatsvinden waarin zij betrokken zou worden. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand gedurende het opsporingsonderzoek voor risico van appellante dienen te blijven.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. M.J.A. Plaisier, A.M. Ruige en M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 19 januari 2018.