Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2018:4619

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
23-002086-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair bewijsuitsluiting.

Verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een grove schending van een ongeschreven vormvoorschrift, namelijk dat in casu opzettelijk een proces-verbaal onjuist is opgemaakt.

Het hof overweegt dat de bewoordingen van de schriftelijke weergave die de raadsman heeft gemaakt van de geluidsopname, afkomstig van de telefoon van de verdachte niet overeenkomen met de uitlatingen die de verbalisanten hebben gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat het proces-verbaal opzettelijk vals is opgemaakt, althans de betrouwbaarheid in twijfel te trekken. Immers, de gemaakte geluidsopname duurt slechts 34 seconden en is aanzienlijk korter dan de tijdspanne die in het proces-verbaal is opgenomen. Bovendien valt niet vast te stellen op welk moment in deze tijdspanne de geluidsopname is gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002086-17

datum uitspraak: 7 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-074849-17 tegen

[naam] ,

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

(post)adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2018.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 21 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], beide werkzaam als agent bij de Nationale Politie, meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], dreigend de woorden toegevoegd :"ik schiet jou dood" en/of "ik schiet je door je hoofd", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 21 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], beide werkzaam als agent bij de Nationale Politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen:

- " jullie zijn kankernazi's" en/of

- " laat me los stelletje kankerlijers" en/of

- " ik pak je bij je lul vieze kankerhomo. Ik weet dat je dat lekker vindt" en/of

- " julie zijn kankerhomo's Jullie zijn vieze kankerflikkers",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Overwegingen

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens een vormverzuim. Volgens de verdediging is sprake van grove schending van een ongeschreven vormvoorschrift, namelijk het opzettelijk onjuist opmaken van het proces-verbaal. Subsidiair heeft hij bepleit dat het proces-verbaal om die reden moet worden uitgesloten van het bewijs. Meer subsidiair is betoogd dat het proces-verbaal onvoldoende betrouwbaar is en terzijde moet worden geschoven. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte een deel van hetgeen voorafgaand en tijdens zijn aanhouding heeft plaatsgevonden heeft opgenomen via een app op zijn telefoon en dat de opname niet overeenkomt met hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feitelijke toedracht af. Op 21 april 2017 is de verdachte door toedoen van een fietser met zijn bromfiets ten val gekomen. Op het moment dat de verdachte met zijn verzekeringsmaatschappij stond te bellen, is een passerende politiewagen gewenkt door een persoon op straat waarbij deze persoon aangaf dat hij de gevallen man niet vertrouwde. Hierop zijn de verbalisanten te hulp geschoten en hebben zij de verdachte aangesproken. Het contact tussen de verbalisanten en de verdachte is geëscaleerd en de verdachte is na een aantal waarschuwingen aangehouden.

Ten aanzien van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer overweegt het hof als volgt. De bewoordingen van de schriftelijke weergave die de raadsman heeft gemaakt van de geluidsopname, afkomstig van de telefoon van de verdachte, komen niet overeen met de uitlatingen die de verbalisanten hebben gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding. Dit is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om te concluderen dat het proces-verbaal opzettelijk vals is opgemaakt, althans om de betrouwbaarheid van het volledige proces-verbaal in twijfel te trekken. Immers, de gemaakte geluidopname duurt slechts 34 seconden en is aanzienlijk korter dan de tijdspanne die in het proces-verbaal is gerelateerd. Bovendien valt niet vast te stellen op welk moment in deze tijdspanne de opname is gestart. De stelling van de raadsman dat de opname is gestart op het moment waarover halverwege pagina 10 van het proces-verbaal wordt gerelateerd, berust enkel op de verklaring van de verdachte. Het hof verwerpt de verweren.

Het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario, waarin de verdachte onder andere stelt te zijn gemarteld, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 21 april 2017 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beide werkzaam als agent bij de Nationale Politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], dreigend de woorden toegevoegd :"ik schiet jou dood" en "ik schiet je door je hoofd", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op 21 april 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], beide werkzaam als agent bij de Nationale Politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

- " jullie zijn kankernazi's" en/of

- " laat me los stelletje kankerlijers" en/of

- " ik pak je bij je lul vieze kankerhomo. Ik weet dat je dat lekker vindt" en/of

- " jullie zijn kankerhomo's Jullie zijn vieze kankerflikkers",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,-, te vervangen door 10 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten. Na meerdere waarschuwingen, waarop de verdachte is aangehouden, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van deze verbalisanten. Door zijn handelen heeft de verdachte de integriteit van de slachtoffers geschonden en aldus blijk gegeven van onvoldoende respect voor de politiefunctionarissen in kwestie, die slechts hun werk deden.

Het hof is van oordeel dat aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten geen recht wordt gedaan door te volstaan met een volledig voorwaardelijke geldboete, zoals door de rechtbank is gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. M.E. Hinskens - van Neck, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 augustus 2018.

mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.